Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 70
„Dat was de eerste schaduw op mijn nieuwe leven,” vervolgde Annie. „Dat was de eerste aanleiding tot elke schaduw, die mijn leven verduisterd heeft. En in den laatsten tijd zijn er meer schaduwen geweest dan ik heb kunnen tellen; maar, beste vriend, niet naar aanleiding van hetgeen gij onderstelt, want nooit is er in mijn hart eene gedachte opgekomen, die mij van u zou kunnen vervreemden.”
Zij sloeg de oogen op, vouwde de handen en keek hem aan met een blik, zoo trouw en rein als die eens engels. Van dit oogenblik af keek de doctor haar even strak aan als zij hem.
„Men kan mama niet verwijten,” ging zij voort, „ooit iets voor zich zelve gevraagd te hebben; ja, ik ben overtuigd dat hare bedoelingen altijd zuiver zijn geweest; maar toen ik zag hoeveel lastige aanspraken—alsof iemand eenige aanspraken had!—men uit mijn naam liet gelden; hoe men voordeel trachtte te trekken van u, hoe edelmoedig gij waart, hoe boos mijnheer Wickfield, die niets dan uw welzijn op het oog had, mij telkens aankeek, toen werd langzamerhand het gevoel in mij wakker, alsof men de lage verdenking koesterde dat ik mij aan u had verkocht,—een onverdiende, schandelijke verdenking, die gij met mij moest deelen. Ik kan u niet zeggen—en mama kan het zich niet voorstellen—hoe vreeselijk het was altijd met dat angstige gevoel rond te loopen, terwijl ik toch meende een gelukkig en eervol huwelijk te hebben gesloten.”
„Dat is nu de dank, die men oogst, als men voor zijne familieleden zorgt,” zei mevrouw Markleham met tranen in de oogen. „Ik wilde dat ik een Turk was!”
„Ik ook van ganscher harte.... en dat gij in uw land gebleven waart,” zei tante zachtjes.
„Toen kwam de tijd, waarin mama in de bres sprong voor Jack Maldon. Ik had veel van hem gehouden,” sprak zij heel zacht, „zeer veel zelfs. In onze kinderjaren waren wij menigmaal bruid en bruidegom, man en vrouw. Hadden de omstandigheden het niet anders gewild, dan zou ik wellicht hebben kunnen gelooven dat ik hem werkelijk liefhad; misschien zou ik ook met hem getrouwd en diep ongelukkig geworden zijn. Wij zouden volstrekt niet bij elkander gepast hebben. Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin.”
Niettegenstaande ik met de grootste aandacht hare verdere woorden volgde, bleef ik toch over dezen laatsten volzin peinzen, alsof ik daarbij bijzonder belang had, alsof er eene toespeling in lag, die ik niet raden kan. „Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin.... één van ziel en één van zin....”
„En Maldon en ik,” vervolgde Annie, „zijn in geen enkel opzicht één. In geen enkel opzicht. Indien ik mijn echtgenoot voor niets anders te danken had, zou ik hem toch innig dankbaar zijn, omdat hij mij bewaard heeft voor den dwaasten stap, dien ik in mijn onervarenheid had kunnen doen.”
Zij stond nu vlak tegenover den doctor en sprak met een ernst, die mij aangreep. Toch bleef hare stem even zacht en kalm als te voren.
„Terwijl hij door uwe goedheid en mildheid werd voortgeholpen, ter wille van mij, en ik mij ongelukkig gevoelde wijl ik den schijn van zelfzucht op mij laadde, had hij beter gedaan zich zelven door hard te werken een weg door het leven te banen. Ware ik in zijne plaats geweest, dan zou ik het beproefd hebben, al ware het mij nog zwaar gevallen. Toch dacht ik niet slecht van hem tot den avond vóór zijn vertrek naar Indië. Dien avond zag ik in hoe valsch en ondankbaar hij was. De wijze, waarop mijnheer Wickfield mij toen gadesloeg, kreeg eene dubbele beteekenis voor mij. Voor de eerste maal kwam er een duister vermoeden in mij op van de verdenking, die op mij rustte.”
„Verdenking, Annie?” riep de doctor. „Neen, neen, neen!”
„In uw hart kwam die niet op, dat weet ik, beste man!” antwoordde zij. „En toen ik dien avond bij u kwam, om den last, die mij drukte aan uwe voeten neer te leggen, om u te zeggen dat een mijner verwanten, voor wien gij een weldoener waart, onder uw eigen dak woorden tot mij gesproken had, die hij nooit had mogen uiten, zelfs al ware ik het zwakke, verachtelijke, zelfzuchtige schepsel geweest, waarvoor hij mij scheen te houden, deinsde ik terug voor het uitspreken van zulke schandelijke woorden. Ze bestierven mij op de lippen en tot heden heb ik ze in mijn binnenste bewaard.”
Mevrouw Markleham loosde een zucht en liet zich achterover in haar gemakkelijken stoel vallen, terwijl zij haar waaier voor zich hield, alsof zij er nooit meer achter uit wilde komen.
„Van dat oogenblik af heb ik nooit meer een woord met hem gesproken dan in uwe tegenwoordigheid; en uwe goedheid om in het geheim u zijn lot aan te trekken en mij den uitslag van uwe bemoeiingen als eene verrassing mede te deelen, kon, dit zult gij thans begrijpen, mijn verdriet slechts vermeerderen, den last, waaronder ik gebukt ging, slechts verzwaren.”
Nogmaals zonk zij voor haar echtgenoot neer, hoewel hij alles deed om het te beletten; en terwijl zij met tranen in de oogen tot hem opzag, sprak zij:
„Antwoord nu nog niet. Laat mij voortgaan. Ik weet niet of ik goed of slecht gehandeld heb, maar ik zou niet anders handelen, indien ik nogmaals dien tijd moest doorleven. Gij kunt niet beseffen hoe hard het mij viel, terwijl ik door al die oude banden met hart en ziel aan u gehecht was, te moeten ondervinden dat men de reinheid van mijn hart in twijfel trok, dat ik mij aan u had verkocht, dat ik slechts den schijn aannam van met u gelukkig te zijn. Ik was jong en had niemand, die mij met raad kon bijstaan. Mama en ik verschilden, waar het u betrof, te veel van gevoelen. Indien ik mij terugtrok en de beleediging, waaraan ik had blootgestaan, voor u verborgen hield, was dat slechts omdat ik u te veel hoogachting toedroeg en verlangde dat gij ook mij zoudt achten.”
„Annie, lieve, reine ziel!” zei de doctor, „arme, lieve vrouw!”
„Nog een paar woorden slechts! Ik heb dikwijls gedacht dat, als gij een ander meisje de voorkeur hadt gegeven, gij u niet zooveel last en zorgen op den hals zoudt hebben gehaald, gij een veel aangenamer tehuis zoudt hebben gehad. Ik heb dikwijls gemeend dat het beter ware geweest indien ik uw leerling, ja, bijna uw kind ware gebleven. Ik paste naar ik vreesde, zoo weinig bij uwe geleerdheid. Mocht ik dientengevolge mij hebben teruggetrokken, hetgeen ik werkelijk gedaan heb, dan was dit alleen, omdat ik u zoo hoog achtte en de hoop koesterde, dat er eenmaal een dag zou aanbreken, waarop gij ook mij zoudt kunnen achten.”
„Die dag is reeds lang geleden aangebroken, Annie,” antwoordde de doctor, „en kan slechts gevolgd worden door één langen, donkeren nacht.”
„Nog iets! Het is mijn voornemen, mijn vaste voornemen geweest u onkundig te laten van de onwaardige handelingen van iemand, voor wien gij zoo goed zijt geweest. Ik wilde dat verdriet alleen dragen. En nu nog een enkel woord, beste aller vrienden! De oorzaak van de verandering, welke in den laatsten tijd in u heeft plaats gegrepen en die ik met zooveel leedwezen heb opgemerkt en toegeschreven aan mijne oude vrees—somtijds ook waren mijne vermoedens dichter bij de waarheid—is deze avond opgehelderd; door eene toevallige omstandigheid ben ik heden avond ook te weten gekomen, hoe volkomen uw vertrouwen in mij is, in weerwil van de vermoedens, die men in u heeft willen opwekken. Ik kan bijna niet verwachten dat de liefde en trouw, waarmede ik u daarvoor kan beloonen, mij ooit dat onwaardeerbare vertrouwen zullen waardig maken; maar nu ik dit alles weet, kan ik mijne oogen vrijmoedig tot dit dierbare gelaat opheffen, tot een gelaat, dat ik vereer als dat van een vader, liefheb als dat van mijn echtgenoot, van mijn jeugd af gekend heb als dat van een vriend, en plechtig verklaren dat ik u zelfs met mijne gedachten geen onrecht heb aangedaan, dat ik nooit geweifeld heb in mijne liefde en trouw, die ik u verschuldigd ben!”
Zij had hare armen om den hals van haar echtgenoot geslagen en hij had zijn hoofd voorovergebogen, zoodat zijne grijze haren zich met haar bruine krullen vermengden.
„O, druk mij aan uw trouwe hart, beste man! Verban mij niet! Denk noch spreek ooit over ongelijkheid tusschen ons, want die bestaat alleen in mijne tallooze onvolmaaktheden. Elk jaar heb ik dat meer en meer leeren beseffen met het toenemen van mijne achting voor u. O, druk mij aan uw hart, beste man, want mijne liefde was gebouwd op eene rots en zal blijven tot in lengte van dagen!”
Gedurende de stilte, die nu intrad, wandelde tante deftig naar mijnheer Dick, zonder zich ook maar eenigszins te haasten, en gaf hem een luid klinkenden kus. Het was zeer goed dat zij dit deed, want zij noodzaakte hem daardoor van zijn voornemen af te zien, om zijne blijdschap te betuigen door op één been te gaan staan. Ik meende ten minste dat ik hem daarop betrapte.
„Gij zijt een merkwaardig man, Dick!” zei tante op een toon, waarin onvoorwaardelijke goedkeuring gelegen was; „doe maar nooit alsof gij iets anders waart, want ik weet wel beter.”
Na deze woorden nam zij hem bij de mouw en gaf mij een wenk, waarop wij met ons drieën stilletjes teruggingen.
„Onze militaire vriendin heeft in elk geval een beslissende nederlaag geleden,” zei tante op weg naar huis. „Al was er niets meer om blijde over te zijn, zou ik daarom alleen reeds beter slapen!”
„Ik vrees dat het haar diep getroffen heeft,” zei mijnheer Dick op medelijdenden toon.
„Wat? Hebt gij ooit een krokodil ontroerd gezien?” vroeg tante.
„Ik geloof dat ik nooit een krokodil gezien heb,” antwoordde mijnheer Dick.
„Zonder dat oude kanalje zou er nooit iets gehaperd hebben,” zei tante met buitengewonen nadruk. „Het zou te wenschen zijn dat sommige moeders hare dochters aan haar lot overlieten, als zij trouwden, en niet zoo vreeselijk aan haar gehecht bleven. Zij schijnen te denken dat zij het recht hebben hare dochters, omdat zij ze in de wereld hebben geholpen—alsof zoo'n kind er om gevraagd heeft!—zoo lang te plagen tot zij er weer uit is. Wat denkt gij daarvan, Trot?”
Ik peinsde over alles wat ik had bijgewoond. Een aantal uitdrukkingen, die gebezigd waren, hadden indruk op mij gemaakt. „Geen huwelijk kan gelukkig zijn, wanneer man en vrouw niet zijn één van ziel en één van zin. Mijne liefde was gebouwd op eene rots....”
Wij naderden onze woning; de verdorde bladeren lagen vertrapt langs den weg en in den tuin en een koude herfstwind woei ons tegen.
XLVI.
Tijding.
Afgaande op mijn slecht geheugen voor datums, moet ik ongeveer een jaar getrouwd zijn geweest, toen ik op zekeren avond, van eene eenzame wandeling terugkeerende, geheel vervuld met het boek, waaraan ik bezig was—het was mijn eerste roman, waaraan ik mij na den bijval, die mijne novellen verworven hadden, gewaagd had—langs de woning van mevrouw Steerforth kwam. Ik woonde in hare buurt, maar had hare woning altijd vermeden wanneer ik een anderen weg kon kiezen. Dit was echter niet altijd gemakkelijk, zonder een langen omweg te maken, zoodat ik daar nogal dikwijls langs kwam; gewoonlijk wandelde ik er met een vluggen pas voorbij en aangezien het huis er altijd even somber en verlaten uitzag, had ik het nu en dan slechts even met een blik verwaardigd. Geen van de zitkamers grensde aan den weg en de smalle, lage ramen, waarachter de gordijnen altijd waren neergelaten, hadden niets uitlokkends. Behalve de hoofddeur was er nog een ingang, die zelden gebruikt werd en dien men bereikte door een overdekte gang over een klein pleintje; boven die deur bevond zich een rond trapvenster, geheel verschillend van alle andere; dit was het eenige venster, waarvoor geen gordijn was, maar toch maakte het den indruk alsof het een venster was van een onbewoond huis. Ik herinner mij niet er ooit licht te hebben gezien. Ware ik een onbekende geweest, die daar toevallig voorbij kwam, dan zou de gedachte in mij zijn opgekomen dat daar iemand gestorven was, zonder kind of kraai na te laten. Had ik die woning niet gekend—hoe gelukkig zou dat geweest zijn!—dan zouden er zonder twijfel tal van gissingen in mijn brein zijn opgekomen. Ik deed nu maar mijn best om er zoo weinig mogelijk aan te denken, maar mijn geest kon de woning niet vermijden, zooals mijn lichaam; zoodat ik mij meermalen betrapte op langdurige overpeinzingen dienaangaande. Op den avond, waarover ik wil schrijven, wandelde ik ook in gepeins verzonken voort, toen ik mij plotseling hoorde roepen. Het was een vrouwenstem, en weldra herkende ik het kleine kamermeisje van mevrouw Steerforth, dat vroeger blauwe linten aan hare muts had gedragen. Zij had die nu weggelaten, naar ik onderstel, om in overeenstemming te zijn met de veranderde stemming in huis en droeg thans niets dan een paar sombere bruine strikjes.
„Zoudt gij zoo goed willen zijn eens binnen te komen, mijnheer? Juffrouw Dartle zou u gaarne eens spreken.”
„Heeft juffrouw Dartle u gezonden om mij dat te vragen?”
„Van avond niet, mijnheer, maar dat doet er niet toe. Juffrouw Dartle zag u een paar dagen geleden voorbijkomen en heeft mij opgedragen u binnen te roepen, wanneer ik u weder zag.”
Ik keerde terug en vroeg haar hoe mevrouw Steerforth het maakte, waarop zij mij antwoordde, dat mevrouw niet wel was en meestal hare kamer hield.
Toen wij bij het huis aankwamen verwees zij mij naar juffrouw Dartle, die in den tuin zat, en liet het aan mij zelven over om mij aan te dienen.
Juffrouw Dartle zat op eene bank, die op eene kleine hoogte stond, vanwaar men een uitzicht had op de groote stad. Het was een sombere avond; de lucht had een doodsche, loodgrijze tint en toen ik die onheilspellend verlichte wolken zag, waartegen hier en daar een hoog gebouw of een boom dreigend afstak, vond ik daarin eene zonderlinge overeenkomst met de herinnering, welke ik van deze harde, strenge, verbitterde vrouw behouden had.
Toen zij mij zag aankomen stond zij even op om mij te begroeten. Ik vond haar nog bleeker en magerder dan toen ik haar de laatste maal gezien had; hare oogen schenen echter nog feller te schitteren en het litteeken was duidelijker te zien dan ooit.
Onze ontmoeting was niet hartelijk. Wij waren den laatsten keer boos gescheiden, en zij had een air van minachting over zich, dien zij volstrekt niet trachtte te verbergen.
„Men heeft mij gezegd dat gij mij wenscht te spreken, juffrouw Dartle,” zei ik, bij haar staande met de hand op de leuning van de bank, want ik had de uitnoodiging om te gaan zitten niet aangenomen.
„Ik wilde u alleen vragen of dat meisje al gevonden is,” vroeg zij.
„Neen.”
„En toch is zij weggeloopen!”
Ik zag de trekking in hare dunne lippen, terwijl zij mij aankeek, alsof het haar moeite kostte om de afwezige niet met verwijten te overladen.
„Weggeloopen?” vroeg ik.
„Ja! Van hem!” zeide zij lachend. „Als zij nog niet gevonden is, zal zij wel nooit terug komen. Misschien is zij wel dood!”
Nooit zag ik op het gelaat van een mensch zulk eene uitdrukking van wreed leedvermaak als op dit oogenblik op het gelaat van juffrouw Dartle.
„Haar dood te wenschen,” antwoordde ik, „is zeker het beste, wat iemand van haar eigen sekse voor haar doen kan. Het doet mij genoegen, juffrouw Dartle, dat de tijd uw oordeel zooveel zachter gemaakt heeft.”
Zij verwaardigde zich niet mij hierop te antwoorden, maar keerde mij met een verachtelijken glimlach den rug toe, zeggende:
„De familieleden van dat uitmuntende en zwaar verongelijkte meisje zijn vrienden van u. Gij zijt voor hen in het strijdperk getreden en voor hunne zoogenaamde rechten opgekomen, niet waar? Wilt gij nu ook weten wat er van haar bekend is?”
„Ja,” antwoordde ik.
Zij stond op met een glimlach om de dunne lippen, die haar nog leelijker maakte, deed een paar schreden in de richting van een heg, die den bloementuin van den moestuin scheidde, en riep met luide stem: „Kom hier!”—alsof zij een of ander onrein dier tot zich riep.
„Gij zult u hier natuurlijk onthouden van vijandige handelingen of wraaknemingen, mijnheer Copperfield,” sprak zij, terwijl zij zich met dienzelfden hatelijken glimlach naar mij omkeerde.
Ik boog het hoofd, zonder eigenlijk te weten wat zij bedoelde; nogmaals klonk haar „Kom hier!” waarna zij terugkeerde, gevolgd door den fatsoenlijken Littimer, die deftiger dan ooit een buiging voor mij maakte en zich daarna achter haar plaatste. In weerwil van de boosaardige uitdrukking op haar gelaat was er toch iets bevalligs, iets vrouwelijks in de zegevierende houding, waarmede zij tusschen ons op de bank plaats nam; zij deed mij op dit oogenblik denken aan eene wreede prinses uit een sprookje.
„Nu,” sprak zij op gebiedenden toon, zonder hem aan te kijken en met de hand op het litteeken—wellicht klopte de oude wond ditmaal meer van blijdschap dan van pijn—„doe mijnheer Copperfield het verhaal van de vlucht.”
„Mijnheer James en ik, freule...”
„Wendt u niet tot mij!” zoo viel zij hem met gefronste wenkbrauwen in de rede.
„Mijnheer James en ik, mijnheer...”
„Tot mij ook niet, als 't u blieft,” zei ik.
Littimer liet zich geen oogenblik van zijn stuk brengen en gaf slechts door eene buiging te kennen, dat hetgeen ons het aangenaamst was hem ook aangenaam was; hij begon dus op nieuw:
„Mijnheer James en ik zijn met dat meisje op reis geweest van het oogenblik af, dat zij Yarmouth verliet en zich onder de bescherming stelde van mijnheer James. Wij hebben een groot gedeelte van het vasteland bereisd, zijn in Frankrijk, Zwitserland en Italië geweest, ja, eigenlijk overal.”
Hij keek naar de rug van de bank, alsof hij daartegen sprak en trommelde er op met de vingers, alsof hij eene piano bespeelde, die geen geluid meer gaf.
„Mijnheer James,” ging hij voort, „scheen buitengewoon gehecht aan dat meisje en bleef standvastiger dan ik hem ooit gekend heb, zoolang ik in zijn dienst ben. Het meisje was bijzonder leerzaam en sprak heel spoedig de taal van het land, waar wij waren, zoodat men haar zeker niet voor hetzelfde buitenmeisje zou gehouden hebben. Ik merkte zeer goed op dat zij overal, waar zij kwam, bewonderd werd.”
Juffrouw Dartle legde hare hand tegen hare zij en ik zag hem heimelijk naar haar kijken en even glimlachen.
„Ja, het jonge vrouwtje werd door iedereen bewonderd. Of het hare kleeding was of de invloed van de lucht en de zon, dat weet ik niet, maar zij trok de algemeene aandacht.”
Nu bleef hij even zwijgen en ik zag dat de oogen van juffrouw Dartle in dien tijd over het landschap dwaalden en dat zij zich op de lippen moest bijten om een antwoord binnen te houden.
Terwijl hij de handen van de bank nam en ze in elkander hield en op één been ging staan, vervolgde Littimer met neergeslagen oogen en het fatsoenlijke hoofd een weinig vooruit en op zijde:
„Gedurende eenigen tijd ging dit leventje zoo voort, al merkte ik zeer goed op dat het jonge vrouwtje nu en dan wat neerslachtig was; ook mijnheer James scheen dit op te merken en eindelijk begon het hem zelfs te vervelen. Nu was het ook spoedig uit met de rust en ik mag wel zeggen dat er toen een moeielijke tijd voor mij aanbrak. Er kwamen herhaaldelijk oneenigheden voor, die echter ook telkens weder werden bijgelegd, zoodat hunne betrekking veel langer duurde dan iemand kon hebben verwacht.”
Juffrouw Dartle wendde hare oogen van het landschap af en keek mij aan met denzelfden blik als zoo straks; terwijl Littimer even kuchte, van been verwisselde en voortging:
„Eindelijk, nadat er tallooze malen heftige woordenwisselingen hadden plaats gehad en verwijten gewisseld waren, verliet mijnheer James op zekeren morgen de villa bij Napels, die wij hadden betrokken—het jonge vrouwtje hield zooveel van de zee—onder voorwendsel van over twee of drie dagen te zullen terugkomen; aan mij de taak opdragende haar te zeggen, dat hij, „ten einde het geluk van beide partijen te bevorderen”—hier volgde dezelfde droge kuch als zoo even—„voor goed was heengegaan.” Ik moet hier bijvoegen dat mijnheer James zich als altijd weder als een man van eer heeft doen kennen, want hij stelde de jonge vrouw voor een huwelijk te sluiten met een hoogst fatsoenlijk man, die ten volle bereid was het verleden over het hoofd te zien en zeker even goed was als iedere andere man, dien zij langs een meer regelmatigen weg zou hebben kunnen krijgen; zij was toch van eene zeer lage afkomst.”
Nogmaals verwisselde hij van been en bevochtigde te gelijkertijd zijne dunne lippen. Ik was overtuigd dat de schurk van zich zelven sprak en in juffrouw Dartle's flikkerende oogen las ik de bevestiging van mijn vermoeden.
„Dit had ik dus in last om haar mede te deelen. Het spreekt van zelf dat ik gaarne alles zou gedaan hebben om mijnheer James uit zijne moeielijke positie te redden en den vrede te herstellen tusschen hem en eene dierbare bloedverwante, die ter wille van hem reeds zooveel verdriet had gehad. Om deze reden aanvaardde ik de opdracht. Toen ik haar mededeelde dat mijnheer James vertrokken was, viel zij in zwijm, en wakker wordende, was zij zoo woest, dat zij met geweld tot kalmte gebracht moest worden; wij moesten haar vastbinden, want, aangezien zij geen wapen bij de hand had, zou zij haar hoofd op den marmeren vloer te pletter hebben geslagen.”
Juffrouw Dartle leunde met een gezicht, dat straalde van voldoening, tegen de leuning van de bank en scheen de woorden, die de ellendeling sprak, als honigzoete taal in zich op te nemen.
„Maar,” ging hij, in zijne handen wrijvende, voort, „toen ik aan het tweede gedeelte van mijne opdracht genaderd was, waarin iedere weldenkende vrouw in elk geval een vriendelijke bedoeling gezien zou hebben, toen kwam haar ware aard voor den dag. Nooit heb ik iemand kwaadaardiger gezien; zij toonde op dat oogenblik welk een slecht karakter zij heeft. Een stok of een steen zou meer dankbaarheid, meer gevoel, meer geduld aan den dag gelegd, beter naar rede geluisterd hebben. Ik ben overtuigd dat zij mij naar het leven zou gestaan hebben, indien ik niet op mijne hoede geweest was.”
„Zij zou daardoor in mijne achting gerezen zijn,” zei ik op verontwaardigden toon.
Littimer boog het hoofd op eene wijze, die naar ik meende te kennen moest geven: „Inderdaad mijnheer? Maar gij zijt nog zoo jong!” en zette toen zijn verhaal voort.
„Kortom, het was noodzakelijk gedurende eenigen tijd alles uit hare nabijheid weg te nemen, waarmede zij zich zelve of anderen letsel zou hebben kunnen toebrengen, en haar op te sluiten. Niettegenstaande mijne voorzorgen wist zij echter te ontsnappen. Op zekeren avond brak zij een zonneblind open, klom langs den wingerd naar beneden en.... sinds dien avond heeft, voor zoover ik weet, niemand meer iets van haar gehoord.”
„Waarschijnlijk is zij dood,” zei juffrouw Dartle met een glimlach, zoo afschuwelijk, dat zij, indien zij daartoe bij machte geweest was, het lijk van de ongelukkige zonder twijfel zou hebben getrapt.
„Misschien is zij verdronken, juffrouw,” antwoordde Littimer, de gelegenheid aangrijpende om tot iemand het woord te richten. „Het is zeer wel mogelijk. Misschien is zij door de schippers en de schippersvrouwen geholpen: want zij verloochende hare lage afkomst niet en zat dikwijls met dat volk op het strand te praten, juffrouw Dartle. Toen mijnheer James eens weg was, zat zij geheele dagen bij hen; ik heb dat zelf gezien. Toen mijnheer James vernam, dat zij aan die menschen verteld had, dat zij ook een visscherskind was en in hare jeugd ook menigmaal langs het strand gevaren had, was hij heel boos.”
O, Emily! Uwe schoonheid is u niet ten zegen geweest! Welk een tafereel rees daar voor mij op! Ik zag haar zitten aan dat ver verwijderde strand, temidden van die vreemde kinderen—evenals aan het strand te Yarmouth, toen zij zelve nog een onschuldig kind was—luisterende naar kinderstemmetjes, zooals zij naar haar eigen kinderen zou geluisterd hebben, indien zij de vrouw van een armen man geworden was, en naar de zware stem van de zee, die eeuwigdurend herhaalde: „Nimmer, nimmer meer!”
„Toen het mij duidelijk bleek, dat ik niets meer kon doen, juffrouw Dartle....”
„Heb ik u niet gezegd, dat gij niet tot mij zoudt spreken?” vroeg zij met diepe minachting.