Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 75
Op een ander tijdstip zou mij dit tooneeltje vermaakt hebben, maar nu voelde ik dat wij allen in eene zekere angstige spanning verkeerden; bovendien moest ik mijnheer Micawber nauwlettend gadeslaan, want hij wankelde tusschen zijne gewone mededeelzaamheid en eene hem geheel vreemde neiging om niets aan het licht te brengen. Ik verlangde echter te weten wat hem zoo van streek had gebracht, zoodat ik in den letterlijken zin brandde van koortsachtig ongeduld. Traddles zat op de punt van zijn stoel met wijd geopende oogen en kaarsrecht opstaande haren nu eens naar den grond, dan weder naar mijnheer Micawber te staren, zonder zelfs eene poging te doen om een woord te spreken. En tante,—ik zag dat zij haar uiterste best deed om haar gast te doorgronden—toonde meer tegenwoordigheid van geest te bezitten dan een van ons allen, want zij hield hem bezig en noodzaakte hem te spreken of hij wilde of niet.
„Gij zijt al een heel oud vriend van mijn neef, nietwaar mijnheer Micawber?” vroeg zij. „Het spijt mij dat ik u vroeger nooit ontmoet heb.”
„Mevrouw”, antwoordde mijnheer Micawber, „ook ik zou gaarne de eer van uwe kennismaking eerder genoten hebben. Ik was niet altijd het wrak, dat gij thans voor uw ziet.”
„Ik hoop dat mevrouw Micawber en uwe familie wel zijn, mijnheer,” zei tante.
Mijnheer Micawber knikte toestemmend. „Zij zijn zoo wel, mevrouw,” zei hij na eene kleine pauze op een toon, die bijna wanhopend klonk, „zoo wel als ballingen en uitgeworpenen maar kunnen zijn of hopen kunnen te worden.”
„Groote Goedheid!” riep tante op hare gewone heftige wijze uit, „waar over spreekt gij toch, mijnheer?”
„Het voortbestaan van mijn familie mevrouw,” antwoordde mijnheer Micawber, „hangt aan een zijden draad. Mijn patroon...”
Mijnheer Micawber brak plotseling af en begon de citroenen te schillen, die voor hem waren neergezet met al de verdere ingrediënten benoodigd voor een punch.
„Uw patroon, nietwaar,” zei mijnheer Dick, terwijl hij hem aan den arm stiet om hem tot voortgaan uit te noodigen.
„Waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber, „ik ben u zeer verplicht, omdat gij mij eens wakker schudt.” Nogmaals schudden zij nu elkander de hand. „Mijn patroon, mevrouw—mijnheer Heep—heeft mij op zekeren dag de lieve opmerking toegevoegd, dat, indien ik het salaris niet meer ontving, aan mijne betrekking bij hem verbonden, ik als potsenmaker het land zou moeten doortrekken, als degenslikker of vuurvreter. Ook mag het waarschijnlijk genoemd worden dat mijn kinderen den kost zouden moeten helpen verdienen met het verwringen van hunne ledematen, terwijl mevrouw Micawber zou medewerken op een draaiorgel.”
Door een veelzeggenden zwaai met zijn mes gaf mijnheer Micawber te kennen dat eene dergelijke verandering in het leven van hem en zijne familie niet dan na zijn dood zou bewaarheid kunnen worden; daarna ging hij met een wanhopend gelaat voort de citroenen te schillen.
Tante leunde met haar elleboog op het kleine ronde tafeltje, dat naast haar stond, en keek mijnheer Micawber aandachtig aan. Niettegenstaande het mij tegen de borst stuitte om hem door overreding of list tot onthullingen te noodzaken, die hij misschien liever niet doen wilde, zou ik daartoe toch zijn overgegaan, indien ik hem niet zulke vreemde dingen had zien doen. Zoo merkte ik op dat hij de citroenen in den waterketel wierp, de suiker in het snuiterbakje, de rhum in eene ledige kan en dat hij in goeden geloove probeerde kokend water te schenken uit een kandelaar. Ik zag dat er een crisis op handen was en deze bleef dan ook niet uit. Hij wierp alles kletterend door en over elkander, haalde zijn zakdoek opnieuw te voorschijn en barstte in tranen uit.
„Beste Copperfield,” zei hij achter zijn zakdoek, „deze bezigheid vereischt evenals alle andere een onbenevelden blik en een zeker gevoel van eigenwaarde. Ik kan er van avond niet mede terecht. Het is mij onmogelijk.”
„Spreek toch onbewimpeld uit wat u hindert, mijnheer Micawber,” antwoordde ik. „Wij zijn onder vrienden.”
„Onder vrienden, mijnheer!” herhaalde hij en nu barstte alles, wat hij wellicht maandenlang had opgekropt, los. „Goede Hemel, juist omdat ik mij weder eens onder vrienden bevind, kan ik mij niet goed houden. Wat is er aan de hand, mijne heeren? Wat is er _niet_ aan de hand? Laagheid, bedrog en schurkerij, schelmsche komplotten, dat alles te zamen is er aan de hand en de bedrijver van al die snoodheid heet.... Heep!”
Tante sloeg de handen ineen en wij sprongen allen stom van verbazing op.
„De strijd is voorbij!” zei mijnheer Micawber, terwijl hij de heftigste gebaren maakte met zijn zakdoek en nu en dan met beide armen zwaaide, alsof hij zich door bovenmenschelijke moeilijkheden heenworstelde. „Ik kan zulk een leven niet langer volhouden. Ik ben een rampzalig wezen, beroofd van alles wat het leven dragelijk kan maken. Ik heb geleefd in dienst van een schelm, van een helschen pijniger. Geef mij mijne vrouw terug, geef mij mijne kinderen terug, stel den ouden Micawber in de plaats van den ellendeling, welke thans rondwandelt in de schoenen, welke ik aan mijne voeten heb, en roep mij morgen op om degens te verzwelgen en ik zal het doen. Ik zal het doen.... met ijver en lust!”
Nooit heb ik in mijn geheele leven iemand zoo opgewonden gezien. Ik deed mijn best hem tot kalmte te brengen ten einde verstandig met hem te spreken, maar zijne opgewondenheid nam met ieder oogenblik toe; hij wilde naar geen woorden luisteren.
„Ik geef geen eerlijk man weer een hand,” hernam hij, blazend en hijgend en snikkend, zoo hevig dat het scheen, alsof hij in het water lag te spartelen en op het punt was van te zinken, „eer ik die.... verfoeilijke.... slang.... dien Heep.... tot gruizels geslagen heb. Ik wil van niemand's gastvrijheid.... gebruik maken eer ik een Vesuvius.... heb doen uitbarsten.... over dien ellendigen booswicht... dien Heep! Elke verversching.... onder dit dak.... punch in de allereerste plaats.... zou mij in de keel blijven steken.... als ik niet eerst.... hé!... dien leugenaar.... dien afschuwelijken bedrieger.... dien Heep.... de oogen uit den kop heb doen puilen! Ik.... wil niemand kennen.... met niemand spreken.... nergens wonen.... eer ik dien godvergeten huichelaar.... dien meineedige.... dien Heep.... van de aarde heb doen.... verdwijnen!”
Ik was werkelijk bevreesd dat mijnheer Micawber op de plaats zou doodblijven. De wijze, waarop hij zich door al die afgebroken zinnen heen worstelde, de inspanning, die hem het uitspreken van den naam Heep kostte, zoodat het scheen, alsof hij er telkens met geweld op aanvloog—het was een ijzingwekkend tooneel; maar toen hij nu dampend en stoomend op een stoel nederviel met allerlei kleurschakeeringen op zijn gelaat, die daar niet op thuis behoorden, en hij het zoo benauwd kreeg, dat de zweetdroppelen op zijn voorhoofd parelden, toen meende ik zeker dat het einde nabij was. Ik wilde hem te hulp snellen, maar hij wenkte mij af en wilde niet naar mij luisteren.
„Neen, Copperfield! Raak mij niet aan.... voor juffrouw Wickfield.... vergoeding heeft voor het onrecht.... haar aangedaan.... door dien vervloekten schelm.... dien Heep!” Ik ben overtuigd, dat hij geen drie woorden zou hebben kunnen uitbrengen, indien de inspanning, die hem het laatste woord kostte, hem niet gedwongen had te spreken. „Onschendbaar geheim.... hé.... voor de geheele wereld.... hé.... zonder uitzondering... vandaag over een week.... bij het ontbijt.... allen tegenwoordig.... uwe tante ook.... hé.... en die buitengewoon vriendelijke heer ook.... hé.... in het hôtel te Canterbury.... waar mevrouw Micawber en ik Auld Lang Syne.... hebben gezongen.... en.... daar.... ontmaskeren dien veinzaard.... dien.... Heep!.... Niets meer te zeggen.... naar niets luisteren.... ga onmiddellijk heen.... niet in staat.... in gezelschap te zijn.... in het oog houden.... dien verdoemden ellendeling.... dien.... Heep!”
Na voor het laatst dit woord uitgesproken te hebben, dit tooverwoord, dat hem de kracht had gegeven om dit alles te zeggen, snelde mijnheer Micawber het huis uit. Wij bleven in zulk een opgewonden, wonderlijke stemming achter dat wij er weinig beter aan toe waren dan hij. Toch was ook nu nog zijn hartstocht voor het schrijven van brieven te groot om den lust daartoe te kunnen weerstaan; terwijl wij namelijk nog steeds in dezelfde stemming verkeerden, werd mij uit eene naburige herberg het navolgende briefje gebracht:
„Zeer vertrouwelijk.
Waarde Heer!
Ik verzoek u beleefd aan uwe hoogvereerde tante mijne verontschuldigingen aan te bieden voor mijne opgewondenheid. Eene uitbarsting van eene smeulende vulkaan was het gevolg van een innerlijken strijd, die gemakkelijker te begrijpen dan te beschrijven is.
Ik vertrouw duidelijk geweest te zijn in mijne oproeping van u allen te zamen, heden over acht dagen, in den vroegen morgen in het logement te Canterbury, waar mevrouw Micawber en ik eenmaal de eer hadden onze stemmen te mengen met de uwe in het onvergetelijk lied van den onsterfelijken kommies van de overzijde van de Tweed.
Na het vervullen van mijne plicht en na de schade, die ik heb helpen toebrengen, vergoed te hebben, zoodat ik mijne evenmenschen weder onder de oogen durf komen, zult gij nimmermeer van mij hooren. Dan zal mijn eenige wensch zijn te worden neergelegd, waar allen met onze voorvaderen vereenigd worden, met het eenvoudige opschrift:
Wilkins Micawber.”
L.
Baas Peggotty's droom wordt bewaarheid.
Na het tooneel aan den oever van de rivier waren nu ongeveer drie maanden voorbijgegaan. Ik had Martha niet meer gezien, maar baas Peggotty had haar meermalen gesproken. Hare ijverige nasporingen hadden nog tot niets geleid en ook uit hetgeen baas Peggotty mij vertelde kon ik niet opmaken, dat men eenig spoor van Emily had ontdekt. Ik beken dat ik begon te wanhopen aan hare terugkomst en al meer en meer tot het denkbeeld begon over te hellen, dat zij dood was.
Baas Peggotty's overtuiging bleef echter ongeschokt. Voor zoover ik weet—en zijn eerlijk hart lag geheel voor mij open—bleef hij vast overtuigd, dat hij haar eindelijk zou vinden. Zijn geduld geraakte nooit uitgeput, en hoewel ik voor hem opzag tegen het oogenblik, waarop het hem duidelijk zou worden dat zijne hoop op een zandgrond gebouwd was, lag aan die vastgewortelde overtuiging toch zulk een edele, godsdienstige gedachte ten grondslag dat ik hoe langer hoe meer achting voor hem begon te koesteren.
Hij bepaalde zich niet tot hopen en vertrouwen en.... nietsdoen. Hij was altijd een ijverig en werkzaam man geweest en wist dat hij in alle dingen, waarin hij hulp noodig had, dat gedeelte van de taak, dat aan hem zelven was toegewezen, getrouw en met ijver moest vervullen. Ik heb hem in den avond naar Yarmouth zien wandelen, omdat de vrees hem bekroop, dat door de eene of andere toevallige omstandigheid het licht niet voor het welbekende venster van de oude boot zou staan. Ik weet, dat hij in een der nieuwsbladen iets lezende, dat op haar betrekking kon hebben, zijn stok opnam en een tocht van twee of drie dagen ging ondernemen. Nadat ik hem verteld had wat ik bij juffrouw Dartle had vernomen, maakte hij over zee een reis naar Napels en terug. Al deze reizen deed hij zonder eenige vermoeienis te ontzien, want, zei hij, hij moest sparen tegen den tijd, dat Emily weder bij hem zou zijn. Nooit hoorde ik hem klagen over de vele teleurstellingen, die hij ondervond; nooit hoorde ik hem zeggen dat hij vermoeid was, nooit zag ik hem wankelmoedig.
Dora had hem nadat wij getrouwd waren meermalen ontmoet en hield veel van hem. Ik zie hem in mijne verbeelding nog bij hare sofa staan met zijn ruige muts in de hand, terwijl de blauwe kijkers van mijn kind-vrouwtje hem vol bewondering aanstaarden. Nu en dan kwam hij in het schemeruur een praatje maken en dan wandelden wij, een pijp rookende, in den tuin; in zulke oogenblikken kwam mij duidelijker dan ooit het beeld van zijn verlaten woning voor oogen en het waas van gezelligheid, dat er in vroeger dagen over was uitgespreid, wanneer het vuur brandde in den haard en de wind door de reten blies.
Op zekeren avond vertelde hij mij dat hij den vorigen dag Martha gesproken had; zij had hem bij zijne woning opgewacht en hem verzocht Londen niet te verlaten eer hij haar nogmaals zou hebben gesproken.
„Zeide zij niet waarom?” vroeg ik.
„Ik heb het haar wel gevraagd, mijnheer Davy,” antwoordde hij, „maar zij sprak zooals gewoonlijk slechts weinig en toen zij mijn woord had, ging zij onmiddellijk weer heen.”
„Heeft zij ook gezegd wanneer gij verwachten kondt haar terug te zien?” vroeg ik weder.
„Neen, mijnheer Davy,” zei hij, als in gepeins verzonken met de hand over zijn gelaat strijkend. „Ik heb haar dat ook gevraagd, maar dat was meer—zeide zij—dan zij kon beloven.”
Aangezien ik reeds sinds langen tijd had nagelaten zijne hoop, die naar mijne overtuiging aan een zijden draad hing, aan te wakkeren, gaf ik hierop geen ander bescheid dan dat ik de veronderstelling uitsprak dat zij wel spoedig zou komen. De verwachtingen, die ik koesterde, hield ik voor mij zelven, want die waren niet vele.
Ongeveer veertien dagen later wandelde ik op een avond alleen in den tuin. Ik herinner mij dien avond zeer goed, want het was de tweede dag in de week, die mijnheer Micawber ons in zulk eene spanning liet doorbrengen. Het had den geheelen dag geregend, zoodat het zeer vochtig in de lucht was. Bladeren en takken hingen zwaar neer van het water; maar het was nu droog, hoewel de lucht nog bewolkt was; de vogels zongen echter hun hoogste lied. Terwijl ik zoo den tuin op en neerwandelde begon de schemering in te vallen en staakten de vogels een voor een hun gezang; de eigenaardige stilte volgde, alleen bekend bij hen die buiten wonen, wanneer geen blad beweegt en niets gehoord wordt dan het tikken van de neervallende regendroppels.
Opzij van onze woning stond een klein priëeltje van latwerk in het groen; uit den tuin kon men door dit traliewerk op den weg zien. Terwijl ik zoo over allerlei dingen liep te peinzen, viel mijn oog toevallig daarheen en zag ik eene gedaante naderen in een regenmantel gehuld. Zij wenkte mij haastig tot zich.
„Martha!” zei ik, aan haar verzoek gevolg gevende.
„Kunt gij met mij meegaan?” vroeg zij op angstig fluisterenden toon. „Ik ben bij hem geweest maar hij was niet thuis. Ik heb een papier op zijne tafel achtergelaten, waarop ik geschreven heb waarheen hij zich moet begeven. Men heeft mij verteld dat hij niet lang zou uitblijven. Ik heb tijding voor hem. Kunt gij terstond met mij meegaan?”
Mijn antwoord was dat ik onmiddellijk het hek uitging. Zij maakte eene haastige beweging met de hand, alsof zij mij wilde verzoeken geduld te hebben en het stilzwijgen te bewaren, en liep terug in de richting van de stad, vanwaar zij, zooals duidelijk aan hare kleeding te zien was, te voet naar Highgate was gekomen.
Ik vroeg haar of wij naar de stad moesten en op haar toestemmend antwoord, hield ik een ledig rijtuig aan, dat juist voorbijreed, en stapten wij er in. Toen ik haar vroeg waarheen de koetsier ons brengen moest, antwoordde zij: „In de buurt bij Golden Square! Maar snel!” Daarna kroop zij in een hoekje weg, met eene bevende hand voor het gelaat, terwijl zij met de andere telkens eene beweging maakte, alsof zij het geluid eener stem niet verdragen kon.
Ik werd zeer onrustig en wist niet of ik hopen of vreezen moest; zoodat ik zeer verlangde naar eenige opheldering. Maar ziende hoe zeer zij verlangde niet lastig gevallen te worden, terwijl ik zelf daartoe ook de meeste neiging voelde, deed ik geen moeite om het stilzwijgen te verbreken. Zonder een woord te spreken reden wij voort.
Nu en dan keek zij uit het portierraam, alsof zij meende dat wij te langzaam vorderden, hoewel wij inderdaad hard reden; overigens bleef zij stilzitten.
Wij stapten uit bij een der ingangen tot het door haar genoemde pleintje, waar ik den koetsier gelastte te wachten, niet wetende of wij 't rijtuig nog noodig zouden hebben. Zij legde de hand op mijn arm en trok mij haastig mede naar een der donkere straatjes, waarvan er een aantal in deze buurt waren; terwijl de huizen, voorheen door menschen uit den deftigen stand bewoond, nu tot in den nok aan verschillende personen verhuurd waren. Zij ging de openstaande deur van een dezer huizen binnen en liet mijn arm los, terwijl zij mij te kennen gaf, dat ik haar de algemeene trap op zou volgen, die in onmiddellijke gemeenschap stond met de straat. Het huis wemelde letterlijk van bewoners. Toen wij naar boven gingen, werden verscheidene deuren geopend en hoofden naar buiten gestoken; terwijl wij op de trap allerlei menschen tegenkwamen, die naar beneden gingen. Vóór wij de woning binnentraden, had ik verscheidene vrouwen en kinderen over de bloempotten heen uit de ramen zien kijken; wij schenen hunne nieuwsgierigheid te hebben opgewekt, want deze zelfde hoofden zag ik nu buiten de deuren steken. Het was een trap met breede treden en zware leuning van eene doffe houtsoort; boven de deuren bevonden zich kroonlijsten met gebeeldhouwde voorstellingen van vruchten en bloemen, terwijl overal breede vensterbanken waren. Maar al deze sporen van vroegere grootheid waren op de ellendigste wijze in verval; ouderdom, vocht en dampen, die uit de benedenkamers opstegen, hadden den vloer doen verrotten, zoodat die op sommige plaatsen niet dan met levensgevaar te betreden was. Ik merkte op dat hier en daar een zwakke poging was gedaan om het geheel te schragen door het ouderwetsche houtwerk met nieuw hout van de gemeenste soort op te lappen; maar het deed mij denken aan een huwelijk van een armen edelman met eene vrouw uit het volk; het scheen echter dat beide partijen hunne mésalliance hadden ingezien en zoo ver mogelijk van elkander waren gegaan. Verscheidene vensters, die op de trap uitzagen, waren achter stof en spinnewebben verscholen of geheel dichtgemetseld. In de nog bestaande ontbrak het glas bijna geheel en tusschen de vermolmde kozijnen door, die schijnbaar alle bedorven lucht wel naar binnen, doch niet naar buiten lieten, zag ik door andere glaslooze vensters in andere dergelijke verwaarloosde huizen en van een bijna duizelingwekkende hoogte op eene even verwaarloosde binnenplaats, die tot vuilnisbergplaats scheen te dienen van de gezamenlijke bewoners.
Wij stegen tot op de bovenste verdieping. Twee of drie malen gedurende het klimmen meende ik bij het onzekere licht de omtrekken van een vrouwelijke gestalte te herkennen, die voor ons uitliep. Toen wij de laatste treden beklommen, die ons nog van den zolder scheidden, kregen wij die gestalte geheel te zien. Zij stond bij een deur, draaide den sleutel om en ging een kamertje binnen.
„Wat is dat?” zei Martha zacht. „Zij is mijn kamertje binnengegaan. Ik ken haar niet.”
Ik kende haar wel. Tot mijne groote verbazing had ik juffrouw Dartle herkend.
Ik vertelde haar dat het eene dame was, die ik vroeger wel eens ontmoet had, en was nauwelijks daarmede gereed of wij hoorden hare stem, ofschoon wij niet konden verstaan wat zij zeide. Martha bleef mij verbaasd aankijken en bracht mij zachtjes verder naar boven en daarna door een achterdeurtje dat niet gesloten scheen te kunnen worden, zoodat zij het met de hand open duwde, naar een soort vliering met een schuin dak—waarschijnlijk in vroeger dagen tot bergplaats gediend hebbende. Tusschen deze vliering en het kamertje dat zij het hare genoemd had, was eene deur, die half open stond. Hier bleven wij staan, geheel buiten adem van het klimmen, terwijl zij mij de hand op den mond legde. Ik kon alleen zien, dat de kamer vrij groot was, dat er een ledikant op stond en er eenige prenten aan den muur hingen, die schepen moesten voorstellen. Ik kon noch juffrouw Dartle, noch de persoon tot wie wij haar hadden hooren spreken, zien. Mijne geleidster kon dat evenmin, want ik stond nog voordeeliger in dat opzicht. Gedurende eenige oogenblikken heerschte daar binnen doodsche stilte, Martha hield de eene hand op mijn mond en hield de andere luisterend omhoog.
„Het doet er weinig toe, of zij thuis is of niet,” zei juffrouw Dartle op hoogen toon, „ik ken haar niet. Ik kwam alleen om u te zien.”
„Mij?” antwoordde eene zachte stem.
Toen ik die hoorde, voer mij eene rilling door de leden. Het was de stem van Emily!
„Ja,” hernam juffrouw Dartle, „ik ben gekomen om u te zien. Gij schaamt u immers niet over het gezichtje, dat zooveel onheil heeft gesticht?”
Het was alsof ik haar voor mij zag, zoo duidelijk herkende ik hare schelle stem en den kouden, scherpen, bitteren toon, waarop zij sprak. Ik zag de schitterende zwarte oogen en de door hartstocht verwrongen gestalte; ik zag ook het litteeken over hare lippen trillen en kloppen, terwijl zij sprak.
„Ik ben gekomen,” vervolgde zij, „om het liefje van James Steerforth te zien, het meisje, dat met hem wegliep en in hare geboorteplaats op aller tong is; het schaamtelooze, brutale liefje van iemand als James Steerforth. Ik moest weten hoe zoo'n schepsel er wel uitziet.” Ik hoorde een geritsel alsof het ongelukkige voorwerp van al deze smaadredenen naar de deur was gevlucht en dat de spreekster haar in den weg was gaan staan. Er volgde nu een oogenblik stilte. Toen juffrouw Dartle weder begon, hoorde men hoe zij tusschen hare opeengeklemde tanden door sprak en met den voet op den grond stampte.
„Blijf hier!” riep zij, „of ik zal uwe schande door het geheele huis en over de straat uitroepen. Als gij tracht mij te ontsnappen, haal ik u terug, al zou het ook bij de haren zijn! Ik zou u kunnen steenigen!”
Een angstig gemompel was alles dat ik kon opvangen. Er volgden weder eenige oogenblikken stilte. Ik wist niet wat ik doen moest. Hoe ik ook verlangde een einde te maken aan het onderhoud, begreep ik toch ook dat ik geen recht had om tusschen beiden te treden: dat baas Peggotty alleen haar daar kon bezoeken en haar daar vandaan moest halen. Zou hij dan nooit komen? dacht ik in mijn ongeduld.
„Zoo!” hernam Rosa Dartle met een schamperen lach, „eindelijk zie ik haar dan toch voor mij! Hij moet wel half krankzinnig zijn geweest om zich door zoo'n gemaakte zedigheid en zoo'n hangend hoofdje te laten inpalmen!”
„In 's Hemels naam, heb medelijden met mij!” riep Emily. „Wie gij ook zijn moogt, gij kent mijne ongelukkige geschiedenis; heb dus in 's Hemels naam medelijden met mij, indien gij wilt dat men u later ook medelijden toone!”
„Mij! Welke overeenkomst is er tusschen u en mij!” antwoordde juffrouw Dartle trotsch.
„Niets dan onze sexe,” zei Emily, in tranen uitbarstende.
„En daarop zou zulk een verachtelijk schepsel nog aanspraken doen gelden; integendeel, als het mogelijk was dat ik nog iets anders voor u voelde dan afschuw, zou dat gevoel daardoor uitgebluscht worden. Onze sexe! Ja, gij zijt wel een eerwaardig lid daarvan!”
„Ik heb deze verwijten verdiend,” riep Emily, „maar het is vreeselijk ze te moeten aanhooren! Bedenk toch wat ik geleden heb, hoe diep ik gevallen ben! O, Martha, kom terug! O, kom toch thuis!”
Juffrouw Dartle nam in een stoel plaats met het gezicht naar de deur en keek naar den vloer, alsof Emily daar voor haar in het stof kroop. Ik kon nu hare opgekrulde lip zien en de wreede uitdrukking in hare oogen, die met bitter welgevallen op één plek gevestigd bleven.
„Luister naar hetgeen ik u zeggen zal,” sprak zij, „en bewaar uwe valsche kunsten voor hen, die er de dupe van willen zijn. Meent gij mij met uwe tranen te kunnen roeren? Niet meer dan gij mij met uwe glimlachjes zoudt bekoren, verkochte slavin, die gij zijt!”
„O, heb toch medelijden met mij!” riep Emily. „Toon dat gij nog iets voor mij voelt of ik zal krankzinnig sterven.”
„Dat zou eene al te geringe boete zijn voor uwe misdaden,” riep juffrouw Dartle. „Weet gij wel wat gij hebt gedaan? Hebt gij wel ooit gedacht aan de familie, die gij ongelukkig gemaakt hebt?”