Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 66

Chapter 664,016 wordsPublic domain

Ook mevrouw Strong vermoedde niets—daarvan was ik overtuigd. Verscheidene weken gingen voorbij, eer ik eenige verandering in haar bespeurde. En die verandering kwam langzaam, evenals eene wolk op een stillen dag. In het eerst scheen zij zich eenigermate te verbazen over de buitengewone teederheid, waarmede de doctor tot haar sprak, en over zijn wensch om hare moeder te logeeren te vragen, omdat zij zulk en eentonig leven had. Meermalen zat zij bij ons, terwijl wij aan den arbeid waren; zij kon dan dikwijls haar werk laten rusten en voor zich uit staren met eene uitdrukking op haar gelaat, die ik nooit zal vergeten. Later zag ik haar nu en dan opstaan met tranen in de oogen en uit de kamer gaan. Langzamerhand begon hare schoonheid er onder te lijden. Mevrouw Markleham woonde toen voor goed bij haar schoonzoon en praatte en praatte, maar zag niets.

Terwijl deze verandering in Annie, eenmaal het zonnetje in doctor Strong's woning, plaats greep, zag ik den doctor dagelijks ouder en ernstiger worden; de zachtheid van zijn humeur, de vriendelijkheid van zijn toon, de bezorgdheid voor haar schenen echter, indien dat mogelijk was, nog toe te nemen. Eens, het was op den morgen van haar verjaardag, toen zij bij het venster plaats nam, waar zij kwam zitten, terwijl wij aan het werk waren—zij had dit altijd gedaan, doch in den laatsten tijd eenigszins schroomvallig—zag ik hoe hij haar hoofd tusschen zijne handen nam en haar op het voorhoofd kuste, waarna hij haastig heenging. Blijkbaar belette zijne aandoening hem te blijven. Ik zag dat zij als een standbeeld bleef staan op de plek, waar hij haar verlaten had, het hoofd boog en met de handen voor het gelaat begon te schreien.... o, zoo innig droevig!

Na dien tijd verbeeldde ik mij nu en dan, dat zij, als wij alleen waren, met mij wilde spreken; maar er kwam nooit een woord over hare lippen. De doctor was onvermoeid in het bedenken van allerlei gelegenheden, om haar buitenshuis afleiding te verschaffen en mevrouw Markleham, die veel hield van uitgaan—alle andere dingen verveelden haar spoedig—liet zich dat gaarne welgevallen en was niet uitgesproken in haar lof over haar schoonzoon. Annie daarentegen liet zich medenemen, zonder eenigen lust voor uitgaan te gevoelen, blijkbaar onverschillig voor alles.

Ik wist niet wat ik van dit alles moest denken; tante evenmin. In hare onzekerheid legde zij, op verschillende tijdstippen, te zamen ongetwijfeld meer dan honderd mijlen af. Het vreemdste van dit alles was, dat de eenige lichtstraal, die zich door dit geheimzinnige waas van huiselijk leed een weg wist te banen, van mijnheer Dick uitging. Wat hij er van dacht, welke verklaring hij er zich van gaf, kan ik evenmin zeggen als hij in staat zou zijn geweest om het mij te doen. Zooals ik reeds in het verhaal van mijn schooltijd heb medegedeeld, was zijn eerbied voor den doctor grenzenloos. Nu gaat ware gehechtheid, zelfs van het dier aan den mensch, gewoonlijk gepaard met een vlugheid van begrip, waarop de verstandigste mensch zelfs niet bogen kan. Dit „verstand van het hart”, als ik het zoo noemen mag, deed mijnheer Dick een helderen straal van de waarheid opvangen.

Met een gevoel van trots had hij zich weder van het voorrecht verzekerd om in zijne vele ledige uren met den doctor den tuin op en neer te wandelen, zooals vroeger in Canterbury het doctorspad. Zoodra had hij echter niet bespeurd, dat er in de woning van den doctor eene verandering had plaats gegrepen, die zijn geëerden ouden vriend tot neerslachtigheid stemde, of hij besteedde er nog meer uren aan dan vroeger en stond met dat doel zelfs voor dag en dauw op. Was hij vroeger gelukkig geweest, wanneer de doctor hem voorlas uit dat verbazingwekkende meesterwerk, het woordenboek, thans voelde hij zich bepaald ongelukkig, tot de oude man het een of ander brokstuk uit den zak te voorschijn haalde en met zijne voorlezing begon. Wanneer de doctor en ik aan den arbeid waren, wandelde hij thans op en neer met mevrouw Strong en hielp haar met het opbinden van de bloemen of het wieden van de bedden. Ik geloof niet dat hij bij dergelijke gelegenheden tien woorden sprak; maar zijne kalme belangstelling, zijn ijver en zijn peinzend gelaat vonden weerklank in beider hart; beiden wisten dat zij veel van elkander hielden en dat _hij_ veel van beiden hield; zoo werd de arme mijnheer Dick, wat niemand anders worden kon, een schakel in de keten, die beiden verbond.

Wanneer ik hem mij voorstel met zijn ondoorgrondelijk, verstandig gezicht, op en neer wandelende met den doctor, blijde te mogen luisteren naar al de onverstaanbare woorden uit de dictionnaire; wanneer ik hem in gedachten de zware gieters met water zie dragen of hem geknield zie liggen, en met dikke handschoenen aan, met het grootste geduld de kleinste blaadjes zie verwijderen; beter dan de grootste wijze, in alles wat hij deed zoo kiesch mogelijk te kennen gevende dat hij haar vriend wilde zijn; uit elk gaatje van den gieter medelijden, vertrouwen en vriendschap verspreidend; wanneer ik bedenk dat die stemming, waarbij het ongeluk troost kon vinden, hem nooit verliet; dat de ongelukkige koning Karel I geheel achterwege bleef; dat niets hem ooit te veel was en hij nooit uit het oog verloor, dat er iets niet in den haak was en hij moest trachten dit terecht te brengen—dan schaam ik mij bijna, geweten te hebben, dat hij niet goed bij zijn verstand was, als ik hetgeen ik met mijn goede verstand heb gedaan daartegen in de schaal leg.

„Niemand dan ik, Trot, kent dien man,” zei tante niet zonder trots, toen wij er over spraken. „Ik zal nog eer met hem inleggen.”

Eer ik dit hoofdstuk eindig moet ik nog een ander voorval vermelden. Terwijl de doctor nog logé's had, ontwaarde ik dat de brievenbesteller elken morgen een brief bracht voor Uriah Heep, die, zoo lang de familie Wickfield op Highgate vertoefde, daar ook bleef, want het was nu de stille tijd voor het kantoor. De adressen van deze brieven waren altijd door mijnheer Micawber geschreven, die zich thans eene vrij regelmatige, ronde hand had aangewend. Uit deze omstandigheid meende ik te moeten opmaken dat het mijnheer Micawber goed ging, zoodat ik ten hoogste verbaasd was den volgende brief van zijne hooggewaardeerde echtgenoote te ontvangen.

„Canterbury, Maandagavond.

Zonder twijfel zult gij zeer verbaasd zijn, beste Copperfield, als gij dezen brief ontvangt. De inhoud zal u echter nog meer verbazen.

In de eerste plaats moet ik u verzoeken stipt het stilzwijgen te bewaren over hetgeen ik u schrijf. Ik moet echter als vrouw en moeder aan mijn overkropt gemoed lucht geven en aangezien ik niet mijne familie wensch te raadplegen, die mijnheer Micawber reeds zoo menigmaal heeft gegriefd, weet ik niet tot wien ik mij beter zou kunnen wenden dan tot mijn vriend en vroegeren huisgenoot.

Gij weet, beste Copperfield, dat tusschen mij en mijnheer Micawber, dien ik nimmer zal verlaten, steeds een geest van onderling vertrouwen heeft bestaan. Mijnheer Micawber mag eens een wisseltje afgegeven hebben zonder mij daarin te kennen; hij mag mij eens misleid hebben omtrent den datum van een vervaldag, zeker, dat is wel eens voorgekomen. In het algemeen echter heeft mijnheer Micawber geen geheimen gehad voor zijne trouwe levensgezellin, en onveranderlijk elken avond, eer wij te rusten gingen, met mij de gebeurtenissen van den dag besproken.

Gij zult u kunnen voorstellen, beste Copperfield, hoe zeer ik mij gegriefd moet voelen, nu ik u moet meedeelen dat mijnheer Micawber geheel veranderd is. Hij is achterhoudend, geheimzinnig. Zijn leven is een mysterie voor de deelgenoote van zijne vreugde en zijn leed—ik bedoel voor zijne vrouw—; behalve dat hij van den ochtend tot den avond op het kantoor werkzaam is, weet ik evenveel van zijn leven als van het mannetje in de maan. En dit is niet alles. Mijnheer Micawber is somber en knorrig geworden; hij is geheel vervreemd van onze beide oudste kinderen, is niet meer trotsch op onze tweelingen; ja zelfs legt hij eene ongekende koelheid aan den dag voor het onschuldig wicht, dat eenigen tijd geleden ons kringetje is komen uitbreiden. De middelen om de onkosten van het huishouden te bestrijden, dat op den eenvoudigsten voet is teruggebracht, zijn slechts met moeite te verkrijgen, ja, zelfs onder de vreeselijke bedreiging, dat hij zich van kant zal maken. Onverbiddelijk weigert hij de geringste verklaring te geven van deze verandering in zijn doen en laten.

Gij begrijpt, beste Copperfield, hoe hard mij dit valt. Ik kan het bijna niet dragen. Gij, die mijne zwakke krachten kent, zult mij wellicht raad kunnen geven hoe ik er in deze buitengewone omstandigheden het beste gebruik van zou kunnen maken. Dit doende, zoudt gij een nieuwe verplichting voegen bij de vele, die wij reeds aan u hebben.

Met de vriendelijke groeten van de kinderen en een lachje van het onschuldig wichtje, noem ik mij, beste Copperfield,

Uwe U toegenegene Emma Micawber.”

Ik voelde mij niet gerechtigd aan eene vrouw van mevrouw Micawber's ondervinding anderen raad te geven dan dat zij trachten moest—hetgeen zij zonder mijn raad toch ook zou doen—haar echtgenoot door geduld en toegevendheid tot rede te brengen. Toch hield de inhoud van mevrouw Micawber's schrijven mij langen tijd bezig.

XLIII.

Nog een terugblik.

Laat mij nogmaals bij een gedenkwaardig tijdstip in mijn leven blijven stilstaan. Laat mij ter zijde gaan staan, om de gebeurtenissen uit die dagen, door mijn eigen schim vergezeld, in een somberen stoet te zien voorbijtrekken.

Weken, maanden, geheele jaargetijden, trekken langs mij heen. In mijne herinnering schijnen ze niet langer geduurd te hebben dan een zomerdag en een winteravond. Nu staat de weide, waarin ik met Dora wandel, in vollen bloei—een schitterend goudveld; nu liggen heide, bosch en struik onder een bed van sneeuw bedolven. Als door een ademtocht wordt de in het zonlicht schitterende rivier, die des Zondags onze wandeling begrenst, door den Noordenwind gerimpeld of met puntige ijsschotsen gevuld. Sneller dan ooit eene rivier naar de zee stroomde, doemt het op, wordt helderder en helderder, snelt voorbij en verdwijnt in de duisternis.

Geen spijker is verslagen, geen schilderij verhangen in de woning van de twee vogeltjes. De pendule tikt boven den haard, het weerglas hangt in de gang. Geen van beide wijst ooit zuiver, maar wij gelooven er toch met den grootsten eerbied aan.

Ik heb langzamerhand den leeftijd van eenentwintig jaren, den mannelijken leeftijd, bereikt. Ik voel mijne waardigheid toenemen, eene waardigheid, die opgedrongen kan worden. Laat mij daarom eens nagaan, wat ik door eigen kracht heb verworven.

Ik heb dat bijna ondoorgrondelijke geheim der stenographie onder de knie gekregen en mij daardoor een behoorlijk inkomen verworven. Ik heb een goeden naam gekregen door mijne bekwaamheid in alles wat deze kunst betreft, en ben met elf anderen aangesteld om de verslagen van het Parlement te leveren in een ochtendblad. Avond aan avond houd ik aanteekening van voorspellingen, die nooit uitkomen, van beloften, die nooit worden vervuld, van verklaringen, die alleen worden gegeven, om anderen een rad voor de oogen te draaien. Ik zwem letterlijk in mooie woorden. De ongelukkige vrouw Brittannië lijkt mij een opgemaakte vogel toe: aan alle zijden doorstoken met kantoorpennen en aan handen en voeten gebonden met rood band. Ik heb genoeg achter de schermen gekeken om de politiek op hare juiste waarde te schatten en ben daardoor een ongeloovige geworden, die zich niet licht zal laten bekeeren.

Mijn oude vriend Traddles heeft hetzelfde vak gekozen, maar hij komt niet verder. Hij draagt deze teleurstelling even welgemoed als alle andere, en brengt mij telkens in herinnering, dat hij nooit hooge gedachten van zichzelven heeft gekoesterd. Hij werkt nu en dan voor hetzelfde nieuwsblad, door uit andere bladen dorre feiten op te zoeken, die dan door vruchtbaarder geesten worden overgeschreven en opgesierd. Ook is hij bij de balie aangesteld; met bewonderenswaardige vlijt en opofferingen van allerlei aard heeft hij de tweede honderd pond bijeen weten te brengen, die hij storten moest. Bij zijne benoeming werd eene aanzienlijke hoeveelheid warme portwijn gedronken, maar het bedrag in aanmerking genomen, vermoed ik dat de Inner Temple er voordeel bij heeft gehad.

Ik heb nog iets anders ter hand genomen. Met angst en vreeze heb ik de pen opgevat en in het geheim eenige stukjes voor een tijdschrift geschreven, die ook geplaatst zijn. Sedert ben ik daarmede voortgegaan en wordt er nu geregeld voor betaald. Alles te zamen genomen, gaat het mij goed; als ik mijn inkomen op de vingers van mijn linkerhand natel, kom ik den derden vinger voorbij en blijf bij het middelste lid van den vierden steken. Wij wonen niet meer in Buckingham-street, maar in een aardig klein huisje dichtbij hetgeen ik gezien heb toen ik pas verliefd was. Tante, die haar huisje te Dover voordeelig verkocht heeft, zal hier echter niet blijven, maar is van plan een optrekje te huren in onze onmiddellijke nabijheid. In _onze_? Wat zou dat beduiden? Ga ik trouwen? Ja waarlijk!

Ja! Ik ga trouwen met Dora! Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa hebben hare toestemming gegeven en als ooit kanarievogeltjes gejaagd heen en weer gefladderd hebben dan zijn zij het geweest. Juffrouw Lavinia, die zich zelve het oppertoezicht heeft opgedragen over het uitzet van mijne lieveling, is voortdurend bezig met patronen te knippen uit bruin papier en heeft meermalen verschil met een knap jong mensch, die een groot pak en een el onder den arm draagt. Een naaister, die een naald met een lange draad op de borst draagt, is aangenomen met kost en inwoning; het komt mij voor dat zij, ook niet wanneer zij eet, drinkt of slaapt, haar vingerhoed nooit aflegt. Zij maken een ledepop van mijn lieveling, want het passen en meten gaat den geheelen dag door. Wij kunnen des avonds geen vijf minuten rustig bij elkander zitten of het een of andere lastige vrouwspersoon klopt aan de deur en roept: „Als 't u gelegen komt, juffrouw Dora, wil u eens boven komen?”

Juffrouw Clarissa zwerft met mijne tante heel Londen door om huishoudelijke benoodigdheden uit te zoeken, die ik daarna met Dora moet gaan bekijken. Het zou wel zoo doelmatig zijn als zij maar in eens tot den koop besloten, zonder ons oordeel te vragen: want eens op haardgereedschap voor de keuken uit zijnde, ontwaart Dora plotseling een Chineesch huisje voor Jip, met kleine klokjes aan het dak, en geeft daaraan verre de voorkeur. Nadat wij het gekocht hebben, duurt het ontzettend lang eer Jip aan zijn nieuwe woning gewend is, want telkens als hij er in of uitgaat, beginnen de klokjes te bellen, hetgeen hem een doodsangst op het lijf jaagt.

Daar verschijnt Peggotty en wordt terstond aan het werk gezet. Het schijnt dat zij geen andere taak heeft dan alles telkens weer opnieuw schoon te maken. Alles wat daartoe in de termen valt, wordt door haar gewreven tot het blinkt, evenals haar eigen eerlijk voorhoofd.

En nu komt haar broeder mij in de gedachte; ik zie hem eenzaam door de straten wandelen, bij dag en des avonds, en alle voorbijgangers in het gelaat kijken. Ik vergezel hem meermalen op deze wandelingen, maar spreek niet met hem. Ik weet te goed wat hij zoekt en wat hij vreest, als hij daar zoo ernstig voortwandelt.

Waarom kijkt Traddles zoo bijzonder deftig, als hij mij op dien namiddag in de Commons komt opzoeken, waar ik—voor den vorm—nog wel eens heenga als ik tijd heb. De verwezenlijking van mijne jongensdroomen is op handen. Ik ga een huwelijkslicencie halen. Het is een klein stukje papier, dat toch zooveel kracht bezit; Traddles bekijkt het, terwijl het op mijne schrijftafel ligt, met bewondering en ontzag. Daar staan nu de namen, zooals ik ze in mijne verbeelding reeds zoo dikwerf heb zien staan, zoo vertrouwelijk naast elkander: David Copperfield en Dora Spenlow; en daar in den hoek het zegel, dat zoo onafscheidelijk verbonden is aan onderscheidene handelingen in het leven van den mensch; het schijnt vol belangstelling op onze verbintenis neer te zien; en de Aarts-Bisschop van Canterbury spreekt op papier den zegen over ons uit, zoo goedkoop als het maar eenigszins verwacht kan worden.

Toch verkeer ik nog in een droom, in een onrustigen, maar gelukkigen droom. Ik kan niet gelooven, dat het werkelijk zoo zijn zal en kan niet van mij afzetten, dat niet iedereen op straat aan mij zien kan dat ik overmorgen ga trouwen. Het Hof kent mij en als ik den eed kom afleggen, word ik zoo vlug geholpen, alsof ik tot de familie behoor—om het zoo maar eens uit te drukken. Traddles is er volstrekt niet bij noodig, maar blijft toch op mij wachten.

„Ik hoop,” zeg ik, „dat gij hier spoedig voor u zelven komen moogt.”

„Ontvang mijn dank voor dien goeden wensch, beste Copperfield,” antwoordt hij. „Ik hoop het ook. Het is echter eene geruststelling, dat zij op mij wachten zal tot in lengte van dagen en dat zij werkelijk het liefste meisje is....”

„Wanneer moet gij aan de diligence zijn om haar af te halen?” vroeg ik.

„Om zeven uur”, zegt Traddles, op zijn zwaar zilveren horloge kijkende—hetzelfde waaruit hij op school eens een raadje nam om een watermolen te maken. „Dus ongeveer op hetzelfde uur als juffrouw Wickfield komt, is 't niet?”

„Een weinig vroeger. Juffrouw Wickfield komt om half negen.”

„Ik verzeker u, beste kerel”, zegt Traddles, „dat ik bijna even blij ben alsof ik zelf ging trouwen, nu ik bedenk, dat voor u alles zoo goed is afgeloopen. Uw bewijs van vriendschap en achting, dat gij mij geeft door Sophie met juffrouw Wickfield als bruidsmeisjes te vragen, eischt mijn warmsten dank. Ik kan u dat niet genoeg zeggen.”

Ik hoor hem nog spreken; ik voel zijn handdruk nog en wij babbelen en wandelen en gebruiken samen het middagmaal en .... en toch lijkt alles mij een droom. Het kan geen werkelijkheid zijn.

Op het afgesproken tijdstip komt Sophie bij Dora's tantes aan huis. Zij heeft een innemend gezichtje—niet mooi, maar buitengewoon innemend—en is het verstandigste, aantrekkelijkste, ongekunsteldste schepseltje, dat ik ooit ontmoet heb. Traddles stelt haar aan ons voor en wij zien hoe trotsch hij op haar is; tien minuten lang—ik ga het na op de pendule—wrijft hij in zijne handen; geen haartje op zijn hoofd, dat niet rechtop staat; ik feliciteer hem in een hoek van de kamer met zijne keuze. Ik heb Agnes van de diligence gehaald en haar lief, mooi gezichtje is voor de tweede maal in ons midden. Agnes is zeer ingenomen met Traddles; de ontmoeting is buitengewoon hartelijk en ik geniet bij het zien van de verrukking, waarmede Traddles het liefste meisje van de wereld aan haar voorstelt.

Toch kan ik het nog niet gelooven. Wij hebben een heerlijken avond en zijn allen hoogst gelukkig; maar toch kan ik het nog niet gelooven. Ik kan niet goed denken; ik besef mijn geluk niet, terwijl het toch werkelijk zoo is. Ik ben duizelig en zie alles door een nevelig waas, alsof ik een paar weken geleden eens heel vroeg opgestaan en daarna niet meer naar bed geweest ben. Ik kan mij den dag van gisteren niet goed voorstellen en het komt mij voor, of ik de huwelijkslicencie al maanden lang met mij rondgedragen heb.

Den volgenden dag, als wij allen te zamen ons huisje bezoeken—het huisje van Dora en mij!—voel ik mij nog net eender; ik ben zelfs niet in staat, om in die woning als heer en meester op te treden. Het schijnt mij toe alsof ik daar ben met toestemming van een ander. Ik verwacht half en half den werkelijken heer des huizes en denk dat hij blijde zijn zal mij te zien. En het is zoo'n aardig huisje, alles is er zoo nieuw en zoo helder; de bloemen op de tapijten schijnen zoo juist geplukt, de groene bladeren in het behangsel zoo juist uitgebot te zijn; en dan die kraakheldere neteldoeksch gordijnen en de donkerroode trijp van de canapee en de stoelen, en Dora's tuinhoed met de blauwe linten—ik herinner mij zoo goed hoe lief ik haar vond, toen ik haar dien eersten morgen in den tuin ontmoette met een dergelijken hoed op!—hing reeds aan het kleine kapstokje; de guitaarkist scheen zich al thuis te voelen in haar hoekje, en iedereen tuimelt over Jip's pagode, die veel te groot is voor ons tilletje.

Nog zulk een gelukkigen avond, waarop mij alles nog een droom toeschijnt en aan het einde waarvan ik stilletjes de huiskamer binnensluip, voor ik wegga. Dora is er niet. Ik onderstel, dat zij weder aan het passen zijn. Juffrouw Lavinia kijkt om een hoekje en vertelt mij heel geheimzinnig dat „het” niet lang meer duurt. Toch blijft Dora tamelijk lang weg, maar eindelijk hoor ik geritsel en geschuifel aan de deur. Er wordt geklopt. Ik roep: „Binnen!” maar er wordt nog eens geklopt. Ik ga naar de deur, nieuwsgierig om te weten, wie dat zijn kan en daar zie ik in een paar schitterende oogen en een blozend gelaat; het is Dora! Juffrouw Lavinia heeft haar als bruid getooid, geheel zooals zij er morgen zal uitzien! Ik druk mijn kleine vrouwtje aan mijn hart en juffrouw Lavinia geeft een gilletje, omdat ik het hoedje plat druk. Dora lacht en schreit te gelijk, omdat ik zoo verrukt ben en.... ik geloof het nog minder dan gisteren.

„Vindt gij mij mooi, Doady?” vraagt Dora.

„O, Dora, ik kan u niet zeggen, hoe mooi ik u vind!”

„En zijt gij wel zeker, dat gij heel veel van mij houdt?”

Deze vraag brengt het hoedje zoodanig in gevaar, dat juffrouw Lavinia nog een gilletje geeft en mij verzoekt te begrijpen, dat ik alleen maar naar Dora mag kijken en haar onder geen voorwendsel aanraken. En daar staat zij, verrukkelijk in haar verlegenheid, om gedurende een of twee minuten bewonderd te worden: toen neemt zij haar hoed af—wat ziet zij er nu veel natuurlijker uit!—en snelt weg met den hoed in de hand; daarna komt zij dansende terug in haar gewone toilet en vraagt aan Jip of ik een mooi, klein vrouwtje krijg en of hij het haar vergeven wil dat zij gaat trouwen, en knielt neer om hem op het kookboek te laten opzitten—voor de laatste maal in haar zorgeloos leventje.

Ik ga, ongelooviger dan ooit, naar huis, d. i. naar eene kamer, die ik in de onmiddellijke nabijheid gehuurd heb, en sta den volgenden morgen heel vroeg op, om naar den straatweg naar Highgate te rijden, waar ik tante moet afhalen.

Ik heb tante nooit met zooveel zorg gekleed gezien. Zij draagt een lavendelkleurige zijden japon en een witten hoed—'t was verbazend. Janet heeft haar geholpen en is meegekomen om mij nog eens te zien. Peggotty is gereed om naar de kerk te gaan, waar zij, op de galerij zittende, de plechtigheid zal bijwonen. Mijnheer Dick, die mij aan het altaar mijn bruidje zal overgeven, heeft zijn haar laten friseeren. Traddles, dien ik volgens afspraak aan het tolhek heb opgenomen, geeft een mengeling te aanschouwen van roomkleur en lichtblauw: wanneer ik mij mijnheer Dick en Traddles van dien gedenkwaardigen morgen voorstel, zie ik in mijne verbeelding niets dan handschoenen. Ik zie dit alles, omdat ik weet, dat het zoo is; maar eigenlijk zie ik niets. Ik kan het nog maar niet gelooven. Maar toch, als wij eindelijk in een open rijtuig naar de kerk rijden, is het toch geen sprookje meer voor mij en voel ik een vreemdsoortig medelijden voor de ongelukkigen, die er geen deel aan hebben en uit hunne winkels komen loopen, om ons na te kijken en daarna weder aan hunne dagelijksche bezigheden te gaan.

Tante zit gedurende den geheelen rit met mijne hand in de hare. Als wij op eenigen afstand van de kerk stil houden om Peggotty af te zetten, die wij op den bok hebben medegenomen, drukt zij mijne hand hartelijk en geeft mij een kus.

„God zij met u, Trot! Mijn eigen kind zou mij niet liever kunnen zijn. Ik denk van morgen aan dat arme lieve moedertje van u.”

„Ik ook, tante, maar niet minder aan alles wat gij voor mij geweest zijt.”