Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 80
„Neen! Mijn eigendom!” antwoordde tante. „Agnes, lieve, zoolang ik in de meening verkeerd heb dat mijn geld werkelijk door uw vader was zoek gemaakt, heb ik er over gezwegen.... zelfs tegen Trot, zooals hij wel weet, heb ik er geen woord van gerept dat ik het aan uw vader gegeven had om het voor mij te beleggen. Maar nu ik weet dat deze kerel er verantwoordelijk voor was, wil ik het terug hebben. Kom, Trot, neem het hem af!”
Of tante onderstelde dat hij haar geld in zijn das verborgen had, durf ik niet zeggen; maar zij trok er zoo hevig aan alsof het werkelijk zoo was. Ik haastte mij tusschen beiden te treden en tante te verzekeren, dat wij allen ons best zouden doen om hem alles, wat hij zich op onrechtvaardige wijze had toegeëigend, te laten teruggeven. Deze verklaring stelde haar na eenig nadenken tevreden; maar zij was volstrekt niet verlegen over hetgeen zij gedaan had en ging doodkalm weer zitten.
Gedurende de laatste minuten had juffrouw Heep haar zoon op luidruchtige wijze vermaand om toch nederig te zijn en was voor ons allen een voor een op de knieën gevallen, terwijl zij de meest dwaze beloften deed. Haar zoon liet haar op een stoel plaats nemen en hield haar bij den arm vast, zonder eenig ruwheid of hardheid, terwijl hij mij met een kwaadaardigen blik toeriep:
„Wat wilt gij dat er gedaan zal worden?”
„Ik zal u vertellen wat er gedaan moet worden!” zei Traddles.
„Heeft die Copperfield geen tong?” mompelde Uriah. „Ik zou veel voor u willen doen, indien iemand mij met zekerheid vertellen kon dat die was uitgesneden.”
„Mijn Uriah zal wel nederig zijn!” riep zijne moeder. „Slaat geen acht op hetgeen hij zegt, beste heeren!”
„Hetgeen gedaan moet worden,” hernam Traddles, „is dit: Allereerst moet gij mij de bewuste schuldbekentenis overhandigen... nu, dadelijk.”
„En als ik die niet heb!” riep Uriah.
„Gij hebt die in uw bezit,” hernam Traddles. „Wij storen ons volstrekt niet aan uwe bewering van het tegendeel.”
Ik kan niet nalaten te bekennen, dat dit de eerste maal was, dat ik het heldere verstand en het kalme, bedaarde optreden van mijn ouden schoolmakker recht liet wedervaren.
„Daarna,” ging Traddles voort, „moet gij u gereed houden om alles uit te leveren wat gij u hebt toegeëigend, alles—tot den laatsten penning. Alle boeken en papieren van de firma moeten in ons bezit overgaan, evenzoo al _uwe_ boeken en papieren, al het geld, alle rekeningen en quitantiën, zoo van de firma als van u. Kortom—alles.”
„Moeten? Dat weet ik volstrekt niet,” zei Uriah. „Gij moet mij den tijd laten om er over na te denken.”
„Zeker,” antwoordde Traddles, „intusschen en totdat alles naar ons genoegen geregeld is, zullen wij al die dingen in bewaring houden en u verzoeken liever gezegd dwingen—in uw eigen kamer te blijven en met niemand eenige gemeenschap te houden.”
„Dat doe ik niet,” zei Uriah met een vloek.
„De gevangenis van Maidstone zou zeker veiliger plaats zijn,” gaf Traddles ten antwoord, „en ofschoon de wet wellicht langen tijd noodig zal hebben om ons recht te verschaffen, zal zij zonder twijfel straffen. Goede Hemel, dat weet gij zoo goed als wij! Och, Copperfield, loop eens naar Guildhall en haal een paar politie-agenten!”
Nu barstte juffrouw Heep opnieuw uit en smeekte Agnes op haar knieën om voor hem in de bres te springen, terwijl zij uitriep, dat hij zoo nederig was en dat als hij niet deed wat wij verlangden, zij het zou doen en nog veel meer van dien aard; de angst voor haar lieveling bracht haar bijna tot wanhoop. Te vragen wat hij zou gedaan hebben als hij maar een weinigje moed had gehad, zou gelijk staan met de vraag wat een straathond zou doen als hij den aard van een tijger had. Hij was een lafaard van top tot teen en liet zijne lafhartigheid door zijne boosaardigheid en zijn spijt heen blijken, meer nog dan hij ooit in zijn verachtelijk leven gedaan had.
„Halt!” riep hij mij toe, terwijl hij zijn verhit gelaat met de hand afveegde. „Maak toch zoo'n rumoer niet, moeder! Welnu! Ga die schuldbekentenis dan maar halen en geef ze hun!”
„Wilt gij haar helpen, mijnheer Dick”, zei Traddles.
Trotsch op zijn opdracht, die mijnheer Dick volkomen begreep, vergezelde hij haar en bleef zoo trouw naast haar als een schaapherdershond bij zijn schapen. Juffrouw Heep bezorgde hem weinig last, want zij keerde niet alleen terug met het bewuste papier, maar zelfs met de cassette, waarin het geborgen was met een kasboek en eenige papieren, die ons later te pas kwamen.
„Goed!” zei Traddles, toen dit gebracht was. „Nu kunt gij heengaan, mijnheer Heep, en de zaken overdenken: onthoud echter wel—ik deel u dit nogmaals in tegenwoordigheid van alle aanwezigen mede—dat er maar één ding te doen is, namelijk hetgeen ik u gezegd heb, en dat het zonder uitstel dient te geschieden.”
Zonder de oogen van den grond op te richten, verliet Uriah sloffend het vertrek, met de hand aan de kin en bij de deur zei hij nogmaals:
„Copperfield, ik heb u altijd gehaat. Gij zijt altijd een gelukskind geweest en hebt mij altijd in de wielen gereden.”
„Zooals ik u al meer heb gezegd,” antwoordde ik, „hebt gij u door uwe inhaligheid en bedriegerij de geheele wereld tot vijand gemaakt. Wellicht kunt gij in de toekomst uw voordeel doen met te bedenken dat valschheid en bedrog gewoonlijk te veel willen doen in de wereld en in zelfbedrog eindigen. Dit is zoo zeker als de dood.”
„Of zoo zeker als wij op school leerden—dezelfde school, waar ik zooveel nederigheid opdeed—van negen tot elf dat de arbeid een vloek is, van elf tot een dat het een zegen, een genot, een eer is en ik weet niet wat nog al meer, nietwaar?” sprak hij op smalenden toon. „Gij spreekt bijna even overtuigend als zij. Kan nederigheid ons niet ver brengen? Hoe zou ik mijn vroegeren patroon zoover gekregen hebben zonder nederigheid? Maar jou, Micawber, gemeene hond, zal ik het betaald zetten!”
Mijnheer Micawber beantwoordde deze bedreiging en de uitgestoken hand met een minachtenden blik en bleef hem in eene uitdagende houding aankijken tot hij de kamer verlaten had; daarna noodigde hij mij met een ontroerde stem uit, om getuige te zijn bij het herstel van het wederzijdsch vertrouwen tusschen mevrouw Micawber en hem en deed daarop dezelfde uitnoodiging aan de andere leden van het gezelschap.
„De sluier, die zoo langen tijd mevrouw Micawber en mij heeft gescheiden, is thans verdwenen”, zei mijnheer Micawber; „mijne kinderen en de oorzaak van hun bestaan kunnen thans weder op den ouden voet met elkander omgaan.”
Aangezien wij hem allen dankbaar waren en hem dit allen wenschten te toonen, zouden wij zeker allen zijn medegegaan, indien Agnes het niet noodig had gevonden naar haar vader terug te keeren, die nog niet meer dan een zweem van hoop durfde voeden; bovendien moest er iemand achter blijven om op Uriah te passen. Traddles bleef tot dit laatste doel achter, om weldra door mijnheer Dick te worden afgelost; terwijl ik met tante en Mijnheer Dick naar de woning van mijnheer Micawber ging.
Toen ik haastig afscheid nam van het lieve meisje, aan wie ik zooveel was verplicht, en bedacht waarvoor zij—wellicht dienzelfden morgen—gered was, ook al had zij zelve reeds een besluit in dien zin genomen, dankte ik den Hemel voor de doorgestane ellende in mijne jeugd, want dientengevolge was ik met mijnheer Micawber in kennis gekomen. Zijne woning was niet ver af en toen de straatdeur, die onmiddellijk tot de zitkamer toegang verleende, geopend was, trad hij met zijne gewone plichtplegingen binnen en bevonden wij ons op eenmaal te midden van de geheele familie. Onder den uitroep: „Emma! Mijne levensgezellin!” stortte hij zich in de armen van mevrouw Micawber. Zij gaf een gil en sloeg de armen om haar echtgenoot. Mejuffrouw Micawber, die den van niets bewusten vreemdeling uit mevrouw Micawber's laatsten brief zat te sussen, was zichtbaar aangedaan. Het vreemdelingetje sprong op. De tweelingen gaven verscheidene hinderlijke doch onschuldige bewijzen van hunne blijdschap. Jongeheer Micawber, wiens gemoed door allerlei teleurstellingen nu reeds verbitterd scheen, bleek toch tegen deze aandoening niet bestand en schreide.
„Emma,” zei mijnheer Micawber, „de wolk is voorbij gedreven. Het wederzijdsch vertrouwen, waarop wij zulk een langen tijd hadden gebouwd, is hersteld om niet weder verbroken te worden. Zijt welkom, armoede,” riep mijnheer Micawber uit, terwijl hij in tranen uitbarstte. „Welkom ellende, ontbering, honger, lompen en bedelstaf! Wederzijdsch vertrouwen zal ons steunen!” Onder deze en dergelijke hoogdravende uitroepen had mijnheer Micawber zijne vrouw in een stoel doen plaatsnemen en de geheele familie omhelsd, hoewel, naar het mij voorkwam, de opsomming van al deze akelige voorstellingen aan de verschillende familieleden volstrekt niet welkom was; eindelijk gaf hij hun den raad Canterbury's inwoners te vergasten op hun gezang, aangezien hij niet wist waarvan zij anders zouden moeten leven. Aangezien echter mevrouw Micawber, door aandoeningen overstelpt, was flauw gevallen, kon er voorloopig aan niets gedacht worden dan aan middelen om haar bij te brengen. Tante en mijnheer Micawber slaagden hierin vrij spoedig; daarna werd tante voorgesteld en herkende mevrouw Micawber mij.
„Is dit uw gezin, mevrouw?” vroeg tante.
„Op het oogenblik zijn er niet meer,” antwoordde mevrouw Micawber.
„Goede Hemel, dat bedoel ik niet!” riep tante. „Ik bedoel of al deze kinderen van u zijn?”
„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber: „dit is ons kroost.”
„En waarvoor is die oudste jongen groot gebracht?” vroeg tante. „Wat heeft hij geleerd?”
„Toen ik hier kwam,” antwoordde mijnheer Micawber, „hoopte ik Wilkins voor de kerk op te leiden, of laat ik mij zuiverder uitdrukken—voor het koor. Er was echter geen plaats voor een tenor vacant in het eerwaardig gebouw, waardoor deze stad zulk een beroemdheid heeft gekregen, zoodat hij... kortom, meer in herbergen dan op gewijde plaatsen zijne stem laat hooren.”
„Maar hij doet zijn best,” voegde mevrouw Micawber er met moederlijke teederheid bij.
„Dat wil ik gaarne gelooven, lieve,” hernam mijnheer Micawber, „maar tot nog toe heeft hij het nog niet ver kunnen brengen.”
Jongeheer Micawber's gelaat nam dezelfde stuursche uitdrukking van zoo even weder aan. „Wat moet ik dan doen?” vroeg hij norsch. „Ben ik soms als timmerman of als rijtuigschilder geboren? Of kan ik hiernaast een apothekerswinkel opzetten? Of kan ik in de rechtbank zitting nemen en zeggen dat ik advocaat ben? Of met geweld eene plaats bij de opera veroveren? Of... in één woord, iets worden zonder er voor opgeleid te zijn?”
Tante bleef eenige oogen blikken in gepeins verzonken en zei toen:
„Mijnheer Micawber, het verbaast mij dat gij er nooit over gedacht hebt als landverhuizer naar de overzijde van den Oceaan te gaan?”
„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber; „dat is de droom geweest van mijne jeugd en op later leeftijd heb ik steeds de hoop gekoesterd, dat mij zulk een lot nog eens beschoren mocht zijn.”—Ik ben bijna overtuigd dat het denkbeeld nooit in zijne hersens was opgekomen.
„Zoo?” zei tante met een blik op mij. „Hoe goed zou het voor u en uwe familie zijn, indien gij thans kondt besluiten tot emigratie.”
„Het geld, mevrouw, het geld ontbreekt mij daarvoor,” antwoordde mijnheer Micawber op somberen toon.
„Dat is de eenige reden, het eenige bezwaar, mijnheer Copperfield,” voegde zijne vrouw er bij.
„Geld!” riep tante. „Maar gij doet ons een grooten dienst—hebt ons een grooten dienst bewezen, kan ik zeggen, want zonder twijfel zal er nu nog veel terecht komen—wat zouden wij dus beter kunnen doen dan u het geld te bezorgen?”
„Ik zou het niet als een geschenk kunnen aannemen,” antwoordde mijnheer Micawber vol vuur, „maar indien mij eene voldoende som tegen vijf procent 's jaars kon worden voorgeschoten waarvoor ik persoonlijk instond bijvoorbeeld op wisseltjes van twaalf, achttien en vierentwintig maanden, achtereenvolgens, ten einde mij tijd te laten om te zien of zich ook iets ‚opdoet’...”
„Kunnen? Het kan en zal gebeuren op de voorwaarden, die gij stelt,” antwoordde tante, „als gij maar besluiten kunt. Denkt er eens over te zamen. David kent eenige menschen, die eerlang naar Australië vertrekken. Indien gij besluit te gaan, waarom dan niet met hetzelfde schip? Gij kunt elkander helpen. Denkt er eens over, mijnheer en mevrouw Micawber. Neemt geen overhaast besluit.... gij hebt tijd in overvloed.”
„Er is slechts één vraag, die ik gaarne beantwoord zou zien, lieve mevrouw Trotwood,” zeide mevrouw Micawber. „Is het klimaat gezond?”
„Zoo prachtig als ergens ter wereld,” antwoordde tante.
„Goed,” hernam mevrouw Micawber, „dan rijst de volgende vraag bij mij: Zijn de omstandigheden en de toestanden in dat land van dien aard, dat voor een man van mijnheer Micawber's bekwaamheden de kans zou openstaan in het maatschappelijk leven vooruit te komen? Ik bedoel niet dat hij terstond zou kunnen verwachten gouverneur of iets dergelijks te worden, maar staat daar de weg voor hem open om zijne talenten te ontwikkelen en een werkkring zijner waardig te vinden? Dat zou reeds voldoende zijn.”
„Geen betere gelegenheid zoudt gij ergens kunnen vinden voor een man, die zich goed gedraagt en werken wil,” antwoordde tante.
„Voor een man, die zich goed gedraagt en werken wil,” herhaalde mevrouw Micawber peinzend. „Juist. Dan is het mij duidelijk dat mijnheer Micawber daar een passenden werkkring zal vinden.”
„Ik koester de overtuiging, geachte Mevrouw,” voegde mijnheer Micawber er bij, „dat Australië in de gegeven omstandigheden het land, het eenige land is voor mij en mijn gezin; dat zich daar aan dat strand zeker iets buitengewoons voor mij zal opdoen. Vergelijkenderwijze gesproken is het niet zoo heel ver en hoewel de vriendelijkheid van uw aanbod eenige overweging vereischt, verzeker ik u dat het eigenlijk geheel overbodig mag genoemd worden.”
Zal ik nog vertellen hoe hij in een oogenblik de gelukkigste aller stervelingen was geworden, hoe zeker hij zich reeds voelde van zijn geluk of hoe mevrouw Micawber zat te redeneeren over de gewoonten van de kangoroes! Zal ik mij die straat van Canterbury ooit kunnen herinneren op dien marktdag, zonder ook aan hem te denken, zooals hij met ons terugwandelde? Zal ik ooit vergeten hoe hij door het aannemen van onzekere manieren zich den schijn wilde geven alsof hij slechts eenigen tijd in het land vertoefde; hoe hij de stieren, die naar de markt werden gedreven, reeds aankeek met het oog van een Australischen grondbezitter?
LIII.
Nog een terugblik.
Ik moet thans weder eens stilstaan. O, mijn kind-vrouwtje! Te midden van al het gewoel om mij heen staat daar eene gedaante, stil en bleek, die mij in hare onschuldige liefde en kinderlijke schoonheid toeroept: „Blijf een oogenblik staan, keer u eens om en staar eens op het kleine bloesempje, dat daar zweeft over den grond!” En wanneer ik dat doe, verflauwt, verdwijnt al het andere uit mijn geheugen en ben ik weder in ons huisje met.... Dora alleen. Ik weet niet hoe lang zij ziek is geweest. In mijn gevoel was ik er zoo aan gewoon geraakt dat ik den duur van hare ziekte niet meer kan berekenen. In weken en maanden was het niet zoo heel lang, maar voor mijn gevoel was het zulk een droeve lange tijd! Men zegt niet meer tot mij: „heb nog eenige dagen geduld,” neen, ik ben begonnen te vreezen dat ik nimmer, nimmer meer mijn kind-vrouwtje met Jip in den tuin zal zien wandelen. Jip is, als 't ware plotseling, heel oud geworden. Mogelijk mist hij iets in zijne meesteres, dat hem levendiger en jonger maakte; hij zit voortdurend te droomen en is half blind en stijf; het spijt tante dat hij haar niet meer aanblaft, maar dicht bij haar kruipt op Dora's bed—terwijl zij er naast zit—en hare handen likt.
Dora kijkt ons om beurten glimlachend aan en is nog altijd mooi; geen ongeduldig woord, geen klacht komt over hare lippen. Zij zegt dat wij allen zoo goed voor haar zijn; dat zij weet hoe haar beste, oude, zorgzame jongen zich voor haar aftobt; dat tante nooit slaap schijnt te hebben, maar altijd bij haar zit en zoo vriendelijk en gedienstig is. Nu en dan komen de kleine vogeltjes, hare tantes, haar bezoeken en dan praten wij over onze bruiloft en over dien geheelen gelukkigen tijd.
Wat schijnt er een vreemdsoortige rust en stilstand in mijn leven te zijn gekomen—in alles, zoowel binnens- als buitenshuis—wanneer ik daar in de stille ziekenkamer zit, met de neergelaten gordijnen, met de blauwe oogen van mijn kind-vrouwtje op mij gericht en hare kleine vingertjes om mijne hand! Menig, menig uur heb ik zoo doorgebracht, maar van al die keeren staan mij een drietal het levendigst voor den geest.
* * * * *
Het is ochtend; Dora, door tante netjes gekapt, toont mij hoe hare fraaie lokken zich willen krullen om het kussen en hoe lang en blond ze zijn en zegt dat zij het veel liever los opgestoken in een netje draagt.
„Niet omdat ik er nu nog trotsch op ben, spotter, die gij zijt,” zegt zij glimlachend; „maar omdat gij gewoon waart te zeggen, dat gij het zoo mooi vondt en omdat ik, toen ik voor het eerst aan u begon te denken, dikwijls, voor den spiegel staande, er over peinsde of gij gaarne een lok er van zoudt willen hebben. O, wat waart gij een dwaze jongen, Doady, toen ik er u een gaf!”
„Dat was dienzelfden morgen, toen gij de bloemen teekendet, die ik u gegeven had, Dora, en toen ik u vertelde, hoe lief ik u had.”
„O, maar ik wilde u toen niet zeggen,” hernam Dora, „hoeveel tranen ik gestort had, juist omdat ik meende, dat gij zooveel van mij hieldt! Wanneer ik weer uit mag gaan, Doady, moeten wij al de plekjes weder eens opzoeken, waar wij zulk een dwaas verliefd paartje geweest zijn? En dan zullen wij al onze oude wandelingen nog eens doen? Maar wij mogen ook dien armen papa niet vergeten!”
„Ja, dat is goed, dat zal heerlijk zijn. Gij moet dus maar uw best doen om spoedig weer beter te zijn!”
„O, dat zal ik zeker! Ik ben nu al zooveel beter!”
* * * * *
Het is avond. Ik zit op denzelfden stoel, bij hetzelfde bed, met hetzelfde gezichtje op het mijne gericht. Wij hebben beiden eenigen tijd het stilzwijgen bewaard en op Dora's gelaat ligt een glimlach. Ik breng nu mijn lichten last niet meer van boven naar beneden. Zij blijft den ganschen dag liggen.
„Doady!”
„Liefste Dora!”
„Ik hoop, dat gij hetgeen ik zeggen zal niet onredelijk zult vinden, maar na alles wat gij mij van mijnheer Wickfield verteld hebt, zou ik Agnes zoo gaarne eens zien. O, ik zou haar zoo gaarne eens zien.”
„Ik zal het haar schrijven, liefste.”
„Wilt gij dat doen?”
„Terstond.”
„Wat zijt gij toch een beste jongen! Doady, neem mij eens in uw armen. Waarlijk, beste, het is geen gril van me. Het is geen dwaze inval van me. Ik verlang werkelijk haar eens te zien!”
„Ik geloof het wel, lieveling. Ik behoef haar dat maar te schrijven, dan ben ik er zeker van dat zij komen zal.”
„Wat zult gij het eenzaam hebben, als gij tegenwoordig beneden komt,” fluisterde Dora, met den arm om mijn hals.
„Ja, zeker heb ik het eenzaam, liefste, wanneer ik uw stoel daar zoo ledig zie.”
„Mijn stoel!” Zij klemde zich eenige oogenblikken aan mij vast. „En mist gij mij dan werkelijk, Doady?” vroeg zij, terwijl zij mij glimlachend aankeek. „Mij, dat onnoozele, domme meisje?”
„Maar, lieveling, wie zou ik meer kunnen missen dan u?”
„O, mannetje, ik ben zoo blij en toch zoo bedroefd!” Zij vlijde zich nog dichter tegen mij aan en hield mij met beide armen omklemd. Zij lachte en snikte en werd toen weer stil en scheen heel gelukkig.
„Ziezoo,” sprak zij, „nu ben ik tevreden. Maar zend Agnes mijne hartelijke groeten en schrijf haar dat ik heel, heel erg naar haar verlang; als ik haar gezien heb, heb ik niets meer te wenschen.”
„Behalve dat gij weer beter moogt worden.”
„Och, Doady, somtijds denk ik wel eens, dat ik nooit meer beter worden zal.... och, gij weet wel, ik was altijd zoo'n onnoozel, dom ding.”
„Zeg dat niet, Dora! Innige lieveling, zet die gedachte van u af.”
„Ik kan het niet helpen, Doady. Maar ik ben heel gelukkig, terwijl mijn beste jongen zich zoo eenzaam voelt met den ledigen stoel van zijn kind-vrouwtje tegenover zich.”
* * * * *
Het is nacht. Wederom zit ik bij haar. Agnes is gekomen en bleef een geheelen dag bij ons. Zij, tante en ik hebben den geheelen dag bij Dora gezeten. Wij hebben niet veel gepraat, maar Dora was volkomen tevreden en vroolijker dan ooit. Nu zijn wij alleen. Weet ik nu dat mijn kind-vrouwtje mij spoedig zal verlaten? Zij hebben het mij gezegd; zij hebben mij niets verteld, dat ik niet reeds zelf gedacht had, maar ik ben er volstrekt niet zeker van dat ik het volkomen besef. Ik kan het niet in mij opnemen. Ik heb vandaag meermalen met mijn tranen moeten vechten. Ik heb mij herinnerd, wie eenmaal geschreid heeft over de scheiding van de levenden en de dooden en dat aandoenlijk schoone verhaal rijpelijk overdacht. Ik heb mijn best gedaan om te berusten en mij zelven te troosten en ik hoop dat het mij eenigszins gelukt is; maar wat mijn geest nog niet kan bevatten, dat is, dat het einde onvermijdelijk is. Ik houd hare hand in de mijne, ik zie hare liefde voor mij; ik kan het kleine sprankje hoop, dat zij nog zal blijven leven, nog niet loslaten.
„Ik wil eens met u praten, Doady. Ik wil u iets zeggen dat ik al zoo dikwijls overdacht heb. Zult gij niet boos worden?” vroeg zij vriendelijk.
„Boos worden, lieveling?”
„Omdat ik niet weet wat gij denken zult of wat gij somtijds al gedacht hebt, Doady. Misschien hebt gij wel hetzelfde gedacht als ik. Beste Doady, ik geloof zeker dat ik te jong was.”
Ik legde mijn hoofd naast het hare op het kussen en zij keek mij strak aan en sprak heel zacht. Langzamerhand begon ik tot mijn schrik te begrijpen, dat zij van zich zelve sprak alsof zij er niet meer was.
„Ik geloof zeker dat ik veel te jong was. Ik bedoel niet alleen in jaren, maar in ondervinding, in mijne gedachten, eigenlijk in alles. Ik was nog zoo'n onnoozel jong ding. Ik geloof dat het beter ware geweest, als wij elkander maar hadden liefgehad als een paar kinderen en elkaar dan vergeten hadden. Ik heb dikwijls gedacht, dat ik nog niet geschikt was om te trouwen.”
Ik doe mijn best om mijn tranen te bedwingen en te antwoorden: „O, lieveling gij waart daartoe even geschikt als ik.”
Zij schudde hare krullen als in vroeger dagen. „'t Is mogelijk!” sprak zij, „maar als ik wat geschikter geweest was, zou ik het u ook gemaakt hebben. Bovendien waart gij zoo verstandig en dat was ik nooit.”
„Wij zijn heel gelukkig geweest, liefste.”
„Ik was heel, heel gelukkig. Maar langzamerhand zou mijn beste jongen zijn kind-vrouwtje moe zijn geworden. Zij zou hoe langer hoe minder eene goede levensgezellin voor hem zijn geworden. Hij zou hoe langer hoe meer gevoeld hebben, wat hij miste in zijn huis en zij zou geen beterschap hebben kunnen aanbrengen. Het is beter zooals het nu is.”
„O, liefste, liefste Dora, spreek toch niet zoo. Elk woord van u schijnt mij een verwijt.”
„Neen, geen lettergreep,” antwoordde zij, terwijl zij mij kuste. „Neen, lieveling, dat hebt gij nooit verdiend en ik heb u veel te lief gehad om u ooit iets in ernst te verwijten—dat is mijne eenige verdienste, Doady, behalve dat ik mooi was, of dat gij mij ten minste daarvoor hieldt. Is het erg eenzaam beneden, Doady?”
„Ja, heel, heel erg.”
„Schrei nu niet! Staat mijn stoel er nog?”
„Ja, op de oude plaats.”
„O, wat schreit mijn arme jongen nu! Stil, stil! Doe mij nu één genoegen. Ik wil zoo gaarne nog eens met Agnes praten. Als gij naar beneden gaat, zend Agnes dan eens bij mij en laat niemand boven komen, terwijl ik met haar spreek.... ook tante niet. Ik moet Agnes alleen spreken, heel alleen.”
Ik beloofde haar het onmiddellijk te zullen doen, maar ik kon haar, zoo bedroefd als ik was, niet verlaten.