Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 64
Het was eene groote geruststelling voor mij, toen ik opmerkte dat Dora's tantes en mijne tante veel beter met elkander over weg konden dan ik gemeend had. Tante maakte eenige dagen na mijn eerste bezoek aan Putney hare opwachting en eenige dagen later brachten Dora's tantes in vol ornaat een tegenbezoek. Dergelijke, in vriendschappelijken toon allengs toenemende bezoeken werden voortaan om de drie of vier weken gewisseld. Ik weet, dat tante de dames Spenlow in hooge mate ergerde door zich zoo weinig aan de vormen te storen; zoo hadden deze gaarne gezien, dat tante zich per rijtuig liet brengen, maar zij gaf er de voorkeur aan om op de zonderlingste tijdstippen naar Putney te wandelen, bijvoorbeeld even na het ontbijt of even vóór de thee. Zoo had zij de gewoonte haar hoed te dragen, zooals dit haar het gemakkelijkst was, zonder zich ook maar een oogenblik te voegen naar de vooroordeelen van beschaving en mode. Maar de dames Spenlow zagen weldra in dat al had tante iets zonderlings, ja zelfs iets mannelijks in hare manieren, zij toch een zeer helder verstand toonde te bezitten en al gaf zij Dora's tantes meermalen aanstoot door hare kettersche denkbeelden over beleefdheidsvormen en plichtplegingen, zij hielden reeds te veel van mij om dergelijke kleine ergenissen niet te willen offeren op het altaar der eensgezindheid.
Het eenige lid in ons kleine kringetje, dat zich niet naar de omstandigheden scheen te willen voegen, was Jip. Al rook hij tante maar dan liet hij onmiddellijk al zijne tanden zien, trok zich onder een stoel terug en bleef onophoudelijk brommen; nu en dan zelfs liet hij een jammerlijk gehuil hooren, alsof hij tante werkelijk onuitstaanbaar vond. Geen poging werd nagelaten om het beestje tot andere gedachten te brengen, maar noch liefkozingen, noch bedreigingen of straffen, niets hielp; zelfs een bezoek aan Buckingham-street had geen andere uitwerking dan dat hij tot schrik van alle toeschouwers onmiddellijk een gevecht aanging met de beide katten; tante was en bleef hem een doorn in het oog. Somtijds meenden wij, dat de vrede gesloten was; maar na eenige minuten vriendelijk te zijn geweest, stak hij zijn mopneus in de hoogte en begon erbarmelijker te huilen dan ooit, zoodat er niets overbleef dan hem met een servet om den kop in den bordenwarmer te stoppen.
Nadat dit kalme leventje eenigen tijd zoo geduurd had, was er één ding, dat mij verontrustte, namelijk dat Dora, als met algemeen goedvinden, beschouwd werd als een aardig popje of een stuk speelgoed. Mijne tante, met wie zij op een zeer goeden voet was, noemde haar altijd „Bloesempje” en juffrouw Lavinia kende geen grooter vermaak dan voor haar te zorgen, haar krullen te maken, sieraden voor haar te vervaardigen en haar, in één woord, te behandelen, alsof zij nog een kind was. Het spreekt van zelf, dat juffrouw Clarissa hare zuster ook in dit opzicht navolgde. Het was dwaas van mij, maar het kwam mij voor of Dora op dezelfde wijze behandeld werd, als zij Jip behandelde.
Ik had daarom het voornemen opgevat Dora hierover te spreken en op zekeren dag, dat wij samen eene wandeling maakten—juffrouw Lavinia had ons toegestaan alleen te wandelen—gaf ik haar te kennen, dat de wijze, waarop de tantes met haar omgingen, toch wel anders zijn kon. „Gij zijt immers geen kind meer, lieveling,” zei ik eenigszins op vermanende toon.
„Hoe is het,” antwoordde Dora, „gaat gij nu weer op mij brommen?”
„Brommen, liefste?”
„Maar, ik verzeker u, dat zij heel lief voor mij zijn,” verklaarde Dora. „Ik voel mij heel gelukkig.”
„Zeker, daarvan ben ik overtuigd, beste,” hernam ik, „maar gij zoudt toch heel gelukkig kunnen zijn al behandelen zij u een weinig meer overeenkomstig uw leeftijd.”
Dora keek mij verwijtend aan—wat zag zij er op dat oogenblik bekoorlijk uit!—en begon toen te snikken en te zeggen dat als ik niet van haar hield, waarom ik dan zoo gaarne met haar verloofd had willen zijn? En waarom ik niet heenging, als ik haar niet langer kon uitstaan!
Wat kon ik anders doen dan hare tranen wegkussen en haar bezweren dat ik haar boven alles liefhad?
„Ik ben overtuigd dat ik u heel lief heb,” zei Dora; „gij moogt dus niet zoo wreed zijn, Doady!”
„Wreed, mijn schat! Alsof ik ooit wreed zou willen of kunnen zijn tegen u!”
„Vind dan ook maar niet altijd iets in mij af te keuren,” zei Dora, terwijl zij haar mondje spitste tot een kus; „dan zal ik ook niet boos zijn.”
Een oogenblik later bracht zij mij in verrukking door uit haar zelve te vragen naar dat zekere kookboek, waarover ik eens gesproken had; tevens verzocht zij mij haar nu eens te leeren hoe zij de rekeningen moest aanhouden, zooals ik haar beloofd had. Bij mijn volgend bezoek bracht ik het kookboek mede—sierlijk gebonden opdat het minder droog zou lijken en er wat meer uitlokkend zou uitzien—en onder de wandeling liet ik haar een oud huishoudboek van tante zien en gaf haar een zakboekje, een potlood en een doosje stiftjes ten einde zich op het huishouden toe te leggen.
Het kookboek bezorgde haar echter hoofdpijn en de cijfers wekten hare tranen op. „Ze laten zich niet optellen,” snikte zij en veegde ze uit om het geheele boekje vol bloemen en portretten van mij en Jip te teekenen.
Toen trachtte ik haar op onze Zaterdagavond-wandelingen mondeling en spelenderwijs het een en ander van het huishouden te leeren.
Zoo vroeg ik bijvoorbeeld, terwijl wij langs een slagerswinkel kwamen: „Stel u nu eens voor, lieveling, dat wij getrouwd zijn en gij een schapebout moest koopen, zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moet?”
Het lieve, bekoorlijke gezichtje van mijne kleine Dora betrok dan; haar mondje spitste zich weder tot een kus alsof zij er den mijne mede wilde sluiten.
„Zoudt gij dan wel weten hoe gij dat doen moest, lieveling?” herhaalde ik dan, als ik bijzonder onvermurwbaar was.
Dora dacht dan een oogenblik na en antwoordde met een zegevierenden blik:
„Wel, ik denk dat de slager wel zou weten hoe hij een schapebout moet _ver_koopen; wat heb ik dan nog te weten? Wat zijt gij toch een domme jongen!”
Zoo ook vroeg ik haar met een blik op het kookboek, wat zij doen zou als wij getrouwd waren en ik het vleesch eens zoo lekker gestoofd zou willen hebben, als in Ierland de gewoonte is; waarop zij antwoordde dat zij dan de meid zou opdragen het zoo klaar te maken; en dan sloeg zij hare kleine handjes om mijn arm en lachte zoo bekoorlijk dat ik mij gaarne gewonnen gaf. Het kookboek werd dan ook hoofdzakelijk gebruikt om er Jip op te laten opzitten in een hoek van de kamer en Dora had zooveel pret, wanneer hij dan heel gehoorzaam bleef zitten met het doosje met potlooden in den bek, dat ik heel blijde was het gekocht te hebben. En dan kwam de guitaar weer voor den dag en werden weder de liedjes gezongen, waarin het heette dat men eeuwig dansen moest.... Ta, ra, la, Ta, ra, la,.... en wij waren zoo gelukkig als de week, die ons zou scheiden, lang was. Nu en dan kwam de wensch in mij op, dat ik juffrouw Lavinia eens zou kunnen influisteren mijn lieveling niet als een speelpopje te behandelen; maar somtijds ook kwam ik plotseling tot het besef dat ik in de algemeene fout was vervallen en haar ook als een speelpopje behandeld had—niet dikwijls echter.
XLII.
De stokebrand.
Is het wel goed, zoo vraag ik mij meermalen af, dat ik, al behoeft dit manuscript onder geen andere oogen te komen dan de mijne, hier aanteeken hoe hard ik in dezen tijd heb moeten werken om dat afschuwelijke snelschrift machtig te worden, opdat ik mij verantwoord zou gevoelen tegenover Dora en de tantes? Bij hetgeen ik reeds schreef over mijn volhardingsvermogen in dit tijdperk van mijn leven, over mijn geduld en mijn ijver, die de hoofdtrekken van mijn karakter waren, wil ik alleen nog voegen, dat ik, achterom ziende, daaraan mijn succes te danken heb. Ik ben in wereldsche zaken zeer gelukkig geweest; menigeen heeft veel harder gewerkt en veel minder succes gehad dan ik; maar ik zou nooit zoo ver gekomen zijn zonder mijne gewoonte om nauwkeurig, ordelijk en geregeld te werken, zonder den vasten wil om mij bij één onderwerp te gelijk te bepalen, ongeacht het volgende reeds op afdoening wachtte. De Hemel weet dat ik dit niet schrijf om mij te verheffen. Iemand, die zijn eigen leven nagaat zooals ik het mijne, van bladzijde tot bladzijde, moet wel deugdzaam geweest zijn, wil hem het kwellend besef bespaard blijven van verwaarloosde talenten, van verbeuzelden tijd, van menigen strijd tusschen zijn boozen en zijn goeden engel, waarin de laatste het onderspit heeft gedolven. Ik moet bekennen, dat ik geen enkele aangeboren gave bezit, die ik niet eens misbruikt heb; alleen kan ik zeggen, dat ik bij alles wat ik getracht heb te doen, met hart en ziel getracht heb het goed te doen; dat, waaraan ik mij ook heb gewijd, ik mij geheel heb gegeven; dat ik, zoowel in het groote en in het kleine, altijd den ernst op den voorgrond gesteld heb. Ik heb het nooit mogelijk geacht, dat men met eenige aangeboren of aangeleerde bekwaamheid zijn doel kan bereiken zonder de hulp van onverpoosden ijver en volharding. Er is niets op de wereld, waarmede men zekerder zijn doel bereikt. Een heerlijk talent, een gelukkig toeval mogen de beide zijden van de ladder vormen, waarlangs sommige menschen opklimmen, de sporten moeten vervaardigd zijn van een stof, die tegen invloeden van buiten bestand is; vurige, doortastende, oprechte ernst kan onmogelijk falen. Nooit de hand uit te strekken naar iets, waaraan ik mij met mijn gansche wezen kon wijden; nooit minachting voorwenden voor mijn werk, wat het ook was—dat zijn mijn gulden stelregels geweest.
Hoeveel van het goede, dat ik daar vermeld, ik aan Agnes te danken heb gehad, zal ik niet herhalen. Met een dankbaar, liefhebbend hart breng ik mijn verhaal op Agnes over.
Agnes kwam veertien dagen bij mevrouw Strong logeeren. Mijnheer Wickfield was een oud vriend van den doctor en deze verlangde eens rustig met hem te praten en, zoo mogelijk, van dienst te zijn. Bij het laatste bezoek, dat Agnes in de stad had gebracht, was dit afgesproken en nu zouden vader en dochter samen komen. Het verbaasde mij niets te vernemen, dat zij in de buurt kamers gehuurd hadden voor juffrouw Heep, wier rheumatiek verandering van lucht vereischte en die dit uitstapje natuurlijk het aangenaamst vond in zulk lief gezelschap. Evenmin was ik verbaasd den volgenden dag Uriah te zien, die als een trouwe zoon zijne waardige moeder zelf kwam brengen.
„Gij ziet, jongeheer Copperfield,” zei hij, mij zijn gezelschap op eene wandeling in den tuin van den doctor opdringende, „menschen, die verliefd zijn, zijn altijd een weinig jaloersch, ten minste, zij houden gaarne het voorwerp hunner genegenheid in het oog.”
„Op wien zijt gij jaloersch?” vroeg ik.
„Dank zij uwe vriendelijkheid om mij zoo gerust te stellen,” antwoordde Uriah „op niemand in het bijzonder—ten minste op geen mannelijk persoon.”
„Bedoelt gij dan, dat gij jaloersch zijt op eene vrouw?”
Hij keek mij met zijne afschuwelijke, roode oogen van ter zijde aan en lachte.
„Waarlijk; jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield, maar gij zult mij dat wel niet kwalijk nemen; ik zeg dat uit gewoonte—waarlijk, gij knijpt mij uit als een citroen. Het was niet mijn voornemen om daarover met u te spreken,” ging hij voort, terwijl hij zijne vischachtige hand op de mijne legde, „ik heb in het algemeen geen wit voetje bij de dames, mijnheer Copperfield, en bij mevrouw Strong in het geheel niet.”
Zijne oogen waren allengs groen geworden, terwijl hij mij aanstaarde met een blik, waarin list en boosaardigheid om den voorrang streden.
„Wat bedoelt gij?” vroeg ik.
„Wel, al ben ik een man van de wet,” antwoordde hij met een grijns, „ik bedoel op dit oogenblik niets anders dan ik zeg.”
„En wat bedoelt gij dan met dien blik?” hernam ik bedaard.
„Met dien blik? Wel, Copperfield, nu vraagt gij toch ook alles! Wat ik met dien blik bedoel?”
„Ja,” zei ik. „Met dien blik.”
Hij scheen dit zeer grappig te vinden en lachte zoo hartelijk als hij gewoon was te lachen. Na zijne kin eenige malen met de hand gewreven te hebben, ging hij met neergeslagen oogen op fluisterenden toon voort:
„Toen ik nog maar een nederige klerk was, keek zij altijd op mij neer. Zij wilde Agnes altijd gaarne bij zich hebben en was ook eene vriendin van u, jongeheer Copperfield; maar ik stond te ver beneden haar om mij eenige aandacht te schenken.”
„Welnu,” zei ik, „aangenomen dat het zoo was?”
„En beneden hem ook,” vervolgde Uriah, wel is waar heel duidelijk, doch met eene peinzende uitdrukking op zijn gelaat en voortdurend zijne kin wrijvend.
„Kent gij den doctor niet beter?” vroeg ik; „meent gij dat hij zich bewust is van uw bestaan, als gij niet vlak voor hem staat?” Weder keek hij mij zoo van ter zijde aan en maakte daarbij zijn gezicht zoo lang mogelijk, ten einde meer plaats te hebben om te wrijven, terwijl hij antwoordde:
„Goede Hemel! Ik bedoel den doctor niet! O, neen, die arme man! Ik bedoel mijnheer Maldon!” Mijn hart kromp ineen. Al mijne vroegere twijfelingen en vermoedens aangaande dit punt, al het geluk, al den vrede van den Doctor, het geheele net van onschuld en bedrog, dat ik onmogelijk kon ontwarren, zag ik op eenmaal prijsgegeven aan dezen ellendigen huichelaar.
„Hij kwam nooit op het kantoor zonder mij iets te bevelen of een duw te geven,” zei Uriah. „O, hij was zoo'n net heer en ik was heel nederig en gedwee—en dat ben ik nog. Maar ik hield niet van zulke dingen—en dat doe ik nog niet!”
Hij hield nu op met wrijven en zoog zijn wangen in, zoodat ze elkaar van binnen moesten aanraken, terwijl hij mij voortdurend met dien zelfden loerenden blik bleef aanstaren.
„Zij is zoo'n echt mooi, bekoorlijk dametje”, hernam hij, toen zijn gelaat weder den natuurlijken vorm had aangenomen, „zoo een, die niet houdt van menschen als ik. Zij is juist een persoon om Agnes hoogere wenschen te doen koesteren. Nu weet ik wel, dat ik weinig aantrekkelijkheden heb voor dametjes, maar ik heb oogen in mijn hoofd gehad, jongeheer Copperfield, jaren lang. Wij, nederige menschen, hebben gewoonlijk oogen in het hoofd—en daarmee kijken wij rond.”
Ik trachtte den schijn aan te nemen alsof ik hem niet begreep en de zaak mij onverschillig liet, maar ik zag aan zijn gezicht, dat mij dit niet gelukte.
„Nu ben ik niet van plan mij van de baan te laten schuiven, Copperfield,” ging hij voort, terwijl hij dat gedeelte van zijn gezicht, waar zijne wenkbrauwen hadden moeten zijn, hoog optrok,—o, wat zag hij er nu gluiperig uit!—„en ik zal doen wat ik kan om een einde te maken aan die vriendschap. Ik kan die niet goedkeuren. Ik wil u wel bekennen, dat ik wat achterdochtig ben; het is dus noodig, dat ik aan alle geheime vijanden den pas afsnijd. Ik zal zorgen niet achter het net te visschen.”
„Gij schijnt iedereen te verdenken van kuiperijen, omdat gij zelf altijd aan het plannen smeden zijt, geloof ik.”
„Dat is wel mogelijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij. „Maar ik heb een beweegreden, zooals mijn compagnon gewoon was te zeggen; en daarvoor zal ik strijden met hand en tand. Ik zal mij niet laten verdrukken, omdat ik nu eenmaal nederig ben. Ik kan mijn plannen niet door andere menschen laten dwarsboomen. Dan moeten ze maar liever uit den weg worden geruimd.”
„Ik begrijp u niet,” zei ik.
„Begrijpt gij mij werkelijk niet?” vroeg hij zich kronkelend als een slang. „Dat verbaast mij van u; gij zijt anders zoo vlug van begrip. Een andermaal zal ik trachten duidelijker te zijn.—Is dat niet mijnheer Maldon te paard, die daar aanschelt, mijnheer?”
„Ik geloof het wel,” antwoordde ik, zoo onverschillig mogelijk.
Uriah bleef staan, sloeg de handen op zijne groote, knokige knieën en viel bijna dubbel van het lachen. Maar het was een onhoorbare lach; geen geluid ontsnapte hem. Ik was zoo verontwaardigd over zijn onhebbelijk gedrag, voornamelijk over deze laatste minachtende houding, dat ik zonder een woord te spreken heenging en hem als een ineengezakte vogelverschrikker midden in den tuin liet staan.
Niet op den avond van dezen dag, maar, indien mijn geheugen mij niet bedriegt, twee dagen daarna, op een Zaterdag nam ik Agnes mede om kennis te maken met Dora. Ik had dit bezoek vooraf met juffrouw Lavinia geregeld, zoodat Agnes op de thee gewacht werd.
Ik werd geslingerd tusschen trots en verlangen; ik wist dat ik trotsch kon zijn op mijn lief, bekoorlijk meisje, en verlangde te weten hoe Agnes haar vond. Gedurende den geheelen rit naar Putney—Agnes zat binnen in en ik boven op de diligence—zag ik Dora voor mij, nu eens zoo, dan eens zus kijkende; want o! zij kon er zoo verschillend uitzien, al bleef zij altijd bekoorlijk! Ik was het niet met mij zelven eens hoe ik haar het liefst zou zien bij deze voor mij zoo gewichtige gelegenheid en peinsde er mij moe over. Ik twijfelde geen oogenblik of zij zou er wel lief uitzien, en waarlijk, zoo bekoorlijk als op dezen avond, had ik haar nog nooit gevonden. Zij was niet in het salon, toen ik Agnes aan de tantetjes voorstelde, maar was uit bedeesdheid weggebleven. Ik wist wel waar ik haar vinden kon, en vond haar ook met de handen op de ooren achter dezelfde oude deur, als bij mijn eerste bezoek.
Eerst wilde zij volstrekt niet binnenkomen, en daarna vroeg zij vijf minuten uitstel. Toen zij eindelijk haar arm door den mijne stak, en ik haar naar het salon geleidde, was haar lief gezichtje, met een donkeren blos overtogen en had zij er nog nooit zoo bekoorlijk uitgezien. En toen wij het salon binnentraden en zij plotseling bleek werd, was zij nog veel mooier.
Dora had tegen eene ontmoeting met Agnes opgezien. Zij wist, zeide zij, dat Agnes zoo verstandig was. Maar toen zij Agnes' opgewekt en toch zoo ernstig, peinzend en toch zoo vriendelijk gezichtje zag, uitte zij een kreet van verrassing, sloeg hare zachte armen om Agnes' hals en legde haar donzen wang tegen Agnes' gelaat.
Nooit had ik mij zoo gelukkig gevoeld. Nooit had ik zoo genoten als toen ik deze twee daar naast elkander zag zitten, als toen ik mijn kleine lieveling zoo vertrouwelijk in Agnes' lieve oogen zag kijken; als toen ik den teederen, vriendelijken blik zag, dien Agnes haar toewierp.
Juffrouw Lavinia en juffrouw Clarissa deelden op hare wijze in mijne vreugde. Zeker was er nergens op de geheele wereld genoegelijker theeuurtje. Juffrouw Clarissa presideerde de tafel. Ik sneed en bediende de anijs-koek—de tantetjes hadden eene voorliefde voor alles wat klein was en als twee kleine vogeltjes pikten zij gaarne zaadjes of knabbelden zij suiker; juffrouw Lavinia keek daarbij met een beschermenden blik rond, alsof ons geluk geheel en al haar werk was; het was, in één woord, een harmonisch geheel.
Agnes won aller harten door hare zachtheid en opgewektheid. Hare hartelijke belangstelling in alles wat Dora betrof; de wijze, waarop zij kennis maakte met Jip, die onmiddellijk bevriend met haar was; de wijze, waarop zij Dora plaagde toen deze uit verlegenheid niet op haar gewone plaatsje naast mij durfde gaan zitten; hare bescheidenheid en vrijmoedigheid tevens, die Dora aanleiding gaven, haar nu en dan blozend en vertrouwelijk toe te knikken, dat alles scheen tot nu toe in ons kringetje ontbroken te hebben.
„Ik ben zoo blij,” zei Dora na de thee, „dat gij van mij houden wilt. Ik dacht niet dat gij het zoudt willen en toch heb ik meer dan ooit behoefte aan eene vriendin, nu Julia Mills weg is.”
Ik heb dit vergeten mede te deelen. Juffrouw Mills was uitgezeild en Dora en ik hadden haar naar Gravesend aan boord van een grooten Oost-Indievaarder gebracht; wij hadden daar ontbeten met gember en guava en meer dergelijke versnaperingen en juffrouw Mills het laatst gezien op een vouwstoeltje op het achterdek, schreiende en met een groot, nieuw dagboek onder den arm, waarin de bespiegelingen, door den Oceaan opgewekt, veilig zouden worden bewaard.
Agnes zeide te vreezen, dat ik niet veel goeds van haar verteld zou hebben, maar Dora koos onmiddellijk mijne partij.
„O, neen!” zeide zij, terwijl hare krullen heftig in beweging waren, „o, neen hij heeft niets dan lof van u verkondigd; hij hecht zoo zeer aan uwe opinie, dat ik een beetje bang voor u was.”
„Mijne opinie kan toch zijne liefde voor menschen, die hij alleen kent, niet vergrooten,” zei Agnes glimlachend; „ze is dus niet veel waard.”
„O, maar ik hecht er toch ook aan,” antwoordde Dora; „gij moet ons die niet onthouden.”
Wij maakten ons een weinig vroolijk over Dora, die zoo gaarne wenschte dat iedereen van haar hield en zeide dat ik eigenlijk zoo dom was als een gans, want dat zij mij heelemaal niet liefhad. De avond vloog om. Toen het oogenblik naderde dat de diligence ons zou komen afhalen, stond ik alleen bij den haard en kwam Dora zachtjes naar mij toe om mij dat zekere heerlijke kusje te geven eer ik heenging.
„Meent gij niet, Doady,” vroeg zij, terwijl zij mij met hare schitterende oogjes aankeek en hare hand speelde met de knoopen van mijn jas, „meent gij niet, dat ik veel verstandiger zou geweest zijn als ik Agnes vroeger gekend had?”
„Welk een dwaze vraag, lieveling!” antwoordde ik.
„Meent gij werkelijk dat het eene dwaze vraag is?” hernam Dora, zonder mij aan te kijken. „Zijt gij daar wel zeker van?”
„Natuurlijk ben ik daar zeker van.”
„Ik ben vergeten,” sprak zij, al draaiende aan den knoop, „in welke familiebetrekking Agnes tot u staat, beste jongen.”
„Zij is geen familie van mij,” antwoordde ik, „wij zijn samen opgevoed als broer en zuster.”
„Dan verbaast het mij, dat gij niet op haar verliefd zijt geworden,” zei Dora, aan een anderen knoop beginnende.
„Misschien wel omdat ik u niet kon zien zonder verliefd op u te worden, Dora!”
„Neem eens aan dat gij mij nooit ontmoet hadt,” hernam zij.
„Neem eens aan dat wij nooit geboren waren,” zei ik schertsend.
Ik vroeg mij met verbazing af, wat er in haar hoofdje omging, terwijl ik in stilte dat poezele handje gadesloeg aan de knoopen van mijn jas, en de zachte krullen tegen mijne borst, en de lange wimpers aan hare mooie oogen, die de beweging van hare vingertjes volgden. Eindelijk sloeg zij de oogen naar mij op en ging op de teenen staan om mij een- twee- drie malen een afscheidskus te geven. Daarna verliet zij met een peinzende uitdrukking op haar gelaat de kamer.
Vijf minuten later kwamen allen te zamen terug en was die peinzende uitdrukking reeds verdwenen. Lachend wilde zij Jip, eer de diligence kwam, nog eens al zijn kunststukken laten vertoonen. Dit kostte nogal eenigen tijd, niet omdat het aantal zoo groot was, maar omdat Jip niet veel zin had in kunstjes, zoodat ze nog niet alle vertoond waren, toen wij den postiljon reeds hoorden. Het afscheid tusschen Dora en Agnes was haastig doch hartelijk. Dora zou Agnes schrijven—als zij hare brieven niet al te dwaas vond—en Agnes zou Dora schrijven; aan het portier werd voor de tweede maal afscheid genomen, en eindelijk voor de derde maal, toen Dora, in weerwil van juffrouw Lavinia's waarschuwing, blootshoofds naar buiten liep, om Agnes aan haar brief te herinneren en tegen mij, die op den bok zat, hare krullen te schudden.
De diligence bracht ons tot Covent Garden, waar wij eene andere moesten nemen, die ons naar Highgate brengen zou. Ik zag met ongeduld het kleine wandelingetje te gemoet, dat wij doen moesten om van de eene diligence naar de andere te komen. Ik verlangde Agnes' oordeel over Dora te vernemen, en.... zij had niets dan lof voor haar. Hoe warm en teeder beval zij het lieve schepseltje, wier hart ik gewonnen had en wier natuurlijkheid haar zoo had aangetrokken, aan mijne nauwlettendste zorg aan! Hoe liefdevol herinnerde zij mij, zonder te verraden dat zij het met opzet deed, aan de verantwoording, die ik tegenover die jonge weeze op mij had genomen!