Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 74

Chapter 743,721 wordsPublic domain

„Neen, neen, ik meende het ook eigenlijk niet,” antwoordde Dora, „maar ik ben wat moe en als ik over Jip praat word ik altijd een beetje weekhartig, begrijpt u? Jip heeft zooveel met mij doorleefd, nietwaar Jip? Ik zou onmogelijk afstand van hem kunnen doen, nu hij wat ouder wordt.... zou ik wel, Jip?”

Jip nestelde zich op een warm plekje bij zijn meesteres en likte hare hand.

„Gij zijt nog niet zoo oud, nietwaar Jip, dat gij uw meesteresje nu al alleen zoudt laten!” sprak Dora. „Wij houden elkaar nog wat gezelschap, is 't niet?”

Innig geliefde Dora. Toen zij den volgenden Zondag beneden kwam om te eten en zoo blijde was onzen ouden Traddles weer te zien—Traddles gebruikte elken Zondag bij ons het middagmaal—meenden wij dat zij wel spoedig weer door den tuin zou rennen met haar lieveling. Maar het was: wacht nog een paar dagen, en toen deze voorbij waren, was het nogmaals: wacht nog een paar dagen, en zoo voort. Zij was allerbekoorlijkst en zoo vroolijk als ooit, maar de voetjes, die zoo vlug om Jip heen huppelden, kwamen niet meer in den tuin. Ik begon haar 's morgens en 's avonds de trap af en op te dragen en dan sloeg zij de armen om mijn hals en lachte, alsof ik het deed om eene weddenschap te winnen. En Jip blafte en sprong om ons heen en liep vooruit en keek op het portaal hijgend achterom, vreezende, dat wij hem niet volgden. En tante, de zorgvuldigste en vroolijkste ziekenoppaster, die ik ooit heb ontmoet, volgde ons met kussens en doeken.

Mijnheer Dick zou zijn betrekking als lantaarndrager aan niemand hebben willen afstaan en Traddles stond meermalen aan de trap ons op te wachten en ontving dan allerlei grappige boodschappen van Dora voor het liefste meisje van de wereld. Zoo maakten wij er bijna een vroolijken optocht van en mijn kind-vrouwtje was de vroolijkste van allen.

Maar, somtijds, als ik haar opnam en voelde, dat zij al lichter en lichter werd, overviel mij een kille huivering, alsof ik eene onbekende ijsvlakte naderde en het bloed in mijne aderen stolde. Ik durfde aan dit gevoel geen naam geven of er met iemand ter wereld over spreken; totdat ik op zekeren avond, toen ik er geheel mede vervuld was en tante met een „Goeden nacht, Klein Bloesempje” afscheid had genomen, alleen aan de schrijftafel bleef zitten schreien, denkende welk een vreeselijke naam dat gevoel had en hoe de bloesem, nog eer zij geheel ontloken was, reeds verwelkte.

XLIX.

Geheimenissen.

Op zekeren morgen ontving ik over de post den volgenden brief uit Canterbury aan mijn adres in Doctors' Commons en ik las dien met verbazing. Hij luidde:

„Waarde Heer!

Omstandigheden buiten mijn wil hebben gedurende langen tijd aanleiding gegeven tot een intermezzo in onzen vriendschappelijken omgang, waarvan de herinnering, telkens wanneer mijne beroepsbezigheden mij den tijd gunden, om het verleden in mijn geheugen terug te roepen, de aangenaamste gewaarwordingen bij mij opwekte en steeds bij mij opwekken zal. Deze omstandigheid, geachte heer, gevoegd bij de onderscheiding, welke aan uwe niet genoeg te prijzen talenten is ten deel gevallen, belet mij zoo vermetel te zijn.... kortom, de vrijheid te nemen den metgezel uit vroeger dagen met den gemeenzamen naam van Copperfield toe te spreken! Het is voldoende te weten dat de naam van den persoon, tot wien ik de eer heb mij thans te richten, in de oorkonden van ons huis is bewaard—ik bedoel hiermede in de archieven van onze vroegere huurders, welke mevrouw Micawber onder hare hoede heeft genomen—dat wij ons dien naam niet alleen met gevoelens van ware achting maar ook met warme genegenheid herinneren.

Het past niet aan iemand, die ten gevolge van vroegere misslagen en van een toevalligen samenloop van omstandigheden het best te vergelijken is met eene gestrande bark—ik weet niet of het hem zelfs wel past zulk een zeeterm op zich zelven toe te passen—aan iemand, die thans de pen opneemt om aan u te schrijven.... ik weet niet of het zoo iemand wel past, herhaal ik, een gemeenzamen toon aan te nemen. Indien echter uwe meer belangrijke bezigheden u toestaan deze onvolmaakte letteren te ontcijferen—hetgeen de omstandigheden zullen moeten beslissen—zult gij natuurlijk vragen wat de aanleiding zijn kan tot dit schrijven. Vergun mij u te zeggen, dat ik het redelijke van deze vraag volkomen begrijp en voortga met eene uitvoerige beantwoording, echter voorop stellende, dat er geen onderwerp van finantiëelen aard aan ten grondslag ligt.

Zonder mij zelven een zeker verborgen talent toe te schrijven—hoewel het mogelijk is, dat ik het bezit—om den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen, mag ik mij wel veroorloven in het voorbijgaan te doen opmerken, dat mijne schoonste droomen voor altijd vervlogen zijn.... dat mijne vrede is verstoord en mijne vatbaarheid voor genot is uitgebluscht.... dat mijn hart niet langer op de rechte plaats is.... dat ik niet meer met opgerichten hoofde voor mijne medemenschen kan verschijnen. De bloem is geknakt. De beker is tot den rand gevuld met bitterheid, de worm knaagt en zal spoedig zijn slachtoffer verteerd hebben. Hoe eer, hoe beter. Maar ik wil niet uitweiden.

Onder den druk van smartelijke ervaringen, waarop zelfs de verzachtende invloed van mevrouw Micawber geen uitwerking heeft, niettegenstaande zij die uitoefent in haar drieledig karakter van vrouw, echtgenoote en moeder, is het plan in mij opgekomen gedurende een kort tijdsbestek aan mij zelven te ontvluchten en gedurende achtenveertig uren een bezoek te brengen aan Engelands hoofdstad, ten einde mij te verpoozen bij eenige genietingen uit vroeger dagen. Onder meerdere vredige havens zullen mijne schreden zich natuurlijk ook wenden naar King's Bench. Vermeldende dat ik—Deo Voluntas—mij overmorgenavond te 7 uren precies bevinden zal aan de buitenzijde van den zuidelijken muur van voormeld gebouw, is het eigenlijk doel van dit schrijven bereikt.

Ik wil niet zoo vermetel zijn mijn voormaligen vriend, den heer Copperfield, of mijn voormaligen vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple—indien deze nog in leven is—te verzoeken mij aldaar te komen begroeten en—voor zoover dat mogelijk is—de betrekkingen uit vroeger dagen weder aan te knoopen. Ik bepaal mij tot de kennisgeving, dat op het aangegeven uur op genoemde plaats zullen te vinden zijn de overblijfselen van

_Een gevallen toren._ WILKINS MICAWBER.

P.S. Het is wellicht raadzaam hieraan toe te voegen, dat mevrouw Micawber omtrent bovengenoemd voornemen _niet_ in vertrouwen is genomen.”

Ik las den brief eenige malen over. Hoewel ik mijnheer Micawber's gezwollen stijl zoowel als zijne gewoonte om over de eenvoudigste onderwerpen in zijne brieven breedvoerig uit te weiden, kende, vermoedde ik toch op den bodem van dit omslachtig epistel meer dan eene gewone „ongelegenheid.” Ik peinsde er over na, las den brief nog eens en nog eens over, en maakte allerlei onderstellingen, toen plotseling Traddles voor mij stond.

„Beste kerel,” zei ik, „gij komt juist van pas, om mij met uw helder oordeel bij te staan. Ik heb een hoogst zonderlingen brief ontvangen van mijnheer Micawber, Traddles.”

„Wat zegt gij!” riep Traddles. „Dat meent gij immers niet! Ik heb er een van mevrouw Micawber ontvangen!”

Dit zeggende haalde Traddles, die een kleur had van de wandeling en wiens haren van verbazing overeind stonden, alsof hij zooeven een levend spook had gezien, den bewusten brief te voorschijn en ruilde dien met den mijnen. Ik bespiedde zijn gelaat tot hij in het midden van mijnheer Micawber's brief was gekomen, en beantwoordde toen zijn verbaasden blik, waarmee hij uitriep: „‚den bliksemschicht te zwaaien of een verterend vuur op iemands hoofd te doen neerdalen’. Goede Hemel, Copperfield! Wat moet dat beduiden!” Daarna ging ik over tot de lezing van mevrouw Micawber's schrijven. Dit luidde aldus:

„Mijne hartelijke groeten aan mijnheer Thomas Traddles, en indien hij zich nog iemand wil herinneren, die zich in vroeger dagen tot zijne goede kennissen mocht rekenen, verzoek ik gedurende eenige oogenblikken zijne aandacht.

Ik verzeker mijnheer Th. T. dat ik van zijne goedheid geen misbruik zou durven maken, indien ik niet der wanhoop bijna ten prooi ware.

Hoe hartverscheurend het ook voor mij is, ik ben verplicht mede te deelen dat de aanleiding tot dit schrijven gelegen is in de vervreemding, welke mijnheer Micawber in den laatsten tijd aan den dag legt ten opzichte van zijne vrouw en kinderen. Mijnheer Traddles kan zich geen voorstelling maken van de verandering, welke in den vroeger zoo huislijken mijnheer Micawber heeft plaats gegrepen, noch van zijne opvliegendheid en zijne woestheid. Zoozeer zijn die toegenomen dat ik niet kan nalaten aan verstandsverbijstering te gelooven. Ik kan mijnheer Traddles verzekeren dat er geen dag voorbijgaat zonder eene of meer uitbarstingen. Mijnheer T. zal niet verlangen dat ik mijne gewaarwordingen schets wanneer ik hem meedeel, dat ik er aan gewoon ben geworden mijnheer Micawber te hooren verzekeren dat hij zich aan den D.... verkocht heeft. Geheimzinnigheid en achterhoudendheid zijn de meest in het oog loopende trekken van zijn karakter, van hem, die vroeger zoo mededeelzaam was en een onbeperkt vertrouwen stelde in mij, zijne echtgenoote. De geringste aanleiding, zelfs de vraag wat hij verlangt te eten, noopt hem over echtscheiding te spreken. Gisterenavond nog deed de onschuldige vraag om twee stuivers voor citroenballetjes—eene snoeperij, die hier te bekomen is—hem een oestermes opnemen tegen de tweelingen!

Ik verzoek mijnheer Traddles mij te verontschuldigen omdat ik in zulke bijzonderheden afdaal. Zonder deze zou mijnheer Traddles zich moeielijk eene voorstelling kunnen maken van den hartverscheurenden toestand, waarin ik mij bevind.

Mag ik het nu wagen mijnheer T. de aanleiding tot dit schrijven toe te vertrouwen? Wil hij mij nu vergunnen zijne vriendelijke belangstelling in te roepen? O, ja, daarvoor ken ik hem te goed!

Eene liefhebbende vrouw ziet scherp, mijnheer T. Mijnheer Micawber gaat naar Londen. Hoewel hij met opzet zijne hand verborgen hield, toen hij heden morgen voor het ontbijt het adres schreef voor het bruine valiesje, dat mij aan gelukkiger dagen herinnerde, ontwaarde de arendsblik der beangstigde vrouw en moeder duidelijk het schrijven van de letters D, O, N. De diligence van hier op Londen houdt stil aan de herberg Het Gouden Kruis in West-End. Mag ik mijnheer Traddles smeeken mijn verdoolden echtgenoot daar op te zoeken en te trachten hem tot rede te brengen? Mag ik mijnheer T. verzoeken te trachten mijnheer Micawber met zijn diepbedroefde familie te hereenigen? O, het is te veel! Ik vraag u te veel, dat weet ik!

Mocht mijnheer Copperfield zich iemand herinneren, wier naam nog niet met roem is beladen, wil mijnheer T. dan op zich nemen hem mijne onveranderlijke achting te betuigen en hem hetzelfde verzoek overbrengen? In elk geval zal mijnheer T. zoo welwillend zijn deze mededeelingen stipt geheim te houden en er onder geen voorwendsel iets van aan mijnheer Micawber te laten blijken. Mocht mijnheer T. dit schrijven willen beantwoorden,—hetgeen ik echter niet anders dan hoogst onwaarschijnlijk kan achten—dan is het adres: aan M. E. _poste restante_ Canterbury. Aldus zou zijne goedheid minder pijnlijke gevolgen na zich slepen dan een brief aan het adres van

Mijnheer Traddles' diepbedroefde vriendin EMMA MICAWBER.”

„Wat is uw oordeel over dezen brief?” vroeg Traddles, nadat ik dien twee malen gelezen had.

„Wat is uw oordeel over den anderen?” vroeg ik. Hij zat nog met gefronste wenkbrauwen te lezen.

„Ik ben van meening, Copperfield,” antwoordde Traddles, „dat deze twee brieven meer te kennen geven dan mijnheer en mevrouw Micawber gewoon zijn in hunne brieven te kennen te geven—maar ik weet niet wat. Ze zijn beiden te goeder trouw geschreven, daaraan twijfel ik geen oogenblik. Het is geen doorgestoken kaart. Arme vrouw!” Hij had nu het oog op mevrouw Micawber's brief en wij stonden naast elkander en vergeleken ze met elkaar. „In elk geval eischt de menschlievendheid dat wij haar antwoorden, om haar te vertellen dat wij zonder twijfel mijnheer Micawber zullen opzoeken.”

Ik stemde hierin te gereedelijker toe omdat ik eenige wroeging begon te gevoelen. Ik had haar vorigen brief wel wat al te luchtig behandeld. Zooals ik ook heb meegedeeld, had ik lang over dien brief nagedacht, maar mijn eigen zorgen, mijn drukke bezigheden, de ondervinding, die ik omtrent de familie had opgedaan, hadden mij, toen ik verder niets meer hoorde, de geheele zaak doen vergeten. Ik had dikwijls aan de familie Micawber gedacht, voornamelijk om mij te verbazen over de „finantiëele verplichtingen,” die zij nu weder te Canterbury konden hebben aangegaan, en om mij te herinneren hoe omzichtig mijnheer Micawber in zijne woorden geworden was nadat hij klerk was van Uriah Heep.

Ditmaal echter schreef ik uit ons beider naam een geruststellenden brief aan mevrouw Micawber en wij teekenden dien beiden. Terwijl wij stadwaarts gingen om dien brief op de post te bezorgen, hadden Traddles en ik veel met elkander te bespreken en verdiepten wij ons in bespiegelingen, die ik hier niet behoef te herhalen. 's Namiddags hielden wij raad, met tante als derde persoon, maar het eenige besluit, waartoe wij konden komen, was dat wij mijnheer Micawber's uitnoodiging zouden aannemen en niet zouden verzuimen op het bepaalde uur op de aangegeven plaats tegenwoordig te zijn.

Een kwartier voor het door mijnheer Micawber genoemde tijdstip waren wij reeds daar en daar stond hij al, met de armen over elkander, naar de scheurbroeken op den muur te kijken, alsof hij naar de takken der boomen keek, waaronder hij in zijne jeugd had gespeeld.

Toen wij hem aanspraken, was hij een weinig verlegen en niet zoo overdreven in zijne beleefdheidsbetuigingen als vroeger. Hij had het deftige zwarte pak voor deze gelegenheid afgelegd en droeg de oude jas en spanbroek, maar niet met den ouden zwier. Terwijl wij met hem praatten, werd hij echter meer en meer de oude; maar toch scheen zelfs zijn lorgnet niet zoo ongedwongen te hangen als vroeger en zijn overhemd, hoewel nog van eene verbazingwekkende afmeting, was min of meer slap.

„Mijne heeren!” zei hij na de eerste begroeting, „gij zijt vrienden in den nood en dus ware vrienden. Vergunt mij allereerst naar de gezondheid te informeeren van mevrouw Copperfield en van de aanstaande mevrouw Traddles—ik meen ten minste, dat mijnheer Traddles nog niet voor het leven met het voorwerp van zijne genegenheid verbonden is.”

Wij betuigden onze erkentelijkheid en daarop keek hij weder naar den muur en begon: „Ik verzeker u, mijne heeren,” waarop ik eenige bezwaren inbracht tegen den ceremonieelen toon, dien hij aannam, en hem verzocht onze vroegere gemeenzame wijze van omgang te hervatten.

„Beste Copperfield,” antwoordde hij, mijne hand drukkende, „uwe hartelijkheid treft mij diep. Zulk een ontvangst van de brokstukken eens tempels, die eenmaal Man heette—indien het mij vergund is mij zoo uit te drukken—verraadt een edel hart. Ik was voornemens uwe aandacht nog eens te vestigen op dat eerwaardig gebouw, waar ik eenige van de gelukkigste uren mijns levens gesleten heb.”

„Door mevrouw Micawber's bijzijn, zonder twijfel? Hoe maakt mevrouw Micawber het?” vroeg ik.

„Dank u,” antwoordde hij met een eenigszins betrokken gezicht, „zij maakt het maar zoo zoo. En dit,” vervolgde hij verdrietig het hoofd schuddende, „dit is King's Bench! King's Bench, waar mij voor het eerst na vele jaren de stemmen van de schuldeischers, die mijn gang vulden, met rust lieten; waar ik niet dagelijks herinnerd werd aan den overstelpenden vloed van finantiëele verbintenissen, te kwader ure aangegaan, waar de klopper op de deur niet sleet van de handen der schuldeischers; waar men geen oproepingen ontving om zelf te verschijnen en waar de dagvaardingen aan het hek werden opgehangen! O, zalige tijd! Mijne heeren!” vervolgde hij, „ik heb mijn kinderen kruip door, sluip door zien spelen in de schaduw van het ijzeren gevaarte, dat gij daar boven op die steenmassa ziet. Ik kende elken steen van het reusachtig gebouw. Vergeef het mij daarom als ik mij eens door mijne herinneringen laat meeslepen.”

„Wij zijn sinds dien tijd allen vooruitgegaan in het leven, mijnheer Micawber,” zei ik.

„Mijnheer Copperfield,” antwoordde hij op bitteren toon, „toen ik een bewoner was van dit gebouw kon ik mijn evenmensch in het aangezicht zien en hem neersmakken als hij mij beleedigde. Mijn evenmensch en ik leven thans niet meer op dien benijdenswaardigen voet!”

In neerslachtige stemming keerde mijnheer Micawber het gebouw den rug toe, nam van ons beiden een arm aan en wandelde tusschen ons heen.

„Daar zijn op den weg naar het graf somtijds merkpalen, die men, als die wensch niet zondig ware, liever niet zou voorbij komen,” zei mijnheer Micawber achteromkijkende. „Zulk een merkpaal is voor mij deze gevangenis.”

„Gij zijt in een droefgeestige stemming, mijnheer Micawber,” zei Traddles.

„Dat ben ik, mijnheer.”

„Ik hoop toch,” hernam Traddles, „dat gij geen tegenzin gekregen hebt in de rechterlijke loopbaan. Ik ben zelf ook in de rechten, begrijpt gij.”

Mijnheer Micawber antwoordde niets.

„Hoe maakt het onze vriend Heep, mijnheer Micawber?” vroeg ik na eenigen tijd gezwegen te hebben.

„Beste Copperfield,” antwoordde mijnheer Micawber—hij was bleek geworden en blijkbaar hevig ontroerd—„indien gij over mijn patroon spreekt als _uw_ vriend, zou mij dat spijten; spreekt gij over hem als _mijn_ vriend, dan kan ik uwe vraag slechts met een sardonisch lachje beantwoorden. In welken zin gij ook naar mijn patroon vraagt, vergun mij mijn antwoord tot het navolgende te beperken: wat hij overigens ook moge zijn, hij is een listige vos, een duivel. Gij zult mij wel veroorloven als particulier persoon niet verder uit te weiden over een onderwerp, dat mij in mijne betrekking bijna tot wanhoop heeft gebracht.”

Ik betuigde hem mijn leedwezen omdat ik zonder het te vermoeden een onderwerp had aangeroerd, dat hem zoo van streek bracht. „Mag ik u vragen,” zei ik, hopende niet nogmaals denzelfden misslag te begaan, „hoe mijne oude vrienden, mijnheer en juffrouw Wickfield het maken?”

„Juffrouw Wickfield,” antwoordde mijnheer Micawber, nu met eene hevige kleur, „is als altijd een waardig voorbeeld voor iedereen. Zij is het zonnetje in het sombere huis, mijnheer Copperfield. Mijne achting voor dat jonge meisje, mijne bewondering van haar karakter, mijne bewondering van haar liefde en trouw en goedheid.... och, laat ons nog een straatje omloopen, want waarlijk ik ben in een toestand....”

Wij gingen een nauw straatje met hem in, waar hij zijn zakdoek te voorschijn haalde en met den rug tegen een muur ging staan. Als ik hem even ernstig heb aangekeken als Traddles, dan moet hij ons gezelschap niet opwekkend hebben gevonden.

„Het is nu eenmaal mijn lot,” hernam mijnheer Micawber, zonder eenige veinzerij luid snikkende, hoewel zijn oude zucht om alles eenigszins gemaakt te doen ook hierbij uitkwam, „het is nu eenmaal mijn lot, mijne heeren, dat ik mijne aandoening niet meester kan blijven. Mijn lof op juffrouw Wickfield is als een bundel pijlen in mijn eigen hart. Gij hadt beter gedaan mij als een vagebond over het aardrijk te laten zwerven. De wormen zouden spoedig hunne taak aan mij volbracht hebben.”

Zonder verder naar zijne ontboezemingen te luisteren, bleven wij bij hem staan tot hij zijn zakdoek had weggeborgen, zijn overhemd recht getrokken en, ten einde mogelijke toeschouwers te misleiden, een deuntje had gefloten met den hoed op één oor. Niet wetende wat van hem worden zou, indien wij hem thans uit het oog verloren, deelde ik hem mede, dat het mij een groot genoegen zou zijn hem aan mijne tante voor te stellen, indien hij wilde meerijden naar Highgate, waar hij tevens logies zou kunnen vinden.

„Gij moogt ons eigenhandig een glas punch bereiden, mijnheer Micawber,” zei ik; „vergeet dus alles wat u in een minder aangename stemming zou kunnen brengen.”

„Tenzij het u eenige verlichting zou kunnen schenken om het een en ander aan uwe vrienden mede te deelen,” voegde Traddles er voorzichtigheidshalve bij.

„Mijne heeren,” zei mijnheer Micawber, „doe met mij zooals gij goedvindt. Ik ben als een strootje op den Oceaan, ten prooi aan de elementen!”

Nogmaals gingen wij arm in arm op weg, vonden de diligence gereed staan en kwamen zonder eenige meldenswaardige ontmoeting te Highgate aan. Ik kon het niet met mij zelven eens worden over hetgeen wij nu zouden bepraten of doen en Traddles wist dit blijkbaar ook niet. Mijnheer Micawber had bijna voortdurend zitten peinzen. Nu en dan trok hij zijn overhemd of zijn boorden eens recht of floot hij het begin van een of ander wijsje, maar toch scheen zijne neerslachtigheid in dezelfde mate toe te nemen als zijn hoed meer naar ééne zijde overhelde en zijn boorden hooger werden getrokken.

Aangezien Dora niet wel was ging ik liever met hem naar tante's huis dan naar het mijne. Zoodra ik tante geroepen had, kwam zij beneden en heette mijnheer Micawber hartelijk welkom. Mijnheer Micawber kuste haar hoffelijk de hand, ging naar het venster, haalde opnieuw zijn zakdoek te voorschijn en scheen weder een hevigen strijd met zichzelven te voeren.

Mijnheer Dick was thuis. Hij had altijd zooveel medelijden met iemand, die zich niet op zijn gemak voelde, en begreep dat altijd zoo vlug, dat hij ook nu weder mijnheer Micawber minstens tien malen de hand schudde in vijf minuten. Mijnheer Micawber was zoo getroffen door deze warme belangstelling van een vreemde, dat hij bij elken nieuwen aanval van mijnheer Dick niets anders kon uitroepen dan: „'t Is te veel, mijnheer! 't Is te veel, mijnheer!” Mijnheer Dick werd daardoor echter nog meer aangemoedigd en ging met verdubbelden ijver met zijne vriendschapsbetuigingen voort.

„De vriendelijkheid van dezen heer,” zei mijnheer Micawber tegen tante, „zou mij van de beenen gooien, om een woord te gebruiken uit de spraakkunst van onze wel wat ruwe nationale lichaamsoefeningen, hetgeen gij mij wel niet euvel zult duiden. Voor een man, die gebukt gaat onder een zwaren last van onrust en ongelegenheden is zulk eene ontvangst zeer treffend, dat verzeker ik u.”

„Mijn vriend, mijnheer Dick,” antwoordde tante, „is geen gewoon mensch.”

„Daarvan ben ik overtuigd,” zei mijnheer Micawber. „Mijn waarde heer!”—mijnheer Dick had nogmaals zijne hand gevat—„ik ben zeer gevoelig voor uwe hartelijke ontvangst.”

„Hoe gaat het u?” vroeg mijnheer Dick met een angstig gezicht.

„Zoo tamelijk, waarde heer,” antwoordde mijnheer Micawber met een zucht.

„Gij moet maar moed houden,” zei mijnheer Dick, „en het u zoo gemakkelijk mogelijk maken.”

Mijnheer Micawber was door deze hartelijke toespraak diep getroffen, vooral toen hij de hand van mijnheer Dick weder in de zijne voelde. „Ik heb het geluk gehad in het afwisselende panorama van mijn leven nu en dan eene oase te vinden, maar nooit eene zoo groen, zoo welig als deze!”