Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 7
„Ik geloof dat ik niet heel wel ben, lieve Jane”, zei mijne moeder.
Ik zag hem zijne zuster een plechtigen wenk geven, terwijl hij opstond, den stok opnam en zeide:
„Nietwaar, Jane, wij kunnen niet verwachten dat Clara nu reeds opgewassen zal zijn tegen al het verdriet, dat David haar dagelijks veroorzaakt. Zij zou dan ongevoelig moeten zijn. Clara wordt veel flinker en standvastiger, maar zooveel vooruitgang kunnen wij nog niet van haar verwachten. Wij zullen eens samen naar boven gaan, David: Kom, jongen.”
Toen hij mij medenam naar de deur, liep mijne moeder op ons toe; maar juffrouw Murdstone riep: „Zijt gij krankzinnig geworden, Clara?” en kwam tusschen beide. Ik zag nog dat mijne moeder de ooren dichtstopte en ik hoorde haar schreien.
Hij bracht mij naar mijn kamertje, langzaam en plechtig—ik ben overtuigd dat hij behagen schiep in deze vertooning van eene strafoefening—en toen wij daar waren aangekomen, nam hij plotseling mijn hoofd onder zijn arm.
„Mijnheer Murdstone, Mijnheer!” riep ik. „Doe het toch niet! Ik smeek u, sla mij niet! Ik heb werkelijk mijn best gedaan, mijnheer, maar ik kan mijn lessen niet opzeggen, wanneer gij en juffrouw Murdstone er bij zijn! Ik kan het werkelijk niet!”
„Kunt gij dat niet, David?” zei hij. „Dat zullen we eens beproeven.”
Hij had mijn hoofd als in een schroef, maar ik slaagde er in eenigszins rond te draaien, waardoor ik hem gedurende een oogenblik belette te slaan en hem nogmaals smeekte het niet te doen. Het was echter slechts uitstel, want onmiddellijk daarop gaf hij mij een paar hevige slagen; maar te gelijkertijd greep ik met mijne tanden de hand, waarmede hij mij vasthield en beet door. Wanneer ik er aan denk, knars ik nog onwillekeurig op mijn tanden.
Hij sloeg mij toen zoo hevig, alsof hij mij wilde doodslaan. Boven al het rumoer, dat wij maakten, uit, hoorde ik menschen de trap opkomen en schreeuwen... ik hoorde mijne moeder om hulp roepen... en Peggotty... Toen ging hij heen en sloot de deur van buiten af; en ik lag koortsachtig gloeiend, met gescheurde kleeren, razend van pijn en woede op den grond.
Hoe goed herinner ik mij nog de stilte, die er in het geheele huis heerschte, toen ik wat tot bedaren was gekomen. Zulk eene onnatuurlijke stilte! Hoe goed herinner ik mij nog, toen de pijn en de woede wat gestild waren, hoe schuldig ik mij voelde! Langen tijd zat ik te luisteren, maar geen geluid drong tot mij door. Ik kroop van den grond op en bekeek mijn gezicht in den spiegel; het was zoo rood en opgezwollen en misvormd, dat ik er van ontstelde. Mijn geheele lichaam deed mij zeer en bij elke beweging had ik het wel kunnen uitschreeuwen; maar al die pijnen beteekenden niets bij het besef van schuld, dat mij drukte. Ik durf verklaren dat het mij zoo zwaar drukte, alsof ik de afschuwelijkste misdaad had begaan.
Het begon duister te worden en ik had het venster gesloten—ik had gedurende het grootste gedeelte van den tijd met het hoofd op de vensterbank gelegen, nu eens schreiende, dan weder onrustig sluimerend of lusteloos voor mij uit starend—toen de sleutel werd omgedraaid, de deur geopend werd en juffrouw Murdstone binnentrad met wat brood, vleesch en melk. Zij zette alles zonder een woord te spreken op de tafel; staarde mij te gelijkertijd aan met voorbeeldelooze flinkheid, ging toen heen en deed de deur achter zich op slot.
Het was reeds volslagen duister toen ik daar nog zat, nieuwsgierig of er nog iemand komen zou. Toen mij dit voor dien avond onwaarschijnlijk voorkwam, kleedde ik mij uit en ging naar bed; nu begon mij de angst te bekruipen. Wat zou er met mij gedaan worden? Was hetgeen ik gedaan had eene misdaad? Zou ik in hechtenis genomen en in de gevangenis gezet worden? Zouden zij mij misschien ophangen?
Het ontwaken van den volgenden morgen zal ik nimmer vergeten; eerst dat gevoel van verkwikking en toen..... het looden gewicht van de misdaad, dat mij drukte. Juffrouw Murdstone verscheen nog eer ik uit het bed was, vertelde mij dat ik verlof had om gedurende een half uur in den tuin te wandelen—niet langer; waarna zij heenging en de deur open liet, zoodat ik mij zelf helpen kon, indien ik van deze vergunning gebruik wilde maken. Ik deed het en deed het elken morgen gedurende mijne opsluiting, die vijf dagen duurde. Had ik mijne moeder eens alleen kunnen spreken, ik zou op mijne knieën naar haar toegekropen zijn om haar vergiffenis te smeeken; maar behalve juffrouw Murdstone sprak ik gedurende dien ganschen langen tijd niemand. Des avonds werd ik door haar naar de huiskamer gebracht om het gebed bij te wonen; ik kwam dan wanneer allen reeds hunne plaatsen hadden ingenomen en moest, als een kleine uitgeworpene, bij de deur blijven staan, en mijne cipierster geleidde mij met de grootste plechtigheid naar mijne kamer terug, nog eer iemand uit zijne deemoedige houding was opgestaan. Ik merkte alleen op dat mijne moeder zoo ver mogelijk van mij af zat en een anderen kant uitkeek, zoodat ik haar niet te zien kreeg, en dat mijnheer Murdstone zijne hand in een doek droeg.
Ik kan niemand een denkbeeld geven van den ontzettend langen duur dezer twee dagen. In mijne herinnering beslaan zij even zoo vele jaren. De wijze, waarop ik luisterde naar al hetgeen in huis voorviel en hoorbaar voor mij was: naar het overgaan van de huisschel, het openen en sluiten van deuren, het gonzen van stemmen, naar de voetstappen op de trap; naar het lachen, fluiten en zingen buiten, dat mij in mijne eenzaamheid en mijne schande onaangenamer aandeed dan eenig ander geluid; de onbekendheid met den tijd, hoofdzakelijk des avonds, wanneer ik meende dat het reeds morgen was en aan de geluiden in huis hoorde, dat de familie nog niet naar bed was en de lange, lange nacht dus nog moest beginnen; de onrustige droomen en nachtmerries, de terugkeer van den dag, den middag, den achtermiddag en den avond, wanneer de jongens op het kerkhof speelden en ik hen uit mijn venster gadesloeg, zorg dragende mij niet te vertoonen, opdat zij niet zouden weten dat ik een gevangene was; de vreemde gewaarwording dat ik mijn eigen stem nooit hoorde; de vluchtige tusschenpoozen van iets, dat naar opgeruimdheid leek—steeds samenhangende met eten en drinken—; het langzame opkomen van een regenbui op zekeren avond en de daarmede gepaard gaande frissche lucht.... dat alles schijnt jaren in plaats van dagen te zijn voortgegaan, zoo levendig is het mij bijgebleven.
Den laatsten avond van mijne opsluiting werd ik wakker bij het hooren van mijn naam, die fluisterend uitgesproken werd. Ik rees overeind in mijn bed, stak in de duisternis mijne armen uit en vroeg:
„Zijt gij daar, Peggotty?”
Ik kreeg niet onmiddellijk antwoord, maar weldra hoorde ik mijn naam opnieuw, doch op zulk een geheimzinnigen, akeligen toon, dat ik zeker een stuip zou hebben gekregen van angst, als mij niet was ingevallen dat het door het sleutelgat moest zijn gekomen.
Ik kroop naar de deur en mijne lippen voor het sleutelgat plaatsend, fluisterde ik: „Zijt gij daar, lieve Peggotty?”
„Ja, beste David, ik ben het,” antwoordde zij. „Wees zoo stil als een muis, anders hoort ‚de kat’ ons.”
Ik begreep, dat zij juffrouw Murdstone bedoelde en was erg verlegen met het geval, want hare kamer was vlak bij de mijne.
„Hoe maakt mama het, lieve Peggotty? Is zij erg boos op mij?”
Ik hoorde Peggotty schreien aan gene zijde van het sleutelgat, terwijl ik het aan deze zijde deed. „Neen, niet erg,” antwoordde zij eindelijk.
„Wat zal er met mij gebeuren, Peggotty? Weet gij het?”
„Naar school... dicht bij Londen,” was Peggotty's antwoord. Ik was genoodzaakt haar te verzoeken het te herhalen, want de eerste keer had ik vergeten mijn mond van het sleutelgat weg te nemen, zoodat de woorden in mijne keel terecht kwamen in plaats van in mijn oor; ik voelde ze wel kriewelen, maar ik verstond ze niet.
„Wanneer, Peggotty?”
„Morgen.”
„Is dat de reden waarom juffrouw Murdstone mijne kleederen uit de latafel kwam halen?” Zij had dat gedaan, al heb ik vergeten het neer te schrijven.
„Ja,” zei Peggotty. „Koffer pakken.”
„Zal ik mama niet zien?”
„Ja, morgen.”
Daarna bracht Peggotty haar mond zoo dicht mogelijk tegen het sleutelgat en sprak er de volgende woorden door, met zooveel innig gevoel en ernst, als ooit woorden hun weg door een sleutelgat gevonden hebben—daarvan ben ik overtuigd. De zinnen, telkens afgebroken door krampachtige uitbarstingen van droefheid, werden er als het ware doorheen gestooten.
„Als ik niet zooveel voor u... kon zijn als vroeger... lieve David... was dit niet omdat ik.... ik u niet liefhad.... hoor. Ik heb u nog net zoo lief.... als vroeger, mijn beste jongen.... Ik dacht dat het beter voor u was.... en voor nog iemand anders ook.... Davy, beste jongen.... luistert gij wel?.... Kunt gij mij verstaan?”
„Ja-a-a-a, Peggotty,” antwoordde ik snikkend.
„Lieveling!” zei Peggotty op een toon, die innig medelijden verried. „Wat ik u nog wilde zeggen is.... dat gij mij niet moogt vergeten.... Want ik zal u ook nooit vergeten.... En ik zal voor mama zoo goed zorgen.... als ik kan, hoor, Davy.... Even goed als ik altijd voor u gezorgd heb.... Ik zal haar niet verlaten.... Er zal wel eens een dag komen.... dat zij blijde zijn zal.... het afgetobde hoofd..... te kunnen neerleggen.... op den arm van de domme, oude Peggotty..... Ik zal u schrijven, hoor.... beste.... al zal 't niet mooi zijn..... En ik zal.... ik zal....” Peggotty kuste het sleutelgat omdat zij mij niet kon kussen.
„Dank u, lieve Peggotty, dank u!” zei ik. „Dank u... Wilt gij mij één ding beloven, Peggotty?... Wilt gij aan baas Peggotty en aan kleine Emily en aan juffrouw Gummidge en aan Ham schrijven, dat ik niet zoo slecht ben als zij misschien denken?... En dat ik hen nooit zal vergeten... vooral kleine Emily niet.... Wilt gij hun dat schrijven, lieve Peggotty?”
De goede ziel beloofde het en wij kusten beiden het sleutelgat met de grootste teederheid. Ik herinner mij nog zeer goed, dat ik er met de hand over streek, alsof ik werkelijk haar eerlijk gezicht voelde. Van dien avond af ontwikkelde zich in mijn hart voor Peggotty een gevoel, dat ik niet onder woorden kan brengen. Zij vervulde niet de plaats van mijne moeder; dat kon niemand doen; maar zij vulde eene ledige plaats in mijn hart, eene plaats, waarin zij alleen haar zetel opsloeg, zoodat ik voor haar voelde, wat ik voor geen ander menschelijk wezen ooit gevoeld heb. Deze genegenheid had ook iets kluchtigs en toch, als zij gestorven was, kan ik mij niet voorstellen wat ik zou gedaan hebben of hoe ik uiting zou hebben gegeven aan mijne droefheid—want bedroefd zou ik zeker zijn geweest.
Den volgenden morgen verscheen juffrouw Murdstone zoo als gewoonlijk en vertelde mij dat ik naar eene kostschool zou worden gezonden; dit was echter niet zulk groot nieuws voor mij als zij onderstelde. Zij deelde mij mede dat ik, als ik aangekleed was, beneden in de huiskamer mocht komen om te ontbijten. Daar vond ik mijne moeder, bleek en met rood geschreide oogen; ik wierp mij in hare armen en smeekte haar mij vergiffenis te schenken.
„O, David,” sprak zij, „hoe is het mogelijk dat gij iemand, dien ik lief heb, zoo hebt kunnen behandelen? Doe uw best om een brave jongen te worden, bid onzen lieven Heer daarom! Ik vergeef het u, maar het spijt mij zoo dat er zulke booze hartstochten wonen in uw hart!”
Zij hadden haar opgedrongen dat ik een ondeugende jongen was en dat veroorzaakte haar meer verdriet dan mijn heengaan. Ik voelde dit en het bedroefde mij. Ik deed mijn best om mijn boterham naar binnen te krijgen, maar de tranen droppelden op het brood en in de thee. Ik zag dat mijne moeder nu eens naar mij dan weder naar de loerende juffrouw Murdstone keek, om oogenblikkelijk daarna de oogen neer te slaan of naar buiten te zien.
„Is de koffer van den jongeheer Copperfield daar?” vroeg juffrouw Murdstone, toen zij paardengetrappel hoorde.
Ik keek uit naar Peggotty, maar noch zij noch mijnheer Murdstone verscheen. Mijn kennis van voorheen, de voerman, stond bij de deur en bracht mijn koffer naar de kar.
„Clara!” sprak juffrouw Murdstone met haar scherpe stem.
„Wij zijn gereed, lieve Jane,” antwoordde mijne moeder.
„Dag, David. Gij gaat heen omdat het voor uw bestwil is. Dag, mijn kind. Met de vacantie komt gij thuis en dan zijt gij zeker een betere jongen geworden.”
„Clara!” herhaalde juffrouw Murdstone.
„Zeker, lieve Jane,” gaf mijne moeder ten antwoord, terwijl zij mij omhelsde. „Ik vergeef het u, mijn jongen. God zegene u.”
„Clara!” klonk het ten derde male.
Juffrouw Murdstone had de goedheid mij naar de kar te brengen en op weg daarheen te zeggen dat zij hoopte dat ik zou inkeeren tot berouw, want dat het anders zeker slecht met mij zou afloopen. Daarna klom ik op de kar, en het luie paard trok mij voort naar mijne nieuwe bestemming.
V.
Verbannen.
Wij hadden ongeveer eene halve mijl afgelegd en mijn zakdoek was doornat, toen de kar plotseling bleef staan. Toen ik uitkeek naar de aanleiding tot dit oponthoud, zag ik tot mijne groote verbazing Peggotty door een heg kruipen en in de kar klimmen. Zij nam mij in hare armen en drukte mij zoo stijf tegen haar korset, dat mijn neus voor een oogenblik ophield een vooruitstekend lichaamsdeel te zijn; ik dacht echter niet aan pijn voor langen tijd daarna. Peggotty sprak geen woord. Zij liet een harer armen los en stak dien tot aan den elleboog in haar zak, haalde er een papier uit met koekjes en stopte dat in mijn zak, benevens een beurs, die zij mij in de hand duwde, zonder een woord te spreken. Na mij nogmaals en nogmaals omhelsd te hebben, liet zij zich van de kar afglijden en liep weg zoo hard zij kon; ik geloofde toen en ik geloof het nog, dat zij op dat oogenblik geen enkel knoopje meer rijk was aan hare japon. Ik raapte er een op—naast de kar lagen er verscheidene—en bewaarde het als een aandenken, jaren en jaren achtereen.
De voerman keek mij aan alsof hij van mij wilde weten of zij nog terugkwam. Ik schudde het hoofd en zei „neen.” „Vooruit dan,” zei de voerman tegen zijn dommelig paard, dat op die aanmaning ook werkelijk vooruitging.
Aangezien ik nu zooveel geschreid had als mij eenigszins mogelijk was, begon ik te begrijpen dat het tot niets diende om nog langer te schreien, te meer wijl noch Roderick Random, noch die kapitein van de Koninklijke Marine, voor zoo ver ik mij herinnerde, ooit geschreid hadden in kritieke gevallen. De voerman scheen te begrijpen welk besluit ik genomen had, en stelde voor mijn zakdoek over den rug van het paard uit te spreiden om te drogen. Ik nam dat voorstel dankbaar aan en o, wat leek die zakdoek klein, toen hij daar op dien breeden rug lag.
Ik had nu tijd genoeg om de beurs te bekijken. Het was een stijf lederen beursje met een knip en bevatte twee blanke shillingen, die Peggotty blijkbaar met krijt had opgepoetst, om mij genoegen te doen. Maar het kostbaarste van den inhoud waren twee halve kronen in een papiertje, waarop mijne moeder zelve geschreven had: „Voor David, voor mijn lieveling.” Ik was zoo ontroerd toen ik deze woorden las, dat ik den voerman verzocht mij den zakdoek eens aan te reiken; hij meende echter dat ik het maar zonder zakdoek doen moest, en ik meende dat hij gelijk had, waarom ik mijne oogen met de mouw van mijn buis afveegde en verder mijne tranen binnenhield. En—voor goed; hoewel de aandoening van het laatste uur mij nu en dan nog wel eens een diepen snik afperste. Nadat wij zoo eenigen tijd zwijgend waren voortgesukkeld, vroeg ik den voerman of hij mij heelemaal wegbracht.
„Wat is heelemaal?” vroeg de voerman.
„Tot ‚daar’,” zei ik.
„Waar is ‚daar’?” vroeg hij.
„Dicht bij Londen,” zei ik.
„Wel, het paard,” antwoordde de voerman, terwijl hij de teugels aantrok om aan te geven welk paard hij bedoelde, „zou het afgelegd hebben eer wij half weg waren.”
„Gaat gij dan niet verder dan Yarmouth?” vroeg ik.
„Ja, tot Yarmouth,” antwoordde de voerman, „en daar breng ik u op den omnibus en de omnibus brengt u waar gij wezen moet.”
Aangezien zulk een lang antwoord voor Barkis—zoo heette de voerman—een heel ding was—hij scheen mij bijzonder leuk toe en een vijand van praten—bood ik hem als blijk van erkentelijkheid een koekje aan, dat hij in eens in den mond stak, evenals een oliphant, en dat niet meer invloed op zijn dik gezicht had dan het bij een oliphant zou gehad hebben.
„Heeft zij die gebakken, zeg?” vroeg Barkis, zonder uit zijne voorover hangende houding op te staan of den arm van zijn knie af te nemen.
„Meent gij Peggotty, mijnheer Barkis?”
„Ja,” antwoordde Barkis, „ik meen haar.”
„Zij bakt en kookt alles bij ons.”
„Doet zij dat werkelijk?” vroeg Barkis. Daarna spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten, maar hij floot niet. Hij staarde tusschen de ooren van het paard door, alsof hij daar iets bijzonders zag, en bleef zoo langen tijd zitten. Eindelijk vroeg hij: „Geen kapers?”
„Wat zegt gij, mijnheer Barkis?” Ik meende dat hij daarmede de eene of andere eetwaar bedoelde, omdat wij het laatst over bakken hadden gesproken.
„Een vrijer,” zei Barkis. „Heeft zij niemand om mede uit te gaan?”
„Peggotty?”
„Zij, ja.”
„O neen, zij heeft nooit een vrijer gehad.”
„Zoo, heeft zij er geen gehad?”
Weder spitste hij de lippen alsof hij wilde fluiten en floot niet, maar keek tusschen de ooren van het paard door.
„Dus,” begon hij weder, „zij bakt al de appeltaarten en kookt alles zelve?”
Ik herhaalde dat zij dit werkelijk deed.
„Dan zal ik u eens wat vertellen,” zei Barkis. „Misschien schrijft gij haar wel eens?”
„Zeker zal ik haar schrijven,” antwoordde ik.
„Zoo!” zei hij, het hoofd langzaam naar mij omwendende. „Wanneer gij haar schrijft, moet gij niet vergeten te schrijven, dat Barkis wel wil, zult gij?”
„Dat Barkis wel wil,” herhaalde ik in mijn onschuld. „Is dat de geheele boodschap?”
„Ja-a,” zei hij peinzend. „Ja-a, Barkis wil wel.”
„Maar gij komt morgen in Blunderstone terug, mijnheer Barkis,” zei ik, een weinig stotterend bij de gedachte dat ik dan ver weg zou zijn, „gij zoudt uw boodschap veel spoediger zelf kunnen overbrengen.”
Deze raad werd met een ongeduldig hoofdschudden beantwoord en nogmaals herhaalde hij zijn verzoek door op plechtigen toon te zeggen: „Barkis wil wel. Dat is de boodschap,” zoodat ik de opdracht bereidwillig overnam. Toen ik dien zelfden namiddag in het logement op den omnibus zat te wachten, verzocht ik papier, inkt en pen en schreef het navolgende aan Peggotty: „Lieve Peggotty. Ik ben hier gezond en wel aangekomen. Barkis wil wel. Dag, lieve mama. Uw liefhebbende David. P.S. Barkis zegt dat gij bepaald weten moet, dat hij wel wil.”
Toen ik deze boodschap op mij genomen had, verviel Barkis weder in zijn vorig gepeins; terwijl ik uitgeput van vermoeienis en aandoening, na alles wat in de laatste dagen was voorgevallen, op een zak in slaap viel. Ik sliep door tot wij Yarmouth binnenreden; het pleintje voor de herberg, waar wij stilhielden, en alles om mij heen was zoo nieuw voor mij, dat ik de flauwe hoop om iemand van Peggotty's familie te ontmoeten—wie weet, kleine Emily misschien—terstond opgaf.
De omnibus stond op het binnenplein, glimmend van boven tot onder, maar nog zonder paarden; het voertuig zag er uit, alsof er zelfs nog nooit over gedacht was daarmede een reis naar Londen te maken. Ik stond daarover te peinzen en was nieuwsgierig naar het lot van mijn koffer, dien Barkis dicht bij den disselboom op het plaveisel had gezet—hij had het pleintje omgereden, omdat hij anders niet draaien kon met zijne kar—en ook naar hetgeen er verder met mij zelven zou gebeuren, toen er eene juffrouw uit een uitspringend venster kwam kijken, waarin eenig gevogelte en een paar hammen waren opgehangen. „Is u de jongeheer uit Blunderstone?” vroeg zij.
„Ja, juffrouw,” zei ik.
„Hoe heet gij?” vroeg zij verder.
„Copperfield, juffrouw,” antwoordde ik.
„Dan heb ik den verkeerde voor,” hernam de juffrouw, „er is hier voor iemand van dien naam geen middagmaal besteld.”
„Is het misschien Murdstone, juffrouw?”
„Zoo gij de jongeheer Murdstone zijt, waarom geeft gij dan eerst een anderen naam op?”
Ik gaf de dame eene verklaring van het geval en onmiddellijk daarop trok zij aan een schel en riep: „William, wijs de koffiekamer!” waarop uit een keuken aan den tegenovergestelden kant van het pleintje een knecht kwam aanloopen, die erg verwonderd scheen dat hij de koffiekamer alleen aan mij moest wijzen.
De koffiekamer was een lang, ruim vertrek, waarin eenige groote landkaarten hingen. Ik weet niet of ik mij wel eenzamer had kunnen voelen, als ik werkelijk op eens in de vreemde landen geplaatst was, welke deze kaarten voorstelden. Ik had een gevoel of ik erg vrijpostig was, toen ik de vrijheid nam, om met mijn pet in de hand op een punt van een stoel te gaan zitten, vlak bij de deur; en toen diezelfde knecht een servet voor mij uitspreidde en een bord, mes, vork en wat daar verder bij behoorde voor mij gereed zette, zal ik hem zeker erg verlegen en met een kleur als vuur hebben aangekeken. Hij bracht mij daarna een paar koteletten en groenten en nam met zulk een zwaai de deksels van de schalen, dat ik meende hem door het een of ander boos gemaakt te hebben. Spoedig stelde hij mij echter gerust door een stoel bij te schuiven en op vriendelijken toon mij toe te voegen: „Nu, zesvoeter, smakelijk eten!”
Ik bedankte hem en trok den stoel wat dichter bij de tafel, maar vond het vreeselijk moeilijk eenigszins handig met mes en vork om te gaan en te voorkomen, dat ik mij met jus bespatte, terwijl hij tegenover mij stond en mij strak aankeek. Telkens wanneer ik zijn blik ontmoette, kreeg ik een hevige kleur.
Toen ik aan de tweede kotelet wilde beginnen, zei hij: „Er is een halve pint ale voor u besteld. Wilt gij die nu hebben?”
Ik bedankte hem weder en antwoordde: „Ja,” waarop hij het uit eene kan in een groot glas schonk en het voor het licht hield om te laten zien, hoe helder het was.
„Wel, wel!” zei hij. „Dat is nog al wat, hé?”
„Ja, het is heel wat,” antwoordde ik glimlachend. Ik vond het heerlijk, dat hij zoo vriendelijk voor mij was. Hij had glinsterende oogen en een gezicht vol puisten; zijn haar was rechtop gekamd en toen hij daar zoo met één arm in de zijde voor mij stond en de andere hand met het bierglas in de hoogte hield, zag hij er _bijzonder_ vriendelijk uit.
„Gisteren was hier een heer,” zei hij, „een zwaarlijvig heer, Topsawyer heette hij.... kent gij hem wellicht?”
„Neen,” antwoordde ik, „ik geloof het niet....”
„Met korte broek en slobkousen, een hoed met een breeden rand, een grijze overjas en een gespikkelde das,” vervolgde de knecht op vragenden toon.
„Neen,” zei ik bijna beschaamd, „ik heb niet het genoegen dien heer te kennen.”
„Hij kwam hier binnen,” zei de knecht, terwijl hij voortdurend het glas tegen het licht hield, „bestelde een glas van dit bier—hij _wilde_ bepaald van dit bier hebben—ik raadde het hem nog af... maar hij _wilde_ het hebben, dronk het ledig en viel dood neer. Het was te oud voor hem. Het moest eigenlijk niet getapt worden, dat zou beter zijn.”
Ik was diep getroffen door dit vreeselijke voorval en zeide dat ik maar liever water wilde drinken.
„Ja, ziet gij,” ging de knecht voort, steeds door het glas naar het licht kijkende met één oog dicht, „de kastelein is altijd boos wanneer iets, dat besteld is, niet gebruikt wordt. Dan acht hij zich beleedigd. Maar _ik_ zal het opdrinken, als gij 't goed vindt. Ik ben er aan gewend... alles went. Ik geloof niet dat het mij kwaad zal doen wanneer ik mijn hoofd goed achterover houd en het in één teug ledig. Zal ik maar?”
Ik zei dat hij mij zeer zou verplichten als hij het deed, ten minste als hij het zonder gevaar doen kon, anders niet. Toen hij nu het hoofd achterover wierp en het glas in één teug ledigde, was ik, dit moet ik bekennen, vreeselijk bang, dat hem hetzelfde lot zou treffen als mijnheer Topsawyer, en ik hem voor mijne voeten zou zien doodvallen. Maar het scheen hem volstrekt niet te hinderen, integendeel, hij keek erg vroolijk.