Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 76
„O, er gaat geen dag, geen nacht voorbij, dat ik niet daaraan denk!” riep Emily; ik kon nu zien hoe zij op hare knieën viel met het hoofd achterover, het bleeke gezichtje omhoog, de handen als in wanhoop gevouwen en opgestoken en de haren loshangende over de schouders. „Zou er wel ééne minuut zijn voorbij gegaan, dat ik niet wakend en slapend, het huis voor mij heb gehad, waarin ik mijne jeugd heb doorgebracht, zooals het was, toen ik het voor altijd den rug toekeerde? O, heerlijk tehuis! O, beste, beste oom, zoo gij ooit den zielsangst gekend hadt, dien uwe liefde mij gekost heeft, toen ik voor altijd van u heenging, zoudt gij mij nooit zóó hebben liefgehad; gij zoudt tenminste eenmaal in mijn leven boos op mij zijn geweest, opdat ik toch eenige troost kon hebben. Ik kan geen troost vinden.... nergens.... want allen hadden mij even lief!” Zij liet zich voorover vallen voor de trotsche, ongevoelige vrouw op den stoel en trachtte den zoom van hare japon te grijpen.
Rosa Dartle keek op haar neer met zulk een onbewegelijk gelaat alsof zij veranderd was in een bronzen beeld. Hare lippen waren stijf op elkaar geperst alsof zij begreep dat zij zich in bedwang moest houden—ik schrijf alleen hetgeen ik oprecht meen—om dat mooie, smeekende meisje niet met den voet van zich af te schoppen. Ik zag haar duidelijk, en de geheele uitdrukking van haar gelaat, hare geheele houding scheen dit aan te duiden. Zou hij dan nooit komen?
„Hoe kan zoo'n aardworm nog zoo ijdel zijn!” sprak zij, toen zij haar toorn zoover had bedwongen, dat zij weer spreken kon. „Uw tehuis! Meent gij soms, dat ik daaraan denk, dat gij den naam van zulk een gemeen huis hebt kunnen schaden? Neen, zij hebben eene rijkelijke vergoeding ontvangen! Uw tehuis! Men heeft handel met u gedreven en u verkocht, zooals alles, waarin die menschen handelen.”
„O, zeg dat niet!” riep Emily. „Zeg van mij wat gij wilt, maar werp nog niet meer schande dan ik reeds gedaan heb op het hoofd van menschen, die even achtenswaardig zijn als gij! Zoo gij werkelijk eene dame zijt, heb dan achting voor hen, al hebt gij dan geen medelijden met mij.”
„Ik spreek,” hernam juffrouw Dartle zonder zich te verwaardigen zelfs op haar smeeken te letten en hare japon wegtrekkende, alsof de aanraking met Emily haar bezoedelen zou, „ik spreek van _zijn_ huis—waar ook ik woon. Gij,” vervolgde zij, terwijl zij met een smadelijken lach de hand uitstrekte en op het geknield liggende meisje neerkeek, „gij zijt de oorzaak van de verwijdering tusschen moeder en zoon, die beiden adellijk bloed in de aderen hebben; gij, die daar zelfs niet als keukenmeid zoudt zijn aangenomen, zijt de oorzaak van de smart, de gramschap, het verdriet, die daar zijn binnengeslopen. Zoo'n stuk vuil, van de waterkant opgenomen, om een uur lang uit het slijk opgeheven en er dan weder in neergesmakt te worden!”
„Neen, neen!” riep Emily, hare handen ineenslaande. „Toen hij voor de eerste maal mijn weg kruiste—o had hij mij nooit gezien vóór den dag dat ik naar het kerkhof zal worden gedragen!—was ik even deugdzaam opgevoed als gij of welke dame ook maar zijn kunt; toen zou ik de vrouw geworden zijn van een man, zoo braaf en eerlijk als gij of welke dame ook maar hebben kunt. Zoo gij met hem in één huis woont en hem kent, weet gij ook welk een macht hij oefenen kan op zulk een zwak, ijdel meisje als ik ben. Ik verdedig mij niet, maar ik weet wel en dat weet hij ook wel, of hij zal het weten wanneer hij op zijn sterfbed ligt en zijne ziel er mede bezwaard is, dat hij alles heeft in het werk gesteld om mij te bedriegen, dat ik in hem geloofde, hem vertrouwde en.... hem liefhad!” Rosa Dartle sprong van haar stoel op, deed een schrede achteruit en op hetzelfde oogenblik sloeg zij naar haar met zulk een boosaardig en door hartstocht verwrongen gelaat, dat ik op het punt stond mij tusschen de twee vrouwen in te werpen. De slag, in het wilde gegeven, was niet raak. Zooals zij daar nu stond te hijgen, bevend van het hoofd tot de voeten en met een gelaat, waarop niets dan hartstocht en verachting te lezen was, had ik nooit een menschelijk wezen gezien en heb ik ook na dien tijd nooit gezien.
„_Gij_ hem liefhebben? _Gij_?” riep zij, hare gebalde vuist opheffende, waarin alleen een dolk ontbrak om het voorwerp van haar toorn te doorsteken. Emily was achteruit geweken, zoodat ik haar niet meer zien kon. Er volgde ook geen antwoord.
„En dat zegt gij _mij_,” hernam Rosa, „met die schaamtelooze lippen? Waarom geeselt men zulke schepsels niet? Als ik wat te zeggen had, zouden ze doodgegeeseld worden.”
En dat zou zij gedaan hebben, als zij de macht er toe gehad had. Zelfs zou ik haar niet bij eene pijnbank hebben vertrouwd, zoolang die woedende blik uit hare oogen straalde.
Langzaam, heel langzaam begon zij te lachen en wees met hare hand naar Emily, alsof zij een schandvlek ware voor God en de menschen. „Zij liefhebben!” sprak zij. „Dat karonje! En hij heeft haar ook liefgehad, zegt zij mij. Ha! ha! Wat kan zoo'n gemeen schepsel toch liegen!”
Haar spottende toon was nog vreeselijker dan hare uitbarstingen van woede. Veel liever zou ik tot doelwit van de laatste gestrekt hebben. „Ik ben hier gekomen, gij, reine bron van liefde,” vervolgde zij, „om, zooals ik reeds gezegd heb, te zien waarop zoo'n schepsel als gij wel lijkt. Ik was nieuwsgierig, maar ben nu voldaan. Ook wilde ik u zeggen, dat gij niet beter doen kunt dan maar zoo spoedig mogelijk dat huis van u opzoeken en u te verbergen onder al die brave menschen, die gij met uw geld wel zult troosten. Als het op is, kunt gij weer gelooven en vertrouwen en liefhebben! Ik meende dat gij een gebroken stuk speelgoed zoudt zijn, dat zijn tijd had uitgediend; een waardeloos snuisterijtje, dat gebroken en weggeworpen was. Maar nu ik zie dat gij van zuiver goud zijt, eene echte dame, een misleide onschuld met een hart vol liefde en vertrouwen, zooals gij er ook juist uitziet en zooals ook geheel overeenkomt met uwe geschiedenis, heb ik nog iets meer te zeggen. Luister goed, want hetgeen ik zeg, zal ik ook doen. Verstaat gij mij wel, mijn engel? Wat ik zeg, zal ik doen!”
Gedurende een oogenblik kon zij hare woede niet onderdrukken, maar onmiddellijk daarop kwam er weder een spottende glimlach op haar gelaat.
„Verberg u,” hernam zij, „zoo niet in uw huis dan elders. Blijf buiten mijn bereik, ergens in een donker hoekje, beter nog in het graf. Het zal mij verbazen of uw liefhebbend hart niet breken zal, of gij geen middel hebt gevonden om het tot kalmte te brengen. Ik heb wel eens gehoord, dat er middelen voor bestaan. Ik geloof dat ze niet moeielijk te vinden zijn.”
Zij hield op om te luisteren naar het schreien van Emily, dat haar als muziek in de ooren klonk.
„Ik ben misschien een wonderlijk schepsel,” ging Rosa voort, „maar ik kan niet vrij ademhalen in de zelfde lucht als gij. Die lucht is bezwangerd. Ik wil daarom die lucht gezuiverd hebben, gezuiverd van u. Als gij morgen nog hier zijt, zal ik uwe geschiedenis laten uitroepen boven aan de trap. Men heeft mij verteld, dat er fatsoenlijke vrouwen wonen in dit huis; het zou dus jammer zijn als zulk een licht onder de vrouwen als gij, verborgen bleef. Zoo gij ergens in de stad eene schuilplaats zoekt anders dan in uwe ware gedaante, die gij moogt aannemen zonder iets van mij te vreezen te hebben, zal ik u denzelfden dienst bewijzen, zoodra ik uw verblijf ken. Aangezien ik word bijgestaan door een man, die nog niet lang geleden naar uwe hand heeft gedongen, zal mij dat ook wel gelukken.”
Zou hij dan nooit, nooit komen? Hoe lang zou ik dat nog kunnen aanhooren? Hoe lang?
„Wee mij! Wee mij!” riep de ongelukkige Emily uit op een toon, die het hardvochtigst gemoed had moeten treffen, naar ik meende; maar Rosa's glimlach verdween niet. „Wat moet ik doen! Waar moet ik heen!”
„Doen?” antwoordde de andere. „Gelukkig zijn met uwe herinneringen! Uw leven wijden aan de herinnering van James Steerforth's teederheid—hij wilde u aan zijn knecht uithuwelijken nietwaar? Doen? U dankbaar toonen aan dien eerlijken, verdienstelijken man, die u wilde aannemen als een gift uit de handen van zijn meester! Of, indien al deze schoone herinneringen en het besef van uwe deugdzaamheid en de eervolle plaats, die gij in de oogen van ieder mensch inneemt, u niet kunnen voldoen, trouw dan met dien goeden man en wees blijde, dat hij u die gunst nog bewijzen wil. En wilt gij dat alles niet, welnu, maak u dan van kant. Er zijn middelen en vuilnishoopen genoeg voor zulke wanhopende schepsels als gij—tracht die te vinden—en probeer in den hemel te komen.”
Daar hoorde ik voetstappen op de trap, een voetstap, dien ik kende. Daar was hij, Goddank!
Terwijl zij deze laatste woorden gesproken had, was zij van de deur weggegaan, zoodat ik haar niet meer zien kon.
„Onthoud het goed!” voegde zij er langzaam en dreigend bij, terwijl zij de andere deur opende om heen te gaan, „om allerlei redenen, vooral omdat ik u innig haat, heb ik besloten u geen oogenblik met rust te laten, tenzij gij buiten mijn bereik komt of uw schoonschijnend masker afwerpt. Dit is alles wat ik u te zeggen heb, en wat ik zeg, dat doe ik!”
De voetstap op de trap kwam nader en nader.... ging langs haar heen op de gang.... klonk eindelijk in de kamer.
„Oom!”
Een akelige gil volgde op dit ééne woord. Ik wachtte nog een oogenblik en toen ik naar binnen keek, zag ik dat zij onbewegelijk in zijne armen lag. Gedurende eenige seconden keek hij haar in het gelaat en toen.... drukte hij er een kus op, zoo teeder, als slechts eene moeder had kunnen doen, en spreidde er een zakdoek overheen.
„Mijnheer Davy,” zei hij met zachte, trillende stem, „ik dank den Hemelschen Vader, dat Hij mijn droom heeft doen uitkomen! Ik dank Hem, dat Hij mij aan Zijne hand geleid heeft op den weg, waarlangs ik mijn lieveling zou terugvinden.”
Na deze woorden nam hij haar in zijne stevige armen, met het overdekte gezichtje tegen zijne borst, en bracht haar zacht en omzichtig naar beneden.
LI.
Het begin van een langere reis.
Toen ik den volgenden morgen al heel vroeg in den tuin wandelde met tante—het goede mensch had weinig lichaamsbeweging in den laatsten tijd, omdat zij Dora oppaste—werd mij bericht dat baas Peggotty mij wenschte te spreken. Hij kwam mij halverwege den tuin reeds tegemoet, en nam zijn muts af voor tante, voor wie hij groote achting koesterde. Ik had haar alles verteld wat er den vorigen avond was voorgevallen. Zonder een woord te spreken ging zij naar hem toe, schudde hem zoo hartelijk mogelijk de hand en gaf hem een goedkeurend tikje op den arm. Zij deed dit zoo veelzeggend dat zij er volstrekt niet bij behoefde te spreken. Baas Peggotty verstond haar even goed.
„Ik zal nu naar binnen gaan, Trot, naar klein Bloesempje,” zei tante, „zij zal nu wel op zijn.”
„Toch niet omdat ik hier ben, mevrouw, hoop ik?” zei baas Peggotty. „Als ik mijn zinnen van morgen bij elkaar heb, meen ik te moeten begrijpen dat gij om mij wilt heengaan.”
„Gij hebt met Trot wat te bespreken, goede vriend,” antwoordde tante, „en zult dat beter kunnen doen zonder mij.”
„Met uw verlof, mevrouw,” antwoordde baas Peggotty, „maar als mijn gebabbel u niet hindert, zou ik liever hebben dat gij hier bleeft.”
„Zoudt gij werkelijk? Dan zal ik blijven.”
Zij stak haar arm door dien van baas Peggotty en geleidde hem, naar een priëeltje aan het einde van den tuin, waar zij op een bank plaats nam en ik naast haar ging zitten. Er was wel een stoel voor baas Peggotty, maar hij bleef liever staan met de hand op het kleine rustieke tafeltje. Terwijl hij daar, eer hij begon te spreken, eenige oogenblikken naar zijne muts stond te kijken, kon ik niet nalaten de opmerking te maken welk een vast karakter zijne gespierde hand deed vermoeden en hoe goed die paste bij zijn oprecht, gebruind gelaat en zijne grijze haren.
„Ik nam mijn geliefd kind gisteren avond mede naar mijne kamer,” begon hij te vertellen, terwijl hij ons met zijne eerlijke oogen aankeek, „naar mijne kamer, waar ik zoo lang op haar heb gewacht en alles voor haar ontvangst gereed was. Het duurde uren eer zij mij goed herkende en toen zij dit deed, knielde zij aan mijne voeten neer en vertelde mij alles.... alles. Het was alsof zij haar hart in een gebed uitstortte. O, toen ik hare stem hoorde, die mij vroeger zoo vroolijk in de ooren had geklonken, toen ik haar zoo vernederd zag, als kroop zij in het stof waarin onze Heiland eenmaal met Zijne heilige hand schreef—toen voelde ik toch te midden van mijne dankbaarheid een steek in mijn hart.”
Hij streek met de mouw langs zijn oogen, zonder eenige moeite te doen om zijne aandoening te verbergen; daarna ging hij met helderder stem voort:
„Dit gevoel duurde niet lang, want ik had haar terug. Ik behoefde er slechts aan te denken, dat ik haar terug had, toen was het al weer voorbij. Ik begrijp eigenlijk zelf niet waarom ik er nu nog over spreek. Een minuut geleden zou het niet in mij opgekomen zijn een woord over mij zelven te spreken, maar het ging zoo van zelf, dat ik het deed eer ik het wist.”
„Gij hebt genoeg bewezen dat gij u zelven weet te verloochenen,” zei tante; „gij zult daarvoor ook zeker beloond worden.”
Terwijl de schaduwen van de klimopbladeren op zijn gezicht speelden, boog baas Peggotty een weinig verbaasd het hoofd naar mijne tante alsof hij haar voor hare woorden wilde bedanken, en nam toen den draad van zijn verhaal weder op.
„Toen mijne Em'ly de vlucht nam uit het huis, waar die ellendeling haar gevangen hield—God straffe hem, want al hetgeen mijnheer Davy heeft vernomen is waar—was het nacht, een donkere nacht met een schitterenden sterrenhemel. Zij was half krankzinnig, liep langs het strand, meenende dat daar de oude boot lag en riep ons toe, dat wij het gezicht zouden afwenden, want dat zij er aankwam. Zij hoorde zich zelve roepen, alsof zij een ander was, en kwetste zich de voeten aan de scherpe steenen en rotsen, maar zij voelde er even weinig van, alsof zij zelve eene rots geweest was. Zoo liep zij voort en voor haar oogen scheen een groot licht en in haar ooren klonk voortdurend een dof gebrom. Opeens—zoo meende zij, begrijpt gij—opeens was het dag geworden, een koude, winderige dag en vond zij zich liggen op een hoop steenen aan het strand en bij haar stond eene vrouw, die haar in de taal van dat land aansprak en vroeg wat haar was overkomen.”
Hij zag alles wat hij vertelde. Terwijl hij sprak, stond het hem alles zoo levendig voor den geest, dat hij in zijn ernst en zijn ijver alles nog veel duidelijker beschreef dan ik het op dit oogenblik doen kan. Nu ik het na zulk een lang tijdsverloop neerschrijf, kan ik moeilijk gelooven, dat ik er niet zelf bij tegenwoordig ben geweest, zulk een diepen indruk heeft de beschrijving van Emily's lotgevallen in mijn geest achtergelaten.
„Toen Emily deze vrouw beter kon onderscheiden—hare oogen waren in het eerst nog verduisterd”—ging baas Peggotty voort, „herkende zij eene van de vrouwen, waarmede zij dikwijls aan het strand had staan praten. Zij kende den geheelen omtrek, want zij hadden alleen of te zamen verre tochten gemaakt per rijtuig of te voet of per boot langs het strand. Deze vrouw had geen kinderen, want zij was nog niet lang getrouwd, maar zij hoopte er spoedig een te krijgen. De Hemel geve dat het haar moge gelukkig maken en tot troost en eer zij haar leven lang. Moge het haar liefhebben en eeren in haar ouderdom, haar tot hulp en steun zijn tot haar laatsten snik, een engel voor haar zijn, hier en hiernamaals!”
„Amen!” zei tante.
„Zij was eerst wat bedeesd geweest,” hernam baas Peggotty, „toen Em'ly met de kinderen sprak, en aan haar werk gebleven—zij zat te spinnen, meen ik. Maar Em'ly had haar opgemerkt en haar aangesproken en aangezien het jonge vrouwtje ook zooveel van kinderen hield, hadden zij spoedig vriendschap gesloten, zoo zelfs dat als Em'ly later voorbijkwam, zij altijd bloemen van haar kreeg. Deze zelfde vrouw stond nu bij haar en vroeg wat haar overkomen was. Em'ly vertelde haar alles en de goede vrouw nam haar mede naar haar huis. Ja, waarlijk, dat deed zij.... Zij nam haar mede naar huis,” herhaalde hij met de handen voor de oogen.
De herinnering aan deze menschlievende daad ontroerde hem, meer dan iets hem sinds den avond van Emily's vlucht had gedaan. Tante en ik waagden het niet hem te storen.
„Het was een klein huisje, dat begrijpt gij,” ging hij voort, „maar er was ruimte in voor Emily, want haar man was op zee, en zij hield Emily's verblijf geheim en verzocht de buren—er waren er niet veel—het ook geheim te houden. Emily werd zwaar ziek en het zonderlingste is—voor geleerden is het dat misschien niet—zij vergat de taal van het land geheel en al en kon alleen spreken in haar eigen taal, die niemand kende. Zij herinnert zich, alsof zij gedroomd heeft, dat zij daar lag met hevige koorts, altijd sprekende in haar eigen taal, altijd meenende dat de oude boot daar op het strand lag; altijd smeekende dat men toch zou gaan vertellen, hoe zij daar lag te sterven, dat men een enkel woord van vergiffenis zou meebrengen. Bijna al dien tijd dacht zij nu eens, dat hij, van wien ik zooeven sprak onder het venster naar haar zat te loeren, dan weder dat hij, die haar zoover had gebracht, in de kamer was—en dan bad en smeekte zij de goede vrouw haar toch niet te verlaten, en op hetzelfde oogenblik wist zij dat men haar niet begreep, en vreesde zij dat men haar zou weghalen. Ook was telkens weder datzelfde licht voor hare oogen en datzelfde doffe gebrom in hare ooren; en er bestond geen gisteren, geen heden, geen morgen voor haar, en alles wat in haar leven was gebeurd en kon gebeurd zijn, en alles wat niet gebeurd was en niet kon gebeurd zijn, verdrong zich in hare koortsachtige droomen, en niets was haar duidelijk of welkom en toch zong en lachte zij. Hoe lang dit zoo voortduurde weet ik niet; maar daarna viel zij in slaap en in dien slaap werd zij, die altijd zoo sterk geweest was, zwakker dan het kleinste kind.”
Hij zweeg, alsof hij eerst de akeligheid van zijn eigen beschrijving moest te boven komen, maar na eenige seconden ging hij voort met zijn verhaal.
„Op een mooien achtermiddag werd zij wakker; het was zoo stil om haar heen, dat zij niets hoorde dan het kabbelen van het blauwe water tegen het strand. In het eerste oogenblik meende zij thuis te zijn en dat het Zondagmorgen was; maar de druivenbladeren, die zij voor het venster zag, en de bergen in het verschiet behoorden niet tot haar huis en waren met hare gewaarwordingen in tegenspraak. Toen kwam hare vriendin binnen om naar haar te kijken, en toen wist zij dat de oude boot niet daar op het strand lag, maar ver weg was; toen wist zij waar zij was en hoe zij daar was gekomen, en barstte zij in snikken uit aan de borst van die goede vrouw, die zich nu, naar ik hoop, verlustigen mag in de lieve oogjes van haar kindje!”
Hij kon niet over dat goede mensch spreken, zonder dat de tranen in zijne oogen kwamen. Het was te vergeefs of hij al trachtte ze binnen te houden. Hij begon opnieuw te snikken en poogde den zegen over haar uit te spreken.
„Dat deed mijne Em'ly goed,” vervolgde hij zoo aangedaan, dat ik hem niet kon aanzien zonder in zijne ontroering te deelen, terwijl tante van ganscher harte meeschreide, „dat deed Em'ly goed en zij werd langzaam beter. De kennis van de taal van het land was echter verdwenen zoodat zij zich slechts door teekens verstaanbaar maken kon. Zoo leefde zij eenigen tijd voort, langzaam in krachten toenemende, terwijl zij haar best deed de namen te leeren van de haar omringende voorwerpen—het scheen haar toe alsof zij ze nooit gehoord had—totdat zij op zekeren avond voor het venster naar een klein meisje zat te kijken, dat op het strand aan het spelen was. Plotseling stak dat kind de hand uit en zei: „Visschersdochter, kijk eens wat een mooie schelp!” Gij moet weten dat zij haar eerst „Mooie dame!” noemden, maar dat zij den kinderen geleerd had haar „Visschersdochter” te noemen. Em'ly begreep wat het kind zei en barstte in tranen uit. Van dat oogenblik af stond het gansche verleden haar weder helder voor den geest.”
„Toen zij sterk genoeg was,” ging baas Peggotty, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort, „besloot zij die goede, jonge vrouw te verlaten en naar haar eigen land terug te keeren. De man was teruggekomen en te zamen brachten zij haar aan boord van een koopvaardijscheepje, dat haar over Livorno naar Frankrijk zou brengen. Zij had nog een weinig geld, maar het was minder dan weinig dat zij wilden aannemen voor alles wat zij gedaan hadden. Ik ben daar bijna blijde om, hoewel zij zoo arm waren. Hetgeen zij aan onze ongelukkige Em'ly hebben gedaan is opgelegd daar, waar roest noch mot, dieven noch inbrekers het kunnen bereiken en het zal langer duren dan al de schatten der wereld, mijnheer Davy!”
„Em'ly ging naar Frankrijk en nam dienst in een logement in een der havensteden, ten einde reizende dames te bedienen. Op zekeren dag komt daar die schurk—Laat hij mij nooit onder de oogen komen. Ik zou niet weten wat ik hem zou kunnen doen!—Zoodra zij hem zag, zonder dat hij haar nog had gezien, ontvluchtte zij de lucht, die hij had ingeademd. Zij kwam naar Engeland en stapte te Dover aan wal. Ik weet niet waar de moed haar begon te ontzinken, maar gedurende de geheele reis had zij het voornemen naar haar huis.... haar dierbaar huis terug te keeren. Zoodra zij Engeland's grond onder de voeten had, richtte zij zich daarheen. Maar de vrees dat zij geen vergiffenis zou vinden, de vrees, dat men haar zou herkennen en nawijzen, de vrees dat wellicht een of meer van ons in dien tijd zouden gestorven zijn, deed haar bijna met geweld omkeeren. „Oom, oom!” zeide zij tegen mij, „de vrees dat ik niet meer waardig was te doen wat mijn verscheurd en bloedend hart zoo vurig verlangde te doen, was de ergste, die ik gekend heb. Ik keerde terug en bad God, dat ik naar den ouden drempel zou mogen kruipen om dien te kussen en er met het gezicht op te blijven liggen, den ganschen nacht dat men mij daar den volgenden morgen dood zou vinden!””
„Zij kwam,” vervolgde baas Peggotty met eene stem, die hoe langer hoe zachter werd alsof deze gedachte hem nog met ontzetting vervulde, „naar Londen. Zij, die Londen nooit had gezien..... zij kwam daar... alleen... zonder geld... jong... en mooi.... Nauwelijks had zij een voet in Londen gezet of zij vond zooals zij meende—eene vriendin; eene fatsoenlijk uitziende vrouw sprak haar aan en beloofde haar naaiwerk te zullen verschaffen, dat zij in voldoenden voorraad had; ook zou zij haar voor dien nacht huisvesting verleenen en den volgenden dag in het geheim onderzoek doen naar mij en naar haar oude tehuis. En toen mijn kind,” zei hij luid en met een gelaat, waarop niets dan innige dankbaarheid te lezen stond, „op den drempel stond van..... ik kan het niet noemen, het is erger dan ik kon zeggen of denken.... toen vervulde Martha hare belofte en redde haar!”
Ik kon een kreet van vreugde onmogelijk onderdrukken.