Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 79
„Juffrouw Heep is hier, mijnheer,” zei Traddles terugkeerende met de waardige moeder van een waardigen zoon. „Ik ben zoo vrij geweest mij aan haar voor te stellen.”
„Waartoe was dat noodig?” hernam Uriah. „Wat doet gij eigenlijk hier?”
„Ik ben de gevolmachtigde en de vriend van mijnheer Wickfield, mijnheer,” zei Traddles, zoo kortaf als een man van zaken maar zijn kan. „Ik heb een volmacht van hem in mijn zak om voor hem op te treden als procureur.”
„De oude ezel heeft zijn geheele verstand verdronken”, zei Uriah, met een gezicht, zoo afstootelijk als ik nog ooit van hem gezien had, „die volmacht is hem onder bedriegelijke voorwendsels afgeperst.”
„Ik weet dat hem sommige dingen onder bedriegelijke voorwendsels zijn afgeperst,” antwoordde Traddles bedaard; „en dat weet gij ook, mijnheer Heep. Indien gij het goed vindt, zullen wij mijnheer Micawber daarover eens raadplegen.”
„Ury...!” riep juffrouw Heep met zichtbaren angst.
„Houd uw mond, moeder,” antwoordde hij, „hoe minder men zegt, hoe minder men heeft te verantwoorden.”
„Maar, Ury....”
„Wilt ge uw mond houden, moeder, en alles aan mij overlaten?”
Ofschoon ik altijd wel geweten had dat zijne slaafsche onderwerping valsch, dat zijne vriendelijkheid gehuicheld was, had ik mij toch niet kunnen voorstellen welk een schurk er achter het masker, dat hij nu afwierp, verborgen was. De vlugheid, waarmede hij dit deed, toen hij tot het besef kwam dat alle verzet nutteloos was; de boosaardigheid, de haat, die hij ten toon spreidde, het gezicht, waarmede hij zich zelfs op dit oogenblik verheugde in het kwaad, dat hij had gesticht—in weerwil hij zich verloren voelde en niet meer wist om zelfs te trachten ons te overbluffen—dat alles verbaasde mij niettegenstaande de ondervinding, die ik van hem had opgedaan, niettegenstaande ik hem reeds zoo lang kende en zulk een innigen afschuw van hem had.
Ik zwijg over den blik, dien hij mij toewierp toen hij ons een voor een in de oogen trachtte te zien; want ik had altijd geweten dat hij mij haatte en ik zag op zijne wang nog het merkteeken van de muilpeer, die ik hem had toegediend. Maar toen ik zijn blik zich naar Agnes zag richten, toen ik de verbeten woede zag, waarmede hij zijne macht over haar voelde ontglippen, terwijl in zijne teleurstelling nog zoo duidelijk de vurige hartstocht te herkennen was, die hem beheerscht had bij het verlangen naar eene vrouw, wier deugden hij nooit zou hebben kunnen waardeeren, ontstelde ik louter bij de gedachte dat Agnes zoo lang binnen het bereik van dien man had geleefd.
Nadat hij eenigen tijd zijn kin gewreven en ons over zijne beenige vingers heen een voor een aangekeken had, wendde hij zich nog eens op half huilende, half hoonende toon tot mij:
„Gij acht het dus gerechtvaardigd, Copperfield, gij, die het hoofd zoo hoog draagt, dat ik in mijn eigen huis word aangevallen en door mijn klerk gespionneerd? Had ik dat gedaan dan zou ik er mij niet over verbaasd hebben, want ik geef mij niet uit voor een „gentleman”—hoewel ik niet van de straat ben opgeraapt, zooals gij, volgens mijnheer Micawber's verhaal—maar dat gij zooiets doet! En gij zijt niet bevreesd voor de gevolgen? Denkt gij er in het geheel niet aan wat ik zou kunnen doen als tegenweer, dat gij in de grootste moeilijkheden zoudt kunnen komen wegens het maken van komplot? Goed! Wij zullen zien! Mijnheer... hoe heet gij ook weer?.... gij wildet Micawber eenige vragen doen. Daar staat hij! Waarom laat gij hem nu niet praten? Hij kent zijn les.... dat zie ik al.”
Aangezien Uriah wel zag dat hetgeen hij zei noch op mij, noch op een van de anderen eenige uitwerking had, bleef hij met de handen in den zak op den hoek van de tafel zitten; hij had zijne magere beenen over elkander geslagen en wachtte zoo met een norsch gezicht de dingen af, die komen zouden.
Ik had de grootste moeite gehad om mijnheer Micawber ten minste eenigszins bedaard te houden; telkens was hij Uriah in de reden gevallen met de eerste lettergreep van scha-vuit, zonder het tot de tweede te kunnen brengen; maar nu barstte hij plotseling los trok de liniaal uit zijn borstzak—waarschijnlijk als een wapen om zich mede te verdedigen—en haalde een lang opgevouwen papier te voorschijn. Met den gewonen zwier opende hij het document, keek den inhoud even door met een gezicht, alsof hij een kunstgenot smaakte bij het doorbladeren en begon toen als volgt te lezen:
„Waarde juffrouw Trotwood, Waarde Heeren!”
„De Hemel beware den man!” zei tante zachtjes, „hij zou brieven schrijven, al stond er de doodstraf op!”
Mijnheer Micawber verstond haar niet en ging voort:
„Terwijl ik voor u verschijn als aanklager van den meest doortrapten booswicht, die wellicht ooit heeft bestaan”—zonder van den brief op te kijken, wees mijnheer Micawber met zijne liniaal naar Uriah Heep—„verzoek ik u geen verschooning voor mij zelven. Van mijne wieg af ben ik het slachtoffer geweest van finantiëele verplichtingen, waaraan ik niet in staat was te voldoen, en dientengevolge de prooi van de meest vernederende omstandigheden. Schande, gebrek, wanhoop en krankzinnigheid zijn te zamen of ieder afzonderlijk mijne metgezellen geweest op mijn loopbaan.”
De voldoening, waarmede mijnheer Micawber zich zelven beschreef als een slachtoffer van al deze rampspoeden, werd door niets geëvenaard dan door de emphase, waarmede hij zijn brief voorlas, en door de wijze, waarop hij met zijn hoofd hulde bracht aan den schrijver, wanneer hij meende een bijzonder indrukwekkenden volzin voorgelezen te hebben.
„Schande, gebrek, wanhoop en krankzinnigheid brachten mij op het kantoor—onze levendiger Gallische naburen zouden zeggen, bureau—van de firma, in naam gevoerd door Wickfield en Heep, doch in werkelijkheid beheerd door.... Heep alleen. Heep, Heep alleen is de drijfveer van de machine. Heep en Heep alleen is de falsaris en de bedrieger.”
Uriah was na deze woorden lijkwit geworden en deed een greep naar de brief, als wilde hij dien in stukken scheuren; doch met verbazende behendigheid of bij toeval trof mijnheer Micawber zijne knokkels zoo hevig met de liniaal, dat Uriah's hand langs zijn lichaam neerviel alsof ze gebroken was. De slag klonk alsof hij een stuk hout geraakt had.
„De Duivel hale je!” zei Uriah zich krommende van de pijn. „Ik zal met je afrekenen, dat beloof ik je.”
„Nader mij nog eens als gij durft, gij... Heep... gij samenraapsel van ongerechtigheden... gij... Heep! En als ge een hoofd hebt als een gewoon mensch zal ik het verpletteren. Kom op! Kom op!”
Ik geloof niet ooit iets zoo bespottelijks gezien te hebben—zelfs op dat oogenblik werkte het op mijn lachspieren—zooals mijnheer Micawber daar stond te schermen met zijn liniaal, roepende: „Kom op! Kom op!” terwijl Traddles en ik hem achteruit trokken in een hoek van de kamer, waaruit hij telkens weder tot den aanval oprukte.
Zijn vijand zat binnensmonds te mompelen en bond, na zijne gekwetste hand gewreven te hebben, den zakdoek er omheen; daarna hield hij die met de andere hand vast en bleef zwijgend naar den grond zitten staren.
Toen mijnheer Micawber weder eenigszins tot kalmte was gekomen, ging hij voort:
„Het salaris, dat mij in dienst deed treden van... Heep”—hij moest telkens even wachten eer hij dien naam kon uitspreken, maar dan deed hij het ook met volle kracht—„was voorloopig bepaald op niet meer dan tweeëntwintig en een halven shilling per week. Mijne verdere verdiensten zouden afhangen van de waarde mijner dienstbetooning, in andere, duidelijker woorden: van de laagheid van mijn karakter, van mijne baatzucht, van mijne armoede, van de algemeene zedelijke—of liever onzedelijke—overeenkomst tusschen mij en... Heep. Behoef ik nog te zeggen dat ik spoedig in de noodzakelijkheid werd gebracht een voorschot op mijn salaris te vragen van... Heep, ten einde mevrouw Micawber en mijne ongelukkig doch snel aanwassende familie van het noodige te voorzien? Behoef ik nog te zeggen dat deze noodzakelijkheid was voorzien door... Heep? Dat deze voorschotten werden gedekt door schuldbekentenissen _in optima forma_, geheel volgens de wetten en bepalingen, welke daaromtrent in ons land zijn vastgesteld? Dat ik op deze wijze geheel en al gewikkeld werd in het net, dat geknoopt voor mijne ontvangst gereed lag?”
Mijnheer Micawber's vreugde over de welsprekendheid, waarmede hij zijn eigen ongelukkigen toestand beschreef, scheen werkelijk op te wegen tegen al de ellende en al den angst, welke hij dientengevolge had moeten doorstaan.
Hij las voort:
„Toen eerst begon.... Heep.... mij met juist zooveel vertrouwen te begunstigen als noodig was om hem bij zijne helsche plannen van dienst te kunnen zijn. Toen begon ik—om eene uitdrukking van Shakespeare te gebruiken—langzamerhand te kwijnen, te versmelten. Ik besefte dat mijn diensten voortdurend gevraagd werden om allerlei vervalschingen te bewerkstelligen ten nadeele van iemand, dien ik voorloopig nog zal aanduiden als mijnheer W. Hem vooral moest voortdurend zand in de oogen worden gestrooid. Op alle mogelijke wijzen werd die mijnheer W. misleid, bedrogen, onkundig gelaten; terwijl intusschen de schurk... Heep... dankbaarheid en vriendschap huichelde voor dienzelfden zwaar benadeelden heer W. Dit was zeker heel erg, maar... er is meer. Het is niet mijn voornemen aan dezen brief zulk eene uitbreiding te geven, dat ik daarin wensch op te nemen eene gedetailleerde opgave—deze ligt trouwens elders gereed—van de verschillende kwade praktijken van geringen omvang, waarvan de persoon, dien ik mijnheer W. genoemd heb, het slachtoffer is geweest en waarin ik stilzwijgend medeplichtig was. Mijn oogmerk was, toen mij de keuze werd gelaten tusschen salaris en geen salaris, tusschen bakker en geen bakker, tusschen leven en van honger sterven, om mijn voordeel te doen van alle gelegenheden, waarbij ik tot de ontdekking kon komen van grootere nadeelen, waarvan bedoelde heer W. het slachtoffer was, van meer schurkenstreken, gepleegd door.... Heep. Aangespoord door eene waarschuwende stem in mijn binnenste, en door eene niet minder roerende en dringende vermaanster van buiten—die ik kortheidshalve zal aanduiden als mejuffrouw W.—nam ik de niet gemakkelijke taak op mij om in het geheim een onderzoek in te stellen, dat zich thans naar mijn beste weten uitstrekt over een tijdvak van twaalf achtereenvolgende maanden.”
Hij las dit alles voor alsof het een parlementsacte was en de klank van zijn eigen woorden scheen hem te verkwikken en aan te moedigen.
„Mijne beschuldigingen tegen.... Heep,” las hij verder, terwijl hij zijn vijand bespiedde en de liniaal onder het bereik van zijn linkerhand hield, „zijn de volgende:”
Ik geloof dat wij allen onzen adem inhielden, maar dat Uriah het deed, weet ik zeker.
„Primo,” las mijnheer Micawber. „Toen het geheugen en de vermogens van mijnheer W. tengevolge van oorzaken, waarvan de nasporing door mij ongewenscht mag geacht worden, verzwakten en verward raakten, heeft.... Heep.... de zaken van het kantoor opzettelijk in verwarring gebracht en ingewikkeld gemaakt. Wanneer mijnheer W. het minst geschikt was om zaken te behandelen werd hij door.... Heep juist gedwongen zich er mede in te laten. Heep verkreeg in zulke omstandigheden mijnheer W.'s handteekening onder de gewichtigste documenten, terwijl hij het liet voorkomen alsof ze in het minst niet belangrijk waren. Op deze wijze haalde hij mijnheer W. over, ja, dwong hem eene som gelds, die hem was toevertrouwd, van twaalf duizend zeshonderd veertien pond, twee shillings en negen stuivers te bezigen tot het betalen van schulden en het dekken van tekorten in de zaak, die nooit bestaan hebben of reeds lang te voren waren afgedaan. Bovendien gaf hij aan deze handelwijze den schijn alsof ze geheel en al en met oneerlijke bedoelingen door mijnheer W. was bedacht en ten uitvoer gebracht; en maakte er telkens gebruik van om mijnheer W. te kwellen en te dwarsboomen.”
„Dat zult gij bewijzen!” zei Uriah, dreigend het hoofd schuddende. „Wacht maar!”
„Vraag eens aan.... Heep, wie er na hem in zijn huisje gewoond heeft, mijnheer Traddles,” riep mijnheer Micawber, zijn lectuur stakende, „wilt ge?”
„De gek zelf.... en woont er nog,” zei Uriah op minachtenden toon.
„Vraag.... Heep .... of hij in dat huis ook een zakboekje heeft achtergelaten,” zei mijnheer Micawber, „wilt ge?”
Ik zag hoe Uriah's beenige hand onwillekeurig zijn kin losliet.
„Of vraag hem,” hernam mijnheer Micawber, „of hij er ooit een verbrand heeft in dat huisje? Indien hij ja zegt en vraagt waar de asch gebleven is, laat hij zich dan tot Wilkins Micawber wenden, dan zal hij iets vernemen, dat hem zeker niet aangenaam zijn zal!”
De zegevierende houding waarin mijnheer Micawber deze woorden uitsprak, maakte zulk een indruk op Uriah's moeder dat zij zenuwachtig uitriep:
„Ury! Ury! Wees nederig en tracht de zaak te schikken, beste!”
„Moeder!” antwoordde hij, „wilt gij wel eens zwijgen! Gij laat u bang maken en weet niet wat gij zegt! Nederig!” herhaalde hij, met een kwaadaardigen blik in mijne richting. „Ik heb eenigen van hen wel nederig weten te maken, zoo nederig als ik zelf was.”
Mijnheer Micawber verborg zijn kin weder in zijn boorden en ging voort met lezen.
„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende gelegenheden...”
„Maar ik wil dat niet langer aanhooren!” mompelde Heep. „Moeder, houd uw mond!”
„Wij zullen u dingen laten hooren, die voor goed uw wil zullen buigen; mijnheer,” zei mijnheer Micawber.
„Secundo. Heep heeft naar mijn beste weten bij verschillende gelegenheden opzettelijk en met bedriegelijke oogmerken de handteekening van mijnheer W. in boeken en onder acten nagemaakt en meer bepaald bij ééne gelegenheid, waarvan de bewijzen door mij, Wilkins Micawber, kunnen geleverd worden. Te weten, op de volgende wijze aldus:”
Nog eens, mijnheer Micawber schepte er bepaald behagen in zooveel mogelijk woorden te gebruiken, zooals hij altijd gewoon was geweest en zooals meer menschen gewoon zijn. Ik heb dat meermalen in mijn leven van verschillende personen opgemerkt. Het schijnt mij zelfs regel toe. Zoo, bijvoorbeeld, bij het afleggen van eeden, schijnen zij, die daartoe geroepen worden, bijzonder behagen te scheppen in eene opeenvolging van krachtige uitdrukkingen, die alle hetzelfde denkbeeld vertolken—verfoeien, afzweren, verafschuwen, enz.; de oude anathema's werden op dezelfde wijze smakelijk gemaakt. Wij spreken van de tyrannie der woorden, maar wij tyranniseeren ze zelve ook; wij houden er gaarne een overvloed van groote woorden op na bij sommige plechtige gelegenheden; wij meenen dat het deftig is en fraai klinkt. Evenmin als wij bij plechtige gelegenheden nauwgezet zijn op de beteekenis van onze livreien, als wij er maar mede kunnen pronken en als ze maar talrijk zijn, zoo schijnt ook de beteekenis van de woorden, die wij gebruiken, van ondergeschikt belang, als ze maar groot zijn en deftig klinken. En evenals er personen in ongelegenheid zijn gekomen door te veel met hunne livrei te pronken, zoo ken ik een volk, dat in groote moeielijkheden geraakt is en nog geraken zal, indien het zulk een uitgebreid woordenboek blijft gebruiken.
Mijnheer Micawber las voort; hij smakte bijna met de lippen.
„Te weten, op de navolgende wijze, aldus: Aangezien mijnheer W. ziekelijk was en de waarschijnlijkheid bestond dat zijn overlijden aanleiding zou kunnen geven tot onthullingen, die mijnheer Heep's macht over de familie W. zou kunnen schaden... ja, zou kunnen vernietigen—zooals ik ondergeteekende Wilkins Micawber op mij neem te bevestigen—tenzij heimelijk gebruik kon worden gemaakt van de kinderlijke liefde der dochter om een onderzoek naar den stand der zaken te voorkomen, heeft gezegde... Heep het verstandig geacht eene schuldbekentenis gereed te hebben, waarin mijnheer W. aan... Heep verklaart schuldig te zijn de genoemde som van twaalfduizend zes honderd veertien pond twee shillingen en negen stuivers met de interest. Deze som zou Heep geleend hebben aan mijnheer W. ten einde laatstgenoemde van openlijke schande te redden; er is echter geen woord van waar. De handteekening op dit document, volgens den inhoud van mijnheer W. en door Wilkins Micawber met de zijne bekrachtigd, zijn beide valsch en door... Heep vervaardigd. Ik heb in mijn bezit een zakboekje van... Heep, waarin verscheidene dergelijke nabootsingen van mijnheer W.'s handteekening, hoewel door het vuur beschadigd, te vinden en nog goed leesbaar zijn. Ik zelf heb een dergelijk document nooit onderteekend. En ik heb ook het document in mijn bezit.”
Uriah Heep sprong ontsteld op, haalde een bos sleutels te voorschijn en opende een zeker laadje; eensklaps bedacht hij zich echter en bleef ons, zonder in de lade te kijken, aanstaren.
„En ik heb ook het document in mijn bezit,” herlas mijnheer Micawber, in het rond kijkende alsof hij den tekst van eene preek voorlas, „dat is te zeggen, ik had het tot heden morgen in mijn bezit, doch heb het thans aan den Heer Thomas Traddles overhandigd.”
„Dat is waar,” zei Traddles.
„Ury, Ury!” riep de moeder, „wees toch nederig en tracht alles in der minne te schikken. Ik weet dat mijn zoon nederig zijn zal, heeren, indien gij hem tijd geeft om te denken. Mijnheer Copperfield, gij weet best hoe nederig hij altijd geweest is!”
Het was eigenaardig te zien hoe de moeder aan het oude kunstje gehecht bleef; niettegenstaande de zoon het reeds lang als nutteloos had opgegeven.
„Moeder,” zei hij, ongeduldig in den zakdoek om zijne gewonde hand bijtend, „gij deed beter een geladen geweer op mij af te schieten.”
„Maar ik heb u lief, Ury,” riep juffrouw Heep. Ik twijfel niet of zij deed dit ook en hij had haar ook lief, hoe vreemd het schijnen moge..... hoewel, zij pasten volkomen bij elkander.
„Ik kan het niet uitstaan dat gij de heeren zoo tart en u zelven nog meer in gevaar brengt. Ik heb den heeren, zoodra zij mij boven vertelden dat alles aan het licht was gekomen, gezegd dat ik voor uwe nederigheid instond en dat gij zeker boete zoudt doen. O, ziet toch, hoe nederig ik ben, heeren, en let niet op hem!”
„Nu moeder, daar is Copperfield?” antwoordde hij toornig, terwijl hij mij, dien hij voor den aanstoker hield, met zijne magere vingers aanwees,—ik liet hem in dien waan—„daar is Copperfield; hij zou u zeker wel honderd pond hebben willen geven voor nog minder dan gij gezegd hebt.”
„Ik kon het niet helpen, Ury,” riep zijne moeder, „maar ik kan u ook niet zoo het gevaar in den mond zien loopen door het hoofd zoo hoog te dragen.”
Hij bleef eenigen tijd op zijn zakdoek bijten en zei toen met een boosaardigen blik naar mij: „Wat hebt gij nog meer tegen mij in te brengen? Ga voort! waarom kijkt gij mij zoo aan?”
Mijnheer Micawber haastte zich zijn, brief weder op te nemen, blijde dat hij de voorlezing kon vervolgen.
„Tertio en ten laatste. Ik ben thans bij machte aan te toonen uit.... Heep's.... valsche boeken en.... Heep's.... geheime aanteekeningen, beginnende met het gedeeltelijk vernietigde zakboekje—op het oogenblik dat het door mevrouw Micawber gevonden werd ter plaatse, waar de asch van onzen huiselijken haard verzameld wordt, begreep ik er niets van—dat de zwakheden, de gebreken, ja zelfs de deugden, de vaderlijke genegenheid, het eergevoel van den ongelukkigen mijnheer W. jaren lang gebezigd zijn, misbruikt zijn om.... Heep's lage oogmerken te dienen. Mijnheer W. is jaren lang bedrogen en geplunderd, op alle denkbare wijzen, ten einde den schraapzuchtigen en inhaligen.... Heep.... te verrijken. Het voornaamste doel van.... Heep.... was, behalve dit verrijken, mijnheer en juffrouw W.—over zijne verdere oogmerken ten opzichte van deze laatste bewaar ik het stilzwijgen—geheel in zijne macht te krijgen.
„Voorts kan ik nog aantoonen dat zijn laatste handeling, eenige maanden geleden voltooid, niet meer of minder was dan mijnheer W. te bewegen om afstand te doen van zijn aandeel in de zaak, ja zelfs om het meubilair van dit huis te verkoopen, tegen betaling van eene zekere som op den eersten dag van elk kwartaal. Ik weet ook dat de strik, waarin mijnheer W. gevangen was, datzelfde nauwer werd toegehaald; zoo door onrustbarende, vervalschte rekeningen van het landgoed, waarvan mijnheer W. de rentmeester is, en wel op een tijdstip, waarin mijnheer W. zich gewaagd had in onvoorzichtige en slecht berekende speculaties en niet in het bezit was van het geld, waarvoor hij wettig en zedelijk verantwoordelijk was; zoo door voorgewende geldleeningen tegen hoogen interest, afkomstig van.... Heep en op bedriegelijke wijze door.... Heep aan mijnheer W. opgedrongen; voorts nog door tallooze gewetenlooze schurkenstreken meer.... tot de ongelukkige mijnheer W. ten einde raad was. Hij meende alles verloren te hebben: zijn geld, zijne hoop, zijne eer en in deze omstandigheden was zijn eenige toeverlaat: dit monster in menschengedaante.”—Mijnheer Micawber was blijkbaar zeer ingenomen met deze laatste uitdrukking—„die, door zich onmisbaar voor hem te maken, hem in het verderf had gestort. Dit alles heb ik op mij genomen te bewijzen. Wellicht volgt er nog meer!”
Ik fluisterde Agnes, die naast mij zat te schreien—zoowel van vreugde als van droefheid—eenige woorden toe, terwijl er eenige beweging onder ons ontstond alsof mijnheer Micawber geëindigd had. Met buitengewone deftigheid zei hij echter: „Pardon,” en ging toen op half neerslachtigen, half blijden toon over tot het lezen van het slot van zijn brief.
„Ik nader nu het einde. Er blijft mij nu niets meer over dan mijne beschuldigingen met bewijzen te staven en dan met mijne door het noodlot vervolgde familie te verdwijnen uit een wereld, waarin wij blijkbaar overtollig zijn. Dat zal spoedig genoeg plaatshebben. Het is redelijker wijze te verwachten dat onze jongste, als het zwakste lid van de familie, het eerst uit gebrek aan voedsel zal sterven en dat onze tweelingen de een na den ander zullen volgen. Zoo zij het! Wat mij zelf aangaat, mijn pelgrimstocht naar Canterbury heeft mij veel kwaad gedaan; eene opsluiting volgens de burgerlijke rechtspraak en gebrek zullen het overige doen. Ik vertrouw dat de arbeid en het gevaar verbonden aan een onderzoek, waarvan de geringste gegevens tusschen drukke werkzaamheden door en gebukt gaande onder finantiëele zorgen, bij het aanbreken van den morgen, in schemeravond of in het holle van den nacht, onder het bespiedend oog van dezen Duivel moest worden bijeengegaard, zullen zijn als eenige welriekende droppelen op mijn graf. Meer vraag ik niet. Laat men ter wille van de rechtvaardigheid van mij hetzelfde zeggen als van zekeren beroemden zeeheld, met wien ik mij niet vermeten zal te wedijveren, dat ik wars van alle baatzuchtige oogmerken slechts gehandeld heb uit liefde.
For England, Home, and Beauty.
Als altijd, enz. enz.
WILKINS MICAWBER.”
Zeer aangedaan, doch met zichzelven blijkbaar tevreden, vouwde mijnheer Micawber den brief dicht en gaf dien met eene buiging aan mijne tante over als iets, dat zij misschien wel wilde bewaren.
Zooals ik vroeger heb meegedeeld bij de beschrijving van mijn eerste bezoek, was er een ijzeren brandkast in de kamer. De sleutel stak er in. Bij Uriah scheen plotseling een vermoeden op te komen, want met een blik op mijnheer Micawber ging hij er heen en wierp de deuren open. De kast was ledig.
„Waar zijn de boeken?” riep hij met een woedend gezicht. „De boeken zijn gestolen!”
Mijnheer Micawber sloeg zich met de liniaal op de borst en zei: „Dat heb ik gedaan, toen ik als gewoonlijk—ofschoon iets vroeger—den sleutel bij u haalde.”
„Maak u niet ongerust,” zei Traddles. „Ze zijn in mijn bezit en ik zal ze in bewaring houden volgens de volmacht, waarvan ik reeds melding maakte.”
„Gij hebt gestolen goed in uw bezit!” riep Uriah.
„Indien gij dat zoo noemen wilt, mij goed,” antwoordde Traddles.
Hoe groot was mijne verbazing toen ik tante, die tot nu toe doodstil had zitten luisteren, plotseling zag opstaan en Uriah met beide handen bij den kraag vatten!
„Gij weet wel wat _ik_ nu van u eisch!” riep zij.
„Ja, een kamer in het gekkenhuis.”