Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 8

Chapter 84,179 wordsPublic domain

„En wat hebben, wij daar?” vroeg hij, een vork in een der schotels zettende. „Zijn dat koteletten?”

„Ja, koteletten,” antwoordde ik.

„Goede Hemel!” riep hij, „ik wist niet dat het koteletten waren. Een kotelet is juist het eenige middel om de kwade gevolgen van het bier te voorkomen. Is dat niet een gelukkig toeval?”

Zoo sprekende nam hij de kotelet van de schaal en at die tot mijne groote vreugde met smaak op, en toen een aardappel en toen nog een kotelet en nog een aardappel. Toen wij gedaan hadden, bracht hij mij een pudding, en nadat hij die voor mij had neergezet, scheen hij eenige oogenblikken in gepeins verzonken te herkauwen.

„Hoe bevalt u die pastei?” vroeg hij, uit zijn gepeins ontwakend.

„Het is een pudding,” zei ik.

„Pudding!” riep hij uit. „Hemelsche goedheid, het is pudding! Wat.....?” Hij bekeek de schaal nauwkeuriger. „Het is een broodpudding, is het niet?”

„Ja, waarlijk.”

„Hé, broodpudding,” vervolgde hij, een lepel opnemend, „is mijn meest geliefkoosde pudding. Is dat geen gelukkig toeval? Kom, kleine man, laat ons eens zien, wie er het meest van krijgt.”

Ongetwijfeld won hij deze weddenschap. Wel spoorde hij mij herhaaldelijk aan om mij wat te reppen; maar met zijn grooten lepel tegen mijn theelepeltje, zijne vlugheid tegen mijne onhandigheid en zijn eetlust tegen mijn eetlust was ik bij den eersten hap reeds achter en had ik geen kans meer om te winnen. Nooit zag ik iemand zoo smullen en toen de geheele pudding verdwenen was, lachte hij alsof hij nog wel trek had in een tweede.

Aangezien de man zoo vriendelijk en bereidvaardig was, trok ik de stoute schoenen aan en vroeg hem mij papier, pen en inkt te geven, om den brief aan Peggotty te schrijven. Hij bracht het gevraagde niet alleen onmiddellijk, maar was wel zoo goed over mijn schouder heen te kijken naar hetgeen ik schreef. Toen ik gereed was vroeg hij mij naar welke school ik ging.

„Dicht bij Londen,” antwoordde ik; meer wist ik er zelf niet van.

„O, lieve goedheid!” zei hij op neerslachtigen toon, „dat spijt mij!”

„Waarom?” vroeg ik.

„O, Hemel!” zei hij hoofdschuddend, „dat is de school, waar zij verleden een jongen twee ribben hebben stuk geslagen—een kleinen jongen. Als ik mij niet bedrieg was hij... laat eens zien... hoe oud zijt gij?”

Ik vertelde hem dat ik acht en een half jaar was.

„Juist, zoo oud was die jongen ook,” zei hij. „Hij was acht en een half toen de eerste rib werd stuk geslagen en acht jaar en acht maanden toen de tweede volgde.”

Ik kon het noch voor mij zelven noch voor den knecht ontveinzen, dat dit eene slechte aanbeveling was en vroeg hoe het eigenlijk gebeurd was. Zijn antwoord was niet opwekkend voor mij, want het bestond uit slechts twee woorden: „Ransel gehad.”

Het geluid van den hoorn des conducteurs op het binnenplein was eene gewenschte afleiding; ik stond op en vroeg met eenige aarzeling, maar toch trotsch op het bezit van mijne beurs, die ik te voorschijn haalde, of ik iets te betalen had.

„Eerstens een velletje postpapier,” antwoordde de knecht. „Hebt gij wel eens meer een velletje postpapier gekocht?”

Ik kon mij niet herinneren dit ooit gedaan te hebben.

„Het is duur,” vervolgde hij, „want er is zooveel belasting op. Drie stuivers. Zoo zwaar worden wij in dit land belast. Verder niets dan den knecht; den inkt hebt gij voor niets. Dat is mijn zaak.”

„Wat zoudt gij.... wat zal ik.... hoeveel moet ik.... hoeveel geeft men gewoonlijk aan den knecht?” stamelde ik met een kleur van verlegenheid.

„Had ik geen vrouw en kinderen en hadden die kinderen niet de koepokken,” zei de knecht, „dan zou ik geen halven shilling aannemen. Moest ik geen ouden vader en eene lieve zuster onderhouden”—de knecht begon aangedaan te worden—„zou ik geen duit aannemen. Had ik eene goede betrekking en werd ik hier goed behandeld, dan zou ik liever een kleinigheid geven dan aannemen. Maar ik leef van den afval en slaap in het kolenhok”.... plotseling barstte hij in tranen uit.

Ik was zeer getroffen door zijn verhaal en had medelijden met hem, zoodat ik meende dat eene fooi van minder dan negen stuivers mij ongevoelig zou doen schijnen. Ik gaf hem daarom een van de blinkende shillings, die hij met eene nederige buiging aannam, waarna hij onmiddellijk tusschen beide duimen beproefde of het wel een echt muntstuk was.

Toen ik achter op den omnibus geholpen was, bleek mij, dat ik onder verdenking lag het geheele maal zonder eenige hulp te hebben verorberd. Ik hoorde namelijk de juffrouw uit het vooruitspringende venster den portier toeroepen: „Pas op dien jongen, want hij zal barsten!” en ik zag ook de meiden naar buiten komen en naar mij wijzen, terwijl zij elkander aanstieten en begonnen te giegelen. Mijn ongelukkige vriend, de knecht, wiens opgeruimdheid niets meer scheen te wenschen over te laten, scheen er zich niets van aan te trekken en in de algemeene verbazing te deelen. Indien ik eenig wantrouwen in hem heb gehad, dan geloof ik dat het hierdoor eigenlijk pas werd opgewekt; maar ik ben meer geneigd aan te nemen dat ik met het natuurlijk vertrouwen van een kind op menschen van meerderen leeftijd—een eigenschap, die kinderen, helaas, maar al te vroeg verwisselen met eene zekere wereldwijsheid—zelfs toen nog geen oogenblik wantrouwen gekoesterd heb.

Het was intusschen wel hard voor mij dat ik tot voorwerp van spotternij diende tusschen den voerman en den conducteur, die beweerden, dat de omnibus van achteren veel te zwaar geladen was en ik liever met den vrachtwagen had moeten reizen. Het verhaal van mijn geweldigen eetlust ging ook bij de passagiers rond en men vroeg mij of er op de school een contract was aangegaan voor twee of drie personen, of dat ik op de gewone voorwaarden was aangenomen en zoo meer. Het ergste van alles was echter, dat ik mij schamen moest om, wanneer de gelegenheid zich daartoe aanbood, nog meer te eten en ik dus na een zeer schraal middagmaal, den geheelen avond honger zou moeten lijden—want ik had Peggotty's koekjes in het logement laten liggen. Mijne vrees werd bewaarheid. Toen wij uitstapten om te soupeeren, had ik niet den moed om iets te bestellen niettegenstaande ik er grooten lust in had; ik bleef bij de kachel zitten en zei dat ik niets begeerde. Dit belette niet dat ik nog voortdurend aan allerlei spotternijen blootstond, een heer met een schorre stem, die gedurende de reis niets gedaan had dan boterhammen met vleesch eten, wanneer hij niet uit een flesch dronk, zeide dat ik veel geleek op een boa-constrictor, die nu eens voor langen tijd genoeg nam; dezelfde heer scheen evenwel eene weddenschap te hebben aangegaan over de hoeveelheid gekookt ossenvleesch, die hij in den kortst mogelijken tijd kon verorberen.

Wij waren om drie uur in den namiddag van Yarmouth vertrokken en moesten den volgenden morgen te acht uur in Londen aankomen. Het was heerlijk zomerweder en een prachtige avond. Als wij een dorp doorreden stelde ik mij voor hoe de huizen er van binnen zouden uitzien en wat de bewoners wel zouden doen; en wanneer de jongens den omnibus naliepen en zich een eind lieten voortslepen, had ik hun wel willen vragen of hunne vaders nog leefden en of zij thuis gelukkig waren. Ik had genoeg om over te denken en bovendien kwam telkens de vraag bij mij op naar welke plaats ik toch eigenlijk op weg was en—dan voelde ik mijn hart wel eens angstig kloppen. Nu en dan, dat herinner ik mij zeer goed, dwaalden mijne gedachten af naar mijne moeder, naar het ouderlijk huis en Peggotty en poogde ik mij te herinneren welke soort jongen ik geweest was, eer ik mijnheer Murdstone gebeten had; ik kon het hierover echter volstrekt niet met mij zelven eens worden en het scheen mij toe, dat het voorval met mijn stiefvader jaren geleden had plaats gehad.

De nacht was niet zoo aangenaam als de avond, want het was koud geworden; ik zat bovendien tusschen twee heeren—de schorre heer en een andere—opdat ik niet uit den wagen vallen zou; maar toen zij in slaap vielen, zakten zij tegen mij aan en over mij heen en werd ik bijna plat gedrukt. Nu en dan smoorden zij mij bijna met hun beiden en ik kon dan niet nalaten uit te roepen: „O, als 't u blieft!” hetgeen zij mij nog bovendien kwalijk namen, want zij werden daardoor in hun slaap gestoord. Tegenover mij zat een reeds bejaarde dame in een grooten bonten mantel en zoo ingepakt, dat zij meer op een hooimijt geleek dan op eene dame. Zij had eene mand bij zich en langen tijd niet geweten waar zij die zou plaatsen, totdat zij, partij trekkende van mijne kleine beenen, de mand onder mij schoof. Dit hinderde mij zoo en deed mij zooveel pijn, dat ik het bijna niet kon uithouden; maar als ik mij even bewoog, en een glas, dat in de mand lag, begon te rinkelen—en dat deed het telkens—gaf zij mij een gevoeligen schop en zeide: „Zit toch niet zoo te draaien! Zulke jonge beenen moeten daar tegen kunnen!”

Eindelijk ging de zon op en toen schenen mijne buurlieden rustiger te slapen. De moeilijkheden waarmede zij den geheelen nacht te kampen hadden gehad, blijkbaar uit hun geweldig snorken en snuiven, zijn niet te beschrijven. Toen de zon hooger steeg werd hun slaap lichter en ontwaakten zij, de een na den ander. Ik herinner mij nog mijne verbazing toen iedereen zich hield alsof hij niet geslapen had en allen deze beschuldiging met verontwaardiging van zich af wierpen. Deze verbazing is tot op den huidigen dag nog niet geweken, want zonder uitzondering heb ik opgemerkt, dat van alle menschelijke zwakheden, die van in een rijtuig te hebben geslapen,—waarom is mij duister—het minst gaarne en nooit ruiterlijk erkend wordt.

Welk een verbazenden indruk Londen op mij maakte, toen ik het in de verte zag liggen; hoe ik meende dat de avonturen van al mijn helden daar telkens en telkens weder plaats vonden, en hoe ik een vaag vermoeden had, dat Londen meer wonderen en meer goddeloosheid in zich verborg dan alle andere steden op den geheelen aardbodem, behoef ik hier niet te verhalen. Wij naderden langzaam en stapten op het bepaalde uur aan de herberg in Whitechapel af, de plaats van bestemming. Ik heb vergeten of het „de Blauwe Stier” of „de Blauwe Beer” was, maar ik weet zeker dat het Blauw was en dat er eene afbeelding van geschilderd was op den omnibus.

De conducteur hield het oog op mij gevestigd, toen hij aan de deur van het kantoor riep: „Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, en zal afgehaald worden?”

Geen antwoord.

„Och, beproef het eens met den naam Copperfield, mijnheer,” vroeg ik, hulpeloos rondkijkende.

„Is hier iemand om een jongetje af te halen, dat in het boek staat onder den naam Murdstone van Blunderstone, Suffolk, maar dat beweert Copperfield te heeten en afgehaald zou worden?” vroeg hij nogmaals. „Kom.... is er niemand?”

Neen. Er was niemand. Ik keek angstig rond; maar de vraag maakte op geen der omstanders eenigen indruk, dan op een man met slobkousen aan en met slechts één oog, die den raad gaf, dat men mij maar met een koperen halsband om in den stal moest vastleggen tot er iemand kwam om mij te halen.

Er werd een ladder tegen den omnibus geplaatst, maar ik durfde niet opstaan vóór de dame, die zoo op een hooimijt leek, haar mand had weggenomen. Eindelijk was de omnibus ledig en ook de bagage afgeladen; de paarden waren reeds afgespannen en naar den stal gebracht en nu werd ook de omnibus door een paar stalknechts uit den weg gezet.

Nog altijd was er echter niemand om dien zekeren jongen van Blunderstone, Suffolk, op te eischen.

Eenzamer nog dan Robinson Crusoë, die ten minste door niemand bekeken werd, zoodat niemand zag, hoe eenzaam hij daar stond, ging ik naar het kantoor en, op uitnoodiging van een der klerken, achter de toonbank op de weegschaal zitten. Terwijl ik daar naar de balen, zakken en boeken zat te kijken, en eene afgrijselijke stallucht in te ademen—ik kan sinds dien tijd niet langs een stal komen zonder aan dien morgen te denken—ging er eene geheele reeks van vreeselijke voorstellingen door mijne ziel. Gesteld dat er niemand zou komen om mij te halen, hoelang zou men mij dan toestaan hier te blijven? Zouden zij mij lang genoeg houden om de zeven shillings te verteren? Zou ik 's nachts in een van die manden mogen slapen tusschen al die kisten en koffers en mij 's morgens aan de pomp op de binnenplaats moeten wasschen? Of zou ik er 's avonds worden uitgezet om 's morgens, wanneer het kantoor geopend werd, weder te beginnen met wachten op iemand, die mij zou komen afhalen? Gesteld dat er geen vergissing of verzuim in het spel was en mijnheer Murdstone dit plan bedacht had om mij kwijt te raken, wat moest ik dan beginnen? Indien zij mij toestonden hier te blijven tot mijne zeven shillings verteerd waren, zou ik hier zeker niet kunnen blijven tot ik begon dood te hongeren. Dat zou natuurlijk lastig en onaangenaam zijn voor de toeschouwers en de reizigers, behalve nog dat „de Blauwe” (wat het dan ook was) de begrafeniskosten zou moeten dragen. Als ik terstond heenging en den terugweg aanvaardde, hoe zou ik dan den weg kunnen vinden, hoe zou ik ooit zoo ver kunnen wandelen en al slaagde ik er in, ons huis weder te bereiken, zou mij dan behalve Peggotty wel iemand willen opnemen? Als ik mij eens tot de bevoegde macht wendde om soldaat of matroos te worden, zou men dan zoo'n klein manneke wel willen aannemen? Deze gedachten en nog honderd andere joegen mij het angstzweet op het gelaat, alles begon mij voor de oogen te draaien. Toen mijne verslagenheid het toppunt bereikt had, zag ik een man binnenkomen, die op fluisterenden toon iets aan een der klerken vroeg, waarop deze mij van de schaal nam en aan dien man overgaf, alsof ik een stuk goed was, dat gewogen, gekocht, afgeleverd en betaald werd.

Ik keek mijn nieuwen kennis, met wien ik hand aan hand het kantoor verliet, van ter zijde aan. Hij was een magere, bleeke, jonge man, met ingevallen wangen en een even zwarte kin als die van mijnheer Murdstone; daarmede was echter alles gezegd van hunne gelijkenis, want hij droeg geen bakkebaarden, en in plaats van glanzig, krullend was zijn haar droog en steil. Hij was gekleed in eene zwarte jas en broek, die beide even glad en vaal waren als zijne haren; zoowel de mouwen van de jas als de pijpen van de broek waren te kort en de witte das, die hij droeg, was niet al te helder. Ik wist niet en weet nog niet of hij geen ander linnen droeg dan deze das, maar het was al wat men te zien kreeg.

„Zijt gij de nieuwe jongen?” vroeg hij.

„Ja, mijnheer.” Ik onderstelde, dat ik het was, al wist ik het niet zeker.

„Ik ben een van de onderwijzers op Salem House,” zei hij.

Ik maakte een buiging voor hem en voelde onmiddellijk diep ontzag. Ik schaamde mij zelfs om tegen zulk een geleerd man, die onderwijzer op Salem House was, over mijn koffer te spreken, zoodat wij reeds een goed eind hadden afgelegd, eer ik daartoe den moed vond. Op mijne leuke opmerking, dat de inhoud mij wellicht naderhand zou te pas kunnen komen, keerden wij terug en deelde hij den klerk mede, dat de voerman van den vrachtwagen den koffer tegen den middag zou komen halen.

„Mag ik u eens vragen, mijnheer,” zei ik, toen wij ongeveer denzelfden afstand hadden afgelegd als zoo even, „is het ver?”

„Bij Blackheath ongeveer,” antwoordde hij.

„Is dat ver, mijnheer?” herhaalde ik op schroomvalligen toon.

„Het is een flinke wandeling,” antwoordde hij, „maar wij zullen met den omnibus gaan. Het is ongeveer zes mijlen.”

Ik was zoo flauw en zoo vermoeid, dat het denkbeeld om het nog zes mijlen ver te moeten uithouden, mij bijna wanhopend maakte. Ik vatte moed en vertelde hem, dat ik sedert den vorigen middag niets gegeten had, en zei, dat ik hem zeer verplicht zou zijn, indien hij mij wilde toestaan iets te koopen om mijn honger te stillen. Hij scheen verrast over deze mededeeling—hij bleef staan en keek mij voor de eerste maal eens goed aan—dacht even na en zei, dat hij nog iemand wilde bezoeken, en ik maar wat brood moest koopen of iets anders, dat niet schadelijk voor mijne gezondheid was en waarvan ik het meest hield; ik zou dan bij de oude juffrouw, die hij wilde bezoeken, wel wat melk kunnen krijgen en bij haar mijn ontbijt gebruiken.

Zoo gezegd, zoo gedaan; wij gingen een bakkerswinkel binnen en nadat ik de vetste en zwaarste baksels, die in den winkel te krijgen waren, had voorgesteld, en hij die allen als schadelijk voor de gezondheid had verworpen, beslisten wij ten gunste van een klein bruin broodje, dat mij drie stuivers kostte. In een komenijswinkel kochten wij vervolgens een ei en een sneedje doorregen spek, zoodat ik naar mijne meening nog genoeg van mijn tweeden blinkenden shilling overhield, om Londen voor eene goedkoope stad te houden. Na deze inkoopen gedaan te hebben, wandelden wij verder door eenige woelige, drukke straten, zoodat mijn toch reeds vermoeid hoofd dreigde te barsten, en over eene brug, als ik mij niet bedrieg, de London Bridge—ik meen werkelijk, dat hij het mij vertelde, maar ik sliep half—tot wij de woning van de oude juffrouw bereikten. Deze lag in een hofje, dat tot een weldadigheidsgesticht behoorde, hetgeen ik uit de regelmatige bouworde opmaakte, en ook uit een opschrift op een steen, waarop te lezen stond, dat hier vijfentwintig arme vrouwen onder dak konden worden gebracht.

De ondermeester van Salem House lichtte de klink op van een der vele zwarte deurtjes, die alle gelijk waren, en alle hadden een venster op zijde en een met kleine ruitjes er boven; wij gingen er binnen en vonden eene arme oude vrouw bezig den inhoud van een sauspannetje aan de kook te brengen. Toen zij den meester zag binnenkomen legde zij de blaasbalg op hare knie en mompelde iets, dat op „Dag Karel” geleek; mij echter ziende, stond zij op, veegde hare handen af en maakte in hare verlegenheid eene halve buiging.

„Kunt gij het ontbijt van dezen jongeheer ook gereed maken als 't u blieft?” vroeg de meester.

„Of ik dat kan?” antwoordde de vrouw. „Zeker kan ik dat!”

„Hoe maakt juffrouw Tibbitson het vandaag?” vroeg mijn geleider weder, naar eene oude vrouw kijkende, die in een grooten stoel bij het vuur zat en zoo zeer op een hoopje kleeren geleek, dat ik nu nog dankbaar ben, er niet bij vergissing op te zijn gaan zitten.

„Och, zij is zoo ziek,” antwoordde de juffrouw met de blaasbalg. „Zij heeft een van hare kwade dagen. Als het vuur was uitgegaan door een of ander toeval, zou zij ook zijn uitgegaan om nimmer terug te keeren—dat geloof ik zeker.”

Aangezien allen naar de zieke keken, deed ik het ook. Hoewel het warm weer was, scheen zij voor niets oogen te hebben dan voor het vuur. Ik geloof zeker dat zij jaloersch was op de sauspan, die op het vuur stond; ook nam zij het mij blijkbaar kwalijk, dat het gebruikt werd om mijn ei te koken en mijn spek te bakken, want op een oogenblik, dat niemand naar haar keek, zag ik dat zij heimelijk de vuist tegen mij balde. De zon scheen door het kleine venster in de kamer, maar zij zat met haar eigen rug en met den rug van den stoel naar het licht, alsof zij het vuur moest warm houden in plaats dat het haar verwarmde. Zij hield er met wantrouwende blikken de wacht bij. Toen mijn ontbijt gereed was en het vuur dus weder zichtbaar werd, had zij zooveel pret, dat zij in een schaterlach uitbarstte—een zeer onwelluidenden lach, dat moet ik zeggen.

Daar zat ik nu voor mijn bruin broodje, mijn ei en mijn gebakken spek en deed een Lucullusmaal, met de kom melk er bij. Toen ik in het volle genot daarvan was, zei de oude juffrouw tegen mijn reisgenoot:

„Hebt gij uwe fluit bij u, Karel?”

„Ja,” antwoordde hij.

„Toe, blaas dan eens een wijsje,” smeekte zij op vleienden toon.

Op dit verzoek stak de meester van Salem House de hand onder de panden van zijn jas, haalde eene fluit te voorschijn, die uit drie stukken bestond, schroefde die aan elkander en begon te spelen. Na de ondervinding van latere jaren is mijn eerste indruk dat niemand op de geheele wereld slechter speelde dan hij, in geen enkel opzicht gewijzigd. Hij maakte de afschuwelijkste geluiden, die ik ooit door mensch of dier heb hooren uitbrengen. Ik weet niet welke wijzen hij speelde—indien er ten minste een wijs aan ten grondslag lag, hetgeen ik betwijfel—maar de invloed van de muziek op mij was eerst, dat al het geleden verdriet weder in mijn geheugen werd opgeroepen, zoodat de tranen mij weldra over de wangen begonnen te rollen; daarna dat mij mijn eetlust werd benomen; eindelijk werd ik zóó slaperig, dat ik mijne oogen niet open kon houden. Nu nog vallen ze dicht en begin ik te knikkebollen, wanneer ik aan de marteling van dien morgen herinnerd word. Het kleine kamertje met de geopende bedstede in den hoek en de stoelen met vierkante ruggen en het steile trapje, dat naar de bovenkamer voerde, en de drie pauwenveeren boven den schoorsteenmantel—ik herinner mij nog, mij afgevraagd te hebben, toen ik binnentrad en die veeren mij terstond in het oog vielen, wat die pauw wel gedacht zou hebben als hij geweten had tot welk lot zijn grootste sieraad hier gedoemd zou zijn—staan mij dan op eens weder levendig voor den geest en ik voel eene bijna onoverwinbare neiging tot slapen. Het fluitspel houdt op; in plaats daarvan hoor ik de wielen van een omnibus en ik ben op reis. De omnibus schokt verschrikkelijk, de fluit begint opnieuw en de meester van Salem House zit, met de beenen over elkander gekruist, allerjammerlijkst te spelen; terwijl de oude juffrouw met een gezicht, dat de grootste opgetogenheid verraadt, zit te luisteren. Op hare beurt verdwijnt ook zij weder, en hij verdwijnt, alles verdwijnt; er is geen fluit, geen meester, geen Salem House, geen David Copperfield meer, er is niets dan—slaap. Eens droomde ik dat, terwijl hij op die vreeselijke fluit zat te blazen, de oude juffrouw in hare opgetogenheid en bewondering al nader en nader was gekomen, achter op den rug van zijn stoel leunde en hem teeder omhelsde, zoodat hij zijn spel een oogenblik staken moest. Ik verkeerde toen in een toestand tusschen waken en slapen, juist op dat oogenblik of iets later, want toen hij eindigde—het was een feit dat hij opgehouden had met spelen—zag en hoorde ik dezelfde oude juffrouw aan juffrouw Tibbitson vragen of het niet verrukkelijk was—zij bedoelde het fluitspel—waarop juffrouw Tibbitson uitriep: „O, o, ja, ja!” en tegen het vuur knikte, waaraan zij, daarvan ben ik overtuigd, al de eer van de uitvoering toekende.

Toen ik vrij lang gesluimerd scheen te hebben, schroefde de meester van Salem House de fluit weder uit elkander, stak de drie stukken in zijn zak en ging met mij naar buiten. Wij vonden den omnibus dichtbij gereed staan en namen bovenop plaats; maar ik was zoo doodop van den slaap, dat men mij, toen wij stilhielden om iemand op te nemen, binnen plaatste, waar niemand zat en waar ik gerust sliep tot ik bemerkte, dat de omnibus stapvoets een steilen heuvel opreed tusschen het groen. Eindelijk hielden wij stil en waren aan onze bestemming.

Eene kleine wandeling bracht ons—ik bedoel den meester en mij—naar Salem House, dat door een hoogen, rooden muur was omringd en er zeer somber uitzag. Boven een deur in dezen muur hing een groot bord, waarop geschilderd was „Salem House”, en toen wij gescheld hadden, werden wij door een getralied venstertje in deze deur bespied door een man met een bijzonder onaangenaam uiterlijk; toen wij binnengelaten waren zag ik, dat dit uiterlijk behoorde aan een zwaar gebouwd man met een stierennek, een houten been, breede jukbeenderen en kort afgeknipt haar.

„De nieuwe jongen”, zei mijn reisgenoot.

De man met het houten been bekeek mij van het hoofd tot de voeten,—dit duurde echter niet lang want er was weinig aan mij te zien—waarna hij de deur sloot en den sleutel uit het slot nam. Wij gingen toen naar het huis, dat tusschen zwaar geboomte lag; maar de man met het houten been riep mijn geleider terug: „Hallo!” Wij keken om en zagen hem aan de deur van zijn klein huisje staan met een paar schoenen in de hand.