Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 68

Chapter 684,056 wordsPublic domain

Dat de waschvrouw ons goed verpandde en in een toestand van volslagen dronkenschap daarover hare verontschuldigingen kwam aanbieden, zal iedereen wel eens zijn overkomen. Evenzoo zal iedereen wel eens brand in den schoorsteen hebben gehad, waaraan de dorpsbrandspuit te pas moest komen, of het slachtoffer geweest zijn van den valschen eed van een deurwaarder. Ik vrees echter, dat wij al heel ongelukkig moeten geweest zijn door een meid te huren met zulk een hartstocht voor sterken drank, dat de rekening van bier in de herberg vermeerderd werd met posten, als: „een kwart pintje punch van rhum. (Mevrouw C.); een kwart pintje jenever met kruidnagelen (Mevrouw C.); een glas rhum met pepermunt (Mevrouw C.)”—Met die „Mevrouw C.” werd, zooals bij het verzoek om opheldering bleek, Dora bedoeld, die dus verdacht werd al deze versnaperingen in eigen persoon te hebben gebruikt.

Een van onze eerste uitspattingen was een klein dinertje met Traddles. Ik ontmoette hem in de stad en verzocht hem dien namiddag met mij mede te wandelen. Met graagte nam hij mijne uitnoodiging aan en ik schreef aan Dora, dat ik mijn vriend zou medebrengen. Het was mooi weer en gedurende de wandeling praatten wij voortdurend over mijn huiselijk geluk. Traddles was er vol van en zei dat als hij zich voorstelde ooit ook zulk een huisje te zullen hebben, waarin Sophie hem met het middagmaal wachtte, hij zich nu reeds een der gelukkigste stervelingen waande.

Zeker kon ik mij geen liever vrouwtje wenschen dan daar aan het tegenovergestelde einde van de tafel zat; wel wenschte ik mij wat meer ruimte in de kamer toe. Ik weet niet hoe het kwam, maar, hoewel wij slechts met ons beiden waren, hadden wij toch altijd gebrek aan ruimte en toch ruimte genoeg om alles te verliezen. Ik vermoed dat het was omdat niets een vaste plaats had dan Jip's pagode, die altijd in den weg stond. Bij dit eerste bezoek zat Traddles zoodanig beklemd tusschen de pagode en de guitaarkist, Dora's schilderezel en mijne schrijftafel, dat ik ernstig betwijfelde of hij zijn mes en vork wel behoorlijk zou kunnen hanteeren. Hij joeg echter met zijne gewone goede luim al mijne bezwaren op de vlucht en zei: „Ik zit als in een oceaan Copperfield! Als in een oceaan!”

Er was nog iets dat ik wel gewenscht had, namelijk dat men Jip nooit had aangewend om gedurende het middagmaal over het tafellaken te loopen. Ik vond eigenlijk zijne aanwezigheid in de kamer geheel niet zooals het behoorde, zelfs al had hij niet de gewoonte gehad om aan het zout en de gesmolten boter te ruiken. Bij deze gelegenheid echter scheen hij te meenen, dat hij er hoofdzakelijk op na werd gehouden om Traddles aan het schrikken te maken; hij bleef met zulk eene volharding tegen mijn vriend blaffen en deed telkens zulke onverschrokken aanvallen op zijn bord, dat hij, om zoo te zeggen, alleen aan het woord was.

Ik wist echter hoe gevoelig Dora was op dit punt en hoe zwaar elke veronachtzaming van haar lieveling bij haar woog, zoodat ik hem maar liet begaan. Dezelfde overweging leidde mij er toe om niets te zeggen van het groot aantal borden, dat langzamerhand voor Jip's genoegen op den grond was uitgespreid; evenmin van het olie- en azijnstel, waarin alles kris en kras door elkander stond alsof de fleschjes dronken waren; noch van de blokkade, waaraan Traddles langzamerhand hoe langer hoe meer bloot stond, van ledige schalen en schotels. Ik kon niet nalaten mij heimelijk te verwonderen, toen ik de gekookte schapebout begon aan te snijden, over de zonderlinge vormen, die al onze stukken vleesch gewoonlijk hadden; het vermoeden kwam in mij op, dat onze slager een contract had aangegaan voor alle mismaakte schapen, die het levenslicht aanschouwden; maar ik hield deze overpeinzingen binnen.

„Wat hebt gij in dien schotel, lieveling?” vroeg ik aan Dora.

Ik had al niet begrepen, waarom Dora telkens de lippen zoo geheimzinnig spitste, alsof zij mij wilde kussen.

„Oesters, man,” antwoordde zij aarzelend.

„Hebt gij dat bedacht?” vroeg ik verrast.

„Ja... a, Doady,” zei Dora.

„Gij had niets beters kunnen bedenken!” riep ik, terwijl ik voorsnijmes en vork weglegde. „Er is niets waarvan Traddles zooveel houdt als van oesters!”

„Ja... a, Doady,” zei Dora nogmaals, „daarom kocht ik een mooi schaaltje vol en de man zei dat ze best waren. Maar ik... ik ben bang dat er iets aan mankeert. Zij lijken mij zoo vreemd toe.” Dora schudde hare krullen en er blonk in elk oog een diamantje.

„Maak ze maar eens open, lieve,” zei ik, want de schelpen waren nog op elkander.

„Maar ik kan ze niet open krijgen,” zei Dora, haar best doende, met de wanhoop op het gelaat.

„Weet gij wat het zijn zal, Copperfield,” zei Traddles, den schotel aandachtig bekijkend, „ik denk dat... het zijn prachtige oesters... ik denk dat ze nog nooit opengemaakt zijn.”

Traddles had gelijk; ze waren nog nooit geopend, en wij hadden geen oestermessen, en al hadden wij ze gehad, zouden wij ze niet hebben kunnen gebruiken; wij keken dus naar de oesters en aten van de schapenbout; ten minste wij aten er zooveel van als er gaar van was. Had ik het niet belet, dan zou Traddles een halven wilde van zich gemaakt en een bordvol rauw vleesch gegeten hebben, alleen om de tafel eer aan te doen; zulk een offer op het altaar der vriendschap kon ik echter niet van hem vorderen. Gelukkig en heel toevallig was er nog een snee spek in de provisiekast, en zoo deden wij ons maal verder met gebakken spek.

Mijn arme, kleine vrouwtje was zoo terneergeslagen, omdat zij meende dat ik verdrietig zou zijn, en zoo blij toen zij zag dat ik het _niet_ was en ik mijn humeur niet liet bederven door het mislukte middagmaal, dat wij nog een heel aangenamen avond hadden; Dora zat met den arm over de leuning van mijn stoel, terwijl Traddles en ik een glas wijn dronken, en nam elke gelegenheid te baat om mij in te fluisteren, hoe heerlijk zij het vond, dat ik nu niet zoo'n wreede, ondeugende man geweest was.

Eindelijk schonk zij thee voor ons en dat deed zij altijd zoo aardig, alsof zij met een poppenserviesje speelde, zoodat ik er niet op lette of de thee lekker was. Daarna speelden Traddles en ik een paar partijtjes _cribbage_, terwijl Dora zong met begeleiding van de guitaar, zoodat ik eene gewaarwording had of onze engagementstijd en ons huwelijk niets waren dan een heerlijke droom en dat de avond, toen ik voor de eerste maal hare stem hoorde, nog altijd voortduurde.

Toen Traddles vertrokken was en ik, na hem uitgelaten te hebben, in onze huiskamer terugkwam, zette Dora haar stoel vlak naast den mijne en kwam naast mij zitten.

„Het spijt mij zoo,” sprak zij. „Wilt ge uw best doen om mij van alles te leeren, Doady?”

„Ik moet mij zelve zooveel leeren, Dora,” antwoordde ik.

„Maar gij zijt zoo'n verstandige man; gij kunt zoo goed leeren!”

„Dwaasheid, Rotje!” zei ik.

„Ik had een heel jaar buiten moeten wonen met Agnes,” hernam mijn vrouwtje na eene lange pauze. Zij had hare handjes op mijn schouder, liet hare kin er op rusten en keek mij met hare heldere blauwe oogen strak aan.

„Waarom?” vroeg ik.

„Zij zou mij wel hebben verbeterd en ik zou veel van haar hebben kunnen leeren,” antwoordde zij.

„Dat zal wel komen met den tijd, liefste. Agnes heeft haar geheele leven voor haar vader moeten zorgen, bedenk dat toch; toen zij nog een kind was, was zij reeds dezelfde Agnes als nu.”

„Ik zou zoo gaarne willen dat gij mij bij een zekeren naam noemdet,” zei Dora, zonder hare houding te veranderen.

„Hoe dan?” vroeg ik glimlachend.

„O, het is een dwaze naam,” antwoordde zij, even haar krullen schuddende: „Kind-vrouwtje.”

Lachend vroeg ik mijn kind-vrouwtje waarom zij wenschte zoo genoemd te worden en sloeg tevens mijn arm om haar heen, zoodat hare blauwe oogen nog dichter bij de mijne kwamen, waarop zij antwoordde:

„Ik bedoel niet, domme jongen, dat gij dezen naam gebruiken zoudt in plaats van Dora; ik bedoel alleen dat gij aan mij denken moet als aan uw kind-vrouwtje. Als gij van plan zijt boos op mij te worden, zeg dan: „zij is ook maar een kind-vrouwtje.” Als ik u nu en dan eens teleurstel, zeg dan: „ik wist lang te voren reeds, dat zij maar een kind-vrouwtje zou zijn.” Indien ik niet ben wat ik zoo gaarne zijn zou en zeker nimmer worden zal, denk dan maar: „mijn kind-vrouwtje heeft mij zoo innig lief.” Want, dat doe ik, wees daarvan overtuigd.”

Ik had hetgeen zij zeide tot nog toe niet ernstig opgenomen, tot ik nu bemerkte dat zij wel ernstig was. Haar voor liefde zoo ontvankelijk hartje begon echter sneller te kloppen, nu ik haar zeide hoe lief ik haar had, zoodat er weder een glimlach om haar mond verscheen en hare schitterende oogjes weder droog werden. Een oogenblik later was zij weder mijn kind-vrouwtje en zat zij op den grond naast Jip's pagode, waarvan zij alle belletjes liet rinkelen tot straf voor zijne onbetamelijk gedrag; terwijl Jip in den ingang lag te knipoogen, te lui zelfs om zich te laten plagen.

Dora's woorden hadden toch een diepen indruk op mij gemaakt. Werp ik een blik op den tijd, waarover ik schrijf, roep ik het onschuldige wezentje uit de nevelen van het verleden op, neem ik haar lieve kopje weder tusschen beide handen; dan kan ik met een gerust geweten verklaren, dat hare woorden voortdurend in mijn geheugen bleven. Het is mogelijk dat ik ze niet altijd op de beste wijze heb toegepast, omdat ik nog jong en onervaren was; maar nooit ben ik doof geweest voor haar roerend pleidooi.

Eenige tijd later vertelde Dora mij, dat zij nu goed op weg was om eene volmaakte huishoudster te worden. Zij maakte dan ook een nieuwe punt aan haar potlood, kocht een reusachtig huishoudboek, herstelde zoo zorgvuldig mogelijk met naald en draad al de bladeren van het kookboek, die Jip had gescheurd, en deed wanhopige pogingen om „braaf te zijn,” zooals zij het noemde. De cijfers waren echter nog even koppig als vroeger—ze wilden zich niet laten optellen. Wanneer zij met veel moeite een twee- of drietal posten had geboekt, liep Jip over de bladzijde en veegde alles met zijn staart uit. De middenvinger van haar rechter handje was geheel doortrokken van den inkt en naar ik vermoed was dit het eenige zichtbare resultaat.

Wanneer ik nu en dan des avonds thuis zat te schrijven—ik begon toen langzamerhand reeds eenigszins bekend te worden als schrijver—gebeurde het meermalen dat ik mijne pen neerlegde en mijn kind-vrouwtje gadesloeg, als zij haar best deed om braaf te zijn. Dan begon zij met het groote huishoudboek voor den dag te halen en met een diepen zucht voor zich op de tafel te leggen. Daarna opende zij het, waar Jip het den laatsten avond onleesbaar gemaakt had, en riep Jip om naar zijn eigen wanbedrijven te kijken. Natuurlijk was dit eene aanleiding om wat met Jip te stoeien; somtijds ontving hij tot straf een weinig inkt op zijn neus. Daarna moest Jip onbeweeglijk op de tafel liggen, „als een leeuw”—dit was een van zijne kunststukken, hoewel ik niet kan zeggen dat de overeenkomst treffend was—en was hij dan in zijn humeur, dan gehoorzaamde hij aan het bevel. Dan nam zij eene pen op en begon te schrijven, maar nu zat er een haar in de pen. Dan nam zij eene andere pen en begon te schrijven en nu spatte de pen. Dan nam zij een derde en begon te schrijven en zei heel zachtjes: „O, wat krast die pen, dat zal Doady storen!” En dan gaf zij het op—het ging niet—en legde het huishoudboek weg, nadat zij er den leeuw onder had doodgedrukt, zooals zij beweerde.

Ook zat zij nu en dan, als zij heel ernstig gestemd was, met een klein mandje met rekeningen en andere gewichtige documenten voor zich, die er uitzagen als papillotten-papier, en beproefde daaruit eenige wijsheid te putten. Na de een met de andere vergeleken te hebben begon zij aanteekeningen te maken op haar leitje, veegde ze weer uit, telde op al hare vingers na, van voren naar achteren en weer terug en keek dan zoo treurig, zoo ongelukkig, dat ik wanhopend werd, want de wolk, die over haar gezichtje lag verspreid, had _ik_ daarop gebracht! En dan sloop ik zachtjes achter haar en vroeg:

„Wat is het, Dora?”

En dan keek zij o, zoo wanhopend naar mij op en antwoordde: „Het wil niet uitkomen. Mijn hoofd begint zoo te kloppen van die akelige cijfers en ze doen nooit wat ik wil!”

„Laten wij 't dan zamen eens probeeren,” zei ik dan. „Laat ik het u eens leeren, Dora.”

En dan begon ik haar practisch onderwijs te geven en Dora luisterde ongeveer vijf minuten met de diepste aandacht; maar dan werd zij moe en verveelde het haar; dan begon zij krulletjes te maken in mijn haar en sloeg zij mijn boorden neer om te zien, hoe mij die stonden. Ging ik dit dartele spel dan zwijgend tegen en wilde ik doorzetten, dan keek zij, naarmate zij meer en meer in de war raakte, zoo angstig, zoo wanhopend, dat de herinnering aan hare natuurlijke vroolijkheid, toen ik voor de eerste maal haar levensweg kruiste, en de gedachte, dat zij mijn kind-vrouwtje was, verwijtend voor mij oprezen; dan legde ik het potlood neer en haalde de guitaar.

Ik had veel werk en veel zorgen, maar dezelfde overweging deed ze mij voor mij zelven alleen houden. Ik ben er volstrekt niet zeker van, dat ik daaraan goed heb gedaan, maar ik deed het ter wille van mijn kind-vrouwtje. Ik vertrouw al de geheimen van mijn hart aan dit papier toe en onderwerp het aan een streng onderzoek. Het gevoel, dat ik iets verloren had, dat mij iets ontbrak, kwam, dat weet ik, meermalen in mijn hart op, maar het verbitterde mijn leven niet. Wanneer ik bij mooi weder alleen wandelde en aan de zonnige dagen mijner jeugd dacht, toen de lucht vervuld was met jongens-idealen, dan miste ik iets in de verwezenlijking mijner droomen; doch stelde mij tevreden met de gedachte, dat de zachte glans van het Verleden onmogelijk op het Heden kon rusten.

Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat mijne vrouw mijne raadgeefster mocht zijn, dat zij wat meer wilskracht, wat standvastiger karakter mocht hebben en mij zou kunnen steunen en verbeteren; dat er kracht van haar mocht uitgaan om het ledig, dat ergens voor mij scheen te bestaan, aan te vullen; maar ik voelde tevens, dat dan mijn geluk volmaakt zou zijn en aan welk sterveling is volmaakt geluk beschoren!

Hoewel getrouwd, was ik toch nog zeer jong. Ik had nog geen kennis gemaakt met den verzachtenden invloed van ander verdriet en andere ondervindingen, dan in de vorige bladzijden zijn vermeld. Heb ik verkeerdheden begaan—en dat zal ik zonder twijfel—dan beging ik ze uit misplaatste liefde en uit gebrek aan verstandige leiding in mijne jongelingsjaren. Ik schrijf niets dan de waarheid. Het zou mij immers niet meer baten haar te bemantelen!

Ik droeg dus de zorgen van ons leven alleen; zoowel daarin als bij mijn arbeid miste ik een deelgenoot. Wat de ongeregeldheid van ons huishouden betrof, daarin kwam weinig verbetering, maar ik had geleerd er mij in te schikken en tot mijn groot genoegen zag ik Dora zelden meer verdrietig. Zij was vroolijk en opgeruimd op de haar eigen kinderlijke wijze, hield zielsveel van mij en was gelukkig te midden van haar oude beuzelarijen.

Wanneer de debatten in het Parlement lang duurden en ik later dan gewoonlijk thuis kwam, zou Dora nooit blijven zitten als zij mijn stap hoorde, maar kwam zij altijd naar beneden om mij te verwelkomen. Waren mijne avonden niet ingenomen door den arbeid waarvoor ik mij met zooveel moeite had bekwaamd, dan werkte ik thuis en zat zij stil bij mij, hoe laat het ook werd, zoo stil, dat ik meer dan eens meende dat zij in slaap was gevallen. Maar gewoonlijk zag ik, wanneer ik op keek, hare blauwe oogen met die stille aandacht, waarvan ik reeds melding maakte, op mij gevestigd.

Op zekeren avond, toen ik mijn lessenaar sloot en onze blikken elkander ontmoetten, riep Dora uit: „O, wat is mijn jongentje moe!”

„O, wat is mijn vrouwtje moe!” zei ik. „Dat lijkt meer op de waarheid. Een andermaal moet gij naar bed gaan, lieveling. Het is veel te laat voor u.”

„Neen, gij moogt mij niet naar bed sturen, hoor!” pleitte zij. „Kom eens naast mij zitten? Zult gij mij nooit naar bed sturen?”

„Maar, Dora!”

Tot mijne groote verbazing begon zij hard te snikken.

„Voelt gij u niet wel, lieveling?” vroeg ik. „Zijt gij niet gelukkig?”

„Ja, heel wel, heel gelukkig,” antwoordde Dora. „Zeg alleen maar dat ik naar u mag blijven zitten kijken terwijl gij schrijft.”

„Is dat nu goed voor zulke mooie oogjes?” vroeg ik. „Somtijds tot middernacht?”

„Zijn ze wezenlijk mooi?” vroeg Dora lachend. „Ik ben blij dat ze zoo mooi zijn.”

„Klein ijdeltuitje!” antwoordde ik.

Maar het was geen ijdelheid; het was slechts onschuldige blijdschap over mijne bewondering. Ik wist dat zeer goed, nog voor zij 't mij vertelde.

„Als gij ze mooi vindt, moet gij ook zeggen dat ik mag opblijven om u te zien schrijven! Vindt gij ze werkelijk mooi?”

„Heel mooi.”

„Laat mij dan ook naar u blijven kijken.”

„Ik ben bang dat ze dan niet zoo mooi zullen blijven, Dora.”

„O, ja, zeker wel. Ik ben zoo bang dat gij mij zult vergeten, beste, als gij alleen blijft zitten schrijven en uwe gedachten met allerlei andere dingen vervuld zijn. Mag ik nu en dan heel zachtjes wat zeggen?..... Een beetje meer dan gewoonlijk?” vroeg zij, mij over mijn schouder heen aankijkende.

„Wat zijt gij toch een wonderlijk schepseltje!” zei ik.

„Mag ik de pennen vasthouden en u telkens er een aangeven!” vroeg zij. „Ik zou zoo gaarne wat te doen hebben, terwijl gij zoo ijverig bezig zijt. Toe, mag ik de pennen vasthouden?”

De herinnering aan hare blijdschap, toen ik de toestemming gaf, brengt mij nu nog tranen in de oogen. In het vervolg zat zij altijd op hetzelfde plekje naast mij, met een bos pennen in de hand. Haar gevoel van gewicht, nu zij aan mijn arbeid verbonden was, hare blijdschap, wanneer ik een nieuwe pen vroeg—menigmaal veinsde ik er een noodig te hebben—openden mij een nieuwen weg om mijn kind-vrouwtje genoegen te verschaffen. Op zekeren avond gaf ik voor, dat eenige pagina's van mijn manuscript noodzakelijk moesten worden overgeschreven. Nu was Dora's geluk volmaakt! De toebereidselen, die zij tot dit reuzenwerk maakte; de schort, die zij voordeed; de doekjes die zij uit de keuken haalde, voor het geval dat zij eens met inkt mocht morsen; de tijd, dien zij noodig had; de ontelbare malen dat zij ophield om met Jip te spelen en te lachen, alsof hij er alles van begreep; de overtuiging, dat haar werk niet af was, als zij er haar naam niet onder had geplaatst; en de wijze waarop zij het mij bracht, en toen ik haar prees, mij omhelsde—dat zijn alle aandoenlijke herinneringen, hoe eenvoudig ze anderen ook mogen toeschijnen.

Korten tijd daarna nam zij alle sleutels onder hare hoede en liep rammelend door het huis met den geheelen bos in een mandje, dat om haar tenger middeltje gebonden was. Zelden vond ik de deuren, waarop ze behoorden, gesloten—ze dienden eigenlijk alleen tot speelgoed voor Jip—maar het gaf Dora genoegen, en mij dus ook. Zij was overtuigd dat met dit spelletje een groot gedeelte van hare huishoudelijke plichten was vervuld; en zoo blij alsof wij voor de grap huishoudentje speelden.

En zoo ging ons leven voort. Dora hield bijna even veel van tante als van mij, en vertelde haar herhaaldelijk van den tijd, toen zij bang was geweest, dat zij een „ondeugend, oud wijf” was. Ik zag tante nooit met iemand zoo zacht omspringen als met mijn kind-vrouwtje. Zij haalde Jip aan, hoewel Jip hare vriendschap nooit beantwoordde; zij luisterde, dag op dag, naar de guitaar, hoewel zij geen greintje verstand had van muziek; zei nooit iets tegen onze huisplagen, hoewel de verzoeking meer dan eenmaal zeer groot moet zijn geweest; legde verbazende afstanden af om allerlei prulletjes voor Dora te koopen, als zij maar even vernomen had dat Dora iets gaarne wilde hebben; en nooit kwam zij door den tuin in huis of, als zij Dora niet onmiddellijk vond, riep zij: Waar is „Klein-Bloesempje?”

XLV.

Tante's voorspellingen omtrent mijnheer Dick komen uit.

Sinds eenigen tijd kwam ik nu niet meer geregeld bij doctor Strong. Wel zag ik hem dikwijls, want wij woonden in elkanders buurt, en twee of drie malen gingen wij bij hem thee drinken. De oude Overste had nu voor goed hare tenten bij haar schoonzoon opgeslagen. Zij was schijnbaar nog niets veranderd sinds ik haar den eersten keer ontmoette; dezelfde kapelletjes zweefden nog boven haar hoofd.

Zooals meer moeders, die ik in den loop van het leven ontmoet heb, was mevrouw Markleham veel meer op vermaken gesteld dan hare dochter, zij had behoefte aan uitgaan en, geslepen als zij was, veinsde zij steeds zich op te offeren voor haar kind. De wenschen van den doctor, dat Annie het leven wat genieten zou, kwamen dus op merkwaardige wijze overeen met die van hare moeder, die den doctor natuurlijk een uiterst verstandig man vond.

Geen twijfel of zij raakte meermalen, zonder het te weten, op pijnlijke wijze, de wonde aan, die doctor Strong's hart deed bloeden. Hare bedoelingen waren niet slecht; zij wist alleen met haar ledigen tijd geen raad en was wat zelfzuchtig—eene ondeugd, niet zeldzaam op haar leeftijd—; maar toch geloof ik dat zij, door hem zoo aan te moedigen om het leven harer dochter te veraangenamen, hem versterkte in de vrees, dat hij zijne jonge vrouw tot last was en er tusschen hem en haar volstrekt geen sympathie meer bestond.

„Beste Doctor,” sprak zij op zekeren dag in mijne tegenwoordigheid, „gij begrijpt wel dat het erg saai zou zijn voor Annie, om altijd opgesloten te zijn.”

Doctor Strong schudde het hoofd, alsof hij wilde te kennen geven dat hij dit wel begreep.

„Als zij op den leeftijd van hare moeder komt”, vervolgde mevrouw Markleham, met haar waaier wuivend, „wordt dat anders. Gij moogt mij in de gevangenis opsluiten en heb ik dan maar aangenaam gezelschap en mijn partijtje whist, dan zal ik volstrekt niet verlangen naar mijn ontslag. Maar ik ben Annie niet en Annie is hare moeder niet.”

„Zeker, zeker,” zei de doctor.

„Gij zijt de beste van alle menschen.... neen, pardon!”—de doctor maakte een afwijzend gebaar—„ik moet u in uw gezicht zeggen, wat ik altijd achter uw rug zeg.... gij zijt de beste van alle menschen; het is evenwel natuurlijk dat gij niet in dezelfde dingen behagen kunt scheppen als Annie, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde de goede man op verdrietigen toon.

„Natuurlijk niet,” herhaalde de oude Overste. „Neem bijvoorbeeld uw woordenboek. Wat is zoo'n woordenboek een nuttig werk! En wat een noodzakelijk werk! De beteekenis van de woorden! Zonder doctor Johnson en soortgelijke mannen zouden wij nu waarschijnlijk een kachel bedstede noemen en omgekeerd. Maar wij kunnen niet verwachten dat een woordenboek—te meer een, dat nog in wording is—Annie belang zal inboezemen, is 't wel?”

De doctor schudde het hoofd.

„En daarom,” hernam mevrouw Markleham, hem met den gesloten waaier op den schouder kloppende, „stel ik uwe opmerkzaamheid zoo zeer op prijs. Daarmede bewijst gij, dat gij niet zooals vele bejaarde menschen, een oud hoofd op jonge schouders verwacht. Gij hebt Annie's karakter bestudeerd en begrepen. _Dat_ is het wat mij zoo in u bevalt.”

Zelfs op het kalme, geduldige gelaat van doctor Strong verscheen, naar mij voorkwam, een pijnlijke uitdrukking bij deze opsomming van complimentjes.

„Om die reden, beste doctor,” vervolgde de oude Overste, terwijl zij hem verscheidene vriendschappelijke klapjes gaf, „moogt gij ten alle tijde en bij alle weersgesteldheden over mij beschikken. Gij hebt slechts te bevelen; ik ben altijd geheel tot uwe dienst. Ik ben bereid om Annie naar opera's, conserten, tentoonstellingen en overal, waar gij maar wilt, te vergezellen; gij zult zien dat mij nimmer iets te veel is. Plicht, beste doctor, gaat vóór alles in de wereld!”