Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 78

Chapter 784,038 wordsPublic domain

„Dank u,” antwoordde hij. „Het was heel vriendelijk van u mij tegemoet te komen. En het was ook vriendelijk van u hem te vergezellen. Mijnheer Davy, ik begrijp heel goed, dat, al zal mijne tante naar Londen gaan om hem uitgeleide te doen, ik hem niet meer zien zal. Ik ben daar bijna zeker van. Wij spreken dat wel niet uit, maar het zal toch zoo zijn en—het is beter zoo. Als gij hem voor de laatste maal de hand drukt—voor de allerlaatste maal—wilt gij hem dan den dank overbrengen van den wees, voor wien hij een vader geweest is?”

Ook dit beloofde ik getrouw te zullen volbrengen.

„Dank u nogmaals,” zei hij en schudde mij hartelijk de hand. „Ik weet waar gij heengaat. Goeden avond!”

Hij wuifde even met de hand, alsof hij wilde te kennen geven, dat hij de oude boot niet meer betreden kon en ging heen. Toen ik hem nakeek, terwijl hij eenzaam in den maneschijn langs het strand liep, zag ik hem het hoofd wenden naar de lichtende streep op de zee. Al voortloopende bleef hij er naar kijken, zoolang ik hem zien kon.

De deur van de boot stond open, toen ik naderbij kwam en binnentredende zag ik, dat alle meubels verdwenen waren behalve een van de oude bankjes, waarop juffrouw Gummidge plaats had genomen met een mandje aan den arm. Zij keek naar baas Peggotty's gelaat, die met den elleboog op den schoorsteenmantel geleund stond en aandachtig de bijna uitgebrande kolen in den haard gadesloeg. Toen hij mij zag, helderde zijn gelaat op en zei hij op een toon, die vrij opgeruimd klonk:

„Zoo, mijnheer Davy, komt gij volgens afspraak afscheid nemen van ons oude huis? Het ziet er hier nu ongezellig uit, hé?”

„Gij hebt dien tijd blijkbaar goed gebruikt,” antwoordde ik.

„Ja, wij hebben niet geluierd, mijnheer. Juffrouw Gummidge heeft gewerkt als een.... ja, ik weet niet, waarbij ik juffrouw Gummidge moet vergelijken, zoo ijverig is ze,” zei baas Peggotty, haar aanziende.

Juffrouw Gummidge leunde zwijgend op haar mand.

„Dat is hetzelfde bankje; waarop gij gewoon waart met Em'ly te zitten,” hernam baas Peggotty fluisterend. „Dat is het laatste wat ik medeneem. En daar is uw oude slaapkamertje, mijnheer Davy, kijk! Het ziet er van avond al heel ongezellig uit!”

En waarlijk, de wind, hoewel niet hevig, suisde klagend door de ledige woning. Alles was weg, zelfs het kleine spiegeltje met de lijst van oesterschelpen. Ik dacht aan den nacht toen ik daar gelegen had na de eerste groote verandering in het huis mijner moeder. Ik dacht aan mijne verrukking van dat blauwoogige kind. Ik dacht aan Steerforth en de dwaze vrees kwam in mij op, dat hij wellicht in de buurt zou zijn en mij bij den eersten hoek, dien ik omsloeg, zou tegenkomen.

„Het zal wel lang duren,” merkte baas Peggotty op, „eer de boot weer nieuwe bewoners zal hebben. Ze heeft nu den naam gekregen dat men er ongelukkig moet worden.”

„Behoort ze aan iemand in de buurt?” vroeg ik.

„Aan een mastenmaker in de stad,” antwoordde baas Peggotty. „Ik breng hem van avond den sleutel.”

Wij wierpen nog een blik in het andere kamertje en keerden toen terug naar juffrouw Gummidge, die nog altijd op het bankje zat. Baas Peggotty verzocht haar op te staan, ten einde het bankje naar buiten te brengen eer hij de kaars snoot, die op den schoorsteenmantel stond.

„Daniël,” zei juffrouw Gummidge, haar hand los latende en zijn arm nemende, „de laatste woorden, die ik in dit huis spreek zijn deze: Gij moogt mij niet achterlaten. Denkt gij er over, Daniël, mij achter te laten? Dat moogt gij niet doen.”

Baas Peggotty was ten hoogste verbaasd en keek van juffrouw Gummidge naar mij en van mij weder naar haar, alsof hij plotseling uit den slaap ontwaakte.

„Doe het toch niet, Daniël, doe het toch niet!” riep juffrouw Gummidge zenuwachtig uit.

„Neem mij met u mee, Daniël, neem mij met u mee, met Em'ly! Ik zal u trouw en ijverig dienen. Indien er slaven zijn in dat land, waarheen gij gaat, zal ik mij verbinden uwe slavin te zijn, maar laat mij niet achter, Daniël. Doe dat toch niet! Ik kan niet gelukkig meer zijn als gij mij achterlaat! Daniël, beste man!”

„Maar, goede ziel,” antwoordde baas Peggotty hoofdschuddend, „gij weet niet welk eene lange reis het is en welk een moeielijk leven wij zullen hebben.”

„Ja, dat weet ik, Daniël, dat kan ik wel gissen,” riep juffrouw Gummidge. „Maar mijn laatste woorden in dit huis zullen zijn, dat ik gaan zal waarheen gij mij zendt, om te sterven. Ik kan wel spitten, Daniël. Ik kan wel werken. Ik kan wel ontberingen verdragen. Ik kan wel zachtzinnig en geduldig zijn, Daniël, beter dan gij denkt, als gij 't maar met mij wildet probeeren. Ik raak de toelage, die gij voor mij bestemd hebt, Daniël, niet aan, al zou ik ook van honger sterven: maar ik wil met u en Em'ly meegaan, al was het naar het andere einde van de wereld! Ik weet wel waarom het is; gij denkt, dat ik nog steeds zoo'n jammerlijk ongelukkig schepsel ben; maar, beste man, dat ben ik niet meer. Ik heb hier niet zoo lang over uw verdriet zitten nadenken zonder dat het mij goed heeft gedaan. Och, jongeheer Davy, doe toch een goed woord voor mij; ik ken zijne gewoonten en die van Em'ly en ik ken hun verdriet en kan een troost voor hen zijn en altijd voor hen werken. Daniël, beste Daniël, laat mij met u meegaan!”

Juffrouw Gummidge nam zijne hand en kuste die met ongekunstelde aandoening, met ongekunstelden eerbied en dankbaarheid, die hij zoo ten volle verdiende.

Wij brachten het bankje naar buiten, bliezen de kaars uit, sloten de deur en gingen heen, de oude boot ledig en eenzaam achterlatende, als een donkere plek op het door de maan verlichte strand. Den volgenden dag keerden wij naar Londen terug en op het achterste bankje van de diligence zat juffrouw Gummidge, stralend van geluk.

LII.

Ik woon eene uitbarsting bij.

Toen wij nog vierentwintig uur verwijderd waren van het tijdstip, door mijnheer Micawber op zulk eene geheimzinnige wijze aangeduid, bespraken tante en ik hetgeen ons te doen stond, want tante wilde Dora liever niet alleen laten. O, wat droeg ik haar in deze dagen gemakkelijk de trap op!

Hoewel mijnheer Micawber gezegd had prijs te stellen op de tegenwoordigheid van tante, kwamen wij nu toch maar overeen, dat zij thuis zou blijven en door mijnheer Dick en mij vertegenwoordigd worden. Zoo hadden wij reeds besloten, toen Dora ons besluit aan het wankelen bracht, door te verklaren, dat zij het zich zelve, noch haar ondeugenden man ooit vergeven zou, indien tante onder welk voorwendsel ook thuis bleef.

„Ik spreek geen woord met u,” zeide zij, hare krullen schuddende. „Ik zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan. Ik zal Jip den geheelen dag tegen u ophitsen. Ik zal zeggen, dat gij werkelijk een lastig oud mensch zijt, als gij niet meegaat!”

„Tut, tut, Bloesempje!” zei tante lachend. „Gij weet wel, dat gij 't niet zonder mij stellen kunt.”

„Ja, dat kan ik heel goed,” antwoordde Dora. „Gij zijt tot niets nut hier. Gij loopt den geheelen dag de trap niet voor mij op of af. Gij zit nooit bij mij en vertelt mij nooit van Doady, toen zijne schoenen heelemaal kapot waren en hij zelf zoo vuil en zoo stoffig was—dat arme, kleine ventje! Gij doet nooit iets om mij te believen, is 't wel?” Dora haastte zich tante te kussen en zei: „Ik zeg het maar uit de grap, hoor! Gij zijt een best, lief mensch!”—alsof tante een oogenblik dacht, dat zij het werkelijk meende!

„Maar, tante,” vervolgde zij nu ernstig, „luister nu eens. Gij moet gaan. Ik zal u zoo lang plagen, tot gij toch eindelijk mijn zin doet. Ik zal het mijn ondeugenden jongen zoo lastig maken, dat hij u wel mee moet nemen. Ik zal zoo onaangenaam zijn als ik maar kan—en Jip ook! Gij zult het wezenlijk betreuren als gij niet gegaan zijt! Maar,” ging zij voort, terwijl zij hare krullen naar achteren wierp en tante en mij nieuwsgierig aankeek, „waarom zoudt gij niet allebei gaan? Ik ben toch niet zoo erg ziek, ben ik wel?”

„Wat een vraag!” riep tante.

„Wat een verbeelding!” riep ik.

„Ja, ik weet wel dat ik een klein, dom ding ben,” zei Dora, terwijl zij ons om beurten aankeek en haar lippen tot een kus vooruitstak. „Welnu, dan moet gij ook beiden gaan, anders geloof ik u niet en dan begin ik te schreien.”

Ik zag op tante's gezicht dat zij op het punt was om te zwichten en Dora's oogen begonnen te glinsteren, toen zij het ook opmerkte.

„Wat zult gij mij veel te vertellen hebben als gij terugkomt, zóóveel dat ik wel een week zal noodig hebben om alles te begrijpen. Ik weet wel dat als er geldzaken in het spel zijn, ik het nooit zal begrijpen. En er zullen zeker geldzaken in het spel zijn! Al heb ik maar iets op te tellen, dan weet ik niet hoe ik er mij uit zal redden, en dan kijkt die ondeugende man van mij altijd zoo vreeselijk boos! Ziezoo, gij gaat nietwaar? Gij blijft immers maar één nacht uit en Jip zal wel op mij passen. Doady zal mij voor gij heengaat naar boven dragen en gij neemt voor Agnes een vreeselijk boozen brief mede, omdat zij nooit bij ons is gekomen.”

Zonder verdere beraadslagingen besloten wij te gaan en kwamen wij tot het besluit dat Dora een kleine bedriegster was, die veinsde ziek te zijn om door ons vertroeteld te worden. Zij verheugde zich over haar succes en was heel vroolijk; en met ons vieren, d. w. z. tante, mijnheer Dick, Traddles en ik, vertrokken wij dienzelfden avond met de diligence naar Canterbury.

In het hôtel, waar mijnheer Micawber ons ontboden had, vonden wij niet zonder eenige moeite midden in den nacht logies en reeds lag daar een brief van mijnheer Micawber aan mijn adres, mij meldende dat hij den volgenden morgen prompt te half tien ons zijne opwachting zou komen maken. Daarna begaven wij ons door allerlei donkere gangen, die roken alsof ze eeuwen lang in soep- en stalgeuren waren geweekt, naar onze kamers.

Al vroeg in den morgen slenterde ik in de schaduw van de ouderwetsche poorten en kerken door de oude welbekende straten. De kraaien zweefden boven de kerktorens en deze zelve, hoog boven de vruchtbare streek en de tallooze rivieren, staken hare spitsen in de heldere morgenlucht, alsof alles op de aarde onveranderlijk was. Toch herinnerden mij de klokken, toen ze begonnen te luiden, op droevige wijze aan de waarheid, dat er niets bestendig is hier beneden; ze vertelden mij van hun eigen ouderdom, van Dora's jeugd, van de velen, die nooit oud waren geworden, die geleefd en geliefd hadden en gestorven waren, van den Zwarten Prins, wiens wapenrusting sinds eeuwen daar in dat kerkgebouw was opgehangen en aan zooveel meer....

Ik sloeg een blik op het oude huis op den hoek van de straat, maar kwam er niet te dicht bij, opdat ik niet onwetend de zaak, waarvoor wij gekomen waren, zou schaden. De morgenzon bescheen met hare schuinsche stralen de gevels en dakvensters als met een gouden gloed; en deze stralen schenen iets van den ouden vrede in mijn hart wakker te roepen.

Ongeveer een uur lang wandelde ik door de velden en keerde toen door de hoofdstraat terug, die gedurende dezen tijd alle sporen van den nacht scheen afgeschud te hebben. Onder degenen, die in hunne winkels bezig waren, ontdekte ik ook mijn ouden vijand, den slager, thans opgeklommen tot kaplaarzen en een kindje, dat hij zoo zachtzinnig mogelijk in slaap suste. Hij scheen een eigen zaak te hebben en een waardig lid der maatschappij te zijn.

Toen wij aan het ontbijt zaten, verkeerden wij allen in eene nieuwsgierige, ongeduldige stemming en toen wij al dichter en dichter half tien naderden, keken wij met ingespannen verwachting naar mijnheer Micawber uit. Eindelijk veinsden wij niet langer dat het ontbijt ons nog bezig hield, waaraan, behalve mijnheer Dick, niemand veel eer bewezen had. Tante wandelde de kamer op en neer, Traddles zat op de sofa en deed alsof hij in een courant las, terwijl hij zijne oogen op den zolder gericht hield; en ik keek uit het venster ten einde van de nadering van mijnheer Micawber kennis te geven. Ik behoefde niet lang te wachten, want met den eersten slag van half tien sloeg hij den hoek van de straat om.

„Daar is hij!” riep ik, „en niet in zijn gewone kleeding.”

Tante maakte den strik van haar hoed vast—zij was met den hoed op beneden gekomen—en deed haar shawl om op eene wijze alsof zij zich slagvaardig maakte. Traddles knoopte met een vastberaden gezicht zijn jas dicht en mijnheer Dick, door al deze weinig goeds voorspellende verschijnselen in de war gebracht, vond het noodzakelijk ze na te volgen en trok zijn hoed met beide handen zoo ver over zijn ooren als hij kon, maar oogenblikkelijk daarna nam hij zijn hoofddeksel weer af, teneinde mijnheer Micawber te begroeten.

„Goeden morgen, heeren, goeden morgen, mevrouw,” zei mijnheer Micawber, terwijl mijnheer Dick zich van een zijner handen had meester gemaakt en die geweldig schudde.

„Hebt gij al ontbeten?” vroeg hij.

„Neem een karbonade.”

„Voor al het geld ter wereld niet, beste heer!” riep mijnheer Micawber, terwijl hij mijnheer Dick, die op weg was naar de schel, tegenhield; „eetlust en ik zijn elkander vreemd in den laatsten tijd, mijnheer Dixon.”

Mijnheer Dixon voelde zich zoo gestreeld door dezen nieuwen naam en scheen het zoo beleefd te vinden van mijnheer Micawber om hem dien te geven, dat hij opnieuw zijne hand begon te schudden en bijna kinderlijk lachte.

„Dick!” zei tante, „opgelet!”

Mijnheer Dick ging met een kleur naar zijne plaats.

„Nu, mijnheer,” zei tante, terwijl zij hare handschoenen aantrok, „wij zijn gereed om naar den Vesuvius te gaan of waarheen elders gij ons brengen wilt; liefst zoo spoedig mogelijk.”

„Mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik onderstel, dat gij zoo straks getuige zijn zult van eene uitbarsting. Ik meen de toestemming te hebben verkregen, mijnheer Traddles, te vermelden, dat wij met elkander in briefwisseling geweest zijn.”

„Het is inderdaad zoo, Copperfield,” zei Traddles, dien ik met verbazing aankeek. „Mijnheer Micawber heeft mij geraadpleegd betreffende hetgeen hij thans voornemens is te doen; en ik heb hem den besten raad gegeven, dien ik geven kon.”

„Bedrieg ik mij niet, mijnheer Traddles,” hernam mijnheer Micawber, „dan is hetgeen ik voornemens ben van het hoogste gewicht.”

„Zeer zeker,” antwoordde Traddles.

„Wellicht zult gij mij, mevrouw en mijne heeren, onder zulke omstandigheden de gunst willen bewijzen,” hervatte mijnheer Micawber, „u gedurende eenige oogenblikken over te geven aan de leiding van iemand, die, hoewel onwaardig om anders beschouwd te worden dan als een wrak op den oceaan des levens, toch uw medemensch is; die, ten gevolge van eigen misgrepen en van de opeenstapeling van noodlottige omstandigheden zijn natuurlijken vorm verloren heeft.”

„Wij stellen volkomen vertrouwen in u, mijnheer Micawber,” zei ik, „en zullen gaarne alles doen wat u aangenaam zijn kan.”

„Mijnheer Copperfield,” hernam hij, „uw vertrouwen is in het bestaande tijdsgewricht niet misplaatst. Ik verzoek u mij toe te staan op de klok af vijf minuten vooruit te mogen gaan, en u dan aan het kantoor van Wickfield en Heep—alwaar gij moet vragen naar mejuffrouw Wickfield—te mogen ontvangen.”

Tante en ik keken Traddles aan, die goedkeurend knikte.

„Op dit oogenblik heb ik niets hierbij te voegen,” zei mijnheer Micawber, waarna hij tot mijne groote verbazing, voor ons allen te gelijk eene buiging maakte en verdween; zijne houding was gedwongen en zijn gelaat zeer bleek.

Traddles glimlachte en schudde het hoofd—zijn haar stond kaarsrecht op zijn hoofd—toen ik hem aankeek met een vragenden blik; ik haalde daarom mijn horloge te voorschijn en begon de vijf minuten te tellen. Tante deed op haar horloge hetzelfde. Toen ze voorbij waren, bood Traddles haar zijn arm aan en gezamenlijk gingen wij naar het oude huis zonder een woord te wisselen.

Wij vonden daar mijnheer Micawber aan zijne schrijftafel in het uitgebouwde kantoortje; hij zat te schrijven of deed alsof hij schreef. Hij had de groote kantoorliniaal in zijn vest gestoken, maar er kwam nog wel een voet van dit instrument boven uit.

Aangezien het mij voorkwam als verwachtte hij dat ik zou beginnen te spreken, vroeg ik op luiden toon:

„Hé, mijnheer Micawber, hoe maakt gij 't?”

„Ah, mijnheer Copperfield,” antwoordde hij met iets gemaakts in zijne stem, „het doet mij genoegen u wel te zien.”

„Is juffrouw Wickfield thuis?” vroeg ik.

„Mijnheer Wickfield ligt ziek te bed, mijnheer; hij heeft rheumatische koortsen,” antwoordde hij, „maar juffrouw Wickfield zal blijde zijn eenige oude vrienden te zien. Komt gij niet binnen?”

Hij ging ons voor naar de eetkamer—het eerste vertrek dat ik in het huis had betreden—en de deur van het voormalige kantoor van mijnheer Wickfield openende, riep hij met luid klinkende stem:

„Mejuffrouw Trotwood, mijnheer David Copperfield, mijnheer Thomas Traddles en mijnheer Dixon!”

Ik had Uriah Heep niet gezien nadat ik hem die muilpeer had toegediend. Blijkbaar verbaasde hem ons bezoek; naar ik vermoed niet het minst omdat wij zelven er verbaasd over waren. Hij trok de wenkbrauwen niet te zamen, want hij had geen wenkbrauwen, ten minste niet noemenswaard; maar hij fronste het voorhoofd zoo sterk dat zijn kleine oogen zich bijna sloten, terwijl de haastige beweging van zijne uitgedroogde hand naar zijne kin verlegenheid en verrassing beide verried; alleen echter op het oogenblik dat wij binnentraden en ik hem over tante's schouders gadesloeg. Een oogenblik later was hij kruipender en nederiger dan ooit.

„Wel, sapperloot!” zei hij. „Dat is een onverwacht genoegen! Zoo opeens al mijne vrienden uit Londen—als ik dat maar zoo eens zeggen mag—voor mij te zien, mag ik wel eene verrassing noemen! Hoe maakt gij het, mijnheer Copperfield en.... als ik zoo vrij mag zijn.... hoe maakt het mevrouw Copperfield? Is zij vooruitgaande? Wij hebben ons zeer ongerust gemaakt bij de slechte berichten, die wij laatst ontvingen; wees daarvan verzekerd.”

Ik schaamde mij toen ik hem toestond mijne hand te nemen, maar ik wist niet wat ik doen moest.

„De toestanden zijn wel veranderd op het kantoor, sinds ik een eenvoudig klerkje was en uw pony vasthield, nietwaar juffrouw Trotwood?” zei hij met zijn walgelijksten glimlach. „Maar _ik_ ben niet veranderd, juffrouw Trotwood.”

„Wel, mijnheer,” antwoordde tante, „om u de waarheid te zeggen, ik vermeen dat gij u trouw hebt gehouden aan hetgeen gij in uwe jeugd beloofdet; indien u dit eenig genoegen kan doen.....”

„Dank u, juffrouw Trotwood,” zei Uriah, terwijl hij zich kronkelde als een slang, „ik dank u voor de goede opinie, die gij van mij hebt. Micawber laat juffrouw Agnes eens waarschuwen en.... moeder. Moeder zal verrukt zijn als zij verneemt welk gezelschap er is!” voegde hij er bij, terwijl hij stoelen gereed zette.

„Hebt gij het niet te druk, mijnheer Heep?” vroeg Traddles, die opmerkte met welk een loerenden valschen blik hij ons te gelijk bespiedde en ontweek.

„Neen, mijnheer Traddles,” antwoordde Heep, terwijl hij op zijn kantoorstoel plaats nam en zijne beenige handen, met de palmen tegen elkander gedrukt, tusschen zijne magere knieën plaatste, „niet zoo, als ik wel wenschen kon; maar notarissen, haaien en bloedzuigers zijn niet spoedig tevreden, begrijpt ge! Mijnheer Micawber en ik hebben over het algemeen de handen vol, omdat mijnheer Wickfield geheel ongeschikt is tot eenig werk. Het is echter een genoegen zoowel als een plicht om voor _hem_ werkzaam te zijn. Gij kent mijnheer Wickfield niet van nabij, nietwaar, mijnheer Traddles? Ik zelf meen slechts éénmaal de eer gehad te hebben u te ontmoeten?”

„Neen, mijnheer Heep, ik heb mijnheer Wickfield niet van nabij gekend; anders had ik u ongetwijfeld reeds vroeger een bezoek gebracht.”

Er lag iets in den toon, waarop dit antwoord gegeven werd, dat Uriah den spreker opnieuw deed aankijken met een donkeren, achterdochtigen blik. Het goedhartige, eenvoudige gezicht van Traddles en de steile haren stelden hem echter blijkbaar gerust; want terwijl hij zijn lichaam, maar vooral zijn hals akelig wrong, antwoordde hij:

„Dat spijt mij, mijnheer Traddles. Gij zoudt hem, evenals ik een bewonderenswaardig man gevonden hebben. Zijne kleine gebreken ziet men als van zelf over het hoofd ter wille van zijn goede hart. Maar als gij den lof van mijn compagnon op welsprekender wijze wilt hooren verkondigen, dan moet gij mijnheer Copperfield eens naar hem vragen. Hij koestert warme genegenheid voor de geheele familie.”

Ik werd door de komst van Agnes, die door mijnheer Micawber werd binnengeleid, verhinderd op dit compliment te antwoorden. Zij was niet zoo kalm als gewoonlijk, naar het mij toescheen; zij maakte den indruk van angstige gejaagdheid. Hare hartelijkheid, hare schoonheid, haar ernst kwamen echter des te meer uit.

Terwijl zij ons welkom heette zag ik dat Uriah elke harer bewegingen, elk harer woorden aandachtig bespiedde; hij deed mij daarbij aan den duivel denken. Intusschen hadden mijnheer Micawber en Traddles een teeken gewisseld en onopgemerkt, behalve door mij, ging Traddles de kamer uit.

„Gij behoeft niet te wachten Micawber,” zei Uriah.

Mijnheer Micawber stond met de hand aan de liniaal in zijn borstzak rechtop voor de deur en keek zijn patroon onafgebroken in het gelaat.

„Waar wacht gij op?” vroeg Uriah. „Hebt gij niet gehoord, Micawber, dat gij niet behoeft te wachten?”

„Jawel,” antwoordde mijnheer Micawber en bleef onbewegelijk staan.

„Maar waarom wacht gij dan?” herhaalde Uriah.

„Omdat.... kortom, omdat ik het verkies,” antwoordde mijnheer Micawber op heftigen toon.

Uriah's wangen hadden plotseling alle kleur verloren; hij sloeg mijnheer Micawber nauwlettend gade, terwijl zijne ademhaling hoe langer hoe korter werd en geen spier in zijn gelaat rustig bleef.

„Je bent een verloopen kerel, dat weet iedereen,” zei hij met een poging om te glimlachen, „ik vrees zelfs verplicht te zullen zijn je weg te zenden. Ga heen! Ik zal straks wel met je spreken.”

„Indien er één schurk op de wereld is,” antwoordde mijnheer Micawber, plotseling toornig uitbarstende, „met wien ik veel te veel gesproken heb in mijn leven, dan is het—Heep!”

Uriah viel bijna achterover van zijn kantoorstoel alsof hij een slag of een steek had gekregen. Daarna keek hij ons een voor een aan met eene dreigende, kwaadaardige uitdrukking op zijn gelaat en zei toen:

„Zoo! Is dit een komplot? Zijt gij hier volgens afspraak bijeengekomen? Is dat een onderstoken kaart met mijn klerk, mijnheer Copperfield? Pas maar op! Het zal u niet lukken! Wij kennen elkaar, gij en ik! Wij kunnen elkaar niet uitstaan! Gij waart altijd een trotsch manneke, van den eersten stap, dien gij in dit huis deedt! Gij zijt jaloersch op mij omdat ik er bovenop ben gekomen, nietwaar? Maak maar geen komplot tegen mij; ik ben gewapend! Ga heen, Micawber! Ik zal straks met jou wel afhandelen!”

„Mijnheer Micawber,” zei ik, „het schijnt dat er plotseling eene verandering met dezen kerel heeft plaats gehad, want hij vertoont zich nu in zijne ware gedaante. Maak het kort met hem!”

„Het staat u mooi,” zei Uriah steeds met dezelfde afschuwelijke stem, terwijl hij zich met zijne lange, magere hand de zweetdruppels van het voorhoofd wischte, „gemeene zaak te maken met mijn klerk, die tot het schuim der maatschappij behoort—evenals gij, Copperfield, voor zich eene liefdadige hand over u ontfermde—om mij te bekladden! Juffrouw Trotwood, gij hadt beter gedaan u tegen dit plan te verzetten, want ik zou de gangen van uw man wel eens scherper kunnen nagaan dan u lief is. Ik ben niet voor niets uwe geschiedenis te weten gekomen!—Juffrouw Wickfield, indien gij uw vader werkelijk liefhebt, zult gij het best doen om u niet met dien troep in te laten. Ik zal hem tot den bedelstaf brengen! Komt maar op! Ik heb sommigen van u toch in mijn macht! Bedenkt u tweemalen eer gij met mij begint! Bedenk je tweemalen, Micawber, als gij niet verpletterd wilt worden. Ik raad u terug te treden nu het nog tijd is, dwaas die gij zijt! Straks zal ik met je afhandelen! Waar is moeder?” vroeg hij, plotseling de afwezigheid van Traddles opmerkende. „'t Is mooi in iemand's eigen huis!”