Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 77
„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand in zijne gespierde vuist nemende, „gij zijt de eerste geweest, die op het denkbeeld gekomen is om hare hulp in te roepen. Ik dank u daarvoor, mijnheer! Zij meende wat zij zeide. Uit haar eigen bittere ervaringen had zij geleerd waar zij de wacht moest houden. En dat heeft zij gedaan. En God de Heer was met ons. Bleek en gejaagd kwam zij bij Em'ly, die rustig sliep. „Sta op,” riep zij, „de dood is te verkiezen boven een leven in _dit_ huis!” De eigenares van de woning wilde haar tegenhouden, maar zij had even goed kunnen trachten de zee tegen te houden. „Ga uit den weg”, riep zij, „ik ben een geest, die haar oproept uit haar geopend graf!” Zij vertelde Em'ly dat zij mij gesproken had, dat zij wist hoe lief ik haar had en dat ik niets liever zou doen dan haar vergiffenis schenken. Fluks hielp zij haar zich aankleeden en nam haar toen mede. Em'ly beefde van angst en Martha scheen om hetgeen men zeide even weinig te geven alsof zij geen ooren had. Zij liep met mijn kind tusschen hen door en had voor niets oogen dan voor haar en bracht haar midden in den nacht veilig en wel uit dien afgrond des verderfs.”
„Zij bleef voor Em'ly zorgen,” vervolgde baas Peggotty na mijne hand losgelaten en de zijne op zijne hijgende borst gelegd te hebben, „zij bleef voor Em'ly zorgen tot den volgenden dag. Em'ly was doodop van vermoeidheid en angst en lag nu en dan te ijlen. Daarna ging zij mij zoeken en vervolgens u, mijnheer Davy. Zij vertelde Em'ly niet waarom zij uitging, uit vrees dat haar het hart in de schoenen zou zinken en zij weer zou trachten zich te verbergen. Hoe die wreede dame wist dat zij hier was, weet ik niet. Of de man, over wien ik al meer gesproken heb, haar dat huis had zien binnengaan of—hetgeen waarschijnlijker is—dat hij hare verblijfplaats door die vrouw is te weten gekomen, daar vraag ik niet verder naar. Ik heb mijn nichtje terug. Den geheelen avond hebben wij bij elkander gezeten, Em'ly en ik. Weinig heeft zij gesproken in al dien tijd, want de tranen beletten haar het spreken; minder nog heb ik van haar gezichtje gezien, dat voortdurend tegen mijne borst rustte, waar het van een kindergezichtje tot een meisjesgezichtje geworden is. Maar den geheelen avond heb ik haar armen om mijn hals gevoeld en wij weten nu dat wij elkander weer vertrouwen kunnen ons leven lang.”
Hij zweeg en zijne hand bleef op de tafel rusten en zoo als die daar lag drukte ze zooveel vastberadenheid uit, als men er leeuwen mede zou hebben bedwongen.
„Het was een lichtstraal in mijn leven, Trot,” zei tante, hare oogen afdrogende, „toen ik het besluit nam peetmoeder te worden van uw zusje Betsey Trotwood, die mij zoo teleurstelde; maar daarna zou mij niets grooter genoegen hebben kunnen geven dan peet te worden over het kindje van die goede jonge vrouw!”
Baas Peggotty knikte alsof hij wilde te kennen geven dat hij zich in tante's gevoel kon verplaatsen, maar hij scheen zich niet toe te vertrouwen iets over het voorwerp van haar lof in het midden te brengen. Wij bewaarden alle drie het stilzwijgen en bleven met onze eigen gedachten bezig—tante droogde zich herhaaldelijk de oogen af en zat zenuwachtig te snikken en te lachen en noemde zich zelve een zottin—tot ik eindelijk weder het woord nam.
„Hebt gij al over de toekomst gedacht?” vroeg ik aan baas Peggotty. „Ik behoef dat eigenlijk niet te vragen.”
„Juist, mijnheer Davy,” antwoordde hij „en ik heb die ook al met Em'ly besproken. Er liggen nog groote landen aan de overzij—dáár ligt onze toekomst.”
„Wilt gij samen buitenslands gaan?” vroeg ik.
„Ja!” antwoordde baas Peggotty met een hoopvollen glimlach. „Niemand kan mijn lieveling in Australië iets verwijten. Wij zullen daar een nieuw leven beginnen.”
Ik vroeg of hij den tijd van vertrek al bepaald had.
„Ik ben van morgen in de vroegte naar de dokken geweest,” antwoordde hij, „om informaties in te winnen omtrent de vertrekkende schepen. Over zes weken of twee maanden zeilt er een uit. Ik heb het van morgen gezien.... ben aan boord geweest.... daarmede zullen wij de reis doen.”
„Alleen?” vroeg ik.
„Ja, mijnheer David!” antwoordde hij. „Mijne zuster, ziet ge, is zoo gehecht aan u en alles wat u betreft, en zoo gewoon om alleen aan haar eigen landje te denken, dat het haar moeielijk zou vallen mede te gaan. Bovendien heeft zij iemand, voor wien zij zorgen moet, dat mogen wij niet vergeten, mijnheer Davy.”
„Arme Ham!” zei ik.
„Mijne goede zuster heeft de zorg voor zijne huishouding op zich genomen, mevrouw,” zoo wendde hij zich tot tante, „zij houden veel van elkander. Met haar zal hij kalm praten als een ander zijne lippen onmogelijk zou kunnen openen. Arme kerel! Hij heeft niet zooveel overgehouden om het weinige, dat hij heeft, nog te kunnen missen.”
„En juffrouw Gummidge,” vroeg ik.
„Ja, die heeft mij heel wat hoofdbreken gekost, dat verzeker ik u,” antwoordde baas Peggotty met een verlegen gezicht, dat echter langzamerhand ophelderde terwijl hij sprak. „Gij weet, dat als juffrouw Gummidge aan ‚den oude’ denkt, zij niet is wat men aangenaam gezelschap noemt. Onder ons gezegd, mijnheer Davy en u, mevrouw, als juffrouw Gummidge begint te grienen—ik bedoel te schreien—zou zij door menschen, die den oude niet gekend hebben, voor lastig gehouden worden. Maar _ik_ heb den oude gekend, en ik heb ook zijne deugden gekend, dus ik begrijp haar—maar dat kunnen anderen niet zoo, natuurlijk.”
Tante en ik moesten dit toestemmen.
„Daarom zou mijne zuster,” hernam baas Peggotty, „ik zeg niet dat zij het heeft, maar zij zou wel eens last met haar kunnen krijgen. Het is daarom mijn plan, juffrouw Gummidge niet aan die twee vast te meeren, maar eene gelegenheid voor haar te zoeken, waar zij op zich zelve kan omtobben. Ik zal daarom, voor ik vertrek, een som voor haar vastzetten, zoodat zij onbekommerd leven kan. O, zij is zoo'n trouw schepsel, maar men kan van iemand op haar leeftijd en vooral van iemand, die zich altijd zoo ongelukkig gevoelt, niet verwachten, dat zij zich aan boord en in de wildernis erg op haar gemak zal gevoelen. Dat heb ik met _haar_ voor.”
Hij vergat niemand. Hij dacht aan ieders aanspraken en verdiensten, behalve aan zijn eigene.
„Em'ly,” ging hij voort, „zal bij mij blijven.... 't arme kind! Zij heeft wel wat rust noodig eer wij op reis gaan. Zij zal de kleeren maken, die wij noodig hebben, en ik hoop dat haar het doorgestane leed nog wat langer geleden zal schijnen nu zij weder bij haar ouden oom is, die haar zoo innig lief heeft.”
Tante knikte als wilde zij de verwachting, die hij koesterde, in hem versterken, waarvoor baas Peggotty haar dankbaar was.
„Er is nog iets, mijnheer Davy,” hernam hij, de hand in zijn borstzak stekende, waarna hij hetzelfde bundeltje papieren, dat ik op dien avond gezien had, op de tafel uitrolde, „hier zijn die banknoten.... vijftig pond en tien. Ik wenschte daarbij het geld te voegen dat zij medegenomen heeft toen zij heenging. Ik heb haar dat gevraagd, zonder te zeggen waarom, en heb het daarbij opgeteld. Maar ik ben geen vlugge rekenaar; wilt gij het daarom eens nakijken?”
Hij gaf mij met veel verontschuldigingen over het slechte schrift een stukje papier en sloeg mij gade terwijl ik het nakeek. Het was volkomen in orde.
„Dank u, mijnheer,” zei hij, toen hij het terugnam. „Als gij er niet tegen hebt, mijnheer Davy, zal ik een dag voor mijn vertrek dit geld aan zijn adres en het andere aan dat van zijne moeder opzenden. Ik zal haar in niet meer woorden dan ik het aan u doe vertellen waarvan dat geld de prijs is; en dan ben ik weg en kan zij het mij niet terugzenden.”
Ik zei dat hij daaraan naar mijne meening goed zou doen, dat ik er volkomen van overtuigd was, indien hij meende dat hij er goed aan deed.
Toen hij het pakje weder in den zak had gestoken hernam hij: „Ik zei dat er nog één ding te bespreken was, maar daar waren er twee. Ik was er, toen ik van morgen uitging, niet zeker van of ik zelf wel naar Ham zou gaan om hem te vertellen hoe gelukkig ik ben. Ik schreef hem daarom een brief en deed dien zelf op de post, om hem te vertellen hoe de zaken nu staan en dat ik morgen zou komen om het weinige te doen, dat daar nog gedaan moet worden en, wellicht voor altijd, afscheid te nemen van Yarmouth en het strand.”
„En zoudt gij nu gaarne willen dat ik met u medeging?” vroeg ik, omdat ik zag dat hij iets binnen hield.
„Zoo gij mij dezen vriendschapsdienst zoudt willen bewijzen, mijnheer Davy,” antwoordde hij, „ik weet dat uwe komst hem een weinig zou opvroolijken.”
Mijn kind-vrouwtje was in die dagen nog al wel en zij drong er op aan dat ik gaan zou, toen ik er met haar over sprak, zoodat ik gereedelijk er in toestemde hem te vergezellen. Den volgenden morgen zaten wij in de diligence en reden opnieuw langs den bekenden weg naar Yarmouth.
Toen wij des avonds door de van ouds bekende straat wandelden—niettegenstaande mijn tegenstribbelen droeg baas Peggotty mijn valies—kon ik niet nalaten even bij Omer en Joram binnen te kijken, en daar zat mijn oude vriend Omer zijn pijpje te rooken. Aangezien ik liever niet tegenwoordig was bij de eerste ontmoeting van baas Peggotty met zijne zuster en Ham, nam ik mijnheer Omer tot voorwendsel om achter te blijven.
„Hoe maakt mijnheer Omer het?” vroeg ik, den winkel binnengaande.
Hij blies den rook van zijn pijp weg, opdat hij mij beter zou kunnen zien, en herkende mij weldra tot zijne groote vreugde.
„Ik zou gaarne opstaan, mijnheer, ten einde mijne erkentelijkheid te toonen voor de eer van dit bezoek, maar mijn beenen zijn onbruikbaar, zoodat ik mij moet laten rijden. Behalve mijn adem en mijn beenen ben ik zoo gezond als iemand maar zijn kan. Ik ben dankbaar dit te kunnen zeggen.”
Ik wenschte hem geluk met zijne tevredene, vroolijke stemming en merkte tegelijkertijd op dat zijn leunstoel op wieltjes stond.
„Is dat niet schrander uitgevonden?” vroeg hij, de richting van mijne oogen volgende, terwijl hij met zijn mouw de zijleuning wat opwreef. „Dat rijdt zoo licht als een veer en blijft zoo goed in het spoor als een postwagen. Goede Hemel, de kleine Minnie—mijne kleindochter, begrijpt gij, Minnie's kind—zet hare kleine handjes maar tegen den rug, geeft den stoel een duw en dan gaan we, zoo handig en prettig als gij ooit iets gezien hebt. En bovendien is het de gemakkelijkste stoel van de wereld om eene pijp in te rooken.”
Nooit zag ik iemand van zijn leeftijd, die zich zoo goed in alle omstandigheden wist te schikken en van alles den beste kant wist te vinden als mijnheer Omer. Hij was zoo opgewekt alsof de stoel, zijn asthma en zijne lamme beenen alleen uitgevonden waren om hem gemakkelijk een pijp te laten rooken!
„Ik kan u verzekeren,” hernam hij, „dat ik in dezen stoel meer van de wereld zie dan ik ooit buiten dezen stoel gezien heb. Gij zoudt u verbazen over het groot aantal menschen, die dagelijks een praatje met mij komen maken. Dat zoudt gij zeker! Er staat tweemaal zooveel in de courant als vroeger, nu ik in dezen stoel moet zitten. Het is verbazend zooveel boeken als ik lees! En daarvoor ben ik zoo dankbaar! Wat had ik moeten beginnen, als mijn oogen ziek waren geworden? Nu zijn mijne beenen ziek, maar wat beteekent dat? Als ik mijne beenen gebruikte, was mijn adem altijd veel korter. En nu? Als ik de straat of het strand eens op wil, dan heb ik niets anders te doen dan Dick te roepen, Joram's jongste leerling, en voort gaat het in mijn eigen rijtuig, evenals de Lord Mayor van Londen!”
Hij lachte zoo hartelijk dat hij een oogenblik het gevaar liep van te stikken.
„Goede Hemel!” hernam hij, toen hij zijne pijp weder in den mond had, „men heeft vette en magere jaren; men moet zich daarnaar weten te schikken. Joram maakt beste zaken, uitmuntende zaken.”
„Het verheugt mij dat te hooren,” zei ik.
„Dat wist ik,” antwoordde mijnheer Omer.
„En Joram en Minnie doen nog altijd alsof zij gisteren getrouwd waren. Wat kan een mensch meer verlangen! Wat beteekenen die beenen in vergelijking daarmede?”
De trotsche minachting, waarmede hij over zijn beenen sprak, terwijl hij daar in zijn stoel zat te rooken, was een van de zonderlingste ondervindingen, die ik ooit heb opgedaan.
„En sinds ik begonnen ben boeken te lezen, zijt gij begonnen boeken te schrijven, nietwaar, mijnheer?” vroeg hij en keek mij daarbij met eenige bewondering aan. „Wat was dat laatste boek mooi! Wat zit daar veel in! Ik heb het heelemaal gelezen—van woord tot woord! En ik heb geen oogenblik slaap gevoeld.... geen oogenblik!”
Ik betuigde lachend mijne voldoening over deze goede beoordeeling van mijn boek, maar ik moest in stilte bekennen dat zulk een lof niet veel beteekende.
„Ik geef u mijn woord, mijnheer,” vervolgde mijnheer Omer, „dat toen ik het boek op de tafel legde en den omslag bekeek—drie deelen compres gedrukt—ik mij zoo trotsch voelde als Punch bij de gedachte, dat ik eenmaal de eer had gehad uwe familie zoo goed te kennen. Goede Hemel, wat is dat al lang geleden! Te Blunderstone nietwaar? Gij waart toen nog zoo klein!”
Ik bracht hem van dit onderwerp af door over Emily te beginnen. Na hem de verzekering te hebben gegeven dat ik niet vergeten had hoeveel belang hij altijd in haar gesteld en hoe vriendelijk hij haar behandeld had, deed ik hem het geheele verhaal van hare redding met Martha's hulp; ik wist dat hem dit genoegen zou doen. Hij luisterde met de grootste aandacht en toen ik geëindigd had, zei hij met ontroerde stem:
„Dat verheugt mij meer dan ik u zeggen kan, mijnheer. Het is het beste bericht dat ik in langen tijd heb gehoord. Goede Hemel! En wat zal er nu van die ongelukkige Martha worden?”
„Gij roert daar een onderwerp aan, mijnheer Omer, dat mij sinds gisteren voortdurend bezig houdt,” antwoordde ik, „doch waarover ik u thans geen nadere inlichtingen kan geven. Peggotty heeft het met geen woord aangeroerd en ik acht het onderwerp wel wat kiesch om er over te beginnen. Ik ben er echter zeker van dat hij Martha niet zal vergeten; hij is altijd zoo belangeloos en zoo goed.”
„Want, weet ge,” zei mijnheer Omer, „ik wil gaarne meedoen als er iets voor haar gedaan moet worden. Reken maar op mij en laat mij maar weten voor hoeveel. Ik heb nooit gedacht dat zij voor goed verloren zou zijn en het verheugt mij nu te vernemen dat zij het niet is. En mijne dochter Minnie zal er ook blij om zijn. Jonge vrouwtjes zijn in sommige dingen zonderlinge schepsels—hare moeder was precies als zij maar zij heeft hetzelfde goede, zachtmoedige hart als hare moeder. Zooals Minnie over Martha spreekt, meent zij niet wat zij zegt. Waarom zij het noodig vindt comedie te spelen is mij onbegrijpelijk, maar comedie—is 't. Zij zou haar in het geheim helpen als zij er toe in de gelegenheid was. Reken dus op mij en laat mij maar weten voor hoeveel. Zult gij 't niet vergeten? En laat mij ook met een enkel woord weten, waarheen ik het zenden kan. Och Hemel, als iemand den tijd nadert, waarin het begin en het einde tot elkander komen, wanneer men voor de tweede maal in een rolwagentje wordt rondgereden, dan mag men blij zijn als men nog iets goeds kan doen. Men heeft dan zelf zooveel goedheid van anderen noodig. En ik spreek niet in het bijzonder over mij zelven, mijnheer, want mijn levensbeschouwing is, dat wij, hoe oud of jong wij ook zijn, allen voortdurend op weg zijn naar het graf, omdat de tijd nooit stilstaat. Als wij dus iets goeds kunnen doen, dan moeten wij het niet nalaten. Zoo denk ik er over.”
Hij klopte de asch uit zijne pijp en legde deze op een plank, die daartoe opzettelijk aan den rug van zijn stoel was aangebracht.
„Daar hebt gij Emily's neef, met wien zij getrouwd zou zijn,” hernam mijnheer Omer zijne handen wrijvende, „dat is de beste kerel uit geheel Yarmouth. Hij komt mij hier telkens opzoeken en leest mij 's avonds somtijds een uur lang voor. Dat is zoo'n beste man, als er maar een is—de goedheid zelve.”
„Ik ga hem nu een bezoek brengen,” zei ik.
„Zoo? Zeg hem dan, dat ik het heel goed maak en breng hem mijne groeten. Minnie en Joram zijn naar eene danspartij. Zij zouden ook trotsch zijn op uw bezoek, al was het alleen maar om hun vader. Minnie had van avond niet uit willen gaan, maar, zei ik, dan ga ik om zes uur naar bed. En nu,” zei hij, zoo hartelijk lachend, dat de stoel begon te kraken, „en nu zijn Minnie en Joram aan het dansen!”
Ik schudde hem de hand en wenschte hem goeden nacht.
„Wacht nog een minuut, mijnheer,” zei mijnheer Omer, „als gij heengingt zonder mijn kleine oliphant gezien te hebben, hadt gij het mooiste gemist. Gij hebt nooit zoo iets gezien! Minnie!”
Bovenaan de trap antwoordde een welluidend stemmetje: „Ik kom, grootvader!” waarop een klein, mooi meisje met golvende krullen naar beneden kwam en den winkel binnentrippelde.
„Dit is mijn klein oliphantje, mijnheer,” zei mijnheer Omer, terwijl hij het kind liefkoosde. „Een echte Siamees, mijnheer! Nietwaar, klein oliphantje?”
Het kleine oliphantje opende de deur van de kamer achter den winkel, zoodat ik kon opmerken, dat deze kamer was ingericht tot slaapkamer voor mijnheer Omer, die moeilijk naar boven kon gebracht worden; daarna verborg zij haar lieve kopje en hare lange krullen achter den stoel van mijnheer Omer.
„De oliphant stoot wel eens met den kop, mijnheer,” zei mijnheer Omer. „Wel, oliphantje, één, twee, drie!”
Op dit signaal draaide het oliphantje met eene handigheid, die ik bij zulk een klein kind niet verwacht zou hebben, den stoel van mijnheer Omer om en rolde dien in een oogwenk naar de slaapkamer, zonder den deurpost ook maar even te raken; mijnheer Omer genoot van dit kunststuk zijner kleindochter en keek zegevierend naar mij om, alsof hiermede op den arbeid van zijn geheele leven de kroon was gezet.
Na eene wandeling door de stad kwam ik bij de woning van Ham. Peggotty had nu voor goed bij hem haar intrek genomen en haar huisje met kar en paard vrij goed aan den nieuwen voerman op Blunderstone verkocht. Bedrieg ik mij niet dan was hetzelfde oude, luie paard nog altijd in dienst.
Ik vond de geheele familie in den zindelijken keuken bijeen; ook juffrouw Gummidge was door baas Peggotty zelven gehaald uit de oude schuit. Ik twijfel er aan of iemand anders haar zou hebben kunnen overhalen om haar post te verlaten. Blijkbaar had hij hun alles verteld. Zoowel Peggotty als juffrouw Gummidge zat met den boezelaar voor de oogen en Ham was juist uitgegaan om wat frissche lucht te zoeken aan het strand. Toen hij een oogenblik later terugkwam, was hij blijde mij te zien en ik meen wel te mogen aannemen dat mijne tegenwoordigheid hun allen goed deed. Er werden zelfs grappen ten beste gegeven over baas Peggotty's reis naar het vreemde land, waar hij, zooals wij zeiden, goud wilde zoeken; en reeds verheugden wij ons op de wonderen, die hij ons uit dat land in zijne brieven zou meedeelen. Wij noemden geen van allen Emily's naam, maar toch bleef zij niet onbesproken. Ham was de kalmste van allen.
Peggotty vertelde mij, toen zij mij naar een kamertje had gebracht, waar het krokodillenboek voor mij gereed lag, dat Ham altijd dezelfde was. Zij geloofde—zij vertelde mij dat met tranen in de oogen—dat hij nog altijd gebukt ging onder den slag, die hem getroffen had, hoewel hij vol moed en altijd even zachtzinnig was en harder werkte dan eenige scheepstimmerman op welke werf ook. Het gebeurde wel eens, vertelde zij, dat Ham des avonds over Emily sprak; maar dan was het altijd over hare kinderjaren. Over den tijd, toen zij volwassen was, bewaarde hij het stilzwijgen.
Ik meende op zijn gezicht gelezen te hebben dat hij mij alleen wenschte te spreken, waarom ik besloot hem den volgenden avond, wanneer hij van zijn werk kwam, te gemoet te gaan. Na dit plan gemaakt te hebben viel ik in slaap. Dien nacht, voor het eerst na zulk een langen tijd, brandde de kaars niet in het venster van de oude boot, waar baas Peggotty in zijn hangmat sliep en de wind als van ouds om zijn hoofd suisde.
Den geheelen volgenden dag besteedde hij aan den verkoop van de boot en van zijn vischtuig, pakte alles wat hem van dienst kon zijn bijeen, om het met den vrachtwagen naar Londen te zenden en deed het overige van de hand of schonk het aan juffrouw Gummidge. Deze was den geheelen dag om en bij hem. Aangezien ik een weemoedig verlangen had om de oude boot nog eens te zien, eer ze gesloten werd, sprak ik met baas Peggotty af, dat ik dien avond bij hem zou komen; maar ik regelde het zoo, dat ik eerst Ham ontmoette. Dit was gemakkelijk genoeg, want ik wist waar zijne werkplaats lag. Ik kwam hem tegen op een afgelegen hoekje van het strand, dat hij moest oversteken en keerde met hem terug, zoodat hij de gelegenheid had om met mij te spreken, indien hij dat verkoos. Ik had mij niet vergist, want wij hadden nog slechts een korten afstand afgelegd, toen hij zonder mij aan te kijken zeide:
„Mijnheer Davy, hebt gij haar gezien?”
„Eén oogenblik slechts, toen zij in zwijm lag,” antwoordde ik zachtjes.
Wij wandelden voort. „Mijnheer Davy,” begon hij weder, „denkt gij haar te zullen zien?”
„Zou dat niet te pijnlijk voor haar zijn?” vroeg ik.
„Dat heb ik ook gedacht, mijnheer,” antwoordde hij, „dat zou het zeker, dat zou het zeker.”
„Maar, Ham,” hernam ik, „indien ik haar wellicht iets zou kunnen schrijven... indien er iets is, dat ik haar uit uw naam zou kunnen schrijven, dan zou ik het eene heilige taak achten dat te doen, ja, dan zou ik zoo noodig met haar gaan spreken.”
„O, ja, daarvan ben ik overtuigd. Ik dank u, mijnheer, ik dank u hartelijk voor uwe vriendelijkheid. Ik geloof wel dat er iets is, dat ik haar gaarne zou zeggen of schrijven.”
„Zoo, wat dan?”
Wij wandelden weder eenigen tijd zwijgend voort en toen zei hij:
„Het is niet dat ik haar vergiffenis wil schenken, maar ik wilde haar verzoeken mij te vergeven dat ik haar ooit met mijne genegenheid ben lastig gevallen. Menigmaal denk ik dat als zij niet de belofte had afgelegd om met mij te trouwen, zij mij wellicht als vriend haar vertrouwen geschonken en mij verteld zou hebben wat er in hare ziel omging; dat zij mij misschien raad gevraagd en dat ik haar gered zou hebben.”
Ik drukte hem de hand. „Is dat alles?” vroeg ik.
„Er is nog iets,” antwoordde hij, „als ik maar wist hoe ik het zeggen moest, mijnheer Davy.”
Wij wandelden nu nog verder door dan wij reeds geweest waren, eer hij weder begon te spreken. Hij schreide niet in de tusschenpoozen, die ik door streepjes zal aanduiden; hij deed alleen zijn best om zich zoo nauwkeurig mogelijk uit te drukken.
„Ik had haar lief—en ik heb hare nagedachtenis nog lief—te lief om haar te kunnen doen gelooven dat ik gelukkig ben. Ik zou alleen gelukkig kunnen zijn als ik haar kon vergeten—en toch zou ik er niet toe kunnen komen haar te laten zeggen dat ik haar vergeten heb.—Maar indien gij, mijnheer Davy, die zoo geleerd zijt, haar kondt doen gelooven dat ik het mij niet zoo heel erg heb aangetrokken, dat ik haar nog wel liefheb en om haar treur; indien gij haar zoudt kunnen doen gelooven dat ik nog aan het leven hecht en hoop haar nog eens terug te zien, zonder smet of blaam, daar waar de goddeloozen niet meer woelen en de vermoeiden rust vinden—indien gij haar iets zoudt kunnen zeggen of schrijven dat haar gerust zal stellen, zonder dat de gedachte ooit in haar zou kunnen opkomen, dat ik nog eens zou kunnen trouwen of dat ooit iemand voor mij zou kunnen zijn, wat zij voor mij was—ik wilde u vragen of gij haar dat zoudt willen zeggen—met mijn zegen voor haar—van wie ik zoo innig veel hield.”
Ik drukte zijne ruwe hand nog eens en beloofde hem, dat ik trachten zou mij zoo goed mogelijk van deze taak te kwijten.