Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 65

Chapter 654,025 wordsPublic domain

Nooit heb ik Dora zoo teeder, zoo oprecht liefgehad als dien avond. Toen wij waren uitgestapt en bij het licht der sterren den korten afstand aflegden, die ons van doctor Strong's woning scheidde, vertelde ik Agnes, dat zij daarvan de oorzaak was. „Toen gij naast haar zat,” zei ik, „had ik een gevoel, alsof gij niet minder haar beschermengel waart dan de mijne. En dit gevoel heb ik nog, Agnes.”

„Een arme engel,” antwoordde zij, „maar trouw.”

De heldere klank harer stem, die tot mijn hart doordrong, gaf mij aanleiding te zeggen:

„De u eigen blijmoedigheid, Agnes, die ik nooit bij iemand anders heb ontwaard, is, zooals ik vandaag heb opgemerkt, teruggekeerd. Mag ik daaruit opmaken dat gij u thuis wat gelukkiger voelt?”

„Ik voel mij zelve veel gelukkiger,” antwoordde zij, „ik ben zoo opgewekt als ik in langen tijd niet geweest ben.”

Toen zij bij deze woorden haar lief gelaat naar mij ophief, meende ik, dat de sterren er zulk een hemelschen glans op wierpen.

„In huis is niets veranderd,” sprak zij, na eenige oogenblikken gezwegen te hebben.

„Hebt gij mij niets nieuws mede te deelen aangaande.... ik wil u geen verdriet doen, Agnes, maar ik kan niet helpen, dat ik het vragen moet.... aangaande.... gij weet wel, waarover wij hebben gesproken, toen ik u het laatst heb gezien?”

„Neen, niets,” antwoordde zij.

„Ik heb er zooveel over gedacht.”

„Dat moet gij niet doen. Bedenk toch dat liefde en waarheid ten laatste zullen zegepralen. Maak u niet beangst voor mij, Trotwood,” voegde zij er bij, „hetgeen gij vreest, zal nimmer gebeuren.”

Hoewel ik kalm nadenkende nooit gevreesd had, dat zij het doen zou, was het mij toch eene onuitsprekelijke verademing, toen ik deze geruststellende verzekering van haar eigen trouwe lippen ontving. Ik zei haar dat zoo ernstig mogelijk.

„En wanneer nu deze veertien dagen om zijn, Agnes.... wij mochten misschien niet meer in de gelegenheid zijn om zoo vertrouwelijk te spreken.... hoe lang zal het dan duren, voor gij weder te Londen komt?”

„Waarschijnlijk heel lang,” antwoordde zij, „ter wille van papa kan ik nergens beter zijn dan thuis. Vermoedelijk zullen wij elkander dus niet veel zien, maar ik zal trouw aan Dora schrijven, dan zullen wij toch dikwijls van elkander hooren.”

Wij waren intusschen de woning van den doctor genaderd en het was al laat. In mevrouw Strong's kamer was nog licht en Agnes wenschte mij, na tegen het venster geklopt te hebben, goeden nacht.

„Gij moet u niet zoo laten terneerslaan omdat het ons wat tegenloopt,” sprak zij, met haar handje in de mijne.

„Ik kan niet gelukkiger zijn, dan wanneer ik u gelukkig zie. Indien gij mij ooit helpen kunt, vertrouw dan op mij; ik zal uwe hulp inroepen. God zegen' u.”

Onder den indruk van haar stralend gezichtje en van den blijmoedigen toon, waarop zij gesproken had, bleef ik nog een oogenblik staan en nam toen langzaam den terugweg aan. Ik had logies besteld in eene naastbijzijnde herberg, de eenige in de buurt, en had geen ander voornemen dan mijn bed op te zoeken, toen ik, mij omkeerende, licht gewaar werd in de studeerkamer van doctor Strong. Een gevoel van zelfverwijt kwam in mij op, dat hij zonder mij aan zijn woordenboek zat te werken. Met de bedoeling om mij daarvan te overtuigen en hem in elk geval goeden nacht te wenschen, als hij nog tusschen zijne boeken zat, keerde ik zachtjes door den tuin terug en opende de deur van de studeerkamer. De eerste persoon, dien ik zag, was, tot mijne groote verbazing, Uriah. Hij stond in de schaduw van de lamp, met een van zijne skeletachtige handen voor den mond en de andere op de tafel van den doctor. Deze zat in zijn studeerstoel, het gelaat met beide handen bedekt, terwijl mijnheer Wickfield met een ontsteld gelaat voorover leunde en aarzelend den arm van den doctor aanraakte.

In het eerste oogenblik meende ik dat mijnheer Strong ziek was. Haastig deed ik onder dien indruk eenige schreden vooruit, maar toen ik Uriah's blik ontmoette, begreep ik wat er gebeurd moest zijn. Ik wilde heengaan, maar de doctor gaf mij een wenk om te blijven.

„In elk geval,” zei Uriah, die zich op de afzichtelijkste wijzen stond te wringen, „kunnen wij de deur gesloten houden. De geheele stad behoeft het niet te weten.”

Dit zeggende, sloop hij op de teenen naar de deur, die ik had opengelaten, en sloot die zorgvuldig. Daarna nam hij dezelfde plaats en dezelfde houding weder in. In zijne stem en zijne bewegingen lag gehuicheld medelijden, een zeker vertoon van welwillendheid, hetgeen hem—in _mijn_ oogen tenminste—nog onverdragelijker maakte dan welke andere houding ook.

„Ik heb mij genoopt gevoeld, jongeheer Copperfield,” zei Uriah, „doctor Strong te wijzen op hetgeen waarover wij gesproken hebben. Gij hebt mij echter toen niet geheel begrepen, nietwaar?”

Ik keek hem aan, maar gaf geen antwoord en naar mijn goeden, ouden meester gaande, trachtte ik dezen eenige woorden van troost en bemoediging toe te spreken. Hij legde de hand op mijn schouder, zooals hij gedaan had toen ik nog een kleine jongen was, maar lichtte het grijze hoofd niet op.

„Aangezien gij mij toen niet begrepen hebt, jongeheer Copperfield,” hernam Uriah op walgelijk beleefden toon, „mag ik zeker wel zoo vrij wezen u, daar wij toch onder vrienden zijn, mede te deelen, dat ik zoo nederig mogelijk doctor Strong's aandacht gevestigd heb op de handelingen van mevrouw Strong. Ik kan u verzekeren, Copperfield, dat het mij eene overwinning op mij zelven gekost heeft, eer ik er toe kon overgaan zulk een onaangenaam onderwerp aan te roeren; maar nu het eenmaal zoo is, zijn wij allen min of meer schuldig, indien wij iets, wat niet in den haak is, verzwijgen. Dat was hetgeen ik bedoelde, toen gij mij niet begreept, jongeheer Copperfield.”

Het verbaast mij nog altijd, dat ik den gluiper op dat oogenblik niet bij den strot gepakt en den nek omgedraaid heb!

„Ik moet bekennen,” ging hij voort, „dat ik mij toen niet duidelijk heb uitgedrukt, evenmin als gij. Natuurlijk wilden wij beiden liever dat onderwerp laten rusten. Eindelijk ben ik echter tot de overtuiging gekomen, dat het beter was ronduit te spreken en aan doctor Strong mede te deelen, dat.... zegt gij iets, mijnheer?”

Deze vraag was tot den doctor gericht, die een angstigen zucht had geslaakt. Dit geluid had ieders hart moeten treffen, naar ik meende, maar het liet Uriah koud.

„...... aan doctor Strong mede te deelen,” ging hij onverbiddelijk voort, „dat iedereen zien kan hoe vriendelijk mijnheer Maldon en de mooie, lieve dame, die doctor Strong's vrouw is, voor elkander zijn. Waarlijk, die tijd is gekomen—willen wij niet allen min of meer schuldig zijn door iets, wat niet in den haak is, te verzwijgen—dat doctor Strong weten moet, hoe duidelijk dit reeds voor iedereen was eer mijnheer Maldon naar Indië vertrok. Om geen andere reden is mijnheer Maldon uit Indië teruggekeerd en om geen andere reden is mijnheer Maldon zoo dikwijls hier. Toen gij binnenkwaamt, mijnheer Copperfield, wilde ik juist mijn compagnon verzoeken”—hij richtte zich nu tot mijnheer Wickfield—„openhartig aan doctor Strong te verklaren, hoe lang hij reeds dat zelfde vermoeden gekoesterd heeft. Kom, mijnheer Wickfield! Wilt gij nu zoo goed zijn ons uwe opinie mede te deelen? Ja of neen, mijnheer? Kom, compagnon!”

„Hecht in 's Hemels naam niet te veel waarde aan de vermoedens, die ik gekoesterd mag hebben, beste doctor!” zei mijnheer Wickfield, terwijl hij weder aarzelend zijne hand op mijnheer Strong's arm legde.

„Hoort nu eens welk eene dubbelzinnige verklaring!” riep Uriah hoofdschuddend uit. „Is het soms niet waar? Hem, zulk een oud vriend! Goede Hemel, toen ik nog maar een eenvoudige klerk was op zijn kantoor, mijnheer Copperfield, heb ik hem wel twintig malen woedend gezien bij de gedachte—voor een vader te vergeven—dat juffrouw Agnes betrokken zou worden in dingen, die niet in den haak waren.”

„Beste Strong,” hernam mijnheer Wickfield met trillende stem, „goede vriend, ik behoef u niet te zeggen dat mijn grootste gebrek is geweest, bij iedereen altijd naar een geheime beweegreden te zoeken en al zijne handelingen daaraan te toetsen. Wellicht heeft dit gebrek twijfel in mij opgewekt.”

„Hebt gij dan werkelijk getwijfeld, Wickfield?” vroeg de doctor, zonder van houding te veranderen. „Hebt gij werkelijk getwijfeld?”

„Zeg nu de waarheid, compagnon,” drong Uriah.

„Zeker, er is een tijd geweest, waarin ik twijfelde,” zei mijnheer Wickfield. „Ik meende, de Hemel moge 't mij vergeven, dat gij zelf ook twijfeldet!”

„Neen, neen, nooit, geen oogenblik!” antwoordde doctor Strong, diep terneergeslagen.

„Ik heb gemeend,” hernam mijnheer Wickfield, „dat gij Maldon buitenslands verlangdet te zenden, omdat gij eene scheiding wenschelijk achtet.”

„Neen, neen!” antwoordde de doctor. „Niets anders dan de zucht om Annie genoegen te doen heeft mij bewogen den speelgenoot harer jeugd aan eene betrekking te helpen! Niets anders!”

„Dat bleek mij later ook,” zei mijnheer Wickfield. „Toen gij mij dat verteldet, kon ik niet meer twijfelen. Ik meende echter—ik smeek u te bedenken, dat ik mijn geheele leven het slachtoffer geweest ben van mijne bekrompen denkwijze—dat met het oog op het bestaande groote verschil in leeftijd.....”

„Dit is de ware manier om het voor te stellen, ziet ge, jongeheer Copperfield!” zei Uriah op gehuicheld medelijdenden toon.

„...... zulk een jong, mooi meisje, hoeveel achting zij voor u koesterde, meer door wereldsche overwegingen zou zijn geleid, eer zij tot een huwelijk met u had besloten. Ik hield geen rekening met de ontelbare neigingen en omstandigheden, die alles ten goede konden keeren. Ik smeek u dat niet te vergeten.”

„Wat draagt hij het lief voor!” zei Uriah hoofdschuddend.

„Tengevolge van deze eenzijdige beschouwing,” ging mijnheer Wickfield voort, „—maar ik smeek u, mijn oude vriend, bij alles wat u dierbaar is, neem mijne eenzijdigheid in aanmerking,—ben ik nu genoodzaakt te bekennen.....”

„Neen, er is geen uitweg meer, mijnheer Wickfield!” merkte Uriah aan, „nu het eenmaal zoover gekomen is.”

„...... dat ik getwijfeld heb,” vervolgde mijnheer Wickfield met een angstigen, half wanhopende blik naar zijn compagnon, „dat ik twijfelde of zij haar plicht jegens u wel trouw nakwam; dat ik somtijds—als ik alles moet zeggen—liever niet zag dat Agnes zoo familiaar met haar omging en dingen zou zien, die ik zag of in mijne verbeelding zag. Ik vertelde dat nooit aan iemand ter wereld. Ik meende ook dat niemand het ooit had opgemerkt. En hoewel het voor u vreeselijk is het aan te hooren,” eindigde hij, geheel van zijn stuk, „als gij wist, hoe vreeselijk het voor mij is het te vertellen, zoudt gij medelijden met mij hebben!”

Goedhartig als altijd bood de doctor hem de hand, die mijnheer Wickfield eenigen tijd vasthield, terwijl hij met gebogen hoofd voor mijnheer Strong bleef staan.

„Ik ben er zeker van,” zei Uriah, die zich al dien tijd had staan kronkelen als een aal, „dat het onderwerp voor allen onaangenaam is. Maar nu het zoover gekomen is, moet ik nog de vrijheid nemen te doen opmerken, dat Copperfield het ook heeft vermoed.”

Ik keerde mij tot hem en vroeg hoe hij zich op mij durfde beroepen.

„O! Het is wel vriendelijk van u, Copperfield,” antwoordde hij al kronkelend, „en wij weten allen, welk een beminnelijk karakter gij hebt; maar gij weet wel, dat, toen ik er u laatst over sprak, gij zeer goed begreept wat ik bedoelde. Gij weet, dat gij mij begreept, Copperfield. Ontken het niet! Gij zoudt het met de beste bedoelingen willen ontkennen, Copperfield, maar doe dat niet.”

Ik zag den goedhartigen blik van den doctor op mij gevestigd en voelde, dat de bekentenis van mijn ouden argwaan op mijn gezicht te lezen stond. Het was geheel onnoodig mij zoo boos te maken. Ik kon mijn gezicht niet veranderen. Wat ik ook zou gezegd hebben, ik kon de bekentenis niet herroepen.

Wij bleven allen het stilzwijgen bewaren, tot de doctor eindelijk opstond en twee of drie malen de kamer op- en neerliep. Nu keerde hij naar zijn stoel terug, en met de hand op de leuning en den zakdoek voor de oogen, met een eenvoud en oprechtheid, die hem meer tot eer strekten dan, naar mijne overtuiging, het bemantelen van hetgeen in hem omging zou gedaan hebben, zei hij:

„Ik ben zeer te laken geweest. Ik geloof, dat ik zeer te laken ben geweest. Ik heb de vrouw, die ik innig liefhad, blootgesteld aan besprekingen en lasteringen—ik noem het eene lastering, zelfs al is het maar in iemand's gedachten opgekomen—waarvoor zij gespaard zou zijn gebleven, indien ik niet had bestaan.”

Uriah Heep liet een soort gesnuif hooren; waarschijnlijk om zijn medelijden uit te drukken.

„...... waaraan mijne Annie,” vervolgde de doctor, „nimmer zou zijn blootgesteld geweest, als ik niet had bestaan. Mijne heeren, gij weet, ik ben oud; ik voel van avond, dat ik niet veel meer van het leven verlangen kan. Maar gaarne zou ik mijn leven.... mijn Leven, hoort gij!.... geven voor de eer en de trouw van de lieve vrouw, die het onderwerp heeft uitgemaakt van dit gesprek!”

Ik geloof niet, dat het origineel van het meest volmaakte beeld van ridderlijkheid en trouw, ooit door eenig schilder op het doek gebracht, deze woorden niet zooveel waardigheid en nadruk zou hebben uitgesproken als de brave, oude doctor het deed.

„Ik wil niet ontkennen,” ging hij voort—„wellicht moet ik wel eenigermate toestemmen—dat ik dat meisje onnadenkend tot een ongelukkig huwelijk heb overgehaald. Ik bezit nu eenmaal weinig opmerkingsgave en kan niet anders dan aannemen, dat de waarnemingen van zooveel verschillende personen van uiteenloopende leeftijden en positie, waarnemingen, die alle een zelfde richting uitgaan—en wel zulk eene natuurlijke richting—beter zijn dan de mijne.”

Elders heb ik reeds beschreven, hoe ik den ouden man altijd bewonderde om de hartelijke wijze, waarop hij met zijne jonge vrouw omging; maar de achting en de teederheid, die hij thans voor haar aan den dag legde; de bijna eerbiedige wijze, waarop hij zelfs den minsten twijfel aan hare deugd afwees, deed hem, meer dan ik zeggen kon, in mijne achting rijzen.

„Ik trouwde met haar,” ging hij voort, „toen zij nog heel jong was; haar karakter had zich nauwelijks kunnen vormen en het is voor mij een genot geweest aan die vorming iets te kunnen bijdragen. Ik heb haar vader goed gekend, ik kende haar, ik had haar zelf onderwijs gegeven, omdat ik zelden iemand ontmoet had, die zooveel schoone deugden in zich vereenigde. Mocht ik haar onrecht hebben gedaan—ik vrees dat ik het gedaan heb door gebruik te maken van hare dankbaarheid en hare vriendschap—dan smeek ik haar mij dat te willen vergeven.”

Hij liep weder eenige malen de kamer op en neer en kwam terug bij den stoel, waarvan hij de leuning vastgreep; zijne hand beefde, zijne stem trilde van aandoening.

„Ik beschouwde mij zelven,” ging hij voort, „als eene toevlucht voor haar; bij mij zou zij veilig zijn voor de gevaren en wisselvalligheden des levens. Ik trachtte mij diets te maken dat, al verschilden wij veel in leeftijd, zij kalm en tevreden bij mij zou kunnen leven. Ook zag ik niet voorbij dat er een tijd zou komen, waarin zij weder vrij zal zijn en, nog altijd jong en schoon, met een gerijpt oordeel een nieuw leven zal kunnen beginnen.... neen, mijne heeren, op mijn woord, ik zag dat niet voorbij!

„Mijn leven met deze vrouw is zeer gelukkig geweest. Tot op dezen avond heb ik onafgebroken reden gehad om den dag te zegenen, waarop ik haar zulk een groot onrecht aandeed.”

Zijne stem had gedurende het uitspreken van deze laatste woorden gehaperd, zoodat hij eenige oogenblikken zweeg en toen voortging:

„Eenmaal uit mijn droom ontwaakt—ik ben in zekere mate altijd een droomer geweest, mijn leven lang—zie ik in hoe natuurlijk het is dat zij eenig berouw gevoelt ten opzichte van den speelmakker harer jeugd; dat zij, hem aanziende, de onschuldige gedachte niet zal kunnen onderdrukken, wat had kunnen zijn, indien ik niet bestaan had; ja, ik vrees, dat dit maar al te waar is. Veel, dat ik gezien doch niet opgemerkt heb, heeft in dit laatste, moeilijke uur eene andere beteekenis voor mij gekregen. Maar, mijne heeren, verder mag ik niemand toestaan te gaan in zijn twijfel, wanneer de naam van mijne vrouw genoemd wordt.”

Gedurende een oogenblik schitterden zijne oogen en werd zijne stem vast; daarna bleef hij even zwijgen en hernam toen:

„Er blijft mij niets anders over dan de kennis van het door mij veroorzaakte verdriet met onderworpenheid te dragen. Zij is het, die verwijten doen kan, niet ik. Het zal mijn plicht zijn haar te zuiveren van verdenkingen, van wreede verdenkingen, die zelfs mijne vrienden niet konden nalaten te koesteren. Hoe stiller en eenzamer wij leven, hoe beter ik mij van deze taak zal kunnen kwijten. En komt eenmaal de tijd—moge het den Hemel behagen dien spoedig te doen aanbreken—dat mijn dood haar van den haar opgelegden dwang zal verlossen, dan zal mijn laatste blik met onbegrensd vertrouwen en liefde gevestigd zijn op haar oprecht gelaat; zonder spijt zal ik haar dan overlaten aan gelukkiger en lichter dagen.”

Ik kon hem niet zien, want zijn ernst en zijne goedheid, zoo volkomen passend bij zijn eenvoud, deden mij de tranen in de oogen springen. Hij deed eene beweging naar de deur en voegde er nog bij:

„Mijne heeren, ik heb u mijn gansche hart blootgelegd; ik ben overtuigd, dat gij dit eerbiedigen zult. Hetgeen dezen avond hier gezegd is, mag nimmer herhaald worden. Wickfield, oude vriend, geef mij een arm op de trap!”

Mijnheer Wickfield snelde op hem toe. Zonder een woord te wisselen, gingen zij langzaam de kamer uit. Uriah keek hen na. „Wel, jongeheer Copperfield!” zei hij, zich met een ootmoedig gezicht tot mij wendende, „de dingen hebben niet de wending genomen, die ik verwacht had, want de oude heer—een braaf man!—schijnt stekeblind te zijn. Eén ding is echter zeker: _deze_ familie is uit den weg geruimd!”

Ik had niets noodig dan den klank van zijne stem te hooren, om zoo razend nijdig te worden, als ik nooit te voren was, noch later ooit geweest ben.

„Schurk, die je bent!” zei ik, „hoe durft gij mij in uwe plannen wikkelen? Hoe durft gij u op mij beroepen, valsche ellendeling, alsof wij eerst samen gesproken hadden!”

Toen wij daar tegenover elkander stonden, zag ik zoo duidelijk, dat zijn gluiperig gezicht van heimelijke vreugde straalde; ik bedoel, dat ik zoo duidelijk las, hoe hij door zijn aan mij opgedrongen vertrouwen mij een strik had gespannen, dat ik mijn drift niet kon intoomen. Zijne lange, breede wang was bovendien zoo uitlokkend, dat ik niet kon nalaten er met de platte hand zulk een slag op te geven, dat mijne vingers tintelden, alsof ik ze gebrand had.

Hij greep mijne hand en hield die bij het polsgewricht vast, en zoo stonden wij elkander eenige oogenblikken aan te kijken, lang genoeg echter voor mij, om te zien hoe de witte sporen van mijne vingers uit het donkerrood van zijne wang opkwamen, en nog donkerder tint aannamen dan deze.

„Copperfield,” zei hij eindelijk met ademlooze stem, „zijt gij uw verstand kwijt?”

„Ik ben jou kwijt,” antwoordde ik, mijne hand losrukkende. „Ik wil je niet meer kennen, hondsvot.”

„Niet?” zei hij met de hand op zijn wang, om de pijn te bedwingen. „Misschien zult gij dat niet kunnen nalaten! Maar is het niet ondankbaar van u?”

„Ik heb je dikwijls genoeg getoond, dat ik je veracht,” hernam ik. „En nu heb ik je dat nog duidelijker getoond. Waarom zou ik bevreesd zijn voor je? Ge doet immers niets dan kwaadstoken! Niemand is veilig voor je!”

Hij begreep volkomen deze toespeling op de redenen, die mij tot nu toe genoopt hadden hem te ontzien. En ik ben er zeker van dat ik noch den slag gegeven, noch de toespeling gemaakt zou hebben, indien ik dien avond niet Agnes' verzekering had ontvangen. Maar dat deed niets ter zake.

Er volgde nu een vrij lange pauze. Terwijl hij mij aankeek schenen zijne oogen elke kleurschakeering aan te nemen, die oogen leelijk kunnen maken.

„Copperfield”, zei hij, zijn wang loslatende, „gij zijt altijd tegen mij geweest. Ik weet dat gij ook bij de Wickfields altijd tegen mij zijt geweest.”

„Gij kunt denken wat gij goedvindt”, zei ik, nog steeds kokende van woede.

„En toch heb ik altijd veel van u gehouden, Copperfield”, hernam hij.

Ik verwaardigde mij niet hierop te antwoorden, nam mijn hoed en was voornemens de herberg op te zoeken, toen hij zich tusschen mij en de deur plaatste.

„Copperfield”, zei hij, „in een twist behooren twee partijen. Ik wil de eene niet zijn.”

„Gij kunt naar den duivel loopen!” beet ik hem toe.

„Zeg dat niet”, antwoordde hij. „Ik weet zeker dat het u later spijten zal. Hoe kunt gij u zoo vernederen door zoo toornig te zijn? Kom, ik zal het u vergeven!”

„Gij mij vergiffenis schenken!” riep ik op minachtenden toon uit.

„Ja, dat doe ik en dat kunt gij mij niet beletten”, antwoordde Uriah. „Hoe is het mogelijk dat gij iemand, die altijd een vriend van u geweest is, zoo kunt behandelen? Maar er kan geen twist bestaan of er moeten twee partijen zijn. Ik wil de eene niet zijn. Ik blijf uw vriend ook al wilt gij dat niet. Nu weet gij wat gij van mij te verwachten hebt.”

De noodzakelijkheid om het twistgesprek—Uriah was kalm, maar ik zeer opgewonden—op zachten toon te voeren, opdat de familie in dit ongelegen uur niet gestoord zou worden, was niet geschikt om mijn humeur te verbeteren, hoewel mijn drift toch langzamerhand bekoelde. Ik vertelde hem eenvoudig dat ik van hem verwachten zou wat ik altijd van hem verwacht had en waarin ik mij nooit teleurgesteld had gezien, opende toen, niettegenstaande hij er nog voor stond, de deur alsof ik hem als een groote noot wilde kraken, en verliet de woning. Maar hij volgde mij, want hij moest naar zijne moeder, en nauwelijks had ik eenige schreden afgelegd of hij had mij ingehaald.

„Gij weet, Copperfield”, zei hij in mijn oor,—ik draaide mijn hoofd niet om—„dat gij in uw ongelijk zijt”—ik voelde dat hij waarheid sprak en dit maakte mij nog toorniger.—

„Gij kunt dat nooit goed praten en ook kunt gij er niets aan doen, dat ik u vergiffenis geschonken heb. Ik ben niet voornemens het aan mijne moeder of aan wien ook te vertellen. Ik heb nu eenmaal besloten u te vergeven. Toch moet ik nog eens zeggen, hoe het mij verbaasd heeft, dat gij uwe hand hebt kunnen opheffen tegen iemand, die altijd zoo nederig is!”

Ik was echter niet zoo'n lage kerel als hij. Hij kende mij beter dan ik mij zelven kende. Had hij mij maar geantwoord, was hij maar woedend geworden, dan zou ik eenigszins gerechtvaardigd geweest zijn; maar hij had mij den halven avond op een zacht vuurtje gefolterd.

Toen ik den volgenden morgen buiten kwam, luidde de klok voor de vroegkerk en wandelde Uriah met zijne moeder voor het kerkgebouw op en neer. Hij sprak mij aan, alsof er niets gebeurd was en ik kon niet anders doen dan antwoord geven. De slag was blijkbaar aangekomen, want hij had een zwart zijden doek om het hoofd, die onder den hoed was vastgeknoopt en hem _nog_ leelijker maakte dan gewoonlijk. Ik vernam van hem, dat hij den volgenden morgen naar een tandendokter in Londen zou gaan, omdat hij een tand kwijt was. Ik had een stille hoop, dat het een kies mocht zijn.

Doctor Strong liet weten, dat hij niet heel wel was; zoo lang de logé's bleven, bracht hij een groot gedeelte van den dag op zijne kamer door.

Agnes en haar vader waren reeds een week vertrokken, eer wij onze gewone werkzaamheden hervatten. Den dag te voren had hij mij een onverzegeld briefje gegeven. Het was aan mij geadresseerd en bevatte niets dan een verzoek, op hartelijken toon, om het onderwerp, dat op dien gewichtigen avond behandeld was, niet meer aan te roeren. Ik had het voorgevallene aan mijne tante toevertrouwd, maar overigens aan niemand. Met Agnes kon ik er niet over spreken en zij had ook niet het geringste vermoeden van hetgeen was voorgevallen.