Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 83

Chapter 834,066 wordsPublic domain

Toen de dag aanbrak nam de storm nog in hevigheid toe. Ik was wel te Yarmouth geweest als de zeelieden zeiden dat het ruw weer was, maar iets dergelijks had ik nog nooit bijgewoond, zelfs in de verste verte niet. Na elken voet grond als het ware betwist te hebben, kwamen wij laat te Ipswich aan en vonden daar op de markt het grootste gedeelte van de inwoners bijeen, die des nachts waren opgestaan omdat zij zich in hunne huizen niet veilig waanden. Sommigen kwamen bij ons in de herberg, terwijl wij van paarden verwisselden, en vertelden ons van groote bladen zink, die van den kerktoren waren afgewaaid en in eene achterstraat terechtgekomen zoodat deze thans geheel versperd was. Anderen vertelden van landlieden, die van buiten naar de stad waren gekomen en groote boomen hadden gezien, die uit den grond waren gerukt, en geheele hooibergen over velden en wegen verspreid. En nog steeds nam de storm in hevigheid toe.

Terwijl wij voortworstelden in de richting van de zee, proefden wij reeds op grooten afstand het schuim en werden ons de zoute droppelen in het gezicht gejaagd. In den omtrek van Yarmouth stond het vlakke land mijlen in het rond onder water en toen wij de zee in het oog kregen, teekenden de golven zich tegen den horizon af als een verafgelegen kust met torens en gebouwen. De menschen in Yarmouth kwamen naar buiten, voorovergebogen en met verwilderde haren en betuigden hunne verbazing dat de postwagen in zulk noodweer nog was aangekomen.

Ik stapte in de oude herberg af en ging naar het strand om de zee te zien; voortwaggelend door de straten, die met zand en zeewier waren bedekt, terwijl ik telkens gevaar liep door vallende pannen of leien getroffen te worden en mij op de hoeken der straten aan de menschen, die ik tegenkwam, moest vasthouden evenals zij aan mij. Toen ik op het strand kwam zag ik niet alleen de schippers maar de halve bevolking op den uitkijk staan, verscholen achter alles wat eenigszins eene schuilplaats kon aanbieden; sommigen trotseerden nu en dan den woedenden storm om naar de zee te zien en werden, wanneer zij wilden terugkeeren, geheel uit den koers gewaaid.

Toen ik mij bij een dier groepjes voegde, vond ik jammerende vrouwen, wier echtgenooten op de haring- of oestervangst waren, en die terecht vreesden, dat er geen gelegenheid geweest was om de booten in veiligheid te brengen; oude, grijze zeelieden, die bedenkelijk het hoofd schudden, terwijl zij van de zee naar de lucht keken en onverstaanbare woorden onder elkander mompelden; reeders in angstige spanning; kinderen, die samenschoolden en de ouderen naar de oogen keken; stoute zeelieden, die met angst en onrust op het gelaat hunne kijkers op de zee richtten alsof zij een vijand bespiedden.

Wanneer ik tusschen de stormvlagen en de rondvliegende steenen en zandwolken door een oogenblik de oogen kon open houden, ontstelde ik telkens weder van de ontzagwekkende zee. Het scheen wel of de aanrukkende golven, die, wanneer ze haar toppunt bereikt hadden, schuimend neerploften, de geheele stad zouden bedelven; zij beukten het strand en groeven met één slag reusachtige holen in het zand, alsof zij de aarde wilden ondermijnen. Wanneer de wit gekuifde baren donderend kwamen aanrollen en eer zij het land bereikten, vaneen sloegen, scheen elk gedeelte nog de woedende kracht te behouden van het geheel en snelde het voort, om met andere golfgevaarten tot één afschrikwekkend monster saam te smelten. Golvende heuvelen werden plotseling in diepe ravijnen, ravijnen, waarboven nu en dan een stormvogel heengierde, in heuvelen herschapen; ontzaglijke massa's water vielen dreunend neder op het strand; in de grilligste vormen rolden de golven voort, alles op haar weg vernielend en medesleurend, om eindelijk, na tallooze malen van vorm te hebben verwisseld, op het strand te pletter te slaan; de kust, welke in mijne verbeelding aan den horizon verrezen was, verdween met zijn torens en gebouwen om in het volgende oogenblik weder te verrijzen; woest joegen de wolken op en over elkander voort; de gansche natuur scheen in een onstuimigen kampstrijd gewikkeld.

Aangezien ik Ham niet vond onder hen, die deze gedenkwaardige storm—volgens menschenheugenis de zwaarste die ooit op deze kust heeft gewoed—had bijeengebracht, begaf ik mij naar zijne woning. Deze was gesloten en toen niemand op mijn kloppen antwoordde, ging ik door achterstraatjes en stegen naar de werf waar hij werkte. Ik vernam daar dat hij naar Lowestoft was vertrokken ten einde iets aan een schip te kalefateren, dat aan zijne bekwame hand bijzonder was toevertrouwd; hij kon den volgenden morgen vroegtijdig terug zijn.

Ik keerde terug naar de herberg en na vergeefs getracht te hebben wat te slapen, maakte ik mijn toilet in orde. Het was toen reeds vijf uur in den namiddag. Ik had nog geen vijf minuten bij den haard in de gelagkamer gezeten, toen de bediende, die het vuur wat kwam opstoken, mij met eenige verontschuldigingen, omdat hij mij aansprak zonder daartoe uitgenoodigd te zijn, vertelde dat op eenige mijlen van de kust twee kolenschepen met man en muis waren vergaan en dat men nog meer schepen op de reede had gezien, die wanhopende pogingen deden om van de kust af te blijven. „De Hemel zij hen en alle arme schepelingen genadig, indien wij nog een dergelijken nacht moesten beleven!”

Ik was zeer terneergeslagen en voelde mij erg eenzaam, terwijl ik mij geheel noodeloos ongerust maakte over de afwezigheid van Ham. De jongste gebeurtenissen hadden mij meer aangegrepen dan ik zelf wist en het langdurige staan in dien hevigen wind had mij geheel van streek gebracht. Mijne gedachten en mijn geheugen waren zoo verward dat ik het juiste begrip van tijd en afstand scheen verloren te hebben. Ware ik de stad ingegaan, dan zou het mij b.v. niets verbaasd hebben, indien ik iemand ware tegengekomen, die op dat oogenblik in Londen zijn moest. Ik kan daarvoor geen betere uitdrukking vinden dan dat mijn geest aan eene zonderlinge onoplettendheid lijdende was; toch was ik vervuld met al de herinneringen, die het plaatsje natuurlijk bij mij opwekte en deze waren zelfs bijzonder duidelijk en levendig. In dezen toestand bracht ik het treurig bericht, dat de bediende mij meedeelde, onmiddellijk en zonder dat mijn wil daarop eenigen invloed had, in verband met mijne ongerustheid over Ham. De vrees kwam bij mij op dat hij over zee van Lowestoft zou zijn teruggekeerd en nu verloren was en deze vrees nam zulke groote afmetingen aan, dat ik besloot nog voor het middagmaal naar de werf te gaan en den scheepsbouwmeester te vragen of hij mijne onderstelling waarschijnlijk achtte. Indien dat zoo was, wilde ik zelf naar Lowestoft gaan en hem van dat roekelooze plan terughouden door hem mede te brengen.

Haastig bestelde ik het middagmaal en ging naar de werf, waar ik nog juist bijtijds aankwam, want de meesterknecht was bezig met een lantaarn in de hand de poort te sluiten. Hij lachte mij hartelijk uit toen ik hem de vraag deed en zei dat daarvoor niet de minste vrees bestond; niemand, hetzij hij zijn verstand gebruikte of niet gebruikte, zou in zulk een noodweer zich op zee wagen. Ham Peggotty zeer zeker niet, want die was een geboren zeeman. Ik had dit vooraf zoo goed geweten dat ik mij schaamde de vraag gedaan te hebben. Toch had ik het niet kunnen laten. Ik keerde dus naar de herberg terug.

Indien zulk een storm nog heviger worden kon dan geloof ik dat het ditmaal het geval was. Het gehuil en gebulder, het rammelen van de deuren en vensters, het loeien in de schoorsteenen, het schijnbare slingeren van het huis, waarin ik eene schuilplaats gevonden had, het ontzettend, aanhoudend rumoer om mij heen, dat alles was nog angstverwekkender dan 's morgens. Bovendien heerschte er op dit oogenblik volslagen duisternis, waardoor de wezenlijke en ingebeelde gevaren nog grooter werden.

Ik kon niet eten, ik kon niet stil zitten, ik kon mij met niets bezighouden. Er was iets in mij, dat eenigszins overeenstemde met den storm, iets dat rondwoelde in mijne herinneringen, maar toch traden telkens de storm en mijne ongerustheid over Ham weder op den voorgrond.

Mijn middagmaal werd bijna onaangeroerd weggenomen en ik trachtte mij door het gebruik van een paar glazen wijn een weinig op te frisschen. Vergeefsche poging! Ik viel voor den haard in een doffe sluimering doch bleef mij bewust zoowel van het geraas buiten als van de plaats, waar ik mij bevond. Beide werden echter overschaduwd door een nieuw en onverklaarbaar gevoel van angst, en toen ik ontwaakte of liever mij losrukte uit den toestand van bedwelming, die mij aan mijn stoel had gebonden, beefde ik over mijn gansche lichaam van ongegronde en onbegrijpelijke vrees. Ik liep eenigen tijd heen en weer, trachtte een oud nieuwsblad te lezen, luisterde naar de angstverwekkende geluiden buiten en zag allerlei gezichten en tooneelen in de opflikkerende vlammen.

Het was eene geruststelling dat eenige bedienden waren overeengekomen gedurende den nacht om beurten te blijven waken. Ik ging dus naar bed, doodmoe en slaperig; maar toen ik mij had neergelegd verdween dat gevoel, alsof ik door een tooverstok was aangeraakt en bleef ik zoo helder wakker als ik den geheelen dag niet geweest was.

Uren lang lag ik naar den wind en het water te luisteren; mij nu eens verbeeldende dat ik angstkreten, dan weder dat ik noodschoten hoorde of dat een of meer huizen in de stad invielen. Verscheidene malen stond ik op om naar buiten te kijken, maar ik zag niets dan den weerschijn van de flauw brandende kaars op de vensterruiten en van mijn eigen bleek gelaat, dat mij uit de zwarte duisternis scheen aan te staren. Eindelijk nam mijne rusteloosheid zoodanig toe, dat ik mij haastig aankleedde en naar beneden ging. In de groote keuken, waar ik de zijden spek en de risten uien, die aan de zoldering hingen, niet dan flauw kon onderscheiden, zaten de wakende bedienden in verschillende houdingen om de tafel, die met opzet van den grooten schoorsteen naar de deur was verschoven. Een aardig meisje, dat de ooren met haar schort had toegestopt en de oogen voortdurend op de deur scheen gevestigd te houden, gaf een gil, toen ik binnentrad, meenende een spook te zien; de anderen hadden hunne zinnen beter bij elkander en waren blijde dat ik het gezelschap kwam vergrooten. Een van hen, het onderwerp, dat zij besproken hadden, weder opnemende, vroeg mij of ik ook niet van meening was dat de geesten van de kolenschippers, die vergaan waren, nu in den storm rondwaarden.

Ik bleef daar, als ik mij wel herinner, twee uren. Eenmaal opende ik de buitendeur en sloeg een blik op de straat. Zand, zeewier en vlokken schuim, anders zag ik niets en ik moest hulp roepen om de deur weder te sluiten waar de wind vlak op stond.

Toen ik eindelijk naar mijne kamer terugkeerde, was het daar geheel duister; maar nu was ik zoo vermoeid, dat ik nogmaals mijn bed opzocht en terstond in slaap viel. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ofschoon ik droomde van geheel andere plaatsen en dingen, het toch in mijn droom voortdurend stormde. Eindelijk verloor ik ook dit flauwe bewustzijn van de werkelijkheid en bevond ik mij met twee goede vrienden—wie het waren weet ik niet—in eene belegerde stad. Het gebulder van de kanonnen ging zoo onafgebroken voort, dat ik iets, wat ik gaarne hooren wilde, niet kon verstaan, en dit duurde zoo lang tot ik eene buitengewone inspanning deed en ontwaakte. Het was helder dag... acht of negen uur; in plaats van het kanongebulder woedde de storm nog steeds voort en er stond iemand op de gang te roepen en op mijne kamerdeur te kloppen.

„Wat is er?” riep ik.

„Een schip in nood! Vlak bij de kust!”

Ik sprong uit het bed en vroeg: „Wat voor een schip?”

„Een Spaansche of Portugeesche schoener, beladen met vruchten en wijn. Haast u mijnheer, indien gij er nog iets van zien wilt! Op het strand zegt men dat het elk oogenblik uit elkander kan slaan!”

De opgewonden stem ging nog steeds roepende de trap af en ik trok zoo spoedig mogelijk eenige kleedingstukken aan en snelde de straat op.

Een aantal menschen liepen voor mij uit, allen in dezelfde richting, naar het strand. Ik liep er meer dan een voorbij en stond weldra tegenover de onstuimige zee.

De storm mag op dat oogenblik een weinig bedaard zijn geweest, maar niet meer dan alsof in mijn droom een dozijn kanonnen van al de honderdtallen was tot zwijgen gebracht. De zee, den ganschen nacht telkens meer in beroering gebracht, was echter nog onstuimiger en angstverwekkender dan ik haar ooit gezien had. Alles wat men zag maakte den indruk van gezwollen te zijn en de hoogte, waarop de schuimende baren zich verhieven, over elkander heenkeken en elkaar vermorselden, de kracht, waarmede ze telkens en telkens weder het strand beukten, was ontzettend.

De inspanning, die het mij kostte in het eerst iets anders te hooren dan het geloei van den storm en het donderen van de golven, benevens de moeite die ik had om mij staande te houden, waren oorzaak dat ik, hoe ik de zee ook langs tuurde om het schip te ontdekken, niets zag dan de hooge, witgekuifde golven. Een half gekleede schipper, die naast mij stond, wees mij met den ontblooten arm,—er was een pijl op getatoueerd, die in dezelfde richting wees—naar links. En toen, ja, groote God, toen zag ik het vlak bij ons!

De eene mast was vlak boven het dek afgebroken en lag over boord, verward in zeilen en tuigage en beukte het schip, dat onafgebroken en met ongeloofelijke kracht slingerde en stampte, alsof het vaneen gespleten moest worden. Er werden pogingen in het werk gesteld om de tuigage af te kappen, want toen het wrak zich met de lange zijde naar ons toekeerde, zag ik duidelijk het scheepsvolk met bijlen aan het werk; vooral werd mijne aandacht getrokken door eene slanke gestalte met krullend haar, die boven de anderen uitstak. Op dit oogenblik ging van het stand een geweldige kreet op, die alles overstemde; de zee was over het stampende wrak heengeslagen en had alles wat er op was, menschen, tonnen, planken, de verschansing zelfs in de kokende branding verzwolgen. De tweede mast stond nog overeind met de overblijfselen van een gescheurd zeil en een netwerk van gebroken touwwerk, dat in den wind heen- en weerfladderde. Het schip heeft eens gestooten, schreeuwde dezelfde schipper mij met heesche stem in het oor, is toen weder losgeraakt en heeft opnieuw gestooten. Ook begreep ik uit zijne woorden dat het wrak splijten zou en dit kwam mij zeer waarschijnlijk voor omdat tegen zulk stampen en stooten geen menschen werk bestand kon zijn. Terwijl hij sprak ging er weder een kreet van medelijden op uit de verzamelde toeschouwers; vier man verrezen met het wrak uit de diepte en klemden zich vast in het nog bestaande want en in den mast; en weder boven alles uit zag ik die slanke gestalte met het krullende haar.

Er was een bel aan boord en terwijl het wrak als een razende slingerde en schudde, ons nu eens het geheele dek dan weder de kiel vertoonende, vooroverdook om tusschen twee golven te verdwijnen en in het volgend oogenblik bovenop een andere te staan, luidde de bel aanhoudend door en dat geluid, de doodsklok dier ongelukkigen, werd door den wind naar het strand gevoerd.

Weder was het geheele wrak voor een oogenblik verdwenen en toen het weder zichtbaar werd, waren er nog slechts twee mannen in het want. De angst nam op het strand met elke seconde toe. De mannen sloegen de handen wanhopend ineen, de vrouwen jammerden en keerden het gelaat af. Eenigen liepen half razend het strand op en neer, hulp roepende terwijl onmogelijk hulp kon worden geboden. Ik zelf behoorde tot deze laatsten en smeekte een troepje schippers, die ik kende, de ongelukkige menschen toch niet voor onze oogen te laten verdrinken.

Zij deelden mij met ontroerde stemmen mede—ik weet niet hoe, want ik was zelf te zenuwachtig om hunne woorden goed te begrijpen—dat de reddingboot al een uur geleden bemand was met de dappersten uit de stad, maar dat zij niets konden uitrichten; dat niemand zoo roekeloos zou zijn om met een lijn door de branding te waden en zoo de gemeenschap met het strand tot stand te brengen; zoodat er niets overbleef om te beproeven. Daar bemerkte ik dat er plotseling beweging kwam onder de toeschouwers op het strand, ik zag hen uitwijken en..... Ham liep tusschen hen door. Ik snelde naar hem toe—ik herinner het mij zeer goed—om ook hem tot helpen aan te sporen. Hoe verbijsterd ik ook was tengevolge van dit voor mij nieuwe en vreeselijke schouwspel, de vastberaden uitdrukking op zijn gelaat, de blik, dien hij naar de zee wierp—geheel dezelfde als op den morgen na Emily's verdwijning—deden mij plotseling het gevaar beseffen, waarin hij zich begaf. Met beide armen hield ik hem vast en smeekte de mannen, met wie ik had staan praten, niet naar hem te luisteren, hem niet toe te staan zich op te offeren, hem geen pas verder te laten doen!

Wederom ging er een kreet op langs het strand; naar het wrak kijkende zagen wij hoe het wreede zeil zich had losgerukt en telkens en telkens weder neersloeg op een der mannen, om daarna als zegepralend om de slanke gestalte rond te fladderen, die nu nog alleen in de mast was overgebleven.

Ten aanschouwe van zulk een wanhopenden toestand had ik evengoed den storm kunnen bezweren als den vastberaden kalmen man, die altijd iedereen voorging in het gevaar, van zijn eenmaal gevat besluit terugbrengen. „Jongeheer Davy,” zei hij, mijne beide handen in de zijne nemende, „als mijn tijd daar is, dan is er niets aan te veranderen; zoo niet, dan zal ik hem afwachten. De Heer daarboven zegene u en allen! Mannen, houdt u gereed! Ik ga er op los!”

Ik werd, doch niet met ruwheid, achteruitgebracht, tusschen eenige schippers en schippersvrouwen, die, als ik mij goed herinner, verklaarden dat er toch niets aan te doen was; had hij eenmaal een plan opgevat dan volvoerde hij het ook en ik zou door mijn optreden de mannen, die hem behulpzaam moesten zijn, maar hinderlijk wezen. Ik weet niet wat ik antwoordde, noch wat zij nog verder spraken; maar ik zag de mannen aan het strand heen en weerloopen, ik zag hen een lang touw halen van een kaapstander, die daar stond ik zag hen daarmede een kring van mannen binnengaan, die Ham aan mijn oog onttrok. Maar nu zag ik hem heel duidelijk; hij stond geheel alleen, gekleed in een zeemansbuis en broek, met één touw om den arm gewonden en in de hand en een ander om het lichaam; eenige van de flinkste mannen, die op een afstand stonden, hielden het andere uiteinde vast, terwijl Ham het losjes voor zich op den grond uitlegde.

Zelfs voor mijn ongeoefend oog was het duidelijk, dat het wrak bezweek. Ik zag dat het op het punt was van in het midden door te barsten en dat het leven van den man in den mast aan een zijden draad hing. Toch bleef hij zich er aan vastklemmen. Hij droeg eene zonderlinge, roode muts, lichter van kleur dan de matrozen gewoonlijk droegen, en terwijl de weinige planken, die hem van een wissen dood scheidden, dreigden vaneen te splijten, zagen wij hem allen met die muts wuiven. Zonderling! Deze beweging bracht mij een verloren vriend in herinnering!

Ham bespiedde geheel alleen staande de zee; achter hem was het doodstil, allen hielden den adem in; voor hem woedde de storm met onverpoosd geweld. Daar rolt een reusachtige golf terug.—Ham kijkt even om naar de mannen, die het touw houden, loopt de golf achterna en een oogenblik later zien wij hem kampen tegen de hooge zeeën, nu eens boven op een golf dan weder in de diepte, onder het schuim bedolven, in de volgende seconden teruggeworpen naar het strand..... Vlug halen de mannen het touw in en trekken hem op het strand. Hij was gewond. Ik zag bloed op zijn gelaat, maar hij scheen zich dat niet aan te trekken. Haastig beduidde hij hun dat zij hem meer vrij moesten geven—ik maakte dat tenminste uit de beweging van zijn hand op—en snelde nogmaals de zee in. Hij hield recht op het wrak aan, nu eens boven op eene golf, dan weder in de diepte, terug naar het strand en weder voorwaarts in de richting van het schip met forsche, krachtige slagen. De afstand beteekende niets, maar de kracht van de zee en van den storm maakte den strijd tot een doodstrijd. Eindelijk was hij het wrak zoo nabij, dat één enkele forsche slag hem zijn doel zou hebben doen bereiken, toen een hooge, groene berg, achter het schip om, op het strand scheen aan te rollen. Met een geweldigen sprong scheen hij er zich boven op te willen werpen...... maar het wrak was verdwenen! Ik zag eenige overblijfselen door het water dwarrelen alsof er niets meer dan een ton aan splinters was geslagen en liep toen met de anderen naar de plek, waar zij hem hadden ingepalmd. Op ieders gelaat was de grootste ontsteltenis te lezen. Zij sleepten hem tot aan mijne voeten.... maar hij lag onbewegelijk..... hij was dood. Men bracht hem naar de naastbijzijnde woning en aangezien niemand het mij verhinderde, bleef ik bij hem, terwijl alles in het werk werd gesteld om hem bij te brengen; maar de groote golf had hem doodgeslagen en zijn trouwe hart had voor eeuwig opgehouden te kloppen.

Toen alle hoop vervlogen en alles voorbij was, en ik nog bij zijn bed zat, werd de deur geopend en trad een oude schipper binnen, die Emily en mij gekend had toen wij nog kinderen waren. De man had tranen op zijn verweerd gelaat, dat doodsbleek was, en fluisterde met bevende lippen:

„Ga eens met mij mee, mijnheer?”

Er lag iets in zijn blik dat mij weder aan vroeger dagen herinnerde. Ontsteld vroeg ik hem met mijne hand op zijn arm:

„Is er een lijk aangespoeld?”

„Ja,” antwoordde hij.

„Ken ik het?” vroeg ik weder.

Geen antwoord. Hij bracht mij naar het strand en op dat gedeelte, waar zij en ik als kinderen schelpen hadden gezocht, op dat gedeelte, waar de oude boot, thans door den storm in splinters geslagen, gestaan had, tusschen de overblijfselen van de door hem onteerde woning, daar lag hij met den arm onder het hoofd, zooals ik hem zoo menigmaal had zien slapen, toen wij nog vrienden waren.

LVI.

De nieuwe en de oude wonde.

O, Steerforth, het was niet noodig de laatste maal, dat wij elkander spraken, in dat uur, waarvan ik niet vermoedde dat het ons afscheidsuur zijn zou..... het was niet noodig te zeggen: „Blijf mij in vriendschap gedenken!” Ik heb dat altijd gedaan en zou ik nu anders hebben kunnen doen met dit schouwspel voor oogen!

Zij haalden een draagbaar, legden hem er op, bedekten hem met een vlag en droegen hem naar de stad. Al de dragers hadden hem gekend en met hem gevaren en hem vroolijk en opgewekt gezien. Zoo brachten zij hem naar de woning, waar de dood reeds zijn intrek had genomen; maar toen zij de baar op den drempel neerzetten, keken zij elkander en mij fluisterend aan. Ik begreep hen maar al te goed. De vraag kwam in hunne eerlijke harten op of zij hem daar wel mochten neerleggen in diezelfde kamer.

Wij gingen de stad in en brachten onzen droeven last naar de herberg. Zoodra ik eenigszins mijne gedachten verzameld had, zond ik een boodschap naar Joram met het verzoek mij een rijtuig te verschaffen, ten einde het lijk gedurende den nacht naar Londen te vervoeren. Ik begreep dat de zorg voor den verongelukte en de moeilijke taak om zijne moeder voor te bereiden, geheel op mij drukten en dien plicht nam ik mij voor zoo getrouw mogelijk te volbrengen.

Ik gaf aan den nacht de voorkeur, ten einde den toeloop van nieuwsgierigen te vermijden; maar ofschoon het reeds middernacht was eer ik de poort uitreed, stonden toch nog een aantal menschen te wachten. Hier en daar in de stad en op den weg zag ik er nog meer staan; maar eindelijk was ik alleen in den donkeren nacht, alleen met het stoffelijk omhulsel van den besten vriend uit mijne jeugd.