Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 71
„Gij hebt tegen mij gesproken,” antwoordde hij. „Ik vraag nederig verschooning, maar het is mijn plicht te gehoorzamen.”
„Doe wat u bevolen is,” antwoordde zij. „Maak een einde aan uw verhaal en ga heen!”
„Toen het duidelijk werd,” hernam hij met eene eerbiedige buiging en een buitengewoon fatsoenlijk gezicht, „dat zij niet te vinden was, vervoegde ik mij bij mijnheer James ter plaatse, waar ik hem zou schrijven, en vertelde hem wat er was voorgevallen. Er volgde een woordenwisseling, waarna ik het aan mijn karakter verplicht was mijn afscheid van hem te nemen. Ik kon veel van mijnheer James verdragen en ik _heb_ veel verdragen, maar ditmaal behandelde hij mij al te grof. Hij beleedigde mij. De betreurenswaardige verhouding, welke tusschen mijnheer James en mevrouw Steerforth was ontstaan, was mij bekend en ik vermoedde tevens in welk een onrust mevrouw Steerforth zou verkeeren, zoodat ik de vrijheid nam om naar Engeland terug te keeren en te vertellen...”
„Daarvoor heb ik hem betaald,” voegde juffrouw Dartle er bij.
„Juist, mejuffrouw.... en te vertellen wat ik wist. Ik geloof niet,” voegde hij er nadenkend bij, „dat ik nog meer te vertellen heb. Ik ben op het oogenblik buiten betrekking en het zou mij zeer aangenaam zijn ergens een fatsoenlijke plaatsing te vinden.”
Juffrouw Dartle keek mij aan, alsof zij mij wilde vragen of ik nog iets meer wilde weten. Er was mij op datzelfde oogenblik nog iets ingevallen, waarop ik gaarne een antwoord zou wenschen; ik zei daarom:
„Ik zou wel van dien kerel willen weten”—ik kon onmogelijk zachter uitdrukking gebruiken—„of een brief dien men haar uit Yarmouth geschreven heeft, onderschept is, dan wel of hij onderstelt, dat zij dien ontvangen heeft?”
Hij bleef kalm en zwijgend staan, met de oogen op den grond gevestigd en de toppen van de vingers der eene hand tegen die van de andere.
Juffrouw Dartle wendde met eene minachtende beweging het hoofd naar hem om.
„Vergeef mij, juffrouw,” zei hij, als ontwaakte hij uit zijne afgetrokkenheid, „maar hoe onderdanig ook tegenover u, ik heb eergevoel al ben ik maar een knecht. Mijnheer Copperfield en gij, juffrouw, zijn verschillende personen voor mij. Wil mijnheer Copperfield iets van mij weten dan neem ik de vrijheid mijnheer Copperfield te herinneren dat hij mij eene vraag kan doen. Ik mag mijn karakter niet verloochenen.”
Na even met mij zelven in tweestrijd te zijn geweest, wendde ik mijne oogen naar hem toe en zei: „Gij hebt mijne vraag gehoord. Beschouw die als tot u zelven gedaan, zoo gij dit verkiest. Wat is uw antwoord daarop?”
„Mijnheer,” zei hij, zijne vingertoppen van en tot elkander brengende, „mijn antwoord moet eenigszins naar de omstandigheden worden gewijzigd; misbruik te maken van het vertrouwen, dat mijnheer James mij geschonken heeft, tegenover zijne moeder of tegenover u, zijn twee zeer verschillende handelingen. Ik vermeen het niet onwaarschijnlijk te mogen achten, dat mijnheer James de ontvangst van brieven niet bevorderd zal hebben, aangezien ze slechts aanleiding zouden hebben gegeven tot grootere neerslachtigheid en allerlei onaangenaamheden; verder wensch ik in mijn antwoord echter niet te gaan.”
„Is dat alles?” vroeg juffrouw Dartle mij.
Ik gaf te kennen dat ik niets meer te zeggen had, „behalve,” voegde ik er bij, toen ik hem eene beweging zag maken om heen te gaan, „behalve dat ik volkomen begrijp welk aandeel deze kerel in de ongelukkige geschiedenis gehad heeft, en dat, aangezien ik er den braven man, die een vader voor haar geweest is, mede in kennis zal stellen, hij zich wel in acht mag nemen voor eene ontmoeting met den ouden man.”
Zoodra ik begon te spreken was hij blijven staan en had op zijne gewone kalme manier toegeluisterd.
„Dank u, mijnheer,” zei hij. „Gij zult mij echter wel willen verschoonen, indien ik zeg, dat er in ons land noch slaven, noch slavenjagers zijn en dat het niemand veroorloofd is de wetten te verkrachten. Doet men dat, dan loopt men gewoonlijk grooter gevaar dan zij, die het slachtoffer van een aanval zijn. Bijgevolg ben ik niets bevreesd, mijnheer, en zal gaan waarheen mij goed dunkt.”
Na deze woorden maakte hij eerst eene beleefde buiging voor mij, daarna eene voor juffrouw Dartle en verdween door de opening in de heg, waardoor hij gekomen was. Juffrouw Dartle en ik keken elkander gedurende eenige oogenblikken zwijgend aan; haar gelaat vertoonde nog dezelfde uitdrukking als op het oogenblik toen zij dien ellendeling tot zich riep.
„Hij vertelde mij nog,” sprak zij, terwijl hare lippen even omkrulden, „dat zijn meester op dit oogenblik een bezoek brengt aan de Spaansche kuststeden en daarna, om zijn lust in het zeeleven bot te vieren, nog verder gaan zal, tot hij er genoeg van heeft. Maar gij zult daarin weinig belang stellen. De klove tusschen moeder en zoon wordt hoe langer hoe dieper en aangezien zij beiden even hoogmoedig zijn, is er weinig hoop, dat zij weer tot elkander zullen komen. Maar ook dat boezemt u geen belang in; voor mij is het echter eene inleiding voor hetgeen ik nog wensch te zeggen. Die duivelin, waarvan gij een engel maakt, ik bedoel die gemeene meid, die hij uit het slijk heeft opgeraapt”—hare donkere oogen schoten vonken—„zal nog wel leven—onkruid vergaat niet. Indien dit zoo is, zult gij er zeker wel op gesteld zijn, dat zulk een kostbare parel gevonden en in bescherming genomen wordt. Wij wenschen dat ook, opdat hij niet voor de tweede maal haar prooi worde. Tot zoo ver komen onze belangen dus overeen en daarom heb ik, die dat ellendige schepsel zooveel kwaad toewensch als zij maar in staat is te voelen, u laten roepen om aan te hooren wat die man heeft verteld.”
Aan de verandering, die in haar gelaat plaats greep, merkte ik op dat er iemand naderde. Het was mevrouw Steerforth. Zij gaf mij eene hand, maar op veel koeler wijze dan vroeger en hare houding was nog statiger dan ik ooit van haar gezien had; toch bespeurde ik in haar geheele manier van doen—en ik werd daardoor diep getroffen—dat mijne oude vriendschap voor haar zoon een onuitwischbaren indruk bij haar had achtergelaten. Zij was zichtbaar ouder geworden. Hare gestalte was gebogen, haar lief gelaat vertoonde diepe rimpels en heur haar was bijna wit. Toen zij op de bank had plaats genomen, was zij toch nog altijd eene mooie vrouw en de trotsche oogopslag herinnerde mij aan mijne eerste schooljaren.
„Is mijnheer Copperfield van alles op de hoogte, Rosa?”
„Ja.”
„Heeft Littimer hem alles zelf verteld?”
„Ja, en ik heb hem gezegd, waarom gij dat verlangdet.”
„Gij zijt een goed meisje.—Ik heb eene korte briefwisseling gehad met uw voormaligen vriend, mijnheer,” zoo wendde zij zich tot mij, „maar hij is daardoor niet tot zijn plicht teruggebracht kunnen worden. Zijne moeder schijnt niet meer voor hem te bestaan. Rosa heeft u verder ingelicht. Indien door den een of anderen maatregel het hart van dien fatsoenlijken man, met wien gij hier zijt geweest, kan worden gerustgesteld en tevens mijn zoon voor de listen van dat gemeene schepsel behoed, dan is het mij wel. Ik heb medelijden met dien man.... meer kan ik niet zeggen.”
Zij richtte zich op en bleef recht voor zich uit staren op het landschap aan onze voeten.
„Mevrouw,” zei ik op eerbiedigen toon „ik begrijp u en kan u verzekeren dat ik uit uwe woorden geen enkele verkeerde gevolgtrekking maken zal. Maar ik, die deze verongelijkte familie van mijne jeugd af gekend heb, moet zelfs tot u zeggen, dat indien gij onderstelt dat het wreed bedrogen meisje niet liever duizend dooden zou sterven dan ook maar een kop water uit de hand van uw zoon aan te nemen, gij u schromelijk vergist.”
„Stil, Rosa, stil!” zei mevrouw Steerforth, toen deze op het punt was om een vinnig antwoord te geven, „het doet niets ter zake. Laat ons daarover zwijgen. Gij zijt getrouwd, nietwaar?”
„Ja, sinds eenigen tijd.”
„En gaat het u goed? Ik hoor zoo weinig van de buitenwereld, maar toch is het tot mij doorgedrongen, dat gij u reeds een naam hebt weten te maken.”
„Ik ben gelukkig geweest,” antwoordde ik, „en heb mijn naam eenige malen met lof vermeld gezien.”
„Gij hebt geen moeder meer, nietwaar?” vroeg zij met zachte stem.
„Neen.”
„Dat is jammer; zij zou trotsch op u geweest zijn. Goeden avond.”
Ik nam de hand aan, die zij mij met een zekere nederbuigende goedheid bood, en ze lag zoo kalm in de mijne, alsof hare gemoedsrust door niets was verstoord. Naar het scheen kon haar trots zelfs haar polsslag bedwingen en een ondoordringbaren sluier voor haar gelaat trekken, waardoor zij recht voor zich in de verte staarde.
Toen ik den terugweg aanvaard had en langs het terras kwam waar zij zaten, merkte ik op, dat zij beiden onafgebroken naar het landschap tuurden en dat het langzamerhand donker en nevelachtig om haar heen werd. Hier en daar zag men in de groote stad reeds het licht van een lantaarn flikkeren en aan den westelijken hemel was de rozeroode gloed van zoo straks geheel verdwenen. Uit het dal aan hare voeten kwam echter een dikke nevel op, aan een zee gelijk, die haar langzamerhand dreigde te verzwelgen. Ik kan nog dikwijls met eene huivering daaraan denken, want voor ik die twee terugzag, had eene stormachtige zee deze woning in rouw gedompeld.
Al voortwandelende herhaalde ik in mij zelven alles wat mij omtrent Emily's lotgevallen was meegedeeld en kwam ik tot het besluit om er baas Peggotty deelgenoot van te maken. Den volgenden avond ging ik met dat doel naar Londen. Hij zwierf nog steeds van de eene stad naar de andere, altijd in de hoop van zijn nichtje te zullen vinden; hij was echter meer in Londen dan ergens anders. Hoe dikwijls had ik hem niet in het schemeruur en in den nacht langs de straten zien dwalen!
Hij had een kamertje gehuurd boven den kruidenierswinkel in Hungerford-street, waarvan ik reeds meermalen melding maakte, en vanwaar hij zijn zwerftocht begonnen was. Daarheen toog ik op weg. Toen ik naar hem vroeg, vernam ik, dat hij dezen avond toevallig te huis was en ik hem op zijne kamer vinden zou. Hij zat bij het raam, waarvoor eenige bloemen en planten stonden, te lezen. Het kamertje zag er heel netjes en ordelijk uit. Ik zag terstond dat het altijd gereed was om haar te ontvangen, en dat hij nooit uitging zonder de mogelijkheid te onderstellen dat hij haar zou kunnen meebrengen. Hij had mijn kloppen op de deur niet gehoord en toen ik de hand op zijn schouder legde, sloeg hij voor het eerst de oogen op.
„Wel, jongeheer Davy, dat is vriendelijk van u! Ga zitten! Gij zijt hartelijk welkom, mijnheer! Dank u, dank u, voor uw bezoek!”
„Baas Peggotty,” zei ik, een stoel nemende, „verwacht niet te veel van mijn bezoek. Ik heb het een en ander omtrent haar vernomen.”
„Omtrent Emily?”
Hij bracht zijne hand met eene zenuwachtige beweging naar zijn mond, werd doodsbleek en keek mij vragend aan.
„Ik kan u niet zeggen waar zij is, maar zij is niet meer bij hem.”
Zonder een enkel woord te spreken zat hij doodstil te luisteren naar hetgeen ik te vertellen had. Ik herinner mij nog zeer goed welk een indruk zijn waardige houding, zijn goed gezicht en het geduld, waarmede hij mij aanhoorde, op mij maakten; hij viel mij geen enkele maal in de rede, maar zat met het voorhoofd in de hand naar den vloer te staren. Het scheen dat hij haar gedurende mijn verhaal voor zich zag en zich door niets wilde laten afleiden. Toen ik gedaan had bleef hij stil zitten zonder iets te zeggen. Ik keek gedurende eenigen tijd uit het raam en bekeek de bloemen, die daar stonden.
„Wat is uwe meening omtrent haar, jongeheer Davy?” vroeg hij eindelijk.
„Ik geloof dat zij nog leeft,” antwoordde ik.
„Ik weet het niet. Misschien was die schok te hevig en hare onstuimige natuur....! Dat blauwe water, waarover zij altijd sprak! Zou zij dat gedaan hebben, omdat zij daarin eenmaal haar graf zou vinden?”
Hij zei dit op peinzenden toon met eene zachte, angstige stem, terwijl hij opstond en het kleine kamertje op en neerliep.
„En toch, mijnheer Davy,” voegde hij er bij, „heb ik de overtuiging met mij rondgedragen, dat zij nog leefde; wakend en in mijne droomen heb ik altijd gemeend, dat ik haar zou vinden; dit denkbeeld heeft mij zooveel kracht en moed gegeven, dat ik, naar het mij voorkomt, onmogelijk in eene dwaling kan verkeerd hebben. Neen! Emily _moet_ nog in leven zijn.”
Hij sloeg met de hand op de tafel en zijn door de zon verbrand gelaat nam eene vastberaden uitdrukking aan.
„Mijn nichtje Emily leeft nog, mijnheer!” zei hij op vasten toon. „Ik weet niet hoe het komt of hoe het is, maar _ik weet_ dat zij nog leeft!”
Hij sprak als iemand, die eene ingeving heeft gehad. Ik wachtte nog eenige oogenblikken tot hij mij onverdeelde aandacht kon schenken en daarna deelde ik hem mede welke maatregelen mij den vorigen avond de verstandigste waren voorgekomen.
„Welnu, beste vriend,” begon ik.
„Dank u, dank u, mijnheer,” zei hij, terwijl hij mijne hand in de zijne nam. „Dank u voor dat woord. Mocht zij naar Londen komen, hetgeen wel waarschijnlijk is, want waar zou zij zich beter kunnen verschuilen dan in deze groote stad en wat zou zij liever doen dan zich verschuilen, als zij niet naar huis terugkeert?.... En zij zal niet naar huis terugkeeren, mijnheer!” voegde hij er, treurig het hoofd schuddende, bij, „neen, als zij hem uit eigen beweging verlaten had, dan misschien, maar nu niet!”
„Indien zij hier mocht komen,” zei ik, „is er naar mijn oordeel één persoon, die hare verblijfplaats eerder ontdekken zal dan iemand anders. Herinnert gij u—luister bedaard naar hetgeen ik zeggen zal en denk aan het groote doel, dat gij voor oogen hebt—herinnert gij u Martha?”
„Uit ons stadje?”
De uitdrukking op zijn gelaat maakte het antwoord overbodig.
„Weet gij dat zij in Londen is?”
„Ik heb haar op straat gezien,” antwoordde hij huiverend.
„Gij weet echter niet,” hernam ik, „dat Emily haar, lang voor zij is vertrokken, met behulp van Ham een liefdedienst heeft bewezen. Ook is het u niet bekend dat zij, toen wij op dien avond samen uwe reis bespraken in het Gouden Kruis, achter de deur heeft staan luisteren.”
„Mijnheer Davy?” riep hij verbaasd uit. „Dien avond, toen het zoo hard sneeuwde?”
„Ja dienzelfden avond. Na dien tijd heb ik haar niet meer gezien. Toen ik afscheid van u genomen had, ging ik terug om eens met haar te spreken; maar zij was verdwenen. Ik wilde liever niet met u over haar spreken en dat wil ik nu liever ook niet doen; maar zij is de persoon, die ik bedoel en wier hulp wij moeten inroepen. Begrijpt gij me?”
„Maar al te goed, mijnheer,” antwoordde hij. Wij waren langzamerhand tot den fluistertoon overgegaan en bleven dien behouden.
„Gij zegt dat gij haar gezien hebt. Zoudt gij haar kunnen vinden? Voor mij zou dat zeker een groot toeval zijn.”
„Ik vermoed, mijnheer Davy, dat ik wel weet waar ik haar moet zoeken.”
„Het is een donkere avond. Zullen wij haar samen gaan zoeken?”
Dit aanbod werd aangenomen en baas Peggotty maakte zich terstond gereed om mij te vergezellen. Zonder te laten blijken dat ik hem gade sloeg, zag ik hoe zorgvuldig hij alles gereed maakte voor hare ontvangst, een kaars en lucifers klaar zette, het bed in orde bracht en eindelijk een latafel opende en een japon voor haar te voorschijn haalde—ik herinnerde mij zeer goed haar daarin gezien te hebben—en netjes opgevouwen met eenige andere kleedingstukken en een hoed op een stoel legde. Hij sprak geen woord over deze kleederen en daarom zweeg ik er ook over. Hoeveel avonden en nachten zouden ze reeds op haar hebben gewacht?!
„Er is een tijd geweest, mijnheer Davy,” zei hij, toen wij beneden waren, „waarin ik dat meisje, die Martha, niet goed genoeg achtte om Emily het slijk van de voeten te kussen. De Hemel moge het mij vergeven, maar de omstandigheden, zijn nu gewijzigd!”
Al voortwandelende vroeg ik hem hoe 't Ham ging, gedeeltelijk uit belangstelling, maar ook om hem af te leiden. Hij antwoordde mij bijna met dezelfde woorden als vroeger, dat Ham altijd dezelfde bleef, nooit morde, zijn leed droeg als een man en dat iedereen van hem hield.
Ik vroeg hem wat hij dacht van Ham's stemming ten opzichte van den bewerker van zijn ongeluk. Wat zou Ham doen indien het noodlot hem en Steerforth eens te zamen bracht?
„Ik weet het niet, mijnheer,” antwoordde hij. „Ik heb er menigmaal over gedacht, maar kan er geen antwoord op vinden.”
Ik bracht hem dien morgen vóór ons vertrek in herinnering, toen wij met ons drieën langs het strand hadden geloopen. „Herinnert gij u,” vroeg ik, „den woesten blik, waarmede hij over de zee keek en over ‚het einde’ sprak?”
„Zeker!”
„Wat bedoelde hij daarmede?”
„Mijnheer Davy, ik heb mij zelven die vraag honderd malen gedaan, maar ook daarop geen antwoord kunnen vinden. Zonderling, hoe zachtmoedig zijn karakter ook is, ik zou hem toch niet gaarne vragen wat hij daarmede bedoeld heeft. Hij heeft nooit een oneerbiedig woord tot mij gesproken, hij is mij altijd even onderdanig geweest, zoodat het niet waarschijnlijk is dat hij nu een anderen toon tegen mij zou aanslaan; maar het is ver van kalm in zijn gemoed. Ik kan het niet peilen.”
„Gij hebt gelijk,” antwoordde ik, „maar het maakt mij nu en dan angstig.”
„Mij ook, mijnheer Davy,” antwoordde baas Peggotty. „Het maakte mij zelfs nog angstiger dan zijne tegenwoordige roekeloosheid, die ook een gevolg is van de verandering, welke met hem heeft plaats gegrepen. Ik weet niet of hij een daad van geweld zou kunnen plegen, maar ik hoop dat zij elkander uit den weg zullen blijven.”
Wij waren intusschen door Temple Bar in de City gekomen en spraken nu niet meer, want baas Peggotty wandelde naast mij voort, geheel vervuld met het ééne groote doel van zijn leven. Zoo strak keek hij voor zich uit, dat hij zich zelf in de drukste omgeving eenzaam zou gevoeld hebben. Niet ver van Blackfriars Bridge keerde hij zich naar mij toe en wees mij eene eenzame vrouw aan, die aan den overkant langs de straat zwierf. Ik herkende haar terstond als de persoon, die wij zochten.
Wij staken de straat over en haastten ons reeds om haar in te halen, toen de gedachte in mij opkwam, dat zij misschien meer belangstelling in het verloren schepsel zou aan den dag leggen, indien wij haar op een rustiger plekje buiten het gewoel aanspraken, waar zij niet zoo de aandacht trok. Ik gaf daarom baas Peggotty den raad haar thans niet aan te spreken, maar haar te volgen; tegelijkertijd kwam ik daarmede mijn eigen verlangen te gemoet om te weten waar zij heenging.
Hij stemde toe en zoo volgden wij haar op een afstand, zorg dragende haar niet uit het gezicht te verliezen noch haar te dicht te naderen, aangezien zij meermalen omkeek. Eenmaal bleef zij staan, ten einde naar een troep muzikanten te luisteren en toen bleven wij ook staan.
Ons geduld werd op eene zware proef gesteld, want wij moesten een langen weg afleggen. Het was duidelijk, dat zij op een bepaald doel afging, maar juist deze omstandigheid en het feit, dat zij de drukste straten uitkoos, zoomede, naar ik vermoed, de vreemde gewaarwording, om iemand zoo heimelijk te volgen, deed mij bij ons eerste besluit blijven. Eindelijk sloeg zij een stille, donkere straat in, waar niets meer aan het gewoel en gedruisch der groote stad deed denken, en zei ik: „Laat ons haar nu aanroepen.” Wij versnelden onzen pas en gingen haar na.
XLVII.
Martha.
Wij waren nu in Westminster, want bij Westminster Abbey had zij de drukke straten verlaten, en wij waren omgekeerd om haar te volgen. Toen zij eenmaal door den stroom van voetgangers, die van en naar de brug kwamen, heen was, liep zij zoo snel voort, dat wij moeite hadden om haar te volgen, te meer, omdat zij ons een goed eind vooruit was. In eene smalle, langs het water loopende straat bij Millbank, haalden wij haar eindelijk in. Op dat oogenblik stak zij de straat over, alsof zij bang was voor de voetstappen, die zij achter zich hoorde, en zonder om te kijken, liep zij steeds sneller voort.
Een blik op de rivier door een smal poortje, waaronder eenige wagens stonden, deed mij plotseling als vastgenageld blijven staan. Ik raakte mijn metgezel even zwijgend aan en beiden begrepen wij, dat wij voorzichtig moesten zijn, en volgden haar zoo stil wij konden, steeds in de schaduw van de huizen blijvende maar dicht achter haar.
Er stond, en terwijl ik dit schrijf, staat er, aan het einde van deze straat, die zeer laag ligt, een vervallen houten gebouwtje, waarschijnlijk een oud veerhuisje. Het staat juist daar, waar de straat eindigt en de weg doorloopt tusschen ééne rij huizen en de rivier. Zoodra zij op dat punt gekomen was en de rivier zag, bleef zij staan, alsof zij hare bestemming had bereikt; waarna zij den waterkant volgde met den blik onafgewend op den stroom gericht.
Zoo lang wij haar gevolgd hadden was ik in de meening gebleven, dat zij naar de een of andere woning ging; zelfs had ik de hoop in mij voelen wakker worden, dat wij daar wel iets van de ongelukkige Emily zouden vernemen. Die ééne blik had mij echter instinctmatig voorbereid op een droevig tooneel, zooals er in de groote stad elken dag worden afgespeeld.
Het was in die dagen eene akelige buurt, zoo eenzaam en droefgeestig als er maar een in geheel Londen was. Daar waren toen werven noch huizen op dit verlaten gedeelte voorbij de groote gevangenis. De muren waren omringd door een moddergracht. Gemeen gras en welig tierend onkruid, anders zag men niets op dit moerassige land. Op één punt stonden eenige nooit afgewerkte huizen op den slooper te wachten. Op een ander was de grond bedekt met verroeste ijzeren brokstukken van stoomketels, wielen, krukken, pijpen, vuurhaarden, schroefbladen, ankers, duikerklokken, molenwieken en al zulke vreemdsoortige voorwerpen meer, door den een of anderen speculant bijeengegaard en nu langzaam wegzinkende in de modder, alsof ze geen ander doel hadden dan zich te verbergen voor ieders oog. Het geraas en de vuurgloed van eenige fabrieken aan den waterkant scheen in den donkeren nacht op alles storend te werken behalve op den dikken, vetten rook, die uit de schoorsteen opsteeg. Een glibberig pad tusschen half vergane houten palen door, waaraan eene walgelijke zelfstandigheid kleefde, die op groen haar geleek, terwijl er nog de overblijfselen aan te vinden waren van lang vergeten afkondigingen, waarin aan den vinder van verdronkenen eene belooning werd toegezegd, voerde bij eb door slijk en modder heen naar den waterkant. Er werd verteld dat hier ongeveer de putten waren gegraven waarin zij, die in het cholerajaar aan deze ziekte gestorven waren, begraven werden, en dat van dit jaar af deze plek een heilloozen invloed geoefend had op de geheele omgeving. Ook is het mogelijk dat de tallooze overstroomingen van het onreine water zulk een afzichtelijken toestand hadden teweeggebracht.
Het meisje, dat wij zoo lang gevolgd hadden, stond daar eenzaam en verlaten in het water te staren, zoo stil en onbewegelijk alsof ook zij daar was neergeworpen door den vloed en veroordeeld om op deze plek te vergaan.
Er lagen eenige schuiten en booten in de modder op het strand, waardoor het ons mogelijk was haar onopgemerkt tot op eenige meters te naderen. Ik gaf toen baas Peggotty een teeken om te blijven waar hij was en trad alleen uit de schaduw te voorschijn om haar aan te spreken. Het was niet zonder beven, dat ik die eenzame gestalte naderde, want dit afgrijselijk einde van hare lange wandeling, blijkbaar met het besliste plan om zich van het leven te berooven; de houding, waarin zij daar stond in de grillige schaduw van de brug, starende naar de kronkelende lichtstrepen in den opkomenden vloed, alles te zamen joeg mij angst aan.
Ik meen dat zij in zich zelve stond te praten; maar ik weet zeker dat hare handen in haar omslagdoek waren gerold of dat zij nog daarmede bezig was, terwijl zij in het water staarde; hare bewegingen deden denken aan een slaapwandelaarster. Ik weet ook dat zij den indruk op mij maakte alsof zij voor mijne oogen in den grond zou zinken, indien ik niet spoedig den arm om haar heensloeg.
„Martha!” zei ik plotseling.