Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 81

Chapter 813,878 wordsPublic domain

„Ik zei dat het beter is, zooals het is!” fluisterde zij, terwijl zij mij met beide handen omkneld hield. „O, Doady, al waren wij nog jaren samen gebleven, gij hadt uw kind-vrouwtje niet meer lief kunnen hebben dan gij gedaan hebt; en na jaren zou zij u zoo vermoeid en teleurgesteld hebben, dat gij niet in staat zoudt zijn geweest haar maar half zoo lief te hebben! Ik weet, dat ik te jong en te kinderachtig was. Het is veel beter zooals het is!”

* * * * *

Toen ik beneden kwam, deelde ik Agnes het verzoek van Dora mede. Zij ging onmiddellijk naar boven en ik bleef alleen met Jip. Zijn pagode stond bij den haard en hij lag op zijn bedje van flanel en deed vergeefsche moeite om te slapen. De maan stond hoog en schitterend aan den hemel. Toen ik naar buiten keek in den donkeren nacht, begonnen mijne tranen hoe langer hoe meer te vloeien en werd mijn ongelouterd hart duchtig gekastijd.

Ik bleef bij den haard zitten peinzen met wroeging in het hart over al de geheime gedachten, die ik gedurende mijn huwelijk gekoesterd had. Ik herdacht elke kleine oneenigheid tusschen Dora en mij en voelde de waarheid dat het leven uit kleinigheden bestaat. Maar telkens rees ook weder in mijne herinnering op het beeld van het lieve kind, zooals ik haar de eerste maal leerde kennen, bekoorlijk in hare jonge liefde voor mij en onder de betoovering van mijne liefde voor haar. Zou het inderdaad beter zijn geweest, indien onze liefde als die van een paar kinderen geweest was, indien wij elkander vergeten hadden? O, mijn ongelouterd hart, geef mij hierop een antwoord!

Ik weet niet meer, hoe lang ik zoo gezeten had, toen de oude speelmakker van mijn kind-vrouwtje mij uit mijne overpeinzingen wekte. Hij was onrustig, strompelde uit zijn huisje naar mij toe, keek mij aan en liep naar de deur, en jankte om naar boven te gaan.

„Van nacht niet, Jip! Van nacht niet!” Hij kwam langzaam naar mij toe, likte mijne hand en keek mij met zijn half verglaasde oogen aan.

„O, Jip! Wellicht nooit meer!”

En daar legde hij zich neer aan mijne voeten, strekte zich uit, alsof hij ging slapen, liet een klagend gehuil hooren en was dood.

„O, Agnes! Zie toch eens!”

—Dat lieve gezichtje, zoo vol medelijden en droefheid, die stroom van tranen, die ernstige, stomme blik, die plechtig opgeheven hand....!

„Agnes?”

Het is voorbij. Er ligt een waas voor mijn oogen. Gedurende eenigen tijd is alles uit mijn geheugen gewischt....

LIV.

Gewaarwordingen van verschillenden aard.

Het is nu geen geschikt tijdstip om uit te weiden over mijn gemoedstoestand onder den druk van mijn leed. Ik begon te meenen, dat de toekomst mij niets meer kon aanbieden, dat alle lust, belangstelling en ijver voor mijn werk waren uitgebluscht, dat alleen een vroegtijdige dood uitkomst zou kunnen geven. Ik zeg, deze gedachten hielden mij bezig, evenwel niet onder den eersten schok van mijn bitter verdriet. Langzamerhand welden ze op. Hadden de gebeurtenissen, die ik thans ga verhalen, mij niet afgeleid, in den aanvang mijne smart eenigszins naar den achtergrond gedrongen en later vermeerderd, dan ware het mogelijk, hoewel niet waarschijnlijk geweest, dat ik terstond in dien toestand was geraakt. Thans moest er eenige tijd voorbijgaan eer ik tot het besef kon komen van de grootte van mijn leed; een tijd, waarin ik meende dat het zwaarste leed reeds geleden was, waarin mijn hart troost kon vinden in de herinnering van al wat daar rein en schoon was in mijne geschiedenis van de laatste jaren, die thans voor eeuwig was afgesloten.

Wanneer mij voor de eerste maal de raad werd gegeven buitenslands te gaan, of hoe wij het onder elkander eens werden dat ik door reizen en verstrooiing herstel zou zoeken voor mijne verstoorde gemoedsrust, kan ik zelfs nu niet met zekerheid meedeelen. De geest van Agnes beheerschte in deze dagen dermate alles wat wij dachten, zeiden of deden, dat ik zeker niet ver mistast, indien ik dit plan aan haar invloed toeschrijf. Haar invloed liet zich echter altijd zoo onmerkbaar gevoelen, dat ik het niet meer weet. Ik begon nu werkelijk te denken dat het visioen, waarin zij mij eens had doen denken aan het geschilderde venster in de kerk, eene profetie was geweest van hetgeen zij in den tijd, als mij de grootste ramp zou treffen, voor mij worden zou. In die droeve dagen, van het oogenblik af, dat zij met opgeheven hand voor mij stond, was zij de troosteres, de weldoenster in mijne eenzame woning. Toen de Engel des Doods Dora's kamer binnenzweefde—zoo vertelde men mij later—was mijn kind-vrouwtje met een glimlach om de lippen aan Agnes' borst in slaap gevallen. Toen ik uit mijne bezwijming ontwaakte, brachten hare tranen mij het eerst tot de bewustheid van hetgeen was gebeurd, verzachtte hare weldadige nabijheid, haar lief gelaat, dat zich, als uit reiner en hooger gewesten neergedaald, over mij heenboog het eerst mijne bittere smart.

Laat mij voortgaan.

Ik zou reizen. Dat schijnt het eerst onder ons besloten te zijn geweest. Nu het stoffelijk overschot van mijn kind-vrouwtje aan den schoot der aarde was toevertrouwd, wachtte ik slechts op de „totale vernietiging van Uriah Heep”, zooals mijnheer Micawber mij schreef, en op het vertrek van de landverhuizers.

Op verzoek van Traddles, den hartelijksten en meest belangeloozen vriend in mijn leed, brachten wij nogmaals een bezoek aan Canterbury; ik bedoel Agnes tante en ik. Volgens afspraak stapten wij aan de woning van mijnheer Micawber af. Daar en bij mijnheer Wickfield was Traddles sinds onze onstuimige bijeenkomst onafgebroken werkzaam geweest. Toen mevrouw Micawber mij in zwaren rouw zag binnentreden, was zij hevig aangedaan. Mevrouw Micawber had een goed hart en had dit ook in al die jaren van tegenspoed behouden.

„Wel, mijnheer en mevrouw Micawber,” was tante's eerste vraag nadat wij allen een stoel hadden gekregen, „hebt gij eens nagedacht over mijn voorstel om de zee over te steken?”

„Beste mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „wellicht kan ik het besluit, waartoe mevrouw Micawber en uw gehoorzame dienaar, ook mag ik onze kinderen niet vergeten, gekomen zijn, zoowel ieder voor zich als gezamenlijk niet beter in woorden brengen dan door een regel aan te halen van een onzer beroemdste dichters! „_Our boat is on the shore, and our bark is on the sea._””

„Dat doet mij genoegen,” zei tante. „Ik durf u alles goeds voorspellen van uw verstandig besluit.”

„Mevrouw,” hernam mijnheer Micawber, „gij bewijst ons eene groote eer.” Daarna raadpleegde hij eenige aanteekeningen, die hij gemaakt had. „Wat betreft de finantiëele hulp, zonder welke wij niet in staat zouden zijn onze broze kano op den oceaan der onderneming te laten uitloopen, meen ik u niet beter te kunnen voorstellen dan wisseltjes van mij aan te nemen—het is onnoodig hierbij te voegen: geschreven op zegel, zooals bij de verschillende Parlementsbesluiten is bepaald—op achttien, vierentwintig en dertig maanden. In den aanvang meen ik u voorgesteld te hebben twaalf, achttien en vierentwintig, maar bij nader inzien komt het mij voor dat eene dergelijke regeling mij onvoldoende ruimte van tijd toelaat om te wachten tot zich iets opdoet! Wij zouden,” vervolgde hij, rondkijkende alsof zijn oog gleed over honderden bunders uitstekend bouwland, „wij zouden ongelukkig kunnen zijn met onzen eersten oogst, of onzen oogst nog niet hebben binnengehaald op het oogenblik dat de eerste termijn verviel. Naar ik meen, is het moeilijk arbeid te vinden in dat gedeelte van onze overzeesche bezittingen, waar het ons lot zal zijn met den grond den strijd om het bestaan aan te binden.”

„Regel dat geheel zooals gij verkiest, mijnheer,” zei tante.

„Mevrouw,” hernam hij, „mevrouw Micawber en ik zijn zeer gevoelig voor de welwillende en vriendelijke medewerking van onze vrienden en beschermers. Ik wensch niets liever dan stipt mijn woord te houden. Nu wij op het punt zijn eene bladzijde in ons levensboek om te slaan en als het ware terugtreden om een sprong te nemen van ongewone grootte, is het voor mijn gevoel van eigenwaarde van het grootste belang en wellicht ook een navolgenswaardig voorbeeld voor mijn zoon, indien deze beschikkingen met de meeste nauwkeurigheid worden getroffen, als tusschen man en man.”

Ik weet niet of mijnheer Micawber met deze laatste uitdrukking eene bepaalde bedoeling had, noch of iemand dat heeft of had; maar het scheen dat hij daarmede erg ingenomen was, want bij herhaalde haar met een veelbeteekenend kuchje: „als tusschen man en man.”

„Ik heb,” ging hij voort, „van wissels gesproken—wissels, die den handel vergemakkelijken en aan de Joden hun ontstaan te danken hebben, die er, zooals ik heb ondervonden, een duivelsch gebruik van kunnen maken—omdat, ze gedisconteerd kunnen worden. Indien echter eene schuldbekentenis of eenig ander bewijsstuk doelmatiger geacht wordt, ben ik onmiddellijk bereid om zulk een document op te maken. Als tusschen man en man.”

Tante meende, dat waar beide partijen genegen zijn met alles genoegen te nemen, het niet moeilijk wezen zou deze zaak tot eene oplossing te brengen en mijnheer Micawber kon zich ook met deze uitspraak zeer wel vereenigen.

„Verder verzoek ik u verslag te mogen doen van de huishoudelijke toebereidselen, mevrouw,” hernam hij met niet weinig trots, „die noodig waren alvorens wij onze nieuwe bestemming tegemoet treden. Mijne oudste dochter gaat elken morgen om vijf uur uit om de kunst—indien ik het eene kunst noemen mag—aan te leeren van het melken. Mijne jongere kinderen hebben de opdracht zich, voor zooveel de omstandigheden daartoe de gelegenheid bieden, op de hoogte te stellen van de gewoonten van varkens en pluimgedierte, die in de armere gedeelten van de stad in menigte gehouden worden, eene taak, waarbij zij eenige malen in gevaar verkeerd hebben van overreden te worden. Ik zelf heb mij in de laatste weken toegelegd op de bakkunst en mijn zoon Wilkins gaat elken dag uit, gewapend met een wandelstok, ten einde zich te oefenen in het drijven van vee, indien namelijk de ruwe huurlingen, die met deze taak zijn belast, genoegen willen nemen met zijne vrijwillig aangeboden diensten; het grieft mij voor de eer van het menschdom te moeten zeggen dat hem dit nog niet dikwijls is mogen gelukken, dat hem, integendeel, onder het uiten van de gemeenste verwenschingen, herhaaldelijk de toestemming is geweigerd.”

„Dat is alles uitstekend!” zei tante op aanmoedigenden toon. „Ik twijfel niet of mevrouw Micawber zal ook haar tijd hebben weten te benutten.”

„Lieve mevrouw,” antwoordde mevrouw Micawber met den grootsten ernst, „ik wil gaarne bekennen dat ik mij niet onledig heb gehouden met zaken, die den landbouw of de veeteelt onmiddellijk betreffen, hoewel ik zeer goed besef dat beide aan dat overzeesche strand ten volle mijne aandacht zullen verdienen. Ik heb den tijd, dien ik niet aan mijne huishoudelijke plichten behoefde te wijden, gebruikt voor eene eenigszins uitvoerige briefwisseling met mijne familie. Het komt mij namelijk voor, mijn waarde heer Copperfield,” vervolgde zij, als gewoonlijk het woord tot mij richtende met wie of wien zij ook in gesprek was, „dat nu de tijd is aangebroken, waarin het verleden met den mantel der vergetelheid kan worden bedekt, mijne familie mijnheer Micawber en mijnheer Micawber mijne familie de hand kan reiken; dat de leeuw zich rustig kan nederleggen bij het lam en mijne familie op een goeden voet kan komen met mijnheer Micawber.”

Ik zei dat ik het daarmede geheel eens was.

„Dit is ten minste het licht, waarin ik deze zaak beschouw, mijnheer Copperfield,” ging mevrouw Micawber voort. „Toen ik nog bij papa en mama thuis was, en wij in onzen intiemen kring de eene of andere zaak behandelden, was papa gewoon te vragen: „In welk licht beschouwt mijne Emma deze zaak?” Ik weet dat papa bevooroordeeld was ten opzichte van zijne Emma; maar omtrent zulk eene gewichtige zaak als de koelheid, die daar altijd geheerscht heeft tusschen mijnheer Micawber en mijne familie, heb ik toch eene meening gevormd, al is die wellicht onjuist.”

„Natuurlijk hebt gij die, mevrouw,” zei tante.

„Juist,” hernam mevrouw Micawber. „Nu is het mogelijk dat ik tot verkeerde gevolgtrekkingen kom, het is zelfs heel waarschijnlijk; maar mijne persoonlijke meening is dat de klove tusschen mijnheer Micawber en mijne familie zoo groot is gebleven, omdat mijne familie voortdurend vreesde in mijnheer Micawber's geldelijke ongelegenheden te worden betrokken. Ik kan het niet helpen,” vervolgde zij met een, zoo mogelijk, nog ernstiger gezicht, „maar ik moet telkens denken, dat enkele leden mijner familie vreesden door mijnheer Micawber om hun naam gevraagd te worden. Ik bedoel daarmede niet om als peet op te treden bij den doop van onze kinderen, maar om op wissels geplaatst en op de Beurs verhandeld te worden.”

De scherpzinnigheid, die mevrouw Micawber bij deze ontdekking aan den dag meende te leggen, alsof niemand over dit punt ooit te voren had gedacht, scheen tante te verbazen, zoodat zij uitriep: „Wel, mevrouw, eerlijk gesproken, zou het mij niets verwonderen, indien gij gelijk hadt.”

„Aangezien mijnheer Micawber nu aan den vooravond staat van den dag, waarop hij de finantiëele kluisters, die hem knelden, zal afwerpen,” ging mevrouw Micawber voort, „en een nieuwe loopbaan zal beginnen in een land, waar voor zijne bekwaamheden de zoo noodige ruimte bestaat—naar mijne meening is dit van het grootste gewicht, want voor mijnheer Micawber's bekwaamheden is allereerst ruimte noodig—komt het mij voor, dat mijne familie den eersten stap tot toenadering moest doen. Ik zou niets liever zien dan eene ontmoeting tusschen mijnheer Micawber en mijne familie op eene feestelijk bijeenkomst, waarvan de kosten door mijne familie moesten gedragen worden; werd dan door een mijner familieleden op den voorspoed en de gezondheid van mijnheer Micawber gedronken, dan kon deze daarin eene aanleiding vinden om zijne inzichten bloot te leggen.”

„Lieve,” zei mijnheer Micawber, die een weinig warm was geworden, „het is wellicht beter terstond heel duidelijk te doen uitkomen, dat, indien ik voor dien troep mijne inzichten zou blootleggen, ze mogelijk niet bijzonder in den smaak zouden vallen; want het is mijne innige overtuiging dat uwe familie, in massa genomen, onbeschaamde opsnijders en ieder lid afzonderlijk onverantwoordelijke schobbejakken zijn.”

„Micawber!” riep zijne vrouw hoofdschuddend uit, „dat meent gij niet! Gij hebt elkander nooit begrepen!”

Mijnheer Micawber hoestte eens.

„Zij hebben u nooit begrepen, Micawber! Wellicht zijn zij daartoe ook niet in staat. Indien dit zoo is, dan zijn zij te beklagen.”

„Het spijt mij meer dan ik u zeggen kan, lieve Emma,” hernam mijnheer Micawber, „mij tot uitdrukkingen te hebben laten verleiden, die zelfs ook maar schijnbaar u zouden kunnen grieven. Al hetgeen ik wilde zeggen is, dat ik zeer goed op reis kan gaan zonder door uwe familie begunstigd te worden.... kortom, met een duw tot afscheid, dat ik.... kortom, liever Engeland verlaat zonder door hen gehaast te worden. Mochten zij zich verwaardigen op uwe mededeelingen te antwoorden, hetgeen ik na de door ons opgedane ondervinding heel onwaarschijnlijk acht, dan zal ik echter de laatste zijn om uwe wenschen te verijdelen.”

Nadat de zaak deze vriendschappelijke wending genomen had, bood mijnheer Micawber zijne vrouw een arm en zei met een blik op al de boeken en papieren, die voor Traddles op de tafel lagen, dat zij ons nu alleen zouden laten, waarop zij met eene zekere plechtigheid heengingen.

„Beste Copperfield,” zei Traddles, achterover in zijn stoel leunende en met een medelijdenden blik op mij, „ik maak geen verontschuldigingen nu ik u met zaken lastig val, want ik weet hoeveel belang gij er in stelt en wellicht kunnen ze een andere wending geven aan uwe gedachten. Ik hoop toch, dat gij wat zijt uitgerust?”

„O, zeker, ik voel mij heel wel,” antwoordde ik, „wij hebben meer reden om ons ongerust te maken over tante. Gij weet hoe zij zich afgetobt heeft in den laatsten tijd!”

„Zeker, zeker,” antwoordde Traddles. „Wie zou dat kunnen vergeten?”

„Maar dat is niet alles,” hernam ik. „Gedurende de laatste veertien dagen wordt zij door een nieuw verdriet gekweld; zij gaat elken dag heen en weer naar Londen. Menigmaal gaat zij des morgens zeer vroeg uit en komt dan niet thuis voor tegen middernacht. Zelfs gisteren avond, Traddles, met zulk een vermoeienden dag voor oogen. Gij weet hoeveel zij voor anderen over heeft en nu wil zij mij zelfs niet vertellen wat haar opnieuw zoo drukt.”

Tante was bleek en zat met diepe rimpels op haar gelaat, zwijgend in haar stoel, tot ik uitgesproken had; toen vonden eenige weerspannige tranen hun weg langs hare wangen en legde zij hare hand op de mijne.

„Het is niets, Trot; het is niets. Het zal spoedig gedaan zijn en dan zult gij alles weten. Nu, lieve Agnes, laat ons nu overgaan tot de zaken.”

„Ik moet mijnheer Micawber tot zijne eer nageven,” begon Traddles, „dat al schijnt hij met weinig succes voor zich zelven te werken, hij, onvermoeid is wanneer hij voor anderen werkt. Nooit heb ik zijn weerga gezien. Indien hij altijd op dezelfde wijze doet, moet hij op het oogenblik twee honderd jaar oud zijn. De spanning, waarin hij al dezen tijd heeft doorgebracht; de bijna krankzinnige ijver, waarmede hij dag aan dag heeft zitten zoeken en woelen tusschen boeken en papieren, om niets te zeggen van het ontzaglijk aantal brieven, dat hij geschreven heeft van deze woning naar die van mijnheer Wickfield, ja zelfs aan mij, terwijl hij tegenover mij aan tafel zat en veel gemakkelijker had kunnen uitspreken hetgeen hij te zeggen had... het is ongekend.”

„Brieven!” riep tante. „Ik geloof dat hij in brieven droomt!”

„En mijnheer Dick”, vervolgde Traddles, „heeft ook wonderen verricht! Zoodra hij ontslagen was van de bewaking van Uriah Heep, die hij met de grootste nauwgezetheid heeft verricht, begon hij zich aan mijnheer Wickfield te wijden. Zijn ijver om zich nuttig te maken bij de nasporingen, die wij in het werk hebben gesteld; de diensten, die hij bewees door copies en uittreksels te maken, brieven te halen en te brengen en zoo meer, wakkerden ook ons aan.”

„Dick is een merkwaardig man,” riep tante uit, „dat heb ik altijd gezegd. Is het niet zoo, Trot?”

„Het verheugt mij te kunnen zeggen, juffrouw Wickfield,” vervolgde Traddles, op kiesche wijze en plotseling ernstig wordende, „dat mijnheer Wickfield in uwe afwezigheid aanmerkelijk in beterschap is toegenomen. Ontslagen van de nachtmerrie, die hem zoo langen tijd heeft gekweld, en van den angst, waarin hij leefde, is hij bijna een ander mensch geworden. Nu en dan slaagt hij er zelfs in zijn geheugen en zijne aandacht op bepaalde punten te vestigen en is hij in staat geweest ons vele zaken duidelijk te maken, die zonder zijne hulp tot hopelooze moeielijkheden zouden aanleiding hebben gegeven. Maar ik moet nu onze resultaten meedeelen. Welnu, ik kan kort zijn, want ik wil niet uitweiden over al de gunstige omstandigheden, die ik heb waargenomen—dan zou ik nooit gereed komen.” Zijn eenvoud en zijn aangename toon waren voor ons het duidelijkste bewijs dat hij ons moed wilde inspreken en Agnes in staat stellen met meer vertrouwen over haar vader te kunnen oordeelen; het was ons daarom niet minder aangenaam.

„Laat ons nu eens zien,” ging hij voort, terwijl hij eenige papieren inkeek, die op de tafel lagen. „Nu wij onze balans opgemaakt en rekening gehouden hebben met opzettelijke en toevallige verwarring, met vervalschingen en bedriegerij en, is het ons duidelijk geworden dat indien mijnheer Wickfield zijne zaak op dit oogenblik liquideert en verantwoording doet van zijn beheer, niemand eenige schade zou lijden.”

„Den Hemel zij dank!” riep Agnes met hartstochtelijke blijdschap uit.

„Maar,” vervolgde Traddles, „hetgeen dan overblijft—en ik ben van de onderstelling uitgegaan dat het huis verkocht zal worden—is zoo weinig, alles en alles ongeveer een paar honderd pond, dat de vraag bij mij gerezen is, juffrouw Wickfield, waarom uw vader niet het beheer zou houden van het landgoed, dat hem is toevertrouwd. Zijne vrienden kunnen hem nu met raad bijstaan; hij is nu vrij. Gij zelve, juffrouw Wickfield—Copperfield.... ik...”

„Ik heb ook daarover nagedacht, Trotwood,” zei Agnes, mij aankijkende, „maar ik ben van meening dat het niet moet gebeuren, zelfs niet op aanraden van een vriend, dien ik zoo dankbaar en aan wien ik zooveel verschuldigd ben.”

„Ik zeg niet dat ik het aanraad,” hernam Traddles. „Ik bedoel alleen dat wij er over moeten denken.”

„Het doet mij genoegen u dit te hooren zeggen,” antwoordde Agnes kalm, „want nu durf ik hopen dat wij van dezelfde meening zijn. Waarde mijnheer Traddles, waarde Trotwood, wat kan ik nog meer wenschen dan dat papa het hoofd weder vrij en vrank kan oprichten? Ik heb altijd gehoopt hem, wanneer hij uit het net, waarin hij verstrikt was, bevrijd zou zijn, een klein gedeelte van de liefde en zorg te kunnen vergoeden, die ik hem verschuldigd ben, hem mijn leven te mogen wijden. Dit is jaren lang mijn vurigst verlangen geweest. Mijn grootste geluk zal zijn voortaan voor hem te kunnen zorgen en hem van alle verantwoordelijkheid ontslagen te weten.”

„Hebt gij er al over gedacht hoe gij daartoe in staat zult kunnen zijn, Agnes?”

„O, ja, meermalen! Ik zie er niet tegen op, Trotwood, en ik ben zeker te zullen slagen. Ik heb hier zooveel kennissen en vrienden, dat ik er zeker van ben. Stel maar vertrouwen in mij. Wij hebben niet veel behoeften. Als ik het lieve oude huis in huur neem en er een school opricht, maak ik mij nuttig en zal ik gelukkig zijn.”

Hare kalme, lieve stem bracht mij zoo duidelijk eerst het oude, gezellige huis en daarna mijn eigen eenzame woning voor oogen, dat mijn hart te vol was om te spreken. Traddles deed eenigen tijd alsof hij al zijne aandacht wijdde aan de papieren.

„Dan, juffrouw Trotwood,” zoo nam hij eindelijk weder het woord, „moet ik u nog inlichten omtrent dat geld van u.”

„Ja, mijnheer,” antwoordde tante met een zucht. „Al wat ik daarop zeggen kan is, dat, is het weg, dan kan ik het dragen, is het niet weg, dan zal ik heel blij zijn het terug te krijgen.”

„Bedrieg ik mij niet dan was het oorspronkelijk acht duizend pond geconsolideerde schuld?” vroeg Traddles.

„Juist.”

„Ik kan er niet meer dan vijf terecht brengen,” zei Traddles met een verlegen gezicht.

„.... duizend, bedoelt gij?” vroeg tante met bewonderenswaardige kalmte, „of pond?”

„Vijf duizend pond.”

„Dat is alles,” antwoordde tante. „Ik heb er drie opgenomen. Eén duizend pond betaalde ik voor u aan de Commons, Trot, en de andere twee heb ik zelve in bewaring. Toen ik de rest verloor, achtte ik het beter niets van deze twee duizend pond te zeggen, maar ze te bewaren voor den kwaden dag. Ik wilde eens zien, Trot, hoe gij u door het leven zoudt slaan; dat hebt gij met volharding, zelfvertrouwen en zelfverloochening gedaan en daarbij, evenals Dick, getoond een edel hart te bezitten. Spreek nu niet tegen mij, want ik heb mijne zenuwen op het oogenblik niet goed in mijn macht!”

Niemand, die haar daar had zien zitten, kaarsrecht en de armen over elkander, zou dat gedacht hebben; maar zij kon zich zoo uitstekend beheerschen.

„Dan kan ik u tot mijn groote vreugde meedeelen,” riep Traddles met een stralend gezicht, „dat wij al het geld hebben teruggevonden!”

„Feliciteert mij niet, geen van allen!” zei tante. „Waarom niet, mijnheer?”

„Omdat gij in de meening verkeerdet dat het geld door mijnheer Wickfield misbruikt was?” vroeg Traddles.

„Natuurlijk meende ik dat,” antwoordde tante, „en ik liet mij daardoor gemakkelijk tot zwijgen brengen. Geen woord, Agnes!”