Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 72

Chapter 724,141 wordsPublic domain

Zij uitte een kreet van schrik en verzette zich zoo krachtig, dat ik betwijfel of ik haar wel had kunnen vasthouden, indien ik alleen geweest was. Eene sterkere hand dan de mijne had haar gegrepen en toen zij hare oogen angstig opsloeg en zag aan wien die hand toebehoorde, deed zij geen poging meer om zich los te rukken en zakte tusschen ons in elkaar. Wij droegen haar naar een droge plek en legden haar daar neer. Daar zat zij eenigen tijd te kermen en te steunen met het hoofd tusschen de handen.

„O, de rivier!” riep zij hartstochtelijk uit. „O, de rivier!”

„Kom, kom!” zei ik, „wees nu bedaard!” Maar zij bleef dezelfde woorden herhalen: „O, de rivier! O, de rivier!”

„Ik weet dat de rivier mij wacht!” riep zij. „De rivier is de trouwe vriendin van vrouwen zooals ik. Ook zij was eenmaal rein, toen zij van de bergen langs de velden stroomde..... en nu kruipt ze, verontreinigd en bezoedeld, door de nauwe straten en snelt voort naar de groote zee, naar de onrustige zee.... en ik voel dat de zee ook mij wacht....!”

Nooit heb ik geweten wat wanhoop was voor dezen avond!

„Ik kan er niet vandaan blijven. Ik kan haar niet vergeten; ze vervolgt mij dag en nacht! Niets in de geheele wereld is goed voor mij dan de rivier en ik ben voor niets goed dan voor haar. O, die vreeselijke rivier!”

De gedachte kwam in mij op, dat ik op het gelaat van mijn metgezel de geschiedenis van zijn nichtje zou hebben kunnen lezen, indien ik die niet reeds gekend had. Nooit zag ik, in beeld of in de werkelijkheid, afschuw en medelijden zoo welsprekend afgebeeld. Hij stond zoo te beven dat ik vreesde hem te zullen zien neervallen; ik raakte even zijne hand aan,—zijn uiterlijk beangstigde mij—ze was steenkoud.

„Zij is op de grens van de waanzin,” fluisterde ik hem in het oor. „Zij zal zoo straks wel anders spreken.”

Ik weet niet welk antwoord hij wilde geven; hij had eene beweging gemaakt met zijn mond en scheen te meenen dat hij iets gezegd had, maar hij had alleen met uitgestrekten arm naar haar gewezen.

Nogmaals barstte zij in snikken uit, en verborg haar gelaat tusschen de steenen en lag daar voor ons als een beeld van jammer en ellende. Beseffende dat deze toestand moest voorbij zijn eer wij met haar konden spreken, waagde ik het hem tegen te houden toen hij haar wilde opbeuren en zoo bleven wij stil bij haar staan tot zij wat bedaarder geworden was.

„Martha,” zei ik terwijl ik haar hielp opstaan—het scheen dat zij wilde opstaan met het voornemen om weg te gaan, maar zij was te zwak en moest steun zoeken tegen een boot, „Martha, weet gij wie deze man is?”

„Ja,” antwoordde zij nauw hoorbaar.

„Weet gij dat wij u den geheelen avond gevolgd hebben?”

Zij schudde het hoofd en keek noch mij noch baas Peggotty aan, maar stond beschaamd voor ons, met haar hoed en omslagdoek in de eene hand, terwijl zij de andere tegen haar voorhoofd drukte.

„Zijt gij in staat,” vroeg ik, „om met ons te spreken over de zaak, waarin gij op dien avond, toen het zoo sneeuwde, zooveel belang steldet? De Hemel geve, dat gij 't u nog herinnert!”

Zij begon opnieuw te snikken en prevelde eenige woorden van dank, omdat ik haar toen niet van de deur had gejaagd.

„Ik verlang niet over mij zelve te spreken,” hernam zij na eenige oogenblikken, „ik ben een slecht, een verloren schepsel. Ik heb geen hoop meer. Maar zeg hem, mijnheer,”—zij zou voor hem zijn weggekropen als zij gekund had—„zoo gij mij niet al te hard beoordeelt, zeg hem dan dat ik in geen enkel opzicht aanleiding heb gegeven tot het ongeluk, dat hem getroffen heeft.”

„Men heeft dat nooit aan u geweten,” antwoordde ik op even ernstigen toon, als zij had aangeslagen.

„Als ik mij niet bedrieg, waart gij het,” hernam zij met haperende stem, „die in de keuken bij juffrouw Barkis kwaamt, toen zij zoo lief voor mij was; zij was de eenige, die geen afgrijzen van mij had; zij heeft mij geholpen. Waart gij dat niet?”

„Ja, dat was ik.”

„Had ik haar ooit eenig onrecht aangedaan, dan zou de rivier mij reeds lang geleden hebben opgenomen,” vervolgde zij met een huiveringwekkenden blik naar het voortstroomende water. „Ik zou er geen nacht hebben kunnen uitblijven, indien ik mij ten opzichte van haar iets te verwijten had gehad.”

„De oorzaak van hare vlucht is te wel bekend,” antwoordde ik. „Wij weten allen, dat gij daaraan geheel onschuldig zijt.”

„O, zeker, ik had een beter voorbeeld voor haar kunnen zijn!” riep zij met innigen weemoed uit, „en ik had zelve door haar beter kunnen worden, want zij was altijd zoo goed voor mij! Zij sprak nooit anders dan op vriendelijken toon tegen mij, ook, toen ik reeds van het rechte pad was afgedwaald. Is het wel denkbaar, dat ik van haar heb willen maken, wat ik zelve was, terwijl ik zoo goed weet wat ik ben? Toen ik alles verloren had wat mij aan het leven kon doen hechten, was de gedachte, dat ik haar voor altijd verloren had, het vreeselijkst voor mij.”

Baas Peggotty, die met eene hand op den rand van de boot leunde, bracht de andere voor zijne oogen.

„En toen ik van iemand uit ons stadje vernomen had wat er vóór dien avond in het Gouden Kruis was voorgevallen,” vervolgde Martha, „kwam de bittere gedachte bij mij op, dat de menschen zich zouden herinneren, hoe zij met mij had omgegaan, en meenen dat ik haar verleid had om denzelfden weg te bewandelen als ik ben ingeslagen. En toch, de Hemel alleen weet dit, ik zou mijn leven hebben willen geven om haar haar goeden naam terug te bezorgen.”

Zij was langen tijd ontwend geweest zich te beheerschen, zoodat zij thans zich ook niet wist te matigen in de uitingen van zelfverwijt en smart.

„Voor haar te sterven zou nog te weinig geweest zijn, maar wat moet ik zeggen?.... Ik zou hebben willen leven!” riep zij uit. „Ik zou hebben willen leven en langs de straten zwerven tot ik oud was en iedereen een afkeer van mij had.... ik zou den dag hebben willen zien aanbreken boven die akelige rijen huizen ten einde de herinnering bij mij op te wekken aan den tijd, toen de zon des morgens in mijn kamertje scheen om mij te wekken—zelfs dat zou ik gedaan hebben, indien ik haar daarmede had kunnen redden!” Zij zonk weder op de steenen neer en nam er een in elke hand en klemde ze tusschen de vingers, alsof zij ze wilde vermorselen. Telkens nam zij weder nieuwe houdingen aan, stak nu eens de armen recht voor zich uit, hield ze een oogenblik later weder voor haar gezicht, alsof zij hare oogen wilde beschutten tegen het zwakke licht, dat deze huiveringwekkende plek bescheen, of steunde het hoofd met de handen, alsof al de herinneringen, die het bevatte, het te zwaar maakten om te dragen.

„Wat kan ik ooit nog doen!” sprak zij, nog steeds wanhopend de handen wringende. „Hoe kan ik zoo blijven voortleven, mij zelve ten vloek en anderen tot schande!” Plotseling wendde zij zich tot baas Peggotty: „Vertrap mij! Dood mij! Toen zij nog uw trots was, zoudt gij mij vervloekt hebben, indien ook maar een tipje van mijn kleed haar had aangeraakt! Hoe zoudt gij één woord, dat over mijne lippen komt, kunnen gelooven? Gij zoudt het eene onoverkomelijke schande achten, indien zij en ik, thans zelfs een woord met elkander spraken! Ik mag niet klagen. Ik weet dat er ook nu nog een breede afgrond is tusschen haar en mij. Ik kan met al de schuld en de ellende, die mij drukken, niets anders zeggen dan dat ik haar eeuwig dankbaar zijn zal en haar liefheb. O, meen toch niet dat al de kracht, om iets of iemand lief te hebben, in mij is uitgebluscht! Jaag mij weg, stoot mij van u, zooals alle menschen doen! Dood mij, omdat ik ben, wat ik ben en haar gekend heb; maar meen niet, dat ik geen liefde meer kan voelen!”

Hij keek op haar neer, terwijl zij daar zoo hartstochtelijk smeekend voor hem lag en toen zij zweeg, hielp hij haar opstaan.

„Martha,” zei hij, „de Hemel verhoede dat ik u zou oordeelen. Ik zal zeker de laatste zijn, die dat doet. Gij kunt niet half weten, welk eene verandering in den loop van den tijd over mij gekomen is. Gij kunt niet weten,” ging hij na eenige oogenblikken gezwegen te hebben, voort, „gij kunt niet weten, waarom deze heer en ik u wenschten te spreken. Gij kunt niet weten, welk voornemen wij hadden. Luister dus!”

Zijne woorden hadden den gewenschten invloed. Bevend stond zij voor hem en bleef naar den grond kijken, alsof zij bang was zijn blik te ontmoeten; maar hare hartstochtelijke smart was geheel geweken.

„Indien gij gehoord hebt,” vervolgde baas Peggotty, „wat mijnheer Copperfield en ik samen bespraken op dien avond, toen het zoo hard sneeuwde, dan weet gij dat ik de halve wereld heb afgereisd om mijn lief nichtje te zoeken.—Mijn lief nichtje,” herhaalde hij eenige malen. „Want ik houd nu nog meer van haar, Martha, dan ik ooit te voren van haar gehouden heb.”

Zij bracht de handen voor haar gelaat, maar bewaarde het stilzwijgen.

„Ik heb haar meer dan eens hooren vertellen,” vervolgde baas Peggotty, „dat gij heel vroeg uw vader en uwe moeder verloren hebt en geen vriend hadt, die op ruwe zeemansmanier hunne plaats innam. Wellicht kunt gij beseffen dat, als gij zulk een vriend gehad hadt, gij na verloop van tijd van hem hadt leeren houden en dat mijn nichtje zoo goed als eene eigen dochter voor mij was.”

Aangezien zij stond te rillen van zenuwachtigheid en koude, wikkelde hij haar zorgvuldig in den doek, dien hij daartoe eerst had opgeraapt.

„Bovendien weet ik,” ging hij voort, „dat zij even goed tot aan het einde van de wereld met mij zou medegaan, als zij mij nog eens terugzag, als dat zij tot het eindje van de wereld zou vluchten om mij niet te zien; want al twijfelt zij geen oogenblik aan mijne liefde—geen oogenblik,” herhaalde hij, heilig overtuigd van hetgeen hij zeide, „zij zal zich schamen en dientengevolge zouden wij gescheiden blijven.”

Hij sprak elk woord, elke gedachte op zulk een beslisten toon uit, dat ik opnieuw de overtuiging kreeg dat hij het onderwerp, waarmede zijne ziel dag en nacht vervuld was, op alle wijzen en van alle kanten had bekeken en overpeinsd.

„Volgens onze berekening, van mijnheer Copperfield en mij, zal zij zonder twijfel op den eenen of anderen dag arm en verlaten te Londen aankomen. Wij, mijnheer Copperfield en ik en allen gelooven, dat gij zoo onschuldig zijt aan hetgeen is voorgevallen als een pasgeboren kind. Gij hebt gezegd dat zij zoo vriendelijk, zoo lief voor u geweest is. De Hemel zegene het arme kind! Ik weet dat zij het was, dat zij het altijd geweest is voor iedereen. Gij zijt haar dankbaar en hebt haar lief. Help ons daarom, zooveel gij kunt, om haar te vinden en de Hemel zal u beloonen.”

Zij keek hem aan met een blik, waarin twijfel lag; het scheen wel dat zijne woorden haar een weinig overbluften. „Durft gij vertrouwen in mij stellen?” vroeg zij op verbaasden toon.

„Volkomen!” antwoordde baas Peggotty.

„Mag ik met haar spreken, indien ik haar ooit vind? Mag ik haar onder mijn dak nemen, indien ik er zelve een heb? Mag ik dan, zonder dat zij het vermoedt, bij u komen om u te waarschuwen en u bij haar brengen?” vroeg zij gejaagd.

Beiden antwoordden wij tegelijk: „Ja.”

Zij keek ons een voor een aan en verklaarde dat zij haar leven wilde wijden aan de vervulling van deze taak; dat zij nimmer den moed zou opgeven, nimmer zou wankelen, nimmer zich door iets ter wereld daarvan zou laten afleiden. Indien zij hare taak niet trouw vervulde dan was zij waard nog ellendiger, nog wanhopender te worden dan zij dezen avond geweest was en dan, voorzeker, zouden menschen haar niet meer kunnen redden! Zij verhief hare stem geen oogenblik en sprak ons geen van beiden aan, maar staarde onafgewend naar den hemel en daarna zwijgend naar het blinkende water.

Wij achtten het doelmatig haar nu alles te vertellen wat wij wisten, hetgeen ik op mij nam. Zij luisterde met de grootste aandacht en met een gelaat, dat wel is waar dikwijls veranderde, doch waarop voortdurend dezelfde welwillende gezindheid te lezen was. Nu en dan vulden zich hare oogen met tranen, maar zij deed haar best om ze in te houden. Het scheen wel dat zij meende niet te kalm te kunnen zijn.

Toen ik uitgesproken had vroeg zij waar wij te vinden zouden zijn, indien zij iets te melden had. Ik schreef bij het doffe licht van een lantaarn onze beider adressen op een blaadje uit mijn zakboekje, scheurde het er uit en gaf het haar, waarna zij het bij zich stak. Op mijne vraag waar zij zelve woonde, antwoordde zij: „Nergens lang achtereen. Het is beter dat maar niet te weten.”

Baas Peggotty fluisterde mij iets in, waaraan ik zelf ook reeds gedacht had, waarop ik mijne beurs te voorschijn haalde; ik kon haar echter niet overhalen om eenig geld aan te nemen, noch wilde zij beloven dat zij het later zou aannemen. Ik trachtte haar te overtuigen, dat baas Peggotty voor iemand van zijn stand volstrekt niet arm kon genoemd worden en zei haar, dat het ons tegen de borst stuitte, indien zij van haar eigen middelen leven moest, terwijl zij voor ons werkzaam was. Zij bleef echter standvastig, en de invloed van baas Peggotty bleek op dit punt even zwak als de mijne. Zij bedankte ons hartelijk, maar bleef onvermurwbaar.

„Ik zal beproeven werk te krijgen,” sprak zij. „Wellicht gelukt mij dat.”

„Neem dan ten minste onze hulp aan tot gij geslaagd zijt,” antwoordde ik.

„Ik kan hetgeen ik beloofd heb niet doen voor geld,” hernam zij. „Ik zou dat niet kunnen al stierf ik van honger. Indien gij mij geld geeft, ontneemt gij mij uw vertrouwen, ontneemt gij mij al wat gij mij gegeven hebt en wat mij redden kan van de rivier.”

„In naam van onzen Hemelschen Rechter, die ons en u allen richten zal wanneer het oogenblik daar is, zet dat vreeselijke denkbeeld uit uw hoofd! Indien wij willen, kunnen wij allen medewerken ten goede.”

Zij beefde en hare lippen waren bleek toen zij antwoordde:

„Wellicht is het eene bestiering, dat gij hedenavond zulk een rampzalig schepsel moest redden. Deze gedachte jaagt mij angst aan; ze lijkt mij te vermetel toe. Ik begin te hopen dat ik nog tot iets goeds in staat kan zijn, want tot nu toe hebben mijne handelingen tot niets dan kwaad geleid. Voor het eerst sinds langen tijd heb ik twee menschen gevonden, die vertrouwen in mij stellen. Meer verlang ik niet.”

Wederom moest zij hare tranen inhouden en terwijl zij even baas Peggotty met hare hand aanraakte, alsof er eene genezende kracht, die tot deugdzaamheid leidde, van hem uitging, verliet zij ons en wandelde langs den eenzamen weg terug. Waarschijnlijk was zij langen tijd ziek geweest. Toen ik haar wat aandachtiger gadesloeg, merkte ik op dat zij er vermagerd en vervallen uitzag en dat hare ingezonken oogen spraken van lijden en ontbering.

Aangezien wij dezelfde richting uit moesten, volgden wij haar op eenigen afstand, tot wij weder in de verlichte en volkrijke straten kwamen. Ik stelde zooveel vertrouwen in hare verklaringen, dat ik baas Peggotty in bedenking gaf of het niet den schijn zou hebben, dat wij haar wantrouwden, indien wij haar nog verder volgden. Baas Peggotty was van hetzelfde gevoelen en stelde ook volkomen vertrouwen in haar, zoodat wij haar haar eigen weg lieten volgen en zelve dien naar Highgate insloegen. Hij vergezelde mij nog eenigen tijd en toen wij afscheid namen met een bede in ons hart voor den goeden uitslag van deze nieuwe poging, was hij zeer aangedaan, hetgeen ik mij heel goed kon begrijpen.

Het was reeds middernacht toen ik thuis kwam. Ik stond voor mijn eigen tuinhek te luisteren naar de zware tonen van de klokken der St. Paulskerk, die ik boven alle andere uit meende te herkennen, toen ik tot mijne groote verbazing de deur van tante's huisje geopend zag. Een zwakke lichtstraal drong door de reet tot den straatweg door. Meenende dat tante weder door een harer ouderwetsche angstbuien was overvallen en misschien zat te turen naar een denkbeeldigen brand, sloeg ik den weg naar hare woning in. Maar wie schetst mijne verbazing toen ik op hetzelfde oogenblik een man zag staan in haar kleine tuintje! Hij had een glas en eene flesch in de hand en was bezig te drinken. Ik bleef staan achter de dichte heg en herkende bij het licht der maan, die juist achter de wolken te voorschijn kwam, den man, dien ik eerst voor een hersenschim van mijnheer Dick gehouden en later met tante in Londen's straten ontmoet had. Hij at en dronk; blijkbaar met grooten honger en dorst, terwijl hij het huisje van alle kanten bekeek, alsof hij het dezen avond voor de eerste maal aanschouwde. Na de flesch op den grond gezet te hebben, keek hij naar de vensters en daarna in het rond; hij deed dit echter als 't ware tersluiks en alsof hij verlangde weg te komen.

Gedurende een oogenblik werd het licht, dat uit de gang in den tuin scheen, onderschept en tante kwam naar buiten. Zij scheen zeer zenuwachtig en telde hem eenig geld in de hand voor. Ik hoorde het rinkelen.

„Wat kan mij dat helpen?” vroeg hij.

„Ik kan niet meer missen,” antwoordde tante.

„Dan kan ik niet heengaan,” zei hij. „Hier, neem het terug.”

„Slechtaard, die ge zijt!” hernam tante met bevende stem. „Hoe kunt gij mij zoo behandelen? Maar, hoe kan ik dat nog vragen? Gij kent mijne zwakheid.... dat is de reden! Wat moet ik doen om voor altijd van uwe bezoeken verschoond te blijven en u aan uw lot over te laten?”

„En waarom laat gij mij dan niet aan mijn lot over?” vroeg hij.

„Hoe kunt gij mij dat vragen!” zei tante. „Wat moet gij toch door en door slecht zijn!”

Hij stond ontevreden met het geld te rammelen en schudde het hoofd, zeggende:

„Is dat alles wat gij mij geven wilt?”

„Het is alles, dat ik u _kan_ geven. Gij weet, dat ik groote verliezen geleden heb en armer ben dan vroeger. Ik heb u dat verteld. Waarom doet gij mij nu nog het verdriet aan van te blijven, nu ik u gegeven heb wat ik missen kan? Waarom moet ik nog langer aanzien wat er van u geworden is?”

„Ik ben er beroerd genoeg aan toe, als gij dat bedoelt,” zei hij. „Het is geen leven, dat ik leid.”

„Gij hebt mij het grootste gedeelte van hetgeen ik ooit bezeten heb afgetroggeld,” hernam tante. „Gij hebt mij jaren lang het leven verbitterd. Gij hebt mij valsch, ondankbaar, wreed behandeld. Ga heen en tracht berouw te vinden. Voeg geen nieuwe krenkingen bij de lange lijst, die ik van u heb moeten verduren!”

„O!” antwoordde hij. „Dat is alles heel mooi!—Welnu, ik zal het dan vooreerst maar hiermede moeten doen! Dat zie ik wel!”

De tranen van verontwaardiging, die tante in de oogen waren gesprongen, schenen toch een gevoel van schaamte bij hem op te wekken; tenminste hij sloop met gebogen hoofd den tuin uit. Ik deed twee of drie vlugge passen, alsof ik juist aankwam, en ging hem bij den ingang van den tuin voorbij. Onze oogen ontmoetten elkander; naar ik meen, was de blik, waarmede wij elkaar opnamen, echter niet heel vriendelijk.

„Tante!” sprak ik gejaagd. „Heeft die man u weder verontrust? Laat ik eens met hem spreken? Wie is dat toch?”

„Kind,” antwoordde tante, terwijl zij mijn arm nam. „Kom binnen en spreek in de eerste tien minuten niet tegen mij.”

Wij gingen in het kleine zijkamertje zitten. Tante verschool zich achter den grooten, groenen waaier, die aan de leuning van haar stoel was vastgeschroefd, en veegde nu en dan hare oogen af. Na een kwartier ongeveer stond zij op en nam een stoel, die naast mij stond.

„Trot,” sprak zij kalm, „dat is mijn man.”

„Uw man, tante? Ik meende dat uw man dood was!”

„Voor mij is hij dood, Trot.”

Ik staarde haar verbaasd en zwijgend aan.

„Betsey Trotwood maakt niet den indruk alsof zij bijzonder vatbaar is voor teedere hartstochten,” hernam zij op bedaarden toon, „maar er is een tijd geweest, Trot, waarin zij dien man blindelings vertrouwde, waarin zij dien man innig liefhad, waarin zij hem elk bewijs van hare gehechtheid zou gegeven hebben, dat hij maar kon verlangen. Hij heeft hare liefde beloond door eerst haar geld op te maken en toen haar hart te breken. Daarom heeft zij al hare dwaze teerhartigheid voor eeuwig begraven.”

„Beste tante!” riep ik uit.

„Toen wij scheidden heb ik mij edelmoedig getoond, Trot,” ging zij voort, zooals gewoonlijk met hare hand op de mijne, „ik mag, nu er zooveel tijd verloopen is, zeggen, dat ik edelmoedig geweest ben. Hij had mij zoo wreed behandeld, dat ik op gunstiger voorwaarden had mogen aandringen bij de scheiding. Al heel spoedig had hij alles opgemaakt wat ik hem gegeven had; hij zonk al dieper en dieper, trouwde met eene andere vrouw, werd een avonturier, een speler en een zwendelaar. Wat hij nu is, hebt gij gezien. Toen ik met hem trouwde, was hij een knap man,” vervolgde zij met nog iets in hare stem, dat naar trots en bewondering zweemde; „ik geloofde—maar ik was eene zottin—dat hij een man van eer was!”

Zij gaf een druk op mijne hand en schudde even het hoofd.

„Hij is nu niets meer voor mij, Trot... minder dan niets. Liever dan hem voor al zijne misdrijven te laten straffen, hetgeen zonder twijfel gebeuren zou, indien hij hier bleef rondzwerven—geef ik hem meer geld dan ik eigenlijk missen kan, wanneer hij zich nu en dan vertoont. Ik heb dwaas gehandeld, door met hem te trouwen, en in zoover ben ik eene onverbeterlijke dwaas, dat ik, terwille van hetgeen ik eens in hem meende te zien, zelfs de schim van mijne dwaze neiging niet hard kan bejegenen. Want, Trot, ik meende het zoo ernstig, als ooit eene vrouw heeft kunnen doen.”

Tante stapte met een zucht van het onderwerp af en streek hare japon glad.

„Ziezoo, beste!” sprak zij, „nu kent gij het begin, het midden en het einde; gij weet er nu alles van. Wij zullen over dit onderwerp met niemand spreken en er ook tegen elkander over zwijgen. Ik wil deze onverkwikkelijke geschiedenis liever voor mij zelve houden, Trot!”

XLVIII.

Huiselijke aangelegenheden.

Ik werkte hard aan mijn boek, zonder mij echter te laten storen in de geregelde waarneming van mijne betrekking als snelschrijver, en toen het uitkwam maakte het zeer veel opgang. Ik liet mij niet bedwelmen door den lof, die mij werd toegezwaaid, al deed het mij genoegen en al schreef ik aan mijn werk—daarvan ben ik overtuigd—nog meer waarde toe dan iemand anders. Ik heb meermalen de opmerking gemaakt, dat menschen, die goede redenen hebben om vertrouwen in zich zelven te stellen, zich nooit in de hoogte steken om anderen dat vertrouwen te doen deelen. Mijn gevoel van eigenwaarde deed mij daarom bescheiden zijn en hoe meer men mij prees, hoe meer lof ik trachtte te verdienen.

Het is daarom geenszins mijn voornemen, hoewel deze bladen mijne geheele levensgeschiedenis bevatten voor zoo ver mijn geheugen mij geen parten speelde, het is daarom geenszins mijn voornemen, zeg ik, nog langer over de geschiedenis van mijn letterkundigen arbeid uit te weiden. De romans, die ik geschreven heb, spreken voor zich zelve. Mocht ik er nu en dan eens op terugkomen, dan is dit alleen om mijn eigen geschiedenis zoo volledig mogelijk weer te geven.

Aangezien ik omstreeks dezen tijd gegronde redenen had om aan te nemen, dat aanleg en toeval een schrijver van mij hadden gemaakt, volgde ik deze roeping met vertrouwen. Ik had moeten trachten uit te vinden wat aanleg en toeval werkelijk van mij gemaakt hadden, ten einde dat te wezen en anders niets.

Ik had zooveel succes gehad met mijne artikelen in couranten en tijdschriften, dat ik na deze nieuwe zegepraal meende, mijne taak bij die droge Parlementszittingen wel te kunnen neerleggen. Op zekeren onvergetelijken avond schreef ik voor de laatste maal de muziek van dezen parlementairen doedelzak en na dien tijd heb ik ze niet meer gehoord; toch ontdek ik bij het lezen van de ellenlange verslagen in de nieuwsbladen niet de minste verandering, tenzij ze nog eentoniger en vervelender geworden zijn.