Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 82

Chapter 823,893 wordsPublic domain

„En inderdaad is het geld losgemaakt,” hervatte Traddles, „op een volmacht door u onderteekend, d. w. z. met uw naam onderteekend, want gij begrijpt dat de handteekening valsch en wie de dader was. Naderhand maakte de schurk mijnheer Wickfield wijs—en hij bewees het uit de cijfers—dat hij het geld op mondelingen last van zijn patroon gebruikt had om andere tekorten te dekken en moeilijkheden te voorkomen. Mijnheer Wickfield was in de handen van dien huichelaar zoo zwak en weerloos als een kind en betaalde u later nog verscheidene malen interest van een kapitaal, dat niet meer bestond waardoor hij medeplichtig werd aan het gepleegde bedrog.”

„En eindelijk nam hij de geheele schuld op zich,” voegde tante er bij „en schreef mij een wanhopenden brief, waarin hij zich zelven beschuldigde van diefstal en allerlei misdrijven. Op zekeren morgen bracht ik hem daarop een bezoek, verzocht een kaars en verbrandde den brief, terwijl ik hem vertelde dat als hij ooit in staat werd zich zelven en mij recht te verschaffen, hij dat doen moest; maar dat, als hij daartoe niet in staat was, ik zou zwijgen ter wille van zijne dochter.—Als iemand nu tot mij spreekt, ga ik heen.”

Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en Agnes bedekte haar gelaat met de handen.

„Dus, mijn waarde vriend,” hernam tante eindelijk, „gij hebt hem het geld weder afgeperst?”

„Gij moet weten,” antwoordde Traddles „mijnheer Micawber hield hem zoo vast en was telkens weder met zooveel nieuwe bewijzen bij de hand, dat hij ons niet kan ontsnappen. Opmerkelijk is het, dat hij dit geld niet heeft gestolen om aan zijne onverzadelijke schraapzucht te voldoen, maar alleen om zijn haat te koelen aan Copperfield. Hij bekende mij dit volmondig. Hij zou gaarne een even groote som geven, als hij er Copperfield maar mede kon benadeelen.”

„Aha,” zei tante, peinzend hare wenkbrauwen samentrekkend en met een blik op Agnes. „En waar is hij nu gebleven?”

„Ik weet het niet. Hij heeft de stad verlaten met zijne moeder, die al dien tijd heeft gesmeekt en gejammerd enz.... geheimen verklapt. Zij zijn met de nachtdiligence naar Londen vertrokken; dat is alles wat ik van hen weet, behalve dat hij bij het afscheid nog zoo vermetel was om zich kwaadaardig te toonen. Hij scheen in de meening te verkeeren, dat hij aan mij niet minder dank verschuldigd was dan aan mijnheer Micawber, hetgeen ik als een compliment aannam—zooals ik hem ook gezegd heb.”

„Zou hij nog eenig geld hebben, Traddles?” vroeg ik.

„O, zonder twijfel,” antwoordde Traddles. „Hij zal op de eene of andere wijze wel voor zich zelven gezorgd hebben. Maar indien het u mogelijk was zijne gangen na te gaan, Copperfield, zoudt gij ontwaren, dat geld dien man nooit van den slechten weg afhouden, maar dat hij juist daardoor in zijn ongeluk loopen zal. Hij is zulk een volleerde huichelaar, dat hij altijd zijn doel langs slinksche wegen zal trachten te bereiken. Dat is de eenige vergoeding voor het zelfbedwang dat hij zich oplegt. Hij kruipt altijd langs den grond naar zijn doel, wat het ook is, zoodat alles wat hij op zijn weg ontmoet, grooter schijnt en hij iedereen, die hem tegenkomt, verdenkt en haat. De kromme wegen worden dientengevolge ieder oogenblik krommer, zelfs zonder eenige reden. Men behoeft slechts even door te dringen in zijn gedrag op het kantoor van mijnheer Wickfield om dat in te zien.”

„Hij is een monster, een laaghartig monster,” zei tante.

„Dat zou ik nog niet zoo onvoorwaardelijk durven zeggen,” antwoordde Traddles. „Er zijn vele menschen laaghartig omdat zij er zich op toeleggen.”

„En nu mijnheer Micawber's zaken,” hernam tante.

„Ja, dat is waar ook,” antwoordde Traddles op vroolijken toon. „Nogmaals moet ik hier de verklaring afleggen dat mijnheer Micawber grooten lof toekomt. Ware hij niet met zulk een onuitputtelijk geduld en zooveel onverflauwden ijver werkzaam geweest, dan zouden wij niets noemenswaardigs hebben kunnen uitrichten. Bovendien moeten wij niet uit het oog verliezen dat mijnheer Micawber niet alleen gedaan heeft wat recht is, maar dat ook gedaan heeft uit een rechtvaardig beginselen zichzelven daarbij geheel heeft verloochend, had hij gezwegen dan zou hij voor zichzelven zeer gunstige voorwaarden hebben kunnen stellen.”

„Dat ben ik geheel met u eens,” zei ik.

„Wat zoudt gij hem dan willen geven?” vroeg tante.

„O, eer wij zoover zijn,” antwoordde Traddles een weinig verlegen, „moet ik, hoewel een weinig aarzelend, opmerken dat ik in de regeling van deze quaestie—de regeling is van het begin tot het einde onwettig—vergeten heb twee punten aan te stippen. De quitanties, die mijnheer Micawber hem gegeven heeft ten bewijze van voorschotten op zijn salaris....”

„..... moeten betaald worden,” viel tante in.

„Jawel, maar ik weet niet wanneer ze opvorderbaar zijn noch wie ze in bewaring heeft,” hernam Traddles, „en ik vermoed dat mijnheer Micawber nog vóór zijn vertrek gearresteerd en dat op zijn inboedel beslag gelegd zal worden.”

„Dan moet hij afgekocht worden evenals zijn inboedel,” zei tante. „Hoeveel is de geheele som?”

„Mijnheer Micawber heeft zijne operatiën—hij noemt dat geknoei zoo—nauwkeurig geboekt,” antwoordde Traddles glimlachend, „de totale som bedraagt honderd en drie pond en vijf shillings.”

„Welnu, wat zullen wij hem geven, deze som er onder begrepen?” vroeg tante. „Vijfhonderd pond?”

Deze som deed Traddles en mij opspringen van schrik. Wij gaven beiden den raad mijnheer Micawber eene kleine som in geld te overhandigen en Uriah's vorderingen, zonder mijnheer Micawber daarvan te verwittigen, te voldoen wanneer ze inkwamen. Wij stelden verder voor dat de reis en de uitrusting van de familie betaald zouden worden, dat men hun een voorschot zou geven van honderd pond en dat mijnheer Micawber's schikkingen omtrent de terugbetaling met allen ernst zouden worden behandeld, opdat hij zijn nieuw leven zou beginnen onder het besef van de verantwoordelijkheid voor deze som. Hierbij voegde ik nog den raad om baas Peggotty op de hoogte te stellen van mijnheer Micawber's karakter en geschiedenis en hem, op wien ik wist dat men zich kon verlaten, te machtigen den heer Micawber nog honderd pond voor te schieten indien hij daaraan behoefte had. Verder stelde ik voor mijnheer Micawber eenig belang in te boezemen voor baas Peggotty, door hem zooveel van diens geschiedenis mede te deelen als zonder onbescheiden te zijn kon gedaan worden en dienstig geacht werd; en te trachten de twee mannen met elkander in aanraking te brengen tot voordeel van beiden. Allen schonken aan deze voorstellen hunne goedkeuring en ik mag hierbij voegen dat de hoofdpersonen korten tijd later reeds vriendschap hadden gesloten.

Ik meende op te merken dat Traddles tante nogmaals met een angstigen blik aankeek, zoodat ik het noodig vond hem aan het tweede punt te herinneren, dat hij had aangekondigd.

„Gij en uwe tante zult mij wel willen verontschuldigen, Copperfield, wanneer ik thans een pijnlijk onderwerp aanroer; ik vrees ten minste dat het dit zijn zal,” sprak Traddles op aarzelenden toon; „maar het is noodzakelijk dat ik het u in herinnering breng. Op den dag waarop mijnheer Micawber zijne gedenkwaardige memorie voorlas, werd door Uriah Heep eene dreigende toespeling gemaakt op uw tante's.... echtgenoot.”

Tante bleef in dezelfde stijve houding zitten en bewaarde schijnbaar al hare kalmte, terwijl zij met een hoofdknik dit punt bevestigde.

„Misschien,” vervolgde Traddles, „was dit slechts eene ongegronde onbeschaamdheid.”

„Neen,” zei tante.

„Er bestond dus inderdaad zoo iemand en die iemand was in zijne macht?” fluisterde Traddles in zijne verlegenheid.

„Ja, mijn vriend,” antwoordde tante.

Traddles' gezicht betrok, terwijl hij verklaarde niet in staat geweest te zijn deze zaak aan te roeren, zoodat Uriah Heep, nu hij niet meer in onze macht was en zeker elke gelegenheid zou aangrijpen om ons onaangenaam te zijn, even goed van deze omstandigheid gebruik zou kunnen maken als van de vorderingen, welke hij op mijnheer Micawber kon doen gelden.

Tante bewaarde het stilzwijgen totdat nogmaals de tranen over hare wangen begonnen te stroomen.

„Gij hebt zeer verstandig gehandeld door deze aangelegenheid te berde te brengen,” sprak zij eindelijk.

„Kan ..... ik of ..... Copperfield iets voor u doen in deze zaak?” vroeg Traddles vriendelijk.

„Niets,” antwoordde tante. „Dank u nogmaals. Het is eene vruchtelooze bedreiging, Trot! Laat nu mijnheer en mevrouw Micawber binnenkomen. En spreekt geen van allen tegen mij!” Zij streek hare japon glad en bleef, rechtop als een kaars, naar de deur zitten kijken.

„Zoo, mijnheer en mevrouw Micawber,” sprak tante, toen deze binnentraden. „Wij hebben over uwe aanstaande reis gesproken en verzoeken u wel verschooning omdat wij u zoo lang buiten de kamer hebben gelaten; ik zal u nu eens vertellen welke schikkingen wij hebben getroffen.”

Zij deelde daarna alles mede wat wij besproken hadden, tot groote vreugde van het gansche gezin—ook de kinderen waren intusschen binnengekomen—en tot innige tevredenheid van mijnheer Micawber, die een geheele reeks van wisseloperatiën in het verschiet zag en zich niet wilde laten weerhouden om terstond weg te snellen en de zegeltjes te koopen, waarmede zijne schuldbekentenissen zouden worden gewaarmerkt. Zijne blijdschap was echter van korten duur, want vijf minuten later keerde hij in gezelschap van een deurwaarder terug en deelde ons onder een vloed van tranen mede, dat alles verloren was. Aangezien wij op deze omstandigheid, eene wraakneming van Uriah Heep, bedacht waren geweest, betaalden wij onmiddellijk de verschuldigde som en weder vijf minuten later zat mijnheer Micawber aan de tafel zijne wisseltjes in te vullen met een gezicht, dat straalde van vergenoegdheid, zooals het alleen deed bij het verrichten van deze bezigheid en bij het bereiden van punch. Het was waarlijk een bezienswaardig schouwspel, zooals hij daar met een genot als van een kunstenaar zijn wisseltjes zat te schrijven of liever te teekenen, ze telkens opnam om ze te bekijken, van voren, van achteren, ze tegen het licht hield, de datums en het bedrag in zijn zakboekje aanteekende en ze, toen ze gereed waren, nogmaals gadesloeg met een diep besef van hunne kostbaarheid.

„Het beste dat gij nu kunt doen, mijnheer—indien gij een raad van mij wilt aannemen—dat is,” zei tante, die hem aandachtig had gadegeslagen, „deze bezigheid voor eeuwig af te zweren.”

„Mevrouw Trotwood,” antwoordde mijnheer Micawber, „het is mijn voornemen van zulk eene gelofte aanteekening te houden op het maagdelijk blad der toekomst. Mevrouw Micawber zal mijne getuige zijn. Ik vertrouw,” voegde hij er op plechtigen toon bij, „dat mijn zoon Wilkins onthouden zal hoe oneindig beter het is de hand in het vuur te steken dan er de adders mede te beroeren, die het hartebloed zijns ongelukkigen vaders vergiftigd hebben.” Mijnheer Micawber was diep geroerd en in een oogenblik in een beeld der wanhoop herschapen; hij bekeek de adders met een blik, waarin wel is waar innige afschuw te lezen was, doch waarin de vereering van zooeven nog niet geheel was uitgebluscht, vouwde ze op en stak ze in den zak.

Hiermede waren de werkzaamheden voor dezen avond afgeloopen. Wij waren vermoeid en tante zou den volgenden morgen met mij naar Londen terugkeeren. Volgens afspraak zouden de Micawbers ons volgen, na het grootste gedeelte van hunne eigendommen aan een uitdrager te hebben verkocht; de zaken van mijnheer Wickfield zouden door Traddles zoo spoedig mogelijk geliquideerd worden en Agnes zou gedurende dien tijd medegaan naar Londen. Wij brachten den nacht door in het oude huis, dat na het vertrek van de Heeps als 't ware van eene besmettelijke ziekte gezuiverd was; ik sliep in mijn oude kamertje als een schipbreukeling in zijn eigen huis.

Den volgenden dag keerden wij terug naar tante's woning—niet naar de mijne, en toen wij des avonds met ons beiden alleen waren, vroeg zij:

„Verlangt gij waarlijk te weten, Trot, wat mij in de laatste dagen zoo heeft bezig gehouden?”

„Ja, zeker, tante. Indien er ooit een tijd is geweest, waarin ik gaarne al uw verdriet, al uw zorgen met u deelde, dan is het zeker op dit oogenblik.”

„Gij hebt zelf verdriet genoeg, mijn kind,” zei tante op hartelijken toon; „mijne kleine ellenden behoeven niet daarbij te komen. Een andere reden om ze voor u geheim te houden kan ik niet hebben, Trot.”

„Dat weet ik wel,” antwoordde ik. „Vertel mij nu maar wat u zoo drukt.”

„Wilt gij morgenochtend een eindje met mij gaan rijden?”

„Natuurlijk.”

„Goed, dan om negen uur. Ik zal u dan alles vertellen, beste jongen.”

Volgens de afspraak reden wij om negen uur in een klein wagentje naar Londen. Na een langen weg door tallooze straten afgelegd te hebben, kwamen wij aan de groote hospitalen. Voor het gebouw stond eene eenvoudige lijkkoets. De koetsier herkende tante en op een wenk van haar reed hij zachtjes voort; wij volgden.

„Begrijpt gij het nu, Trot?” vroeg tante. „Hij is dood.”

„In het hospitaal gestorven?”

„Ja.”

Zij zat onbewegelijk naast mij, maar ik zag hoe hare tranen wederom te voorschijn kwamen.

„Hij was daar vroeger nog eens geweest,” vertelde zij. „Langen tijd was hij ziekelijk—een gebroken, oude man. Toen hij nu laatst zijn toestand inzag, liet hij mij roepen. Hij had toen berouw, Trot; bitter berouw.”

„Ik weet dat gij er heen zijt geweest, tante.”

„Ja, ik ging er heen. Ik was veel bij hem in de laatste dagen.”

„Hij stierf in den avond voor wij naar Canterbury gingen, nietwaar?”

Tante knikte. „Niemand kan hem meer leed doen. De bedreiging was dus vruchteloos,” sprak zij.

Wij reden naar het kerkhof te Hornsey, een eind buiten Londen. „Hier ligt hij beter dan in Londen,” zei tante. „Hij is hier geboren.”

Wij stapten uit en volgden de eenvoudige kist naar een hoekje van het kerkhof, dat ik nu nog zeer goed zou weten te vinden, en hoorden daar den lijkdienst aan.

„Vandaag voor zevenendertig jaren was onze huwelijksdag,” zei tante, toen wij naar ons rijtuig terugwandelden. „God moge ons allen onze zonden vergeven!”

Zwijgend namen wij weder plaats en langen tijd bleven wij naast elkander zitten; zij met hare hand op de mijne. Eindelijk barstte zij in tranen uit en zei:

„Hij was een knappe man toen wij trouwden, Trot—maar o, wat was hij veranderd!”

Deze stemming duurde niet lang; zij was spoedig hare tranen meester en kreeg toen ook hare kalmte terug. „Mijn zenuwen spelen mij parten tegenwoordig,” sprak zij, „anders zou ik mijn tranen wel kunnen binnenhouden. God vergeve ons onze zonden!” Zoo reden wij terug naar haar kleine huisje te Highgate, waar wij het navolgende korte briefje van mijnheer Micawber vonden, dat met de morgenpost was bezorgd.

Canterbury—Vrijdag.

Geachte Mevrouw en Copperfield!

„Het schoone land van belofte, dat aan den horizon opdoemde, is opnieuw gehuld in mist en nevel en voor altijd onttrokken aan de blikken van een ongelukkigen sterveling, die door het noodlot wordt achtervolgd.

Nogmaals is een dwangbevel uitgevaardigd door het Hooge Hof van King's Bench te Westminster in de zaak Heep contra Micawber en de verweerder is eene gemakkelijke prooi voor den sheriff, aan wien in dit baljuwschap de hoogste rechtspraak is toegewezen.

Tot slavenketenen gedoemd, voel ik dat het einde spoedig daar zal zijn, want een menschenziel kan maar tot een zeker punt worden gemarteld en dat punt heb ik bereikt. God zegen u, God zegen u! Wie later met opzet of toevallig een bezoek brengt aan de plaats, alwaar in deze stad de schuldenaren worden opgesloten, zal, naar ik hoop met eenig medelijden, de plek aanstaren, waar met een roestigen spijker in den muur zijn gekrabd

de onleesbare letters: W. M.

P.S. Ik heropen dit schrijven om u te zeggen, dat onze gemeenschappelijke vriend, Mr. Thomas Traddles, die ons nog niet verlaten heeft en heel wel is, de vordering met de kosten betaald heeft uit naam van Mejuffrouw Trotwood, en dat ik mij met mijn gezin in den zevenden hemel bevind.”

LV.

Storm.

Ik ben nu aan eene gebeurtenis genaderd, die zoo onuitwischbaar in mijn geheugen is gegrift, eene gebeurtenis, zoo vreeselijk en zoo innig verbonden met al hetgeen in de vorige bladzijden is beschreven, dat ik van het begin van mijn verhaal af haar grooter en grooter heb zien worden, evenals een toren aan het einde van eene uitgestrekte vlakte. Zelfs op de voorvallen uit mijn jeugd werpt zij eene ondoordringbare schaduw.

Jaren nadat zij plaats had, droomde ik er nog van. Menigmaal ben ik in den nacht ontsteld opgesprongen, meenende dat zij in al hare gruwzaamheid op mijn eenzame kamer plaats vond. Zelfs nu nog droom ik er van bij lange tusschenpoozen. Telkens wanneer het stormt of ik hoor spreken van het strand, moet ik er aan denken. Even duidelijk als ik thans nog voor mij zie wat er gebeurde, zal ik trachten het te beschrijven. Ik behoef mijn geheugen niet te hulp te roepen, want ik zie het voor mij, alsof het op dit oogenblik gebeurt.

Het tijdstip, waarop de landverhuizers zouden uitzeilen, naderde met rassche schreden en bracht ook mijne goede, oude kindermeid—toen zij mij voor de eerste maal ontmoette, was zij bijna niet tot bedaren te brengen—naar Londen. Ik was bijna voortdurend bij haar en haar broeder en de Micawbers—deze waren onafscheidelijk—maar Emily zag ik nooit.

Op zekeren avond, toen de dag van het vertrek ophanden was, zat ik alleen met Peggotty en haar broeder. Ons gesprek viel op Ham. Zij vertelde ons hoe hartelijk hij afscheid van haar had genomen en hoe flink en mannelijk hij zich altijd gedroeg, vooral in den laatsten tijd, terwijl zij meende, dat hij op zulk een zware proef was gesteld. Dit was een onderwerp, waarover het hartelijke schepsel nooit was uitgepraat en onze belangstelling bij het aanhooren van al de voorbeelden, die zij opsomde, zij, die altijd met en bij hem was, was even groot als haar lust om er van te vertellen.

Tante en ik hadden intusschen de twee huisjes in Highgate verlaten; ik zou op reis gaan en tante gaf er de voorkeur aan weder haar eigen huisje te Dover te betrekken. Zoo hadden wij tijdelijk kamers in Covent Garden. Toen ik dezen avond daarheen wandelde na het gesprek over Ham, peinzend ook over hetgeen tusschen hem en mij was voorgevallen te Yarmouth, werd mijn voornemen om voor Emily een brief achter te laten, op het oogenblik dat ik aan boord afscheid nam van haar oom, aan het wankelen gebracht. Het denkbeeld kwam in mij op of het niet beter zou zijn haar nu te schrijven. Het was mogelijk dat zij na de ontvangst van mijn brief eenig antwoord zou willen doen toekomen aan Ham. Daarvoor moest ik haar de gelegenheid geven.

Eer ik naar bed ging, schreef ik dan ook aan haar en vertelde haar dat ik hem gezien had en dat hij mij verzocht had haar te zeggen wat ik in vorige bladzijden reeds heb meegedeeld. Zoo getrouw mogelijk gaf ik zijn eigen woorden weer. Waartoe zou ik zijn eenvoudige taal, waaruit niets anders sprak dan trouw en goedheid, opgesierd hebben? Ik sloot dezen brief in bij eenige woorden van baas Peggotty, waarin ik verzocht mijn schrijven aan Emily te overhandigen, en ging toen naar bed.

Ik was toenmaals minder sterk dan ik meende en aangezien ik niet voor tegen het aanbreken van den morgen in slaap viel, bleef ik langer dan gewoonlijk liggen en stond onverkwikt op. Tante zat bij mijn bed; dat voelde ik in mijn slaap. Ik onderstel dat ieder mensch zoo iets voelen zou.

„Beste Trot,” sprak zij toen ik de oogen opende, „ik kon niet besluiten om u wakker te maken. Baas Peggotty is beneden; zal ik vragen of hij boven wil komen?”

„Goed,” antwoordde ik en een oogenblik later stond hij voor mijn bed.

„Mijnheer Davy,” zei hij, „ik heb Em'ly uw brief gegeven en zij heeft dit geantwoord; zij verzocht mij u te verzoeken het te lezen en zoo gij er niets stuitends of kwetsends in vindt, u met de bezorging te belasten.”

„Hebt gij het gelezen?” vroeg ik.

Hij knikte met een bedroefd gelaat. Ik opende den brief en las het navolgende:

„Ik heb uw boodschap ontvangen. O, wat kan ik schrijven om u te bedanken voor al uwe goedheid en vriendelijkheid?

Ik heb de woorden in mijn hart opgesloten en zal ze bewaren tot het einde. Ze zijn als scherpe doornen, maar toch ook een troost voor mij. O, ik heb zooveel gebeden. Als ik bedenk hoe goed ge zijt en hoe goed oom is, dan besef ik hoe God wel zijn moet en kan ik tot hem bidden.

Vaarwel voor eeuwig. Vaarwel, dierbare vriend; vaarwel voor altijd in deze wereld. Als ik in die andere wereld vergiffenis vindt, zal ik wellicht als kind ontwaken en tot u komen. Ontvang nogmaals mijn innigen dank. Vaarwel voor eeuwig!”

Zoo luidde haar brief, waarop de sporen van hare tranen zichtbaar waren.

„Mag ik haar zeggen, dat gij er niets stuitends in vindt; en wilt gij u dan met de bezorging belasten, mijnheer Davy?” vroeg baas Peggotty toen ik den brief gelezen had.

„Ongetwijfeld,” antwoordde ik.... „maar ik denk... Zou het niet beter zijn als ik er persoonlijk mede naar Yarmouth ging? Er is tijd genoeg; ik kan dus terug zijn eer het schip vertrekt. Ik moet telkens aan hem denken, zooals hij daar nu eenzaam is achtergebleven; hem dien brief ter hand te stellen en u te kunnen vertellen op het oogenblik van vertrek, dat hij dien gelezen heeft, zal beiden goed doen. Hij gaf mij zijne opdracht op zulk eene plechtige wijze ... de arme kerel ... dat ik die niet te volledig kan vervullen. De reis beteekent niets voor mij. Eenige afleiding zal mij goed doen. Ik vertrek dus van avond.”

Hoewel hij zijn best deed om het mij te ontraden, zag ik toch wel dat hij het met mij eens was; ware het noodig geweest mij aan te moedigen dan zou de uitdrukking op zijn gezicht dat zeker gedaan hebben. Op mijn verzoek ging hij langs het diligence-kantoor en nam eene plaats voor mij op den bok en dienzelfden avond reed ik weder langs den weg, waaraan zoo tallooze herinneringen voor mij waren verbonden.

„Vindt gij de lucht niet vreemd?” vroeg ik aan den koetsier, nog eer wij de eerste pleisterplaats bereikt hadden. „Ik kan mij niet herinneren de lucht ooit zoo vreemd gezien te hebben.”

„Ik ook niet,” antwoordde hij. „Die lucht voorspelt storm, mijnheer! Het zal in de eerstvolgende dagen niet pluis zijn op zee.”

Het was een sombere chaos van donkere, onstuimig voortdrijvende wolken, hier en daar gekleurd als met de rook van vochtige brandstof, nu en dan op de meest zonderlinge wijze opeengehoopt, den toeschouwer in den waan brengende, dat ze hoogten vormden grooter dan de diepte daar beneden. En de maan scheen blindelings tusschen het wolkenheir door te hollen, alsof zij niet meer luisterde naar de wetten der natuur, alsof zij verdwaald was en angstig wegvluchtte. Het had dien geheelen dag gewaaid, maar langzamerhand begon de wind hevig op te steken en betrok de lucht al meer en meer. Toen de nacht inviel sloten zich de wolken aaneen, zoodat het stikdonker was en te gelijkertijd nam de wind in hevigheid toe. Onze paarden konden er nauwelijks meer tegen op. Meer dan eens in het holst van den nacht—het was September; de nachten waren dus niet kort—keerde het voorspan om of bleef staan en vreesden wij dat de diligence zou omvallen. De regen werd door den storm voortgezweept, zoodat de droppels met zooveel kracht neerkwamen, alsof ze hagelsteenen waren; en telkens wanneer wij onder de beschutting konden komen van boomen of muren, bleven wij maar staan, omdat wij toch onmogelijk den strijd konden voortzetten.