Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 73

Chapter 734,190 wordsPublic domain

Ik was nu ongeveer anderhalf jaar getrouwd, indien mijn geheugen mij niet bedriegt. Wij hadden na tallooze vergeefsche pogingen afgezien van het voeren van een eigen huishouding en hielden een huisknecht om ons te bedienen. De voornaamste bezigheid van dit jongmensch was te kijven met de keukenmeid; in dit opzicht was hij een volmaakte Whittington, hoewel zonder kat en zonder eenige kans om ooit Lord-Mayor te worden. Als ik aan hem terugdenk zie ik hem altijd voor mij in een hagel van sauspannetjes. Zijn geheele leven scheen één vuistgevecht. Op de meest ongelegen tijdstippen—bijvoorbeeld, als wij een dinertje of des avonds eenige vrienden bij ons hadden—gilde hij om hulp en kwam dan gewoonlijk de keuken uitstuiven met een hagel van de meestongelijksoortige projectielen achter zich aan. Wij zouden hem gaarne zijn congé hebben gegeven, maar hij scheen bijzonder aan ons gehecht te zijn en wilde niet weg. Telkens wanneer dit onderwerp ter sprake kwam, barstte hij in een stroom van tranen uit, zoodat wij bijna genoodzaakt waren hem te houden. Hij had geen moeder meer, zelfs geen andere bloedverwanten—voor zoover ik kon ontdekken—dan eene zuster, die de wijk had genomen naar Amerika, zoodra wij haar van hem verlost hadden; wij waren dus in den waren zin van het woord met hem opgescheept. Hij had een levendig besef van zijn ongelukkigen toestand en stond gewoonlijk zijne oogen af te vegen met de mouw van zijn buis of in gebukte houding zijn neus te snuiten in het uiterste puntje van een klein zakdoekje, dat hij nooit geheel uit zijn zak haalde alsof in de andere punt een geheim verborgen was.

Deze vermaledeide knecht, die wij ter kwade ure tegen een salaris van zes pond en tien shillings per jaar in onzen dienst hadden genomen, was ons een bron van voortdurende kwelling. Ik zag hem dagelijks grooter worden—hij groeide als pronkboonen—en wachtte met een angstig gevoel den tijd af, dat hij zich zou beginnen te scheren, ja zelfs het tijdstip, dat hij kaal of grijs zou zijn. Ik wist niet hoe ik hem ooit zou kunnen kwijt raken en stelde mij al voor welk een lastpost hij zou zijn, wanneer hij eenmaal oud begon te worden. Het is dus niet te verwonderen, dat de ongelukkige wijze, waarop hij mij zelf uit deze moeielijkheid verloste, geheel onverwacht kwam. Hij stal Dora's horloge, dat evenmin als iets wat ons toebehoorende, een vaste plaats had, maakte het te gelde en besteedde de opbrengst—hij had nooit blijk gegeven van veel gezond verstand—aan tochtjes van Londen naar Uxbridge vice versa boven op den omnibus. Indien ik mij goed herinner, werd hij bij gelegenheid van zijn vijftienden rit, in Bow-street opgepakt; hij was toen nog in het bezit van vier shillings en zes stuivers en eene fluit, die hij uit de tweede hand had gekocht, doch waarop hij niet spelen kon.

Deze verrassing en hare gevolgen zouden zonder twijfel veel minder onaangenaam zijn geweest, als hij niet zooveel berouw had getoond. Hij was echter zeer berouwvol en wel op eigenaardige wijze—niet in eens, maar nu en dan. Zoo deed hij den dag nadat ik opgeroepen was geworden om getuigenis af te leggen, bekentenissen aangaande een mand in onzen kelder, die, naar wij meenden, vol wijn was en niets bevatte dan ledige flesschen en kurken. Wij leefden voort in de hoop, dat hij nu zijne ziel geheel had ontlast en het ergste had verteld wat hij van de keukenmeid wist, maar een paar dagen later scheen zijn geweten opnieuw te knagen en bracht hij aan het licht dat zij een klein meisje had, dat elken morgen ons brood kwam weghalen, en hoe hij zelf den melkboer geregeld met steenkolen betaald en het geld voor de melk in den zak gehouden had. Eenige dagen later ontving ik van de rechtbank het bericht dat er volgens zijne bekentenissen ossenribben in de keukenkast en tafellakens in de voddenmand moesten verborgen zijn. Nog eenigen tijd later sloeg hij eene geheel nieuwe richting in door zijne bekendheid mede te deelen met een plan om in onze woning in te breken. De hoofdaanlegger, een jongen uit eene herberg in onze buurt, werd daarop onmiddellijk in hechtenis genomen. Ik schaamde mij diep omdat ik het slachtoffer was geweest van zooveel oplichterijen en zou hem gaarne eenig geld hebben gegeven als hij zijn tong maar in bedwang wist te houden, of den een of ander hebben willen omkoopen om hem in de gelegenheid te stellen het hazenpad te kiezen. Het ergste van alles was, dat hij meende mij met elke bekentenis een dienst te bewijzen en daardoor eenige vergoeding te schenken voor hetgeen hij zelf bij mij misdreven had.

Eindelijk liep ik zelfs weg, wanneer ik een afgezant van de politie zag aankomen met eene nieuwe ontdekking, en hield ik mij zooveel mogelijk schuil tot men hem goed en wel gedeporteerd had. Maar ook in het vreemde land kon hij geen rust vinden en ons niet met rust laten; hij schreef telkens brieven en eer hij vertrok verzocht hij zoo dringend Dora nog eens te zien, dat zij niet kon nalaten aan zijn verzoek gevolg te geven en eene flauwte kreeg, toen de deur van de cel achter haar gesloten werd. Kortom ik had geen rust voor hij het vaderland achter den rug had en zich ergens—ik weet volstrekt niet in welk land—als schaapherder had verhuurd.

Alles te zamen stemde mij tot ernstig nadenken en deed mij inzien dat wij op een verkeerden weg waren; ik kon dan ook niet nalaten Dora op zekeren avond, toen wij met ons beiden alleen waren, en niettegenstaande mijne innige liefde voor haar, deelgenoot te maken van mijne overpeinzingen.

„Lieveling,” zei ik, „ik vond het hoogst onaangenaam, pijnlijk zelfs, dat ons gemis aan orde en onze geringe kennis van het huishouden, nu wij zelve er aan gewend zijn, anderen nadeel berokkent.”

„Gij hebt lang gezwegen; gaat gij mij nu weer beknorren?” vroeg Dora.

„Neen, lieveling, waarlijk niet! Laat ik u maar eens uitleggen wat ik bedoel.”

„Mij dunkt, dat ik het niet behoef te weten,” zei Dora.

„Maar ik acht het noodig dat gij 't weet, beste; zet Jip nu eens op den grond.”

Dora duwde Jip's neus tegen den mijne en zei „Boe!” ten einde mijne ernstige stemming te verjagen; maar toen zij daarin niet slaagde, joeg zij Jip naar zijne pagode en bleef mij met gevouwen handen in stille berusting aankijken.

„De zaak is, lieveling,” begon ik, „dat wij de een of andere smetstof bij ons hebben en allen, die met ons in aanraking komen, aansteken.”

Ik zou waarschijnlijk zijn voortgegaan in dezen figuurlijken zin, indien Dora's gezichtje mij niet verraden had dat zij een of ander geneesmiddel of eene nieuwe wijze van vaccine van mij scheen te verwachten om deze kwaal in ons te dooden. Ik besloot dus recht op het doel af te gaan.

„Niet alleen, vrouwtje, dat wij noodeloos geld uitgeven en vele genoegens missen, ja, zelfs ons humeur nu en dan bederven door onze zorgeloosheid, maar wij laden de verantwoordelijkheid op ons, dat wij ieder, die in onzen dienst of met ons in aanraking komt, totaal bederven. Ik begin te vreezen, dat de fout niet geheel aan één kant ligt, maar dat al die menschen slecht worden omdat wij niet goed zijn.”

„O, welk eene beschuldiging!” riep Dora met wijdgeopende oogen, „te zeggen dat gij mij ooit gouden horloges hebt zien wegnemen! Foei!”

„Maar liefste!” zei ik, „spreek nu toch niet zulken nonsens! Wie heeft zelfs maar eene toespeling gemaakt op gouden horloges?”

„Gij zelf,” antwoordde zij. „Gij weet dat heel goed. Gij hebt gezegd dat ik niet goed ben en mij met hem op ééne lijn gesteld.”

„Met wien?”

„Met dien knecht,” snikte Dora. „Wreede man, om uwe vrouw, die u zoo lief heeft, met een weggejaagden en gedeporteerden knecht te vergelijken! Waarom hebt gij mij niet, voor wij trouwden, gezegd hoe gij over mij dacht? Waarom hebt gij mij niet gezegd, dat gij mij met een gedeporteerden knecht zoudt vergelijken? Hardvochtige man! Hoe kunt gij zoo slecht over mij denken? O, hoe vreeselijk!”

„Dora, Dora,” antwoordde ik, tegelijkertijd eene poging doende om zachtjes den zakdoek weg te trekken, dien zij voor hare oogen hield, „dat is niet alleen belachelijk, maar onrechtvaardig tevens. In de eerste plaats echter is hetgeen gij zegt niet waar.”

„Gij hebt altijd gezegd dat hij een leugenaar was en nu zegt gij hetzelfde van mij,” ging zij al snikkend voort. „O, wat moet ik beginnen! Wat moet ik beginnen!”

„Mijn liefste vrouwtje,” hernam ik, „ik moet u werkelijk dringend verzoeken wat verstandiger te zijn en te luisteren naar hetgeen ik zeg. Indien wij niet leeren wat onze plicht is tegenover de menschen, die wij in onzen dienst hebben, leeren zij ook nooit wat hun plicht is tegenover ons. Ik vrees, dat wij onze bedienden in de gelegenheid stellen om kwaad te doen en dat wij daartegen op onze hoede moesten zijn. Zelfs al was het onze verkiezing om zoo onachtzaam te zijn in alles, als wij zijn—en dat is het niet—zelfs indien wij 't aangenaam vonden zoo te zijn—hetgeen niet het geval is—ben ik toch overtuigd, dat wij zoo niet mogen voortgaan. Wij bederven onze bedienden in den grond en zijn verplicht dat te bedenken. Ik denk er tenminste voortdurend aan, Dora, en ik kan die gedachte niet van mij afzetten; ze vervolgt mij dag en nacht. Dat is alles, liefste. Kom nu eens bij mij en wees niet zoo dwaas!”

Dora wilde mij voorloopig niet toestaan den zakdoek weg te nemen. Zij zat daarachter te snikken en te mompelen en te vragen waarom ik dan ooit met haar getrouwd was? Waarom had ik niet gezegd, dat ik zoo over haar dacht, eer wij naar de kerk waren gereden! Waarom zond ik haar dan maar niet terug naar hare tantes in Putney of naar Julia Mills in Indië, als ik haar niet langer kon uitstaan? Julia Mills zou heel blij zijn als zij haar zag en haar zeker niet met een gedeporteerden knecht vergelijken. Julia had haar nooit zoo genoemd. Kortom, Dora was zoo diep bedroefd en bracht mij door haar snikken zoo van streek, dat ik wel inzag op zulk eene wijze niet verder te zullen komen, zoodat ik een anderen weg moest inslaan.

En welke weg bleef mij over? Haar te „ontwikkelen”! Ja, dat klonk mij veelbelovend in de ooren. Ik moest haar geest meer ontwikkelen! En ik begon van stonde aan. Als Dora zich wat kinderachtig aanstelde en ik er de voorkeur aan zou hebben gegeven haar in die stemming te laten, deed ik mijn best om heel ernstig te zijn en—bracht haar uit haar humeur en mij zelf er bij. Ik besprak met haar hetgeen mijne gedachten bezighield, ik las Shakespeare met haar en—verveelde haar uitermate. Ik nam de gewoonte aan om haar, als het ware bij toeval, nuttige wenken en kleine lessen te geven, maar als ik er mede begon, schrikte zij alsof ik vuurzwermen afstak. Hoe ik mij ook inspande om, als bij toeval, ongezocht den geest van mijn vrouwtje te ontwikkelen, het scheen wel, dat zij instinctmatig begreep wat ik bedoelde en dan bekroop haar terstond een gevoel van angst. Vooral Shakespeare was haar een doorn in het oog. Men begrijpt dat ik met mijne ontwikkeling slechts matig vorderde.

Traddles werd, zonder dat hij het wist, geprest om mij te dienen; telkens wanneer hij kwam, liet ik mijne volgeladen mijnen tegen hem springen ten einde Dora zijdelings een lesje te geven. De hoeveelheid practische wijsheid, die ik tegen Traddles losliet, was ontzettend; maar ze had op Dora geen anderen invloed dan dat ik haar humeur bedierf en haar zenuwachtig maakte, want zij was altijd bevreesd, dat nu weder de beurt aan haar zou komen. Ik vergeleek mij zelven met een schoolmeester of een vogelknip, speelde telkens voor spin, die het onschuldige vliegje, Dora, in haar web trachtte te vangen en het was hartverscheurend hare ontsteltenis te zien, wanneer ik uit mijn schuilhoek te voorschijn kwam.

Toch staarde ik voortdurend heen over dit tusschentijdperk naar den tijd, waarop er volmaakte sympathie zou bestaan tusschen Dora en mij en ik haar geest ontwikkeld zou hebben tot mijn en haar genoegen. Maanden lang duurde deze toestand zoo voort. Eindelijk echter, na al dien tijd als een egel of een waakhond op de loer gelegen te hebben, begon ik in te zien, dat ik niets verder was gekomen en kwam de gedachte in mij op, dat Dora's geest reeds den hoogsten graad van ontwikkeling bereikt had. Bij verder nadenken kwam mij dit zelfs zoo waarschijnlijk voor, dat ik mijn plan,—in woorden zoo veelbelovend, doch inderdaad zoo weinig doeltreffend—liet varen en besloot voortaan tevreden te zijn met mijn kind-vrouwtje, zooals zij nu eenmaal was, en niet te beproeven iets anders van haar te maken. Ik was het moede altijd alleen de wijze en de voorzichtige te zijn en mijn lieveling in angstige spanning te zien. Ik kocht daarom een mooi stel oorbellen voor haar en een halsband voor Jip en kwam daarmede op zekeren dag thuis, hopende er veel mede te zullen goed maken.

Dora was heel blij met haar cadeautjes en kuste mij hartelijk, maar de schaduw bleef tusschen ons en ik had het plan, die geheel te doen verdwijnen. Moest er nog eene schaduw overblijven, dan mocht die alleen zijn in mijn eigen hart.

Ik zat bij mij vrouwtje op de sofa, en maakte de belletjes in hare oortjes vast, waarna ik begon te zeggen, dat ons leven in den laatsten tijd niet zoo aangenaam geweest was als vroeger, en dat ik daarvan de schuld droeg. Ik meende dit oprecht, want ik zag in dat het zoo was.

„Zal ik u eens eerlijk zeggen, Dora, hoe dat kwam? Ik wilde al te verstandig zijn.”

„En gij wildet mij ook zoo erg verstandig maken, nietwaar Doady?”

Ik knikte toestemmend naar de mooie hoog opgetrokken wenkbrauwen en gaf haar een kus op het half geopende mondje.

„Het baat u geen zier,” zei Dora, haar hoofdje schuddend, zoodat de nieuwe oorbelletjes rinkelden. „Gij weet nu eenmaal dat ik een klein, dom ding ben, en gij weet ook, hoe gij mij zoudt noemen. Ik heb u dat den eersten dag van ons huwelijk al gevraagd, is 't niet? Als gij dat niet doen kunt, dan zullen wij, vrees ik, nooit gelukkig zijn. Zijt gij er wel zeker van, dat somtijds de gedachte niet in u opkomt of het niet beter ware, indien...”

„Wat, liefste?” vroeg ik, want zij scheen niet te willen voortgaan.

„Niets!”

„Niets!” herhaalde ik.

Zij sloeg de armen om mijn hals en lachte en noemde zich zelve bij haar geliefkoosden naam—een gansje—en verborg haar gezichtje tegen mijn schouder, maar het ging zoo schuil tusschen den overvloed van krullen, dat ik moeite had om ze alle weg te strijken.

„Of ik niet denk, dat het beter geweest zou zijn niets te doen dan mijn kleine vrouwtje te plagen?” zei ik, in mij zelven lachend. „Bedoelt gij dat? Ja, dat geloof ik wel. Ik wilde uw geest verder ontwikkelen, begrijpt ge?”

„Hebt gij _dat_ willen doen! O, wat een vreeselijke man zijt gij toch!”

„Ik zal het niet meer beproeven, hoor, want ik heb haar hartelijk lief zooals zij is.”

„Meent gij dat oprecht... waarlijk?” vroeg Dora en vlijde zich dicht tegen mij aan.

„Waarom zou ik trachten te veranderen wat mij al zoo lang lief en dierbaar is geweest?” vroeg ik. „Gij kunt u niet beter voordoen dan wanneer gij mijn eigen lieve Dora zijt; wij zullen dus geen proeven meer op u nemen, maar onzen gang gaan zooals vroeger; toen waren wij immers veel gelukkiger?”

„Ja, wij moeten weer gelukkiger worden!” antwoordde Dora. „Ja, elken dag! En gij zult dus niet meer boos worden als er iets een heel klein beetje verkeerd gaat?”

„Neen, neen!” zei ik. „Wij moeten ons best maar doen zooveel wij kunnen.”

„En zult gij mij nooit meer zeggen dat wij andere menschen slecht maken?” vroeg Dora op vleienden toon. „Dat was zoo vreeselijk stout van je!”

„Neen, neen!” antwoordde ik.

„Het is toch beter als ik een beetje dom ben dan dat ik verdriet heb, is 't niet?”

„Het beste is als gij heel natuurlijk zijt, Dora.”

Zij schudde hare krullen in 't rond, keerde hare oogen, die van blijdschap straalden, naar mij toe, kuste mij herhaaldelijk, barstte in een vroolijke lachbui uit en sprong toen op, om Jip den nieuwen halsband om te doen.

Zoo eindigde mijne laatste poging om eene verandering in Dora te brengen. Ik was ongelukkig geweest in mijn streven, ik kon mijn eigen wijsheid niet uitstaan, veel minder haar in overeenstemming brengen met Dora's wensch om haar als mijn kind-vrouwtje te beschouwen. Ik besloot daarom in alle kalmte te doen wat mogelijk was om wat meer regel in onze huishouding te brengen; maar ik zag in dat ik er heel weinig aan doen kon, zonder opnieuw de rol van spin te spelen of als een waakhond op de loer te liggen. De schaduw, waarvan ik sprak, was tusschen ons verdwenen; ze bleef veilig bewaard in mijn eigen hart. Hoe? Het oude, ongelukkige gevoel bleef mij altijd bij. Indien er al eenige wijziging in gekomen was, dan was het sterker geworden; maar het was zoo onbepaald als ooit en had een uitwerking op mij als treurige muziek, die in den nacht flauwtjes tot ons doordringt. Ik had mijn vrouwtje hartelijk lief; ik was gelukkig; maar het was niet het geluk, dat ik gedroomd had—er ontbrak iets aan.

Ten einde de taak, die ik op mij genomen heb, getrouw te vervullen, namelijk al wat er in mijne ziel is omgegaan en in mijn geheugen is bewaard, aan deze bladzijden toe te vertrouwen, dien ik mijn hart nog eens aan een nauwkeurig onderzoek te onderwerpen. Hetgeen ik miste, beschouw ik thans—en beschouwde ik altijd—als een droom uit den tijd, toen mijne jeugdige verbeelding mij parten speelde; als iets dat niet aangevuld kon worden. Evenals alle menschen kwam ik eerst later tot die ontdekking en deze ontdekking vervulde mij met leedwezen. Maar ik wist ook dat het beter voor mij zou geweest zijn, indien mijne vrouw mij meer had kunnen steunen, mij had kunnen helpen om de gedachten te verwezenlijken, die mij thans alleen bezig hielden. En ik wist ook, dat zulk een lot mijn deel had kunnen zijn! Ik werd geslingerd tusschen twee onvereenigbare gevolgtrekkingen, terwijl ik mij niet bewust was dat de eene lijnrecht stond tegenover de andere; ik dacht dat hetgeen ik voelde algemeen gevoeld werd, onvermijdelijk was en te gelijkertijd meende ik, dat mij alleen dit lot beschoren was en dat het niet zoo had behoeven te zijn. Wanneer ik dacht aan de luchtkasteelen uit mijne jeugd, dan kwamen mij ook de jaren in mijne herinnering, die den mannelijken leeftijd waren voorafgegaan; dan rezen de heerlijke dagen, met Agnes in het oude huis doorgebracht, voor mij op, als schimmen van dooden, die, ja in eene andere wereld konden herleven, maar hier beneden nimmer, nimmermeer zouden opgewekt worden.

Somtijds kwam de gedachte in mij op, wat er zou gebeurd zijn of gebeurd kunnen zijn, indien Dora en ik elkander nooit hadden ontmoet? Maar zij was zoo geheel in mijn bestaan ingeweven, dat ik aan geen onvruchtbaarder gedachte voedsel had kunnen geven.

Ik bleef veel van Dora houden. Hetgeen ik hier beschrijf, lag in den diepsten schuilhoek van mijn hart te sluimeren, om nu en dan even te ontwaken en terstond weder in te slapen. Ik liet het in geen enkel opzicht blijken; het had, voor zoover ik weet, geen invloed op iets dat ik zei of deed. Ik droeg den last van al onze kleine zorgen en van al mijne plannen en voornemens; Dora hield de pennen vast en wij voelden beiden dat ons aandeel zeer juist was afgemeten. Zij hield zielsveel van mij en wanneer Agnes in hare brieven met een enkel woord melding maakte van den trots, waarmede mijne oude vrienden mijn toenemend succes gadesloegen en mijn boek lazen alsof zij mij hoorden spreken, las Dora mij die brieven voor met tranen in hare schitterende oogen en zei dat ik een beste, knappe jongen was en nog eens beroemd zou worden. „De eerste blinde neiging van een onervaren hart.” Deze woorden van mevrouw Strong klonken mij in dit tijdperk van mijn leven herhaaldelijk in de ooren, waren bijna onafgebroken in mijne gedachten. Meermalen werd ik des nachts wakker met deze woorden op de lippen, ja, ik herinner mij zelfs, dat ik ze in mijn droomen op muren en schuttingen heb gelezen. Ik wist nu dat mijn eigen hart nog onervaren was toen ik verliefd werd op Dora; ik wist dat, ware het ervaren geweest, ik in mijn huwelijk nooit had kunnen voelen wat thans in den diepsten schuilhoek van mijn hart verborgen lag.

„Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer geest en aanleg niet overeenstemmen.” Ook deze woorden herinnerde ik mij. Ik had getracht Dora voor mij geschikt te maken en bevonden dat het onmogelijk was. Er bleef nu niets anders over dan mijzelven voor Dora geschikt te maken, mijzelven met haar in overeenstemming te brengen zooveel ik kon en gelukkig te zijn; op mijn eigen schouders te laden wat ik dragen moest en toch gelukkig te zijn. Op deze wijze trachtte ik mijn hart te vormen, toen de ervaring gekomen was. Het tweede jaar van mijn huwelijk was dientengevolge veel gelukkiger dan het eerste en wat meer zegt, Dora's leventje was een en al zonneschijn.

Maar toen dit jaar voorbij was, voelde Dora zich niet sterk meer. Ik had gehoopt dat kleinere handen dan de mijne zouden geholpen hebben om haar karakter te vormen, dat een lachend kindermondje mijn kind-vrouwtje tot vrouw gemaakt zou hebben, maar dit mocht niet zoo zijn. Eén oogenblik toefde het zieltje op den drempel van zijn gevangenis, maar het vlood even spoedig weer henen.

* * * * *

„Als ik weer kan rondloopen, zooals ik gewoon was, tante,” zei Dora, „zal ik Jip eens flink laten rennen; hij wordt zoo dik en zoo lui.”

„Ik vermoed, liefste,” antwoordde tante, die bij haar zat te werken, „dat hem nog een andere kwaal plaagt, de ouderdom, Dora.”

„Denkt gij dat hij oud is?” vroeg Dora verbaasd. „O, wat lijkt mij dat vreemd! Jip—oud!”

„Dat is een kwaal, waaraan wij allen moeten gelooven, kleintje, als wij blijven leven,” hernam tante opgeruimd. „Ik voel er mij zelve ook niet meer zoo vrij van als vroeger, dat verzeker ik u.”

„Maar Jip!” zei Dora, terwijl zij haar lieveling medelijdend aankeek, „die kleine Jip ook al! 't Arme dier!”

„Ik beweer niet dat hij 't nog niet lang zal kunnen uithouden, Bloesempje,” zei tante terwijl zij Dora even op de wang tikte. Dora had zich, op de sofa liggende, voorovergebogen om Jip beter te kunnen zien en het dier was uit dankbaarheid op zijne achterpooten tegen haar op gaan staan en deed nu vergeefsche pogingen om op de sofa te klauteren. „Hij moet den volgenden winter een lap flanel in zijn huisje hebben, dan zou het mij niets verbazen als hij er tegen de lente weer vlug en frisch uitkwam. Beware dat beest!” riep tante, „al was hij zoo taai als een kat en al leefde hij zoo lang als een raaf, dan zou hij met zijn laatsten ademtocht nog tegen mij blaffen, dat geloof ik zeker!”

Dora had Jip geholpen en nu zat hij op de sofa zoo woedend tegen tante te blaffen, dat hij telkens omviel van drift. Hoe meer tante hem aankeek, hoe harder hij te keer ging; want tante droeg sinds eenigen tijd een bril en om de een of andere niet te doorgronden reden beschouwde hij dat als eene persoonlijke beleediging.

Dora bewoog hem met veel lieve woordjes om stil te zijn en toen zij daarin geslaagd was, herhaalde zij peinzend, terwijl zij zijne lange ooren om haar vinger draaide: „Zelfs die kleine Jip! Arm dier!”

„Zijne longen zijn sterk genoeg,” zei tante lachend, „en hij kan ook nog flink toonen aan wie hij een hekel heeft. Zonder twijfel kan hij nog vele jaren leven. Maar om met hem om het hardst te loopen, Bloesempje, dat zal niet gaan. Daarvoor heeft hij het te goed gehad! Dan zal ik een ander hondje voor u koopen.”

„Dank u, tante,” zei Dora met zwakke stem. „Doe dat niet!”

„Niet?” vroeg tante haar bril afnemende.

„Ik zou geen ander hondje kunnen hebben dan Jip,” zei Dora. „Het zou zoo hard zijn voor Jip en bovendien kan ik toch van een ander hondje niet zooveel houden, omdat het mij niet, zooals Jip vóór mijn huwelijk gekend en niet tegen Doady geblaft zou hebben, toen hij voor de eerste maal bij ons kwam. Ik vrees dat ik van geen anderen hond zou kunnen houden dan van Jip, tante.”

„Dat is waar!” zei tante, terwijl zij haar nogmaals een tikje op de wang gaf.

„Gij zijt er immers niet boos om, tante?”

„Heb ik nu toch ooit zoo'n gevoelig schepseltje gezien!” riep tante, terwijl zij zich teeder over haar heenboog.

„Hoe zou ik boos op u kunnen zijn!”