Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 63

Chapter 633,866 wordsPublic domain

Toen de dienstmeid de deur opende had ik een vaag gevoel van „op bekijks” te komen en van door een vrij lange gang, waarin een ouderwetsch weerglas hing, naar een achterkamertje te worden, gebracht, dat op den tuin uitzag. Terwijl ik daar op een canapee plaats nam, zag ik hoe Traddles' haren opsprongen, terwijl hij zijn hoed afnam, en moest ik onwillekeurig denken aan die verraderlijke snuifdoozen, waaruit een poppetje springt, wanneer men het deksel oplicht. Ook hoorde ik een ouderwetsche pendule, die op den schoorsteenmantel stond, moeite doen om met het kloppen van mijn hart in de maat te blijven, hetgeen haar evenwel niet gelukte. Ook zocht ik in de kamer naar eenig kenteeken, dat Dora daar woonde, en vond niets. Ook meende ik Jip eenmaal te hooren blaffen, hetgeen hem echter terstond door iemand belet werd. Eindelijk werd ik mij bewust, dat ik Traddles achteruit in den haard zou duwen, als ik voortging in de grootste verlegenheid te buigen voor twee kleine, verschrompelde oude dametjes in het zwart, die naar het model van mijnheer Spenlow uit de eene of andere taaie zelfstandigheid gefabriceerd waren.

„Ga zitten, als 't u blieft,” zei een van de twee. Toen ik, na een buiteling over Traddles, plaats genomen had op iets, dat geen kat was—zooals ik eerst gedaan had—keerde mijn gezichtsvermogen in zoover terug, dat ik kon opmerken dat mijnheer Spenlow blijkbaar de jongste van de familie geweest was, de zusters ongeveer zes of acht jaren in leeftijd verschilden en de jongste vermoedelijk het woord zou voeren, want zij had mijn brief in de hand—wat kwam mij dat papier bekend voor en toch was het zoo vreemd het in deze handen te zien!—en tuurde er in door haar leesglas. Zij waren eender gekleed, maar toch zag deze zuster er jeugdiger gekleed uit dan de andere; wellicht droeg zij een strookje of kantje of een speld of bracelet meer dan de andere, waardoor zij iets levendigers had in haar voorkomen. Zij hadden beiden iets stijfs en deftigs en waren bij alles wat zij deden even kalm en bedaard. De zuster, die den brief niet in de hand had, had de armen over de borst gekruist als een afgodsbeeld.

„Mijnheer Copperfield, nietwaar?” vroeg de zuster met den brief, zich tot Traddles wendende.

Dit was een pijnlijk begin. Traddles moest nu verklaren dat ik mijnheer Copperfield was, ik moest verklaren dat ik aanspraak maakte op dien naam en zij moesten zich losmaken van het opgevatte denkbeeld dat Traddles mijnheer Copperfield was, zoodat wij elkander allen een weinig verlegen aankeken. Tot overmaat van ramp hoorden wij Jip twee malen achter elkander blaffen, waarna hem hoorbaar het zwijgen werd opgelegd.

„Mijnheer Copperfield!” begon de zuster met den brief. Ik deed iets.... ik boog waarschijnlijk en luisterde aandachtig naar hetgeen volgen zou, toen plotseling de andere zuster het woord nam. „Mijne zuster Lavinia”, sprak zij, „is meer tehuis in dergelijke zaken, gij zult dus uit haar mond vernemen wat naar ons oordeel het best uw beider geluk kan bevorderen.”

Ik ontdekte later waarom juffrouw Lavinia als zulk een autoriteit in hartszaken beschouwd werd. Lang geleden had er een zekere mijnheer Pidger bestaan, die „short whist” speelde en op haar verliefd zou zijn geweest. Naar mijne innige overtuiging was dit vermoeden geheel ongegrond en had mijnheer Pidger zelfs nooit eenige aanleiding gegeven om hem van eene dergelijke teedere aandoening te verdenken. Zoowel juffrouw Lavinia als juffrouw Clarissa was echter verstokt in de meening dat hij zijn liefde wel verklaard zou hebben, indien hij in zijne jeugd—hij was toen ongeveer zestig jaar—zijn gestel niet ondermijnd had door te veel te drinken en daarvoor beterschap te zoeken in het gebruik van ongehoorde hoeveelheden Bath-water. Hare verstoktheid ging zelfs zoo ver, van te meenen dat hij gestorven was ten gevolge van zijne geheime liefde, hoewel er een portret van hem in het salon hing, met een purperkleurigen neus, die volstrekt niet aan een teringlijder deed denken.

„Wij willen niet terugkomen op hetgeen vroeger is voorgevallen,” zei juffrouw Lavinia. „De dood van onzen ongelukkigen broeder Francis heeft het verleden uitgewischt.”

„Wij gingen niet veel om met onzen broeder Francis,” voegde juffrouw Clarissa er bij, „hoewel er toch eigenlijk geen vredebreuk bestond tusschen ons. Francis ging zijn eigen weg; wij den onzen. Wij meenden, dat hierdoor het geluk van beide partijen zou bevorderd worden en dat bleek waar te zijn.”

„De omstandigheden, of liever, de vermeende omstandigheden van ons nichtje zijn door den dood van onzen broeder Francis veel veranderd,” hernam juffrouw Lavinia, „en wij vinden hierin aanleiding om te onderstellen, dat ook de denkbeelden van onzen broeder Francis ten aanzien van hare toekomst veranderd zijn. Wij hebben geen reden, mijnheer Copperfield, om te twijfelen aan uwe goede hoedanigheden en uw rechtschapen karakter, noch aan de genegenheid, die gij koestert voor ons nichtje. Van de laatste zijn wij zelfs overtuigd.”

Wanneer de zusters het woord voerden, bogen zij zich een weinig voorover en als zij gedaan hadden, schudden zij even het hoofd en gingen weer even kaarsrecht zitten als te voren. Juffrouw Clarissa bewoog nooit hare armen. Nu en dan trommelde zij er op met de vingers—een marsch of een dans, geloof ik—maar zij bewoog haar armen nooit.

Op juffrouw Lavinia's laatste woorden antwoordde ik—zooals ik trouwens telkens deed, wanneer de gelegenheid gunstig was—dat niemand ooit een meisje zóó kan hebben liefgehad, als ik Dora liefhad. Traddles kwam mij met een toestemmend gemompel te hulp.

Juffrouw Lavinia scheen daarop een wederantwoord te willen geven, toen juffrouw Clarissa, die den lust niet kon weerstaan, om haar broeder er bij te halen, inviel:

„Als de mama van Dora, toen zij met onzen broeder Francis trouwde, kort en goed gezegd had, dat er voor de familie geen plaats was aan het diner, zou dat voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn.”

„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „doet dit nu wel iets ter zake af?”

„Zuster Lavinia,” antwoordde Clarissa, „het behoort er wel degelijk bij. Ik zou er niet aan denken mij te bemoeien met het gedeelte van de zaak, dat gij op u hebt genomen; maar in dit heb ik ook eene stem en eene opinie. Het zou, dat herhaal ik, voor het geluk van alle partijen beter geweest zijn, indien Dora's mama openhartig gezegd had, wat hare bedoeling was. Wij zouden dan geweten hebben, wat wij konden verwachten. Wij zouden dan gezegd hebben: ‚doe ons het genoegen ons in het geheel niet te inviteeren’; daarmede zou zelfs de mogelijkheid van een misverstand vermeden zijn.”

Toen juffrouw Clarissa haar hoofd had geschud, nam juffrouw Lavinia weder het woord, al turende door haar leesglas op mijn brief. Zij hadden beiden kleine, schitterende, ronde oogjes, zooals de vogels. Trouwens, zij deden over het geheel aan een paar vogeltjes denken, zij waren even vlug en kittig en zaten op hare stoelen als een kanarie op zijn stokje.

Zooals ik zei hervatte juffrouw Lavinia:

„Gij verzoekt ons, mijne zuster Clarissa en mij, mijnheer Copperfield, u te ontvangen als de galant van ons nichtje.”

„Als onze broeder Francis,” barstte juffrouw Clarissa weder los—als ik iets, dat zoo kalm toeging, eene uitbarsting noemen mag—„zich wenschte te hullen in het deftig waas van Doctors' Commons en van niets dan Doctors' Commons, welk recht zouden wij dan hebben, of waartoe zouden wij verlangen hem te weerhouden? Wij hadden daartoe geen recht. Wij hebben ons nooit aan iemand willen opdringen. Maar waarom zei hij dat dan niet? Onze broeder Francis en zijne vrouw mochten toch hun eigen kring van kennissen hebben, als mijne zuster Lavinia en ik den onzen maar houden mogen. Wij kunnen ons best redden met ons beiden!”

Aangezien deze toespraak tot Traddles en mij was gericht, gaven wij beiden eene soort antwoord. Dat van Traddles was onhoorbaar. Ik zei—tenminste, ik meen dat ik het gezegd heb, maar zeker weet ik het niet—dat eene dergelijke opvatting zeker voor alle partijen de beste was.

„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa nu dit van haar hart af was, „gij kunt voortgaan, lieve.”

Juffrouw Lavinia vervolgde:

„Mijnheer Copperfield, mijne zuster Clarissa en ik hebben uwen brief inderdaad in zeer ernstige overweging genomen; bovendien hebben wij uw schrijven aan ons nichtje laten lezen en het met ons nichtje besproken. Wij twijfelen er niet aan of gij meent heel veel van haar te houden.”

„Meenen, juffrouw!” riep ik met vuur uit, „o!....”

Juffrouw Clarissa gaf mij echter een wenk—precies als een klein kanarievogeltje—waarmede zij mij te kennen gaf, dat ik het orakel niet in de rede moest vallen, waarom ik verschooning vroeg.

„Liefde,” ging juffrouw Lavinia voort, terwijl zij hare zuster aankeek, evenals of zij van elk gezegde eene bevestiging van haar verwachtte, „ware liefde, oprechte hulde en onverdeelde toewijding uiten zich niet gemakkelijk. Hare stem is nauw hoorbaar; zij zijn bedeesd, liggen in hinderlaag en wachten met het grootste geduld tot de vrucht rijp is. Somtijds glijdt een geheel leven voorbij zonder dat de in de schaduw hangende vrucht tot rijpheid komt.”

Natuurlijk kon ik toen nog niet begrijpen dat deze ontboezeming een toespeling was op de ondervonden teleurstelling met den verliefden heer Pidger, maar aan de plechtige wijze, waarop juffrouw Clarissa met het hoofd knikte, zag ik wel dat aan deze woorden groot gewicht gehecht werd.

„Die oppervlakkige genegenheden van jonge menschen zijn,” ging juffrouw Lavinia voort, „in vergelijking van dergelijke gevoelens, als stof is tot eene rots. De moeilijkheid om te weten of zulk eene genegenheid werkelijk op goede grondslagen rust, of ze tot iets leiden zal, is oorzaak geweest dat mijne zuster Clarissa en ik in het onzekere verkeerd hebben omtrent den weg, dien wij moesten inslaan, mijnheer Copperfield en mijnheer....”

„Traddles,” zei mijn vriend, toen hij aangekeken werd.

„Van de Inner Temple, nietwaar?” vroeg juffrouw Lavinia, nogmaals in mijn brief kijkend.

„Om u te dienen,” antwoordde Traddles met een kleur.

Hoewel ik tot op dit oogenblik nog geen enkele aanmoediging had ontvangen, meende ik aan de twee dametjes, voornamelijk aan juffrouw Lavinia op te merken dat zij het een genot vonden het onderwerp zoolang mogelijk te rekken, hetgeen voor mij een straal van hoop deed gloren. Ook meende ik opgemerkt te hebben dat juffrouw Lavinia zeer werd aangetrokken door het denkbeeld om het toezicht te houden over twee verliefde, jonge menschenkinderen, zooals Dora en ik; en dat juffrouw Clarissa zich veel voorstelde van het genot hare zuster als zoodanig werkzaam te zien, waarbij zij zich blijkbaar voorbehield over het gedeelte, dat haar aanging, nu en dan een woordje mee te praten. Alles te zamen gaf mij den moed om nogmaals op eenigszins onstuimige wijze te betuigen dat ik meer van Dora hield dan ik in woorden kon uitdrukken of iemand gelooven kon; dat al mijne vrienden wisten hoe vurig ik haar lief had; dat mijne tante, Agnes, Traddles, in één woord, allen, die mij kenden, dat wisten, wisten hoe ernstig mijne liefde gemeend was. Ik riep daarvoor Traddles tot getuige, die onmiddellijk het woord nam met een vuur, alsof hij in het hevigste parlementsdebat zitting had, en in gevoelvolle taal mijne afgelegde verklaringen bevestigde, hetgeen blijkbaar een zeer gunstigen indruk maakte.

„Ik spreek, indien ik zoo vermetel mag zijn dit te zeggen, als iemand, die op dit punt eenige ondervinding heeft,” zei Traddles, „want ik ben zelf verloofd met een jonge dame—een van tien, uit Devonshire—en zie op het oogenblik nog niet in hoe mijn engagement ooit tot een huwelijk leiden zal.”

„Gij zult dus ook wel in staat zijn, mijnheer Traddles,” zei juffrouw Lavinia, die blijkbaar belang in hem begon te stellen, „om mijne woorden van zooeven te bevestigen, dat de ware liefde bescheiden is en wachten kan?”

„Volkomen, juffrouw,” antwoordde Traddles. Juffrouw Clarissa keek juffrouw Lavinia aan, en schudde plechtig het hoofd. Juffrouw Lavinia keek op hare beurt juffrouw Clarissa aan, alsof zij wilde zeggen, dat zij haar maar al te goed begreep, en loosde een zucht.

„Zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa, „neem mijn reukfleschje.”

Juffrouw Lavinia volgde den raad van hare zuster op en rook eenige malen aan het fleschje, hetgeen haar scheen te verkwikken—Traddles en ik volgden elk harer bewegingen niet zonder eenige bezorgdheid—en ging daarna met zwakkere stem dan zooeven voort:

„Mijne zuster en ik, mijnheer Traddles, hebben in grooten twijfel verkeerd omtrent den weg, dien wij behoorden in te slaan ten opzichte van de genegenheid of ingebeelde genegenheid van twee zulke jonge menschen, als mijnheer Copperfield en ons nichtje.”

„Het kind van onze broeder Francis,” deed juffrouw Clarissa opmerken. „Had de vrouw van onzen broeder Francis het gedurende haar leven kunnen goedvinden—zij had echter het volste recht om te doen zooals zij gedaan heeft—het kunnen goedvinden, herhaal ik, de familie aan het diner te noodigen, zouden wij het kind van onzen broeder Francis op het oogenblik beter gekend hebben. Ga voort, zuster Lavinia.”

Juffrouw Lavinia keerde mijn brief om, zoodat zij het adres voor zich had en bekeek door haar leesglas eenige aanteekeningen, die zij daarop gemaakt had.

„Het komt ons voorzichtig voor, mijnheer Traddles,” hernam zij, „door eigen waarneming ons van de wederzijdsche gevoelens te overtuigen. Op het oogenblik weten wij er nog niets van en zijn dus niet in staat om te beoordeelen of de genegenheid van de jongelui van de ware soort is. Wij hebben daarom besloten mijnheer Copperfield toe te staan in dit huis bezoeken af te leggen.”

„Nooit, waarde dames,” riep ik uit, van een zwaren last bevrijd, „nooit zal ik uwe welwillendheid vergeten!”

„Maar,” vervolgde juffrouw Lavinia, „maar wij achten het beter, dat deze bezoeken, mijnheer Traddles, voorloopig beschouwd worden als aan ons gebracht. Wij moeten op onze hoede zijn en geen toestemming geven tot een formeele verloving van mijnheer Copperfield en ons nichtje, eer wij de gelegenheid gehad hebben...”

„Eer _gij_ de gelegenheid gehad hebt, zuster Lavinia,” zei juffrouw Clarissa.

„Het zij zoo,” stemde juffrouw Lavinia met een zucht in, „eer ik de gelegenheid gehad heb hem gade te slaan.”

„Copperfield”, zei Traddles, zich tot mij wendende, „gij voelt zeker dat de dames geen billijker, geen welwillender, voorwaarden kunnen stellen.”

„O, zeker!” riep ik. „Ik ben er zeer, zeer dankbaar voor.”

„Zooals de zaken dan nu staan,” vervolgde juffrouw Lavinia, opnieuw hare aanteekeningen inziende, „zullen wij mijnheer Copperfield dus gaarne ontvangen; echter moet hij ons op zijn woord van eer beloven buiten ons weten op geenerlei wijze te trachten betrekkingen met ons nichtje aan te knoopen. Geen plannen hoegenaamd mogen gemaakt worden zonder dat wij daarin gekend zijn....”

„Gij, zuster Lavinia,” zoo viel juffrouw Clarissa haar in de rede.

„Het zij zoo, Clarissa,” antwoordde juffrouw Lavinia gelaten—„zonder dat ik daarin gekend ben en wij er onze goedkeuring aan hebben gehecht. Wij hebben den wensch uitgesproken dat mijnheer Copperfield heden zou vergezeld zijn van een vertrouwd vriend”—zij knikte Traddles even toe, en deze maakte eene buiging—„opdat er twijfel noch misverstand zou kunnen bestaan. Mocht gij, mijnheer Copperfield, of gij, mijnheer Traddles, eenig bezwaar hebben in het afleggen van deze belofte, dan verzoek ik u tijd te nemen om er over na te denken.”

Opgetogen riep ik uit dat ik mij geen oogenblik daarop behoefde te bedenken. Ik legde onmiddellijk de gevraagde belofte af, riep Traddles tot getuige en verklaarde dat ik wel de grootste booswicht zijn moest, dien men zich denken kon, als ik ook maar een vingerbreed van mijne belofte afweek.

„Een weinig geduld!” zei juffrouw Lavinia, met de hand in de hoogte, „wij hadden reeds, voor wij het genoegen hadden de heeren te ontvangen, afgesproken u gedurende een kwartier alleen te laten, ten einde over dit punt na te denken. Sta ons dus toe dat wij ons verwijderen.”

Het was te vergeefs dat ik al verklaarde geen bedenktijd noodig te hebben; zij bleven er bij. Zoo deftig mogelijk wipten de kleine vogeltjes de kamer uit en stelden mij in de gelegenheid om de gelukwenschen van Traddles aan te hooren, waarbij mij een gevoel bekroop alsof ik in den zevenden hemel was. Na verloop van een kwartier—niet meer of minder—kwamen zij weder even deftig binnen als zij waren heengegaan, ritselend alsof hare japonnen van dorre bladeren gemaakt waren.

Nogmaals verbond ik mij om de gestelde voorwaarden plichtmatig na te leven.

„Zuster Clarissa,” zei juffrouw Lavinia, „het overige is uwe zaak.” Juffrouw Clarissa liet voor het eerst hare armen vallen, nam de aanteekeningen over en keek er in.

„Het zal ons aangenaam zijn,” sprak zij, „mijnheer Copperfield elken Zondag aan het middagmaal te zien, indien hem dit gelegen komt. Wij dineeren om drie uur.”

Ik maakte een buiging.

„In den loop van de week,” vervolgde Clarissa, „zal het ons aangenaam zijn, mijnheer Copperfield op de thee te zien. Wij drinken om half zeven thee.”

Ik maakte nogmaals eene buiging.

„Tweemalen 's weeks,” vervolgde zij, „maar in den regel niet vaker.”

Een derde buiging.

„Vermoedelijk,” ging juffrouw Clarissa voort, „zal juffrouw Trotwood, van wie gij in uw brief melding maakt, ons een bezoek brengen. Indien het voor het geluk van alle partijen beter is, zullen wij met genoegen bezoeken ontvangen en beantwoorden. Is het voor het geluk van alle partijen beter geen bezoeken af te leggen—zooals bij mijn broeder Francis en diens huisgezin het geval was—dan is ons dat ook goed.”

Ik gaf te kennen, dat het voor mijne tante een eer en een genoegen zou zijn kennis met de dames te komen maken, hoewel ik er bij dacht of zij wel goed bij elkander zouden passen. Nu de voorwaarden afgesproken waren, gaf ik op warme wijze mijne dankbaarheid te kennen, waarna ik eerst de hand nam van juffrouw Clarissa en daarna die van juffrouw Lavinia, en ze een voor een aan mijne lippen drukte.

Toen stond juffrouw Lavinia op, verzocht mijnheer Traddles ons een oogenblik te willen verontschuldigen en noodigde mij uit haar te volgen. Ik gehoorzaamde bevend en werd naar eene andere kamer gebracht. En daar vond ik mijn lieveling! Zij had de ooren dichtgestopt en leunde met haar lief gezichtje tegen den muur, terwijl Jip in den bordenwarmer gestopt en met een handdoek vastgebonden was.

O, wat zag zij er in haar zwart japonnetje bekoorlijk uit en wat snikte en schreide zij in het eerst! Zij wilde zelfs niet achter de deur vandaan komen! Maar wat waren wij verliefd op elkander toen zij er eindelijk uitkwam en hoe onbeschrijfelijk gelukkig voelde ik mij, toen wij Jip uit den bordenwarmer verlosten en hem niezend en snuivend aan het licht teruggaven, zoodat wij nu weder met ons drieën bijeen waren!

„Liefste Dora! Zijt gij nu werkelijk de mijne, voor altijd?”

„O, neen!” smeekte Dora. „Dat niet!”

„Zijt gij niet voor altijd de mijne Dora?”

„O, ja, natuurlijk ben ik dat!” riep Dora, „maar ik ben zoo geschrikt!”

„Geschrikt, mijn lieveling?”

„Ja! Ik houd niets van hem!” zei Dora. „Waarom gaat hij niet weg?”

„Wie, beste?”

„Uw vriend! Hij heeft er immers niets mede te maken! Wat ziet hij er vreeselijk dom uit!”

Och, die kinderlijke maniertjes waren zoo bekoorlijk! „Lief engeltje,” zei ik, „hij is zoo'n beste man.”

„Wij hebben volstrekt geen beste mannen noodig,” sprak zij pruilend.

„Lieveling,” hernam ik, „gij zult hem spoedig beter leeren kennen en dan zeker heel veel van hem houden. En mijne tante komt ook eerstdaags hier; van haar zult gij zeker ook veel houden als gij haar eenmaal kent.”

„Och neen, breng haar maar niet hier!” sprak zij, mij bedeesd een kus gevend en met gevouwen handjes: „Doe dat toch niet. Ik weet dat zij een ondeugend, oud schepsel is, dat niets dan onheil kan aanbrengen. Laat haar toch wegblijven, Doady!”—Doady was een verbastering van David.

Ik begreep dat tegenspreken op het oogenblik niet baatte, daarom lachte ik maar en was een en al bewondering en tot over de ooren verliefd en onbeschrijfelijk gelukkig; en Jip had nieuwe kunstjes geleerd, kon opzitten in een hoek van de kamer en dood liggen—wel is waar niet langer dan eenige seconden, maar hij deed het toch—en ik weet niet hoe lang ik daar Traddles zou hebben kunnen vergeten, als juffrouw Lavinia niet binnengekomen was om mij te halen. Juffrouw Lavinia hield zeer veel van Dora—zij vertelde mij dat Dora haar evenbeeld was op dien leeftijd; o, wat moest zij dan ontzaglijk veranderd zijn!—en behandelde Dora alsof zij met een pop speelde. Ik trachtte Dora over te halen kennis met Traddles te komen maken, maar nauwelijks had ik zijn naam genoemd of zij snelde naar haar eigen kamertje en sloot de deur af; ik kwam dus zonder haar bij Traddles terug en wandelde met hem terug met een gevoel alsof ik op een wolk werd weggedragen.

„Beter kon het niet afloopen,” zei Traddles; „dat zijn een paar lieve oude dames en het zou mij niets verbazen, Copperfield, als gij nog jaren vóór mij getrouwd waart.”

„Bespeelt uwe Sophie ook een of ander instrument?” vroeg ik, trotsch als ik was op de talenten van Dora.

„Zij kent genoeg van de piano om hare kleine zusjes les te geven,” zei Traddles.

„Zingt zij ook?” vroeg ik weder.

„O, ja, somtijds zingt zij wel eens een lied, of een romance, om de anderen wat op te vroolijken, wanneer zij uit haar humeur zijn. Maar of zij volgens de regelen van de kunst zingt, dat betwijfel ik.”

„Speelt zij ook op de guitaar?” vroeg ik.

„O, Hemel, neen!”

„Teekent zij ook?”

„O, neen, volstrekt niet!”

Ik beloofde Traddles, dat hij Dora bij de guitaar zou hooren zingen en hare bloemteekeningen bewonderen. Hij zei, dat het hem heel aangenaam zou zijn en zoo wandelden wij arm in arm, vroolijk en opgewekt naar huis. Ik moedigde hem aan om veel over Sophie te praten en daarbij toonde hij zooveel innig vertrouwen op hare en zijne liefde te hebben, dat ik hem in stilte bewonderde. In 't geheim vergeleek ik haar met Dora, welke vergelijking ten voordeele van laatstgenoemde uitviel, maar toch moest ik bekennen, dat zij uitmuntend geschikt was voor Traddles.

Het spreekt van zelf, dat ik geen oogenblik draalde om tante met den gunstigen afloop van ons bezoek bekend te maken en haar alles te vertellen, wat van beide zijden was gezegd en gedaan. Zij verheugde zich in mijn geluk en beloofde mij Dora's tantes zoo spoedig mogelijk een bezoek te zullen brengen. Dien avond strekte zij echter hare wandeling zoo ver en zoo lang uit, terwijl ik aan Agnes zat te schrijven, dat ik vreesde haar den ganschen nacht te zullen hooren doorwandelen.

Mijn brief aan Agnes vloeide over van dankbaarheid, want aan haar goeden raad had ik het succes te danken. Per omgaande post ontving ik antwoord, een ernstig, blijmoedig antwoord. Trouwens, van dien tijd af was zij altijd in eene blijmoedige stemming, zoo dikwijls ik haar ontmoette.

Ik had het nu drukker dan ooit. Mijne dagelijksche bezoeken op Highgate in aanmerking genomen, was Putney eene heele wandeling en het spreekt van zelf dat ik telkens verlangde er heen te gaan. De voorgestelde regeling van mijne bezoeken op het theeuur bleek echter onpractisch, zoodat ik met juffrouw Lavinia's toestemming voortaan des Zaterdags in den namiddag kwam, zonder daardoor mijne heerlijke Zondagen te verbeuren. Het einde van elke week was dus een zalige tijd voor mij en de overige dagen genoot ik van het vooruitzicht.