Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 69

Chapter 694,055 wordsPublic domain

Zij hield getrouw haar woord. Zij was een van die menschen, voor wie de vermaken nooit zijn uitgeput; hare volharding op dit punt liet niets te wenschen over. Zij kreeg de courant nooit in de hand—dagelijks bracht zij op den zachtsten stoel, die in huis te vinden was, twee uur lezende door—of zij vond iets, dat Annie bepaald zien moest. Te vergeefs beweerde Annie, dat zij al dergelijke dingen reeds lang moe was, haar protest baatte niet; want hare moeder had steeds hetzelfde antwoord gereed: „Nu, lieve Annie, dat meent gij niet; ik moet u dan zeggen, dat gij doctor Strong's goedheid op deze wijze slecht zoudt beloonen.”

Dit werd gewoonlijk in tegenwoordigheid van doctor Strong gezegd en scheen mij telkens de reden te zijn, waarom Annie's verzet zoo kort duurde. Zij gaf zich gewoonlijk geheel aan hare moeder over en volgde de oude Overste waarheen deze wilde.

Mijnheer Maldon was zelden in haar gezelschap. Somtijds werden mijne tante en Dora uitgenoodigd, somtijds Dora alleen, en meestal werden die uitnoodigingen aangenomen. Er was een tijd geweest, waarin ik dat ongaarne zou gezien hebben, maar hetgeen op dien zekeren avond in de studeerkamer was voorgevallen had mijne inzichten geheel veranderd en mijn wantrouwen op de vlucht gejaagd. Ik verkeerde in de meening, dat de doctor gelijk had en koesterde volstrekt geen achterdocht.

Tante wreef nu en dan haar neus eens, wanneer wij met ons beiden alleen waren, en zeide dat zij er geen hoogte van kon krijgen; zij wenschte wel dat zij gelukkiger mochten zijn en meende dat onze militaire vriendin—zoo noemde zij de oude Overste altijd—de zaak volstrekt niet beter maakte. Verder sprak tante als hare meening uit, dat, als onze militaire vriendin die kapelletjes eens afknipte en aan een schoorsteenveger gaf om er in Mei mede te pronken, zij zeker een bewijs zou geven van haar verstand.

Tante had het volste vertrouwen in mijnheer Dick. „Die man loopt blijkbaar met een of ander denkbeeld rond;” vertelde zij mij, „kon hij het maar eens ergens in een hoekje opschrijven dan zou hij zeker met iets buitengewoons voor den dag komen,” maar dat was nu juist de groote moeilijkheid. Onbewust van deze voorspelling bleef mijnheer Dick op denzelfden voet omgaan met den doctor en mevrouw Strong. Hij kwam niet verder met hen, doch ging ook niet achteruit. Evenals een gebouw, scheen hij op de eenmaal gevestigde grondslagen te blijven rusten en ik moet bekennen dat mijn vertrouwen op de beweegbaarheid van mijnheer Dick even gering was als op die van een gebouw.

Op zekere avond echter—ik zal ongeveer vijf of zes maanden getrouwd zijn geweest—stak mijnheer Dick zijn hoofd binnen de huiskamer, waar ik alleen zat te schrijven. Dora was met tante op de thee gevraagd bij de vogeltjes.

Met een veelbeteekenend kuchje zei hij: „Ik vrees dat ik u stoor, Copperfield.”

„Wel neen, mijnheer Dick,” antwoordde ik. „Kom binnen.”

Nadat wij elkaar de hand hadden geschud, zei hij, met den vinger langs den neus: „Voor ik ga zitten, Trotwood, moet ik u eene vraag doen. Gij kent uwe tante, nietwaar?”

„Een weinig.”

„Zij is de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld, mijnheer.”

Na deze mededeeling, die hij letterlijk had weggeschoten, alsof hij er mede geladen was geweest, ging mijnheer Dick zitten, nog deftiger dan gewoonlijk, en keek mij aan.

„Nu moet ik u eene vraag doen, mijn jongen,” begon hij.

„Doe er zooveel gij wilt,” zei ik.

„Waarvoor ziet gij mij aan, mijnheer?” vroeg hij, met de armen over de borst gekruist.

„Voor een besten, ouden vriend,” zei ik.

„Dank u, Trotwood,” antwoordde hij lachend en reikte mij met een gezicht, dat van blijdschap straalde, over de tafel heen de hand. „Ik bedoel echter,” vervolgde hij op plechtigen toon, „ten opzichte van _dit_?” Hij wees op zijn voorhoofd.

Ik wist zoo gauw niet wat te antwoorden, maar hij hielp mij op weg.

„Zwak?” vroeg hij.

„Nu ja,” antwoordde ik op twijfelachtigen toon. „Een weinig zwak.”

„Juist!” riep hij, blijkbaar verrukt over mijn antwoord. „Dat is het, Trotwood. Toen zij iets van het gemaal uit het hoofd van—gij weet wel wien—in—gij weet wel waarin—stopten, was er....” Mijnheer Dick draaide zijne handen eenige malen snel om elkander rond en toen weer den andere kant uit, om het woord „verwarring” aan te duiden. „Toen is er iets met mij gebeurd. Ik weet zelf niet wat. Hé?”

Ik knikte hem toe en hij knikte terug.

„Kortom, mijn jongen,” zei hij, tot den fluistertoon overgaande, „ik ben wat in de war.”

Ik wilde deze uitdrukking wat verzachten, maar hij voorkwam mij.

„Ja, dat ben ik. Zij beweert dat het niet zoo is; zij wil er niets van hooren, maar ik ben het. Ik weet dat ik het ben. Als zij niet voor mij in de bres was gesprongen, mijnheer, was ik opgesloten geworden en had gedurende al die jaren een ellendig leven gehad. Maar ik zal ook voor haar zorgen, mijnheer! Ik verteer het geld, dat ik met copiëeren verdien, nooit. Ik bewaar het in een doosje. Ik heb een testament gemaakt en laat haar alles na. Zij zal rijk worden en.... van adel!”

Mijnheer Dick haalde zijn zakdoek voor den dag en veegde zijne oogen af; daarna vouwde hij den zakdoek zorgvuldig op, drukte dien tusschen beide handen plat en stak hem in den zak met een gezicht, alsof hij mijne tante er bij in den zak stak.

„Nu hebt gij veel geleerd, Trotwood,” hernam mijnheer Dick. „Gij hebt heel veel geleerd. Gij kent den doctor en weet hoe knap hij is, hoe verbazend knap! Gij weet ook hoeveel eer hij mij altijd bewezen heeft. En niets trotsch op zijn geleerdheid! Nederig, altijd nederig—zelfs vriendelijk voor den armen Dick, die in de war is en niets weet. Ik heb zijn naam op een stukje papier naar den vlieger opgezonden, toen die hoog, heel hoog stond tusschen de leeuwerikken. De vlieger was blij toen dat papiertje aankwam en de lucht werd hoe langer hoe helderder.”

Ik zei dat de doctor onze achting en vriendschap in alle opzichten verdiende, en deze woorden schenen mijnheer Dick genoegen te doen.

„En zijn mooie vrouwtje is een ster,” vervolgde hij. „Een schitterende ster; ik heb haar zien schijnen, mijnheer. Maar”—hij bracht zijn stoel wat dichter bij den mijne en legde de hand op mijne knie—„wolken, mijnheer,—wolken.”

Ik beantwoordde de bezorgdheid, die op zijn gezicht te lezen was, door eveneens bezorgd te kijken en het hoofd te schudden.

„Waarom wolken?” vroeg mijnheer Dick. Hij keek mij zoo angstig aan en scheen zoo verlangend om het goed te begrijpen, dat ik mijn best deed om langzaam en duidelijk te spreken, zooals ik aan een kind iets zou hebben uitgelegd.

„Er schijnt een ongelukkig misverstand tusschen hen te bestaan,” antwoordde ik. „De eene of andere reden tot verwijdering, een geheim. Mogelijk is het verschil in jaren de oorzaak. Misschien is de eene of andere kleinigheid er de oorzaak van.”

Mijnheer Dick had naar alles, wat ik gezegd had, met de grootste aandacht geluisterd en bleef nu zwijgend zitten, terwijl hij mij voortdurend aankeek en de hand op mijne knie bleef houden.

„De doctor is toch niet boos op haar, nietwaar Trotwood?” zei hij na eenigen tijd.

„Neen. Hij heeft haar innig lief.”

„Dan heb ik het gevonden, jongen,” zei mijnheer Dick.

De uitbundige blijdschap, waarmede hij mij een slag op mijne knie gaf, en waarna hij met hoog opgetrokken wenkbrauwen achterover in zijn stoel geleund bleef zitten, deed mij vermoeden, dat hij op dit oogenblik minder dan ooit bij zijn verstand was. Plotseling werd hij weer ernstig, ging weer voorover zitten en haalde met zulk een eerbiedig gebaar zijn zakdoek uit den zak, alsof deze werkelijk mijne tante representeerde. „Waarom heeft zij niets gedaan om die zaak in het reine te brengen? Ik bedoel de bewonderenswaardigste vrouw van de wereld, Trotwood?”

„Die zaak is te kiesch en te moeielijk om zich daarin te mengen”, antwoordde ik.

„En gij, die zooveel geleerd hebt, waarom hebt gij niets gedaan?” vroeg hij weder, terwijl hij mij even met den vinger aanraakte.

„Om dezelfde reden,” antwoordde ik.

„Dan heb ik het gevonden jongen!” zei hij nogmaals. Met een gezicht, dat nog meer blijdschap verried dan zoo even, ging hij voor mij staan, schudde herhaaldelijk het hoofd en sloeg zich zoo hard op de borst, dat ik vreesde hem eene bloedspuwing te zullen zien krijgen.

„Een arme drommel met zwakke hersens, een gek staat hier voor u, mijnheer!” vervolgde hij, zich telkens weder op de borst slaande, „maar die gek zal doen wat de bewonderenswaardigste menschen niet kunnen. Ik zal hen bij elkaar brengen jongen, ik zal het tenminste beproeven. Zij zullen mij niet van onkieschheid beschuldigen. Zij zullen mij dat niet kwalijk nemen. Zij zullen niet boos worden, als ik iets doe, dat niet is zooals 't behoort. Ik ben maar mijnheer Dick. En wie kan nu boos worden op mijnheer Dick? Dick is niemand! Fits!” Hij maakte met zijn lippen een geluid alsof hij iets wegblies.

Zoo ver was hij met zijn geheim gekomen toen wij, ongelukkig genoeg het rijtuig hoorden stilhouden, dat Dora en tante tehuis bracht.

„Geen woord erover spreken, jongen!” fluisterde hij mij nog even in, „laat al de schuld maar op het hoofd van Dick neerkomen—van den gekken Dick. Ik heb al een tijd lang gemeend, dat ik het geheim gevonden had, maar nu heb ik het. Na hetgeen gij mij verteld hebt, ben ik er zeker van. Alles komt in orde!”

Mijnheer Dick liet het onderwerp verder rusten, maar zat in het volgende halve uur voortdurend met zijn hoofd en zijne oogen naar mij te telegrapheeren, ten einde mij een onvoorwaardelijk stilzwijgen op te leggen. Tante wist niet wat zij van hem denken moest.

Tot mijne groote verbazing vernam ik in de eerste twee of drie weken geen woord meer over de zaak, waarin ik toch zeer veel belangstelde; de slotsom toch, waartoe hij gekomen was, verried de aanwezigheid van eene goede hoeveelheid gezond verstand—ik zeg niet „van goedhartigheid”, want daarvan gaf hij voortdurend de ondubbelzinnigste blijken. Eindelijk begon ik te gelooven, dat zijne hersenen te zwak waren, om zich bij zulk een gewichtig onderwerp te bepalen, en hij het dus vergeten had.

Op zekeren mooien avond wandelden tante en ik—Dora bleef liever thuis—naar de woning van den doctor. Het was herfst, zoodat mij door geen avonddebatten het genot van de vrije lucht werd ontzegd; ik herinner mij nog dat de afgevallen bladeren, die wij onder onze voeten vertraden, denzelfden geur verspreidden als te Blunderstone en hoe zich ook hetzelfde ongelukkige gevoel van mij meester maakte, als ik daar altijd gehad had. De schemering was reeds ingevallen toen wij aan de woning van den doctor kwamen. Mevrouw Strong verliet juist den tuin en mijnheer Dick, die den tuinman had geholpen met het aanpunten van de staken voor een der omheiningen, bleef heen- en weerloopen.

Doctor Strong had iemand bij zich in de studeerkamer; doch mevrouw deelde ons mede, dat de bezoeker spoedig zou heengaan en verzocht ons op den doctor te wachten. Wij gingen dus met haar naar het salon en namen bij het venster plaats. Hoewel het reeds vrij duister was, werd nog geen lamp opgestoken; voor zulke oude vrienden werd nooit veel omslag gemaakt.

Wij hadden daar nog niet lang gezeten, toen mevrouw Markleham met hare gewone drukte en beweging binnenkwam: zij had eene courant in de hand en scheen geheel ontsteld, want op bijna driftigen toon zeide zij: „Maar Annie, hoe is 't mogelijk? Waarom hebt gij mij niet verteld, dat er iemand in de studeerkamer was!”

„Maar, lieve mama,” antwoordde zij doodkalm, „hoe kon ik weten dat gij daarin belang zoudt stellen!”

„Belang zoudt stellen!” riep mevrouw Markleham, terwijl zij op een sofa neerviel. „Zelden ben ik zoo ontroerd geweest!”

„Zijt gij dan in de studeerkamer geweest, mama?” vroeg Annie.

„Of ik in de studeerkamer ben geweest, lieve?” antwoordde zij opgewonden. „Ja, zeker ben ik daar geweest! Ik betrapte daar den uitmuntendsten aller mannen—gij kunt mijne aandoening voorstellen, juffrouw Trotwood en David—op het maken van zijn testament.”

Annie keek plotseling op.

„Waarlijk, lieve Annie,” herhaalde mevrouw Markleham, terwijl zij de courant als een tafellaken over haar schoot uitspreidde en hare handen daarboven vouwde, „ik betrapte hem op het maken van zijn testament. Wat is die goede man toch op alles bedacht en wat heeft hij een goed hart! Om hem tevens de eer te geven, die hem toekomt, moet ik u vertellen hoe het kwam dat ik daarvan getuige was. Misschien weet gij, juffrouw Trotwood, dat hier nooit een kaars wordt opgestoken voordat iemand's oogen uit de kassen beginnen te puilen van inspanning bij het lezen van de courant; dat er in het geheele huis geen stoel is waarin men een courant eigenlijk op zijn gemak kan lezen—behalve in de studeerkamer; om die reden ging ik de studeerkamer binnen toen ik daar licht zag. En wat zag ik daar? Twee heeren, blijkbaar rechtsgeleerden, stonden met den doctor bij de tafel. De doctor had eene pen in de hand. ‚Deze weinige woorden,’ zei de doctor—lieve Annie, luister goed naar hetgeen ik vertel—‚deze weinige woorden zijn dus voldoende, mijne heeren, om te bewijzen hoeveel vertrouwen ik steeds in mijne vrouw heb gesteld en om haar alles te vermaken? Onvoorwaardelijk?’ Een der heeren antwoordde: ‚Haar alles onvoorwaardelijk te vermaken.’ Gij begrijpt hoe mijn moederlijk gevoel mij dwong uit te roepen: ‚Goede Hemel, ik vraag duizendmaal verschooning!’ Ik maakte eene buiteling over den drempel en kwam door het donkere gangetje langs de provisiekamer hierheen.”

Mevrouw Strong opende de tuindeur en ging naar de veranda, waar zij tegen een der pilaren geleund bleef staan.

„Maar is het nu niet, juffrouw Trotwood, is het nu niet, David, is het nu niet hartroerend”, ging mevrouw Markleham voort, hare dochter werktuigelijk met de oogen volgend, „dat een man van doctor Strong's leeftijd zooveel geestkracht bezit om zoo iets te doen? Is het geen bewijs dat hetgeen hij gedaan heeft rechtvaardig is? Toen mijnheer Strong mij dat bezoek bracht, waarmede ik zoo vereerd was en waarbij hij mij de hand van Annie vroeg, zei ik tegen haar: „Kindlief, ik twijfel er geen oogenblik aan of doctor Strong zal, wat betreft uwe toekomst, nog meer doen dan waartoe hij zich verbindt.””

Op dit oogenblik hoorden wij de bezoekers heengaan. De oude Overste luisterde en zei: „Geen twijfel of die uitmuntende man heeft zijne handteekening reeds gezet, het stuk verzegeld en zijn gemoed gerustgesteld. Welaan, het zij zoo! Het mag gerust zijn! Annie, lieve, ik ga met mijn courant naar de studeerkamer, want zonder nieuws ben ik maar een half mensch. Juffrouw Trotwood, David, komt, laat ons den doctor gaan opzoeken.”

Toen wij haar vergezelden, zag ik mijnheer Dick in de schaduw van de veranda staan en merkte ik op, dat tante buitengewoon hard haar neus wreef—een onschuldig middel om aan hare ergenis over onze militaire vriendin lucht te geven—; maar wie het eerst binnentrad en hoe mevrouw Markleham zoo spoedig den gemakkelijksten stoel had ingenomen; waarom tante en ik zoo opeens aan de deur bleven staan—vermoedelijk zag zij scherper dan ik en hield zij mij terug—dat weet ik niet. Heb ik het ooit geweten, dan heb ik het vergeten. Ik weet alleen dat, eer doctor Strong ons nog had gezien, wij hem reeds tusschen zijne folianten zagen zitten met de hand onder het hoofd; dat wij op hetzelfde oogenblik mevrouw Strong zagen binnenkomen, bleek en bevend, ondersteund door mijnheer Dick. Ik weet alleen dat, toen doctor Strong het hoofd even oplichtte, omdat mijnheer Dick de hand op zijn arm legde, zijne vrouw aan zijne voeten neerknielde en hem aankeek met een blik, dien ik nooit vergeten zal; en dat mevrouw Markleham haar courant op den schoot liet vallen en hare dochter aanstaarde, als de kop op den achtersteven van het schip „de Verbazing”.

De vriendelijkheid, de welwillendheid en de verbazing van den doctor, de ernst in de smeekende houding van mevrouw Strong, de hartelijke bezorgdheid van mijnheer Dick en de zegevierende blik, waarmede tante zei: „_Die_ man gek!”—zegevierend, want zij had hem een leven vol ellende bespaard—dat zie en hoor ik nog; ik kan niet zeggen dat ik het mij herinner, al beschrijf ik het.

„Doctor,” zei mijnheer Dick, „wat scheelt er toch aan? Zie eens hier!”

„Annie!” riep mijnheer Strong, „niet aan mijn voeten lieveling!”

„Ja,” sprak zij. „Ik verzoek dringend, dat niemand de kamer verlate. O, mijn dierbare echtgenoot en vader, verbreek toch dit langdurig stilzwijgen. Laten wij beiden weten, wat er tusschen ons gekomen is!”

Mevrouw Markleham scheen op eenmaal het spraakvermogen teruggekregen te hebben; zij was bleek van moederlijke verontwaardiging en haar familietrots deed haar uitroepen: „Annie, sta onmiddellijk op! Breng geen schande over uwe familie door u zoo te vernederen, tenzij gij verlangt, dat ik onmiddellijk deze woning verlaat!”

„Mama!” antwoordde Annie. „Verspil geen woorden; ik spreek tegen mijn echtgenoot; gij heb hier niets in te brengen!”

„Niets!” riep mevrouw Markleham. „Ik! niets? Het kind heeft haar verstand verloren. Wie wil zoo goed zijn een glas water te halen!”

Ik was te zeer vervuld met den doctor en zijn jonge vrouw, om aan dit verzoek eenige aandacht te schenken; trouwens, niemand schonk er aandacht aan; zoodat mevrouw Markleham maar bleef zitten hijgen en waaien.

„Annie!” zei de doctor, terwijl hij hare handen teeder in de zijne nam. „Lieveling, indien er eenige verandering is gekomen in ons huwelijksleven, nadat wij zoo lang gelukkig zijn geweest, draagt gij daarvan geenszins de schuld. Ik alleen ben de schuldige, ik alleen. Mijne liefde, mijne achting, mijne bewondering voor u zijn niet veranderd. Ik verlang niets liever dan u gelukkig te maken. Ik heb u innig lief en vereer u hoog. Sta op, Annie, wat ik u bidden mag!”

Maar zij stond niet op. Na hem eenige oogenblikken te hebben aangestaard, vlijde zij zich dichter tegen hem aan, legde hare armen op zijne knieën, liet haar hoofd daarop zinken en zei:

„Indien ik hier een vriend heb, die voor mij of voor mijn echtgenoot kan spreken; indien ik hier een vriend heb, die een vermoeden, dat mijn hart mij nu en dan heeft ingefluisterd, in woorden kan uitdrukken; indien ik hier een vriend heb, die mijn echtgenoot acht en mij een weinig liefheeft, een vriend, die iets kan bijbrengen, wat het ook zij, om de verwijdering tusschen mijn echtgenoot en mij te doen ophouden, dat hij dan spreke.... ik smeek het hem!”

Doodelijke stilte, die na eenige pijnlijke seconden door mij verbroken werd.

„Mevrouw Strong,” zei ik, „ik weet iets, dat ik eigenlijk zwijgen moet; ik heb dat plechtig aan den doctor beloofd en tot op dit oogenblik heb ik het ook gezwegen. Thans echter meen ik, dat mijn stilzwijgen misplaatst zou zijn; uw beroep ontslaat mij van mijne belofte.”

Zij wendde het hoofd even naar mij toe en nu wist ik, dat hetgeen ik deed goed was. Haar smeekenden blik zou ik niet hebben kunnen weerstaan, ook al had ik daarin niet gelezen dat ik spreken _moest_.

„Onze toekomst,” sprak zij, „ligt misschien in uwe handen. Ik vertrouw, dat gij niets zult achterhouden. Ik weet bij voorbaat dat al hetgeen gij zeggen kunt, dat al hetgeen iemand zeggen kan, het edele hart van mijn echtgenoot niet kan treffen. Mochten uwe woorden mij treffen, laat u dat niet weerhouden. Ik zal voor mij zelve spreken, eerst tot hem, en later tot God.”

Zoo ernstig gedwongen, verzocht ik den doctor zelfs geen toestemming, maar vertelde, zonder van de waarheid af te wijken—slechts verzachtte ik Uriah Heep's woorden een weinig—alles wat op dien avond in dezelfde kamer was voorgevallen. De starende blik, waarmede mevrouw Markleham het geheele verhaal aanhoorde, de heftige, scherpe uitroepen, waarmede zij het telkens afbrak, zijn met geen pen te beschrijven.

Toen ik geëindigd had, bleef Annie eenigen tijd zwijgend in de door mij beschreven houding zitten. Daarna nam zij de hand van den doctor, die nog juist zoo zat als toen wij binnenkwamen, drukte die eerst aan hare borst en daarna aan hare lippen. Mijnheer Dick noopte haar zachtkens om op te staan, en terwijl zij nu begon te spreken, leunde zij op hem en wendde geen oogenblik de oogen van haar echtgenoot af.

„Alles wat sinds wij getrouwd zijn in mijn hart is omgegaan,” sprak zij met haar lieve, zachte stem en op onderdanigen toon, „zal ik voor u bloot leggen. Na hetgeen ik gehoord heb, zou ik niet kunnen leven, als ik iets verzweeg.”

„Maar, Annie,” zei de doctor vriendelijk, „ik heb nooit een oogenblik aan u getwijfeld. Het is niet noodig; waarlijk het is niet noodig, lieveling.”

„Het is hoog noodig,” antwoordde zij op denzelfden toon, „het is zeer noodig dat ik mijn hart blootleg tegenover al uwe edelmoedigheid en trouw, tegenover u, dien ik, dat weet de Hemel, van jaar tot jaar, van dag tot dag, meer heb leeren waardeeren en liefhebben!”

„Waarlijk,” viel mevrouw Markleham haar in de rede, „als ik nog het recht heb om iets te doen opmerken....”

„Maar dat hebt gij niet, gij bemoeial,” fluisterde tante op verontwaardigden toon.

„.... dan veroorloof ik mij te zeggen dat het niet gewenscht kan zijn tot in zulke bijzonderheden af te dalen.”

„Alleen mijn echtgenoot kan daarover oordeelen, mama,” zei Annie zonder hare oogen van hem af te slaan, „en hij wil mij aanhooren. Mocht ik iets zeggen dat u onaangenaam is, vergeef het mij dan. Ik heb zelve reeds zooveel en zoo lang onaangenaamheden moeten verduren.”

„Ik begrijp er niets van!” zuchtte mevrouw Markleham.

„Toen ik nog heel jong was,” begon Annie, „nog een klein kind, was het eerste wat ik leerde, onafscheidelijk verbonden met een geduldigen vriend en leermeester—den vriend van mijn vader—van wien ik altijd heel veel heb gehouden. Ik herinner mij niets uit mijne jeugd of hij is er aan verbonden. De eerste schatten, die mijn geest verzamelde, heeft hij daarin gelegd, en tegelijkertijd vormde hij mijn karakter naar het zijne. Nooit zou ik geworden zijn die ik ben, als men mij aan andere handen had overgelaten....”

„En is hare moeder dan niets voor haar geweest?” riep mevrouw Markleham uit.

„Meen dat niet, mama,” zei Annie. „Ik geef hem slechts de eer, die hem toekomt. Ik _moet_ dat doen. Toen ik grooter werd bleef hij dezelfde plaats behouden. Ik was trotsch op zijne belangstelling voor mij, met dankbaarheid voor hem vervuld, innig aan hem gehecht. Ik zag tot hem op, ja, ik kan eigenlijk niet zeggen, hoe—als tot een vader, tot een leidsman, als tot iemand, wiens lof mij meer waard was dan die van wien ook, tot wien ik mij wenden kon, wien ik alles kon toevertrouwen, indien er ooit twijfel bij mij oprees. Gij weet, mama, hoe jong en onervaren ik nog was, toen gij mij zoo onverwacht meedeeldet, dat hij aanzoek gedaan had om mijne hand.”

„Ik heb dat aan iedereen hier meer dan vijftig malen verteld!” zei de oude Overste.

„Houd dan je mond, in 's Hemels naam, en vertel het niet meer,” mompelde tante.

„Het was zulk eene groote verandering voor mij,” vervolgde Annie steeds op denzelfden toon, „het scheen mij in het eerst een verlies toe; ik was teleurgesteld en verdrietig. Ja, verdrietig, want ik was nog zoo jong en kon mij nog niet vereenigen met het denkbeeld dat ik hem nu voortaan met een geheel ander oog moest beschouwen. Niets was in staat om hem weder te doen worden wat hij voor mij placht te zijn; ik was trotsch op de eer, door hem waardig gekeurd te worden om zijne vrouw te worden en.... wij trouwden.”

„In de St. Alphaguskerk te Canterbury,” voegde mevrouw Markleham er bij.

„De duivel hale 't mensch!” zei tante, „zij _kan_ haar mond niet houden.”

„Ik heb nooit aan voordeel gedacht,” ging Annie met eene verhoogde kleur voort, „nooit er aan gedacht dat mijn echtgenoot rijk was. Mijn jonge hart was zoo vervuld met achting voor mijn aanstaanden echtgenoot, dat voor dergelijke gedachten geen plaats meer was. Vergeef het mij, mama, als ik zeg, dat gij het waart, die voor het eerst de gedachte in mij wakker riept dat de menschen hem en mij onrecht zouden kunnen aandoen door zulk eene verdenking te koesteren.”

„Ik!” riep mevrouw Markleham.

„Ja, zeker, gij!” zei tante, „en dat kunt gij niet wegwaaien, mijne militaire vriendin.”