Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 67

Chapter 674,020 wordsPublic domain

„Stil, kind!” zegt zij en geeft in overgroote hartelijkheid hare hand aan Traddles, die haar aan Dick geeft, waarna deze mij zijne hand geeft en de mijne aan Traddles en.... nu zijn wij bij de kerk.

Het is zeer stil in de kerk, maar ik had even goed een stoomweverij in vollen gang kunnen binnenkomen, zoo weinig indruk maakte de stilte op mij.

Mijne gedachten zijn daartoe te ver weg.

Al het overige lijkt mij een meer of min verwarde droom toe, waarin ik ze met Dora zie binnenkomen; waarin de plaatsbewaarster ons, als een sergeant zijne rekruten, voor het altaarhek in gelid schaart; waarin ik niet kan nalaten te denken waarom die plaatsbewaarsters altijd vrouwen van de onaangenaamste soort moeten zijn, alsof men bevreesd is dat een opgewekt humeur storend op de ziel zal werken en daarom zulke vaten azijn op den weg naar den Hemel plaatst.

Ik zie den geestelijke en den koster binnenkomen, benevens eenige visschers en vrouwen; ik ruik de rumlucht nog van een ouden zeeman, die achter mij plaats genomen heeft; ik hoor nog hoe plechtig de dienst begint en zie ons allen aandachtig luisteren.

Juffrouw Lavinia, die half en half als hulpbruidsmeisje fungeert en de eerste is, die schreit—ik houd het er voor dat deze tranen eene stille hulde zijn aan de nagedachtenis van Pidger—juffrouw Clarissa die telkens haar reukfleschje noodig heeft; Agnes, die voor Dora zorgt; mijne tante, die haar best doet om een toonbeeld van ongevoeligheid te zijn, terwijl de tranen over hare wangen rollen; mijne kleine Dora, die beeft als een espenblad en hare antwoorden nauw hoorbaar uitspreekt....

Wij knielen naast elkander; Dora beeft minder dan zoo even; maar houdt Agnes nog steeds vast; de dienst gaat kalm en plechtig voort en na afloop glimlachen wij allen door onze tranen heen; mijn jonge vrouwtje is erg zenuwachtig in de kerkekamer en roept om haar armen papa, haar lieven papa. Zij laat zich spoedig troosten en allen teekenen het register. Ik ga naar de galerij om Peggotty te halen, want zij moet ook teekenen; Peggotty trekt mij in een hoekje en zegt: „ik heb uw lieve moedertje ook zien trouwen.” En nu is alles afgeloopen en gaan wij heen....

Ik neem de hand van mijn bekoorlijk vrouwtje en leg die teeder op mijn arm en wandel trotsch met haar door de lange gang, tusschen rijen nieuwsgierigen, preekstoelen, graftombes, kerkbanken, doopvonten, engelen en beschilderde ramen door; ik zie alles in een nevel en word telkens herinnerd aan de kerk te Blunderstone.....

Ik hoor hier en daar fluisteren, terwijl wij voortgaan, „wat een jong paartje.” „Wat een mooi bruidje!” En op den terugrit zijn wij allen zoo vroolijk en zoo spraakzaam en Sophie vertelt ons, dat zij bijna flauw was gevallen van den schrik, toen zij aan Traddles om de licencie had hooren vragen—ik had hem dit gewichtig document in bewaring gegeven—want zij meende stellig dat hij het verloren of vergeten zou hebben. En ik zie Agnes lachen en Dora is zoo verrukt van Agnes, dat zij niet van haar wil scheiden en nog steeds hare hand vasthoudt.....

Wij zitten aan het dejeuner, dat uitmuntend is en wij eten en drinken en ik eet en drink ook, maar, zooals in elken anderen droom, zonder iets te proeven; ik eet, om het zoo maar eens uit te drukken, niets dan liefde en trouwbeloften en sla evenmin geloof aan de verschillende spijzen als aan iets anders. Ik houd een toespraak, ook in dienzelfden toestand van droomerigheid, zonder te weten wat ik zeggen moet, alleen heb ik een onbestemde vrees van tweemaal hetzelfde te zullen zeggen.....

Wij blijven eenigen tijd heel genoegelijk en in eene gelukkige stemming bijeen—altijd echter in een droom—en Jip krijgt een stuk van de bruidstaart, dat hem later slecht bekomt.

Als de postpaarden voorkomen, staat Dora op om zich te verkleeden en blijven mijne tante en juffrouw Clarissa bij ons; wij wandelen in den tuin, en tante, die een toost heeft ingesteld op Dora's tantes, is in de vroolijkste stemming en ook een weinig trotsch op haar heldenstukje.

Dora is gereed en juffrouw Lavinia blijft nog om haar heen draaien, alsof zij niet kan besluiten het aardige speelpopje, dat zulk eene aangename afwisseling voor haar geweest is, af te staan. En Dora doet allerlei ontdekkingen, de eene nog verrassender dan de andere, van dingen, die zij nog vergeten heeft, en iedereen snelt op zijn beurt heen om ze te halen.

En als zij eindelijk begint afscheid te nemen, dringen allen zich om Dora heen en het bonte groepje gelijkt een bloembed in vollen bloei. Mijn lieveling wordt bijna begraven onder al die bloemen en komt er eindelijk, lachend en schreiend, onder uit en in mijne verlangend uitgestrekte armen.

Ik wil Jip dragen, die met ons mede zal gaan, maar Dora zegt dat zij het doen zal, want Jip zou anders denken dat zij niet meer van hem houdt, nu zij getrouwd is, en dat zou hij nooit te boven komen. En nu gaan wij arm in arm heen en Dora blijft staan, kijkt om en zegt: „Als ik ooit tegen iemand onvriendelijk of ondankbaar geweest ben, vergeet het dan!” waarna zij in tranen uitbarst.

En nu wuift zij met haar kleine handje den achterblijvenden een vaarwel toe en gaan wij door; maar nogmaals blijft zij staan en snelt naar Agnes, die hare laatste kussen en handdrukjes in ontvangst neemt.

Wij rijden weg en nu ontwaak ik uit mijn droom. Nu geloof ik het eindelijk. Mijn innig geliefd, klein vrouwtje zit naast mij en ik heb haar o, zoo lief!

„Zijt gij nu gelukkig, dwaze jongen?” vraagt Dora, „en zijt gij er wel zeker van dat 't u nimmer berouwen zal?”

* * * * *

Ik heb ter zijde gestaan toen de gebeurtenissen uit die dagen mij voorbij gleden. En nu zijn ze voorbij en neem ik den draad van mijn verhaal weer op.

XLIV.

Ons huishouden.

Het was eene zonderlinge gewaarwording, toen ik, nadat de wittebroodsweken voorbij en de bruidsmeisjes vertrokken waren, daar met Dora in ons kleine huisje zat; het scheen mij toe of ik niets te doen had, nu ik niet meer telkens naar Putney behoefde te gaan—alsof mij dat ooit hard was gevallen!

Het was zulk een zonderling gevoel dat ik nu Dora altijd bij mij had. Het was zoo vreemd dat ik mij nu niet meer angstig over haar behoefde te maken, dat ik haar niet meer behoefde te schrijven, noch gelegenheden op te zoeken en te verzinnen om met haar alleen te zijn. Wanneer ik des avonds nu en dan van mijn werk opkeek en haar tegenover mij zag zitten, leunde ik wel eens achterover in mijn stoel en dacht dan hoe wonderlijk het was dat wij daar zaten, zoo met ons beiden, zoo alsof het van zelf sprak; dat niemand zich nu meer met ons behoefde te bemoeien, dat al het romantische van onzen engagementstijd nu voor eeuwig voorbij was; dat wij niemand behoefden te believen dan elkander, maar.... elkander moesten believen levenslang.

Wanneer de zitting van het Parlement wat langer duurde dan gewoonlijk en ik laat naar huis wandelde, vond ik het zoo vreemd als ik bedacht, dat ik nu Dora zou vinden in _ons_ huis. Het was in den beginne zoo vreemd, als zij des avonds, wanneer ik mijn souper gebruikte, zachtjes beneden kwam om nog wat met mij te praten. Wat vreemd dat ik nu precies wist, wanneer zij papillotjes in heur haar zette! Vreemder echter nog was het, dat ik daarbij mocht assisteeren!

Ik betwijfel of twee jonge vogeltjes nog minder verstand van huishouden kunnen hebben dan Dora en ik. Het spreekt van zelf dat wij eene dienstbode hadden. Deze deed het huishouden. Ik verkeer nog steeds heimelijk in het geloof, dat wij met die Mary Anne eene dochter van juffrouw Crupp in ons huis hadden gehaald, want o, zij leek in haar doen en laten zoo sprekend op mijne eerste hospita. Zij heette Paragon. Toen wij haar huurden werd ons medegedeeld dat haar naam nog maar een flauw denkbeeld gaf van haar karakter. Zij bracht een getuigschrift mede zoo lang als een proclamatie en volgens dit document kon zij alle huishoudelijke bezigheden verrichten, waarvan ik ooit gehoord had, en alle waarover ik nooit had hooren spreken zelfs. Zij was een vrouw in de kracht van het leven, had een gezicht om bang voor te worden en hare armen waren steeds overdekt met een soort mazelen of een anderen galachtigen uitslag. Zij had een neef bij de Garde, een neef met zulke lange beenen, dat hij mij telkens deed denken aan de schaduw van een ander in den namiddag. Zijne uniformjas was hem evenveel te klein als hij zelf te lang was voor ons huisje. Hij was oorzaak dat het ons kleiner toeleek dan het geval was. Bovendien waren de muren niet te dik, zoodat wij altijd van zijne aanwezigheid in de keuken kennis kregen door een voortdurend gebrom.

Onder de niet genoeg te waardeeren eigenschappen van ons juweel behoorde ook dat zij matig en eerlijk was. Ik kon het dus wel aan een toeval wijten, toen ik haar op zekeren avond in de keuken bij het fornuis vond liggen; terwijl ik het verdwijnen van onze zilveren theelepeltjes op rekening van den aschman schrijven moest.

Hoe het zij, Mary Anne was ons een voordurende kwelling. Wij voelden telkens zoo, dat wij nog zoo weinig ondervinding hadden en niet in staat waren om raad te schaffen. Had zij barmhartigheid gekend, dan zouden wij daaraan overgeleverd zijn geweest, maar die kende zij niet. Zij was de oorzaak van onze eerste oneenigheid.

„Lieveling,” zei ik op zekeren dag, terwijl ik met Dora alleen was, „zou Mary Anne wel weten hoe laat het is?”

„Hoe bedoelt gij dat, Doady?” vroeg Dora, met het onschuldigste gezichtje van hare teekening opkijkende.

„Omdat het vijf uur is, beste, en wij zouden om vier uur eten.”

Dora keek met een angstig gezicht naar de klok en sprak het vermoeden uit dat deze voor was.

„Integendeel, liefste,” zei ik, met mijn horloge in de hand, „ze loopt achter.”

Mijn kleine vrouwtje kwam op mijn knie zitten om mij te paaien en trok met haar potlood een streep over het midden van mijn neus. Ik vond dat natuurlijk heel aardig, maar had met dat al nog niet te eten.

„Zou het niet goed zijn, liefste, als gij Mary Anne eens aanmaandet om beter op haar tijd te zijn?” vroeg ik.

„O, neen, dat niet! Dat kan ik niet, Doady!”

„Waarom niet, liefste?” vroeg ik vriendelijk.

„Och, omdat ik nog zoo dom ben in die dingen en dat weet zij heel goed.”

Ik achtte deze meening zoo geheel in strijd met mijn wensch om Mary Anne's willekeur te fnuiken, dat ik even de wenkbrauwen fronste.

„O, wat kan mijn ondeugd boos kijken!” zei Dora en nog steeds op mijn knie zittende, trok zij de rimpels op mijn voorhoofd met haar potlood na; om de lijnen zwarter te maken stak zij de punt van het potlood telkens tusschen hare rose lipjes en zoo werkte zij aan mijn voorhoofd voort met zulk een kinderlijken ernst en ijver, dat ik er wel om _moest_ lachen.

„Ziezoo, nu is hij weer zoet,” zei Dora; „als gij lacht ziet gij er veel liever uit.”

„Maar, lieveling.”

„Neen, neen!” riep zij en gaf mij een kus, „geen Blauwbaard zijn! Niet zoo ernstig kijken!”

„Best wijfje, wij moeten nu en dan wel eens ernstig zijn,” sprak ik. „Kom. Ga nu hier eens naast mij zitten in dezen stoel! Geef mij het potlood en laat ons nu eens verstandig praten. Gij weet, beste,”—wat een klein handje had ik daar vast en wat een miniatuur-trouwringetje zat daaraan!—„gij weet, beste, dat het niet prettig is om zonder gegeten te hebben de deur uit te gaan. Is 't wel?”

„Ne....en,” antwoordde Dora heel flauwtjes.

„Wat beeft ge, liefste!”

„Dat komt omdat ik weet dat gij nu op mij gaat brommen,” riep zij met eene stem, die mij bijna vermurwd had.

„Maar, lieveling, ik wil alleen maar wat met u redeneeren.”

„O, dat is nog veel erger!” riep zij wanhopend uit. „Ik ben niet getrouwd opdat gij met mij zoudt redeneeren. Als gij dat van plan waart, hadt gij 't mij moeten zeggen, wreede jongen!”

Ik deed mijn best om weer vrede te maken, maar zij wendde haar gezichtje van mij af en schudde haar krullen van links naar rechts en van rechts naar links en zei: „Gij zijt een wreede, een heel wreede jongen!” Ik wist niet wat ik doen moest en liep daarom in mijne onzekerheid eenige malen de kamer op en neer, waarna ik weder bij haar ging zitten.

„Dora, mijn lieveling!”

„Neen, ik ben uw lieveling niet. Gij _moet_ spijt hebben omdat gij met mij getrouwd zijt, anders zoudt gij niet met mij willen redeneeren!” antwoordde Dora.

Ik voelde mij zoo beleedigd door deze onbillijke beschuldiging dat ik mijn best deed om ernstig te zijn.

„Luister eens, liefste,” zei ik, „gij stelt u erg kinderachtig aan en praat nonsens. Gij zult u even goed als ik herinneren dat ik gisteren weg moest toen ik nog maar half genoeg gegeten had; dat ik eergisteren onwel werd van het half rauwe kalfsvleesch; vandaag schijn ik in 't geheel niets te krijgen en.... ik durf bijna niet zeggen hoe lang wij op ons ontbijt hebben moeten wachten en _toen_ kookte het water nog niet. Ik maak u daarvan geen verwijt, liefste, maar het is toch alles behalve plezierig.”

„O, gij wreede, wreede jongen! Te zeggen dat ik een nare vrouw ben!”

„Maar, Dora, dat heb ik immers niet gezegd!”

„Gij hebt gezegd dat ik alles behalve plezierig ben!”

„Ik zei dat het alles behalve plezierig was, als de huishouding zoo...”

„Dat is precies hetzelfde!” zei Dora snikkend. En dat meende zij, want zij schreide hartverscheurend.

Ik begon nogmaals de kamer op en neer te loopen, verliefder dan ooit op mijn mooie vrouwtje en zoo door zelfverwijt gekweld dat ik wel met het hoofd tegen den muur had willen loopen. Ik ging weer zitten en zei:

„Ik ben niet boos op u, Dora. Wij moeten beiden nog veel leeren. Ik wil alleen trachten u te overtuigen, dat gij, werkelijk,”—ik wilde dit niet opgeven—„werkelijk u moet aanwennen om Mary Anne beter na te gaan en voor u zelve en mij te leeren zorgen.”

„Het verwondert mij waarlijk, dat gij zoo ondankbaar zijn kunt,” antwoordde Dora snikkend. „Laatst, toen gij gezegd hadt dat gij zoo gaarne eens visch wildet eten, toen ik mijlen ver heb geloopen om ze u te bezorgen en er u mede te verrassen, hebt gij zoo iets niet gezegd!”

„Dat was heel lief van u, beste,” antwoordde ik. „Ik voelde dat ook zóó, dat ik geen woord gezegd heb over den _heelen_ zalm—veel te veel voor ons beiden—en over den prijs, een pond en zes shilling—veel meer dan wij mogen besteden.”

„Gij hebt er toch heerlijk van gesmuld en gezegd dat ik, „een kleine rot” was.”

„En dat wil ik nog wel duizend maal herhalen!” riep ik uit.

Hoeveel moeite ik ook deed, Dora was ontroostbaar; ik had haar lieve hartje gekwetst. Zij snikte en jammerde zoo aandoenlijk of ik haar, ik weet niet wat, verweten had. Ik was genoodzaakt haastig uit te gaan en moest laat uitblijven; den geheelen avond voelde ik mij diep rampzalig. Ik had zoo ongeveer het gevoel, dat een moordenaar hebben moet en werd gemarteld door een onbestemde gewaarwording van een misdaad gepleegd te hebben. Ik kwam niet voor twee uren na middernacht thuis en vond mijne tante in de huiskamer.

„Is er iets gebeurd, tante?” vroeg ik ontsteld.

„Neen, Trot, niets,” antwoordde zij. „Ga zitten, ga zitten. Klein Bloesempje is een beetje van streek geweest en ik heb haar gezelschap gehouden. Dat is alles.”

Terwijl ik daar zoo met de hand onder het hoofd in het vuur zat te kijken, voelde ik mij zoo verdrietig en neerslachtig, als ik zoo kort na de vervulling van mijn dierbaarsten wensch niet mogelijk geacht had. Tante's blik rustte op mij en er lag eene angstige uitdrukking op haar gelaat, die echter onmiddellijk verdween toen ik mijne oogen naar haar opsloeg.

„Ik verzeker u, tante,” zei ik, „dat ik mij den geheelen avond diep ongelukkig gevoeld heb, omdat ik wist dat Dora bedroefd was. Maar ik heb niets gedaan dan zacht en vriendelijk over huiselijke aangelegenheden gesproken.”

Tante knikte mij bemoedigend toe en zei: „Gij moet een weinig geduld hebben, Trot.”

„Natuurlijk. De Hemel weet, dat ik niet onredelijk wil zijn, tante!”

„Neen, neen,” antwoordde zij, „maar Klein Bloesempje is een heel teer klein bloempje, waar de wind zoo zacht mogelijk langs moet strijken.”

Ik bedankte tante in mijn hart voor de liefde, die zij voor mijn vrouwtje toonde; en ik was overtuigd, dat zij wist, hoe lief ik zelf haar had.

„Zoudt gij Dora nu en dan niet eens wat goeden raad kunnen geven, haar niet eens kunnen terecht wijzen tot bevordering van ons wederzijdsch geluk?” vroeg ik na eenige oogenblikken zwijgend in het vuur te hebben gekeken.

„Trot,” antwoordde tante, een weinig zenuwachtig, „neen, vraag mij dat niet!”

Zij sprak op zulk een ernstigen toon, dat ik verbaasd mijn oogen opsloeg.

„Ik zie op mijn eigen leven terug,” sprak zij, „en ik denk aan sommige menschen die nu reeds in het graf liggen en voor wie ik heel wat vriendelijker had kunnen zijn. Als ik wel eens een hard oordeel geveld heb over de dwaze huwelijken van anderen, sproot dit waarschijnlijk voort uit de omstandigheid, dat ik redenen te over heb gehad, om hard over mijn eigen huwelijk te oordeelen. Laat ons daarover niet meer spreken. Ik ben jaren lang eene driftige, knorrige, eigenzinnige vrouw geweest en ik ben dat nog en zal het altijd blijven. Maar gij en ik, Trot, hebben elkander goed gedaan.... in elk geval hebt gij mij veel goed gedaan, beste jongen; daarom moet er tusschen ons geen verdeeldheid komen.”

„Verdeeldheid? Tusschen ons!” riep ik uit.

„Kind, kind!” zei tante, haar japon glad strijkende, „geen wijze zou kunnen zeggen, hoe spoedig die tusschen ons komen en hoe ongelukkig ik Klein Bloesempje maken zou, als ik mij met uwe zaken ging bemoeien. Herinner u uw eigen tehuis, nadat uw lieve moedertje voor de tweede maal getrouwd was; doe dus ons, geen van beiden, het onrecht aan, waarover gij altijd hebt gesproken!”

Ik zag op eenmaal in dat tante gelijk had en besefte tevens den vollen omvang van hare vriendelijke en welwillende gevoelens voor mijn jonge vrouwtje.

„Wij zijn nog pas aan het begin, Trot,” ging zij voort, „en Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, zelfs niet in een jaar. Gij zijt geheel vrij geweest in uwe keuze”—zag ik daar een wolk op haar vriendelijk gelaat?—„en hebt een mooi, bekoorlijk en allerliefst schepseltje gekozen. Het is uw plicht en het zal uw geluk verhoogen—meen niet, dat ik een preek ga houden, ik weet dat—haar te waardeeren naar de eigenschappen, die zij heeft, en niet naar die, welke zij niet heeft. De laatsten moet gij trachten te ontwikkelen. En zoo u dat niet gelukt, mijn kind,”—tante wreef even haar neus—„dan moet gij uw best doen om het zonder dezen te stellen. Niemand kan u helpen; gij moet u op u zelven verlaten. Zoo is het huwelijk, Trot; en de goede God zegene u beiden, kinderen als gij eigenlijk nog zijt!”

Tante zei dit op vroolijken toon en gaf mij een kus om den uitgesproken zegenwensch te bekrachtigen.

„Licht mij nu eens bij”, hernam tante opstaande, „met de lantaarn en breng mij naar mijn hoedendoos,”—er was een pad, dat tot gemeenschap diende tusschen onze woning en die van tante, welke laatste zoo klein was, dat zij die haar „hoedendoos” noemde. „Breng, als gij terugkomt, mijne hartelijke groeten over aan Bloesempje, en wat gij ook doen moogt, zet u niet in uw hoofd, uwe tante als vogelverschrikker te gebruiken, want zij ziet er al grimmig genoeg uit, zooals zij is; dat heeft de spiegel mij vaak genoeg gezegd.”

Tante bond den doek om haar hoofd, alsof dit een pakje was, dat verzonden moest worden, en ik bracht haar naar huis. Toen zij op de stoep van haar eigen woning stond met de lantaarn in de hoogte om mij op mijn terugweg bij te lichten, meende ik diezelfde uitdrukking van ongerustheid weder op haar gelaat te zien; maar ik werd te veel bezig gehouden met hetgeen zij gezegd had en was te zeer onder den indruk van de waarheid, dat Dora en ik zelve voor onze toekomst moesten zorgen, dat niemand ons helpen kon, om er veel aandacht aan te schenken.

Toen ik thuis was, kwam Dora op hare pantoffeltjes naar beneden en sloeg schreiend de armen om mijn hals; zij zei dat ik hardvochtig en zij stout geweest was en ik zei ongeveer hetzelfde, als ik mij niet bedrieg; wij legden onzen eersten twist weder bij en spraken af dat deze eerste ook de laatste zou zijn, al werden wij ook honderd jaar.

De volgende huishoudelijke beproeving, die wij moesten doormaken, was de „meiden-proef.”

Mary Anne's neef was gedeserteerd en had zich in ons kolenhok verscholen, waaruit hij tot onze groote verbazing door eene patrouille van zijn eigen korps werd te voorschijn gehaald, om vervolgens geboeid te worden weggebracht, hetgeen een groote oploop in en voor ons tuintje tengevolge had. Dit voorval gaf mij den moed om met Mary Anne korte metten te maken; zij ging, toen zij haar volle loon had ontvangen, zoo deemoedig heen, dat het mij verbaasde, tot ik de theelepeltjes miste en tevens tot de ontdekking kwam, dat zij bij verscheidene leveranciers op mijn naam allerlei artikelen gehaald had zonder te betalen en zonder daartoe van ons opdracht te hebben ontvangen. Na eenigen tijd een noodhulp te hebben gehad, eene zekere vrouw Kidgerbury—ik meen, dat zij de oudste vrouwelijke inwoner uit Kentish Town was, die uit werken ging, hoewel zij daartoe eigenlijk veel te zwak was—vonden wij een tweede Juweel. Deze zachtzinnigste aller dienstmeisjes had de gewoonte om telkens, wanneer zij met een of meer stukken van ons servies naar de keuken ging, van de trap te vallen en om, wanneer zij het theeblad binnenbracht de kamer binnen te „plompen”, alsof zij in het water sprong. De verwoesting door dit schepsel aangebracht, maakte hare wegzending onvermijdelijk; met eene telkens terugkeerende tusschenregeering van vrouw Kidgerbury volgden een aantal van die huisplagen elkander op, de eene nog onbruikbaarder dan de andere. De laatste, waarvan ik mij iets herinner, had een aardig gezichtje en ging met Dora's hoed op naar de kermis te Greenwich. Van de anderen weet ik niets dan dat zij allen somtijds de meest uiteenloopende ondeugden en gebreken hadden.

Iedereen scheen ons te bestelen. Kwamen wij in een winkel, dan werden oogenblikkelijk de beschadigde goederen voor den dag gehaald. Een kreeft, die wij kochten bij het gewicht, was vol water. Het vleesch, dat de slager ons bracht, was taai en het brood, dat aan huis bezorgd werd, was geheel zonder korst. Ten einde een regel te vinden om vleesch te roosteren, zoodat het gaar was, sloeg ik zelf het kookboek op en vond daar dat een pond vleesch een kwartier noodig had en grootere stukken een kwartier per pond en nog een kwartier daarenboven. Deze regel faalde echter telkens door de ene of andere noodlottige omstandigheid, zoodat wij nooit het midden konden vinden tusschen rauw en verbrand.

Ik had reden te gelooven, dat deze mislukte pogingen ons duurder te staan kwamen dan een reeks van overwinningen op dit gebied zouden gedaan hebben. Het winkelboekje van den kruidenier moest wel het vermoeden wekken, dat wij de geheele kelderverdieping met boter besmeerden, zulke hoeveelheden hadden wij van dit vette artikel verorberd. Ik weet niet of tengevolge van den grooteren invoer van peper een hooger cijfer in de opbrengst der belastingen verkregen werd, maar indien ons verbruik de markt niet deed stijgen dan moeten, naar mijne meening, een aantal familiën zich wel geheel van peper gespeend hebben. Het wonderlijkste van alles was, dat er nooit een korrel in huis te vinden was.