Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 62
„Toen zij—verloren was,” ging hij voort, „kwam het vermoeden in mij op, dat hij haar naar dat land had medegenomen. Ik begreep, dat hij haar allerlei wonderen van dat land verteld en haar gezegd zou hebben, dat zij daar „een dame” zou zijn en hoe hij haar juist door daarvan te vertellen verleid moest hebben. En toen ik zijne moeder gezien had, begreep ik, dat mijne onderstelling juist geweest was. Ik ging dus het Kanaal over naar Frankrijk en kwam daar aan, alsof ik uit de lucht was gevallen.”
—Ik zag de deur bewegen en de sneeuw binnen stuiven. Ik zag een oogenblik later eene hand, die de deur openhield.—
„Ik bracht een bezoek aan een Engelschman, die daar woonde en eene openbare betrekking bekleedde,” vervolgde baas Peggotty, „en vertelde hem dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken. Hij verschafte mij toen de papieren, die ik noodig had om verder te komen—ik weet niet goed meer hoe hij ze noemde,—en hij was ook wel genegen om mij geld te geven, maar dat had ik, Goddank, niet noodig. Ik bedankte hem vriendelijk voor zijne welwillendheid, waarop hij mij zeide dat hij over mij geschreven had en over mij spreken zou met allen, die van de overzijde kwamen en denzelfden weg gingen, opdat zij weten zouden wie ik was, als ik daar zoo alleen verder trok. Nogmaals betuigde ik hem, zoo goed ik kon, mijne dankbaarheid en begon toen den tocht door Frankrijk.”
„Alleen en te voet?” vroeg ik.
„Meestal te voet!” antwoordde hij, „somtijds in een kar met menschen, die naar eene naburige markt gingen; somtijds ook reed ik met een ledig rijtuig mede. Ik legde groote afstanden te voet af, niet zelden met een armen soldaat of een marskramer, die ik inhaalde. Ik kon wel niet met hen spreken,” zei baas Peggotty, „en zij konden het evenmin met mij; maar wij hadden toch gezelschap aan elkander langs de stoffige wegen.”
Nu, wie zou zich niet door zijne vriendelijke stem hebben aangetrokken gevoeld!
„Wanneer ik in eene stad aankwam, zocht ik een logement op en wachtte buiten of er niemand kwam opdagen, die Engelsch verstond, hetgeen bijna altijd het geval was. Ik vertelde dan dat ik op weg was om mijn nichtje te zoeken en zij vertelden mij het een en ander van de gasten, die in het logement waren, waarna ik wachtte om te zien of er ook iemand in- of uitging, die op haar geleek. Vond ik Emily niet, dan ging ik weer verder. Langzamerhand begon ik op te merken dat men al van mij gehoord had en als ik in een dorp kwam, werd ik menigmaal uitgenoodigd om binnen te komen en boden de bewoners mij eten en drinken aan; menige vrouw, die eene dochter had van Emily's leeftijd, heb ik buiten het dorp aan den voet van het kruisbeeld zittende gevonden, om mij op deze wijze hare vriendschap te betuigen. Sommigen hadden den dood van eene dochter te betreuren en God alleen weet hoe goed deze moeders voor mij waren!”
—Het was Martha's hand geweest, die ik aan de deur gezien had. Ik zag haar vervallen gelaatstrekken, terwijl zij achter de deur stond te luisteren. Ik vreesde dat hij zijn hoofd zou omdraaien en haar ook zien.—
„Zij zetten meermalen hunne kinderen, vooral hunne kleine meisjes, op mijne knieën,” ging baas Peggotty voort, „en menigmaal zoudt gij mij bij hunne huisdeuren hebben kunnen zien zitten, als de avond was ingevallen, bijna alsof het de kinderen van mijn lieveling waren. O, mijn Lieveling!”
Door smartelijke herinneringen overweldigd, begon hij eensklaps te snikken. Ik legde mijne trillende hand op de zijne, waarmede hij zijn gelaat bedekt had. „Dank u, mijnheer Davy,” zei hij, „sla er maar geen acht op.”
Eenige oogenblikken later nam hij de hand van zijn gezicht weg en stak die voor in zijne jas, waarna hij vervolgde:
„Dikwijls brachten zij mij des morgens een mijl of twee den weg op, dien ik te volgen had, en als ik dan bij het afscheid zei: „Duizendmaal dank! God zegene u!” schenen zij mij altijd te verstaan en gaven mij een vriendelijk antwoord. Eindelijk bereikte ik de zee. Voor een zeeman, zooals ik, was het niet moeielijk vrijen overtocht naar Italië te krijgen, dat begrijpt ge. En toen ik weer den vasten wal bereikt had, wandelde ik weer verder, zooals te voren. Het volk was weer even welgezind en ik zou van de eene stad naar de andere zijn gegaan, het geheele land door, als ik niet de goede tijding had ontvangen, dat zij bij de Zwitsersche bergen gezien waren. Iemand, die zijn knecht kende, had hen gezien, alle drie, en vertelde mij hoe zij reisden en waar zij nu waarschijnlijk zouden zijn. Gij begrijpt, mijnheer Davy, dat ik onmiddellijk terugkeerde, maar o, wat waren die bergen ver weg. Elken morgen schenen ze weder verder af te zijn dan den vorigen avond. Maar ik bereikte ze eindelijk, trok ze over en toen ik de plaats naderde, die men mij genoemd had, begon ik na te denken over de vraag: ‚Wat zal ik doen, wanneer ik haar ontmoet?’”
—Het luisterende gelaat aan de deur was daar nog altijd aanwezig en de handen werden smeekend naar mij uitgestrekt—dat ik haar toch niet zou wegjagen!—
„Ik heb nooit aan haar getwijfeld,” vervolgde baas Peggotty. „Neen, nooit, geen oogenblik! Als zij mijn gelaat maar ziet...... als zij mijne stem maar hoort.... laat mij maar een oogenblik voor haar staan, ten einde haar het huis, dat zij ontvlucht is, en haar eigen jeugd in herinnering te brengen, dan—al is zij eene prinses geworden—zal zij voor mij op de knieën vallen. O, ik weet dat zoo goed! Hoe menigmaal heb ik haar in mijn droomen niet hooren roepen: ‚Oom!’ en haar als dood voor mij zien neervallen. En hoe menigmaal heb ik haar in mijne droomen niet opgericht en toegefluisterd: Em'ly, mijn lieveling, ik ben gekomen om u vergiffenis te schenken en naar huis terug te brengen!”
Hij schudde zwaarmoedig het hoofd en ging voort:
„_Hij_ bestond niet voor mij. Ik kende alleen Emily. Ik kocht een boerenpakje voor haar en ik wist dat, als ik haar eenmaal gevonden had, zij met mij mede zou gaan over de steenige wegen overal waar ik wilde, en mij nooit, neen, nooit meer zou verlaten. Haar deze kleeding aan te trekken en die, welke zij droeg, weg te werpen; met haar arm in den mijne naar huis terug te wandelen; nu en dan eens aan den weg te blijven zitten om hare gewonde voeten te genezen en haar gewond hart.... ziedaar de gedachten, waarmede ik voortliep en die mij dag noch nacht met rust lieten. Ik geloof, dat ik _hem_ zelfs niet aangekeken zou hebben. Maar, jongeheer Davy, het mocht nog niet zoo zijn.... nog niet! Ik kwam te laat; zij waren weg. Waarheen? Niemand kon of wilde het mij zeggen. De een zei: hierheen, de andere: daarheen. En ik trok hierheen en daarheen, maar ik vond Emily niet en.... eindelijk keerde ik naar huis terug.”
„Hoe lang geleden?” vroeg ik.
„Vier dagen geleden kreeg ik de oude boot weer in het oog en zag ik het licht door het venster schijnen. Toen ik naderbij kwam en door het raampje keek, zag ik dat trouwe schepsel, juffrouw Gummidge, bij het vuur zitten, zooals wij hadden afgesproken. Zij was geheel alleen. Ik riep haar toe: Schrik niet! Het is Daniël! en ging naar binnen. Ik had nooit gedacht, dat de oude boot mij zoo vreemd zou toeschijnen!”
Hij haalde zoo voorzichtig mogelijk een paar brieven uit zijn borstzak te voorschijn en legde die op de tafel.
„Deze is het eerst gekomen,” zei hij, er een opnemende, „toen ik ongeveer een week weg was. Een banknoot van vijftig pond in een enveloppe, met mijn adres, des avonds onder de deur geschoven. Zij heeft haar best gedaan om hare hand te verdraaien, maar hoe zou haar dat mogelijk zijn—voor mij!”
Hij vouwde de banknoot zoo zorgvuldig mogelijk op, in dezelfde vouwen, en legde haar ter zijde.
„Deze is aan het adres van juffrouw Gummidge gekomen,” vervolgde hij, „twee of drie maanden geleden.” Hij ontvouwde een tweeden brief, keek er eenige oogenblikken in en gaf hem aan mij, met schorre stem er bijvoegend: „Wees zoo goed dit te lezen, mijnheer.”
Ik las:
„O, wat moet er niet in u omgaan wanneer gij dit leest, wetende dat mijne slechte hand het geschreven heeft! Maar tracht—niet ter wille van mij, maar van mijn besten oom—tracht voor een klein, klein oogenblik uw hart tot zachtheid te stemmen. Ik smeek u, wees barmhartig voor een ongelukkig meisje en schrijf eenige regels over hem, of hij wèl is, wat hij van mij gezegd heeft, eer gij allen te zamen besloot mijn naam niet meer te noemen, en of hij des avonds op het uur, waarop ik gewoonlijk thuis kwam, nog altijd aan mij denkt als aan iemand, die hij altijd zoo liefhad. O, mijn hart breekt, wanneer ik daaraan denk! Ik zou op mijne knieën naar u willen toekruipen, om u te smeeken niet zoo hard over mij te oordeelen als ik verdien.... als ik ten volle verdien, dat weet ik zoo goed; o, wees lief en goed voor mij en schrijf mij iets over hem en zend het mij. Noem mij niet meer ‚Kleintje’; geef mij geen naam meer, dien ik voor eeuwig heb verbeurd; maar, o, luister naar mijn zielsangst, heb medelijden met mij en schrijf mij iets over oom, dien ik nimmer, nimmer meer onder de oogen zal durven komen.
Maar, lieve juffrouw Gummidge, indien gij hard over mij oordeelt—ik weet dat ik het verdien—maar, luister, indien gij hard over mij oordeelt, vraag dan of hij, wien ik het grootste onrecht heb aangedaan, hij, wiens vrouw ik worden zou, mij schrijven wil—eer gij uwe hand geheel van mij, arme, aftrekt. Zou hij zooveel medelijden met mij hebben dat hij u wil toestaan mij te schrijven? O, ik denk het, want hij was altijd zoo braaf en zoo vergevensgezind. Zeg hem dan—maar anders niet—zeg hem dan dat het mij des nachts is, alsof de wind toornig langs de vensters blaast en van oom en hem eene beschuldiging tegen mij medevoert naar den Hemel. Zeg hem, dat indien ik morgen moest sterven—ik zou wenschen te sterven, als ik bereid was—ik met mijn laatsten ademtocht oom en hem zou zegenen.”
Ook in dezen brief was eenig geld. Vijf pond. Maar het was evenmin aangeraakt als de grootere som en in dezelfde vouwen gelaten. Uitgebreide opgaven waren er bijgevoegd voor haar adres, en al moest het antwoord door verschillende handen gaan, zoodat hare verblijfplaats onmogelijk te raden was, kwam het bij nader onderzoek toch niet onwaarschijnlijk voor, dat zij geschreven had van de plaats, waar men haar meende gezien te hebben.
„En wat heeft men haar geantwoord?” vroeg ik.
„Juffrouw Gummidge,” antwoordde baas Peggotty, „is niet zoo heel vlug met de pen, mijnheer; daarom heeft Ham een antwoord opgesteld en zij dit overgeschreven. Zij hebben haar geschreven dat ik op reis was gegaan om haar op te zoeken en wat mijne laatste woorden waren geweest.”
„Hebt gij daar nog een brief?” vroeg ik.
„Dat is geld mijnheer,” antwoordde hij, het bankbiljet een weinig openvouwend. „Tien pond, zooals gij ziet. Aan de achterzijde staat geschreven, ‚van een trouwen vriend’, evenals op het eerste. Maar het eerste was onder de deur geschoven en dit kwam vooreergisteren over de post. Ik ga nu op den poststempel af, om haar te zoeken.”
Hij liet het mij zien. De stempel was van een stad aan den Boven-Rijn. Te Yarmouth had hij eenige vreemde kooplui ontmoet, die in dat land bekend waren, en deze hadden hem eene ruwe schets er van geteekend, die hij heel goed begreep. Hij legde het papier tusschen ons op de tafel en terwijl hij zijne kin op de eene hand liet rusten, gaf hij met de andere den weg aan, dien hij volgen moest.
Ik vroeg hem hoe Ham het maakte, waarop hij hoofdschuddend antwoordde: „Ham werkt zoo hard als hij kan. Hij heeft daar zoo'n goeden naam als iemand op de wereld maar hebben kan. Iedereen wil hem gaarne helpen en, gij begrijpt, hij helpt ook iedereen. Niemand heeft hem ooit een klacht hooren uiten. Toch meent mijne zuster—maar dat blijft tusschen ons—dat hij meer lijdt dan wij wel denken.”
„Arme kerel, ik kan mij dat zoo voorstellen.”
„Jongeheer Davy,” hernam baas Peggotty, op zachten, ernstigen toon, „hij geeft niets meer om zijn leven. Als er iemand gevraagd wordt voor zwaar werk in het ruwste weer, dan biedt hij zich altijd aan. Is er iets te doen, waarbij gevaar is, dan is hij de eerste, die zich aanmeldt. En toch is hij als een kind zoo zachtmoedig. Geen kind in Yarmouth, dat hem niet kent.”
Peinzend pakte hij de brieven bijeen, streek ze met de hand glad, maakte er een klein pakje van en borg dit zorgvuldig in zijn borstzak weg. Het gezicht was van de deur verdwenen. Wel zag ik de sneeuw nog binnenwaaien, maar overigens zag ik niets meer.
„Nu ik u van avond gesproken heb, jongeheer Davy, en dat heeft mij opgeknapt,” zei baas Peggotty, naar zijn reiszak kijkende, „ga ik morgenochtend vroeg op marsch. Gij hebt gezien wat ik hier heb”—hij legde zijne hand op het kleine pakje—„dat is het eenige wat mij zorg geeft; want ik zou niet gaarne willen, dat mij iets overkwam eer ik het had teruggegeven. Als ik omkom en het ging verloren of werd gestolen, en hij zou nooit te weten komen, dat ik het niet heb willen aannemen, dan geloof ik dat ze mij in de andere wereld niet zouden houden. Ik kwam terug!”
Hij stond op en ik deed evenzoo en eer wij de deur uitgingen, schudden wij elkaar nogmaals hartelijk de hand.
„Ik zou tien duizend mijlen willen loopen,” zei hij, „ik zou willen loopen tot ik er dood bij neerviel, om dit geld voor hem uit te spreiden. Als ik dat nog eens doen mag en mijne Emily terugvind, heb ik niets meer te wenschen. Vind ik haar niet, dan zal zij waarschijnlijk nog wel eens te weten komen dat haar oom, die haar zoo zielslief had, niet heeft opgehouden naar haar te zoeken eer hij den laatsten adem uitblies; en zooals ik haar ken, geloof ik, dat zij dan vanzelf naar huis zal komen.”
Toen wij buiten kwamen in de hevige sneeuwjacht, zag ik de eenzame gedaante voor ons uit gaan. Ik liet hem onder eenig voorwendsel zich haastig omkeeren en hield hem aan de praat tot zij verdwenen was.
Hij sprak van een logement op den weg naar Dover, waar hij wist een goed, zindelijk bed te kunnen krijgen. Ik bracht hem tot de Westminster Bridge en nam daar afscheid van hem. In mijne verbeelding scheen alles zoo stil uit eerbied voor hem, toen hij daar in de mulle sneeuw voortstapte.
Ik keerde naar het Gouden Kruis terug en, nog onder den indruk van alles wat ik gehoord had, zocht ik naar het gezicht, dat ik den geheelen avond achter de deur had gezien. Het was verdwenen, evenals onze laatste voetstappen reeds onder de versch gevallen sneeuw verdwenen waren.
XLI.
Dora's tantes.
Eindelijk kwam er antwoord van de beide oude dames. Zij zonden mijnheer Copperfield hare groeten en deelden hem mede, dat zij „met het oog op het geluk van beide partijen” zijn schrijven in gunstige overweging hadden genomen. Deze uitdrukking was volstrekt niet geschikt om mij gerust te stellen, niet alleen omdat zij daarvan ook gebruik hadden gemaakt bij de vroeger vermelde oneenigheid in de familie, maar ook omdat ik dergelijke algemeene phrases, mijn geheele leven door, beschouwd heb als een soort vuurwerk, dat gemakkelijk ontstoken wordt en daarna alle kleuren en vormen aanneemt, die met de oorspronkelijke niets gemeen hebben. De dames Spenlow vervolgden, dat zij verzochten zich te mogen onthouden van verdere correspondentie over het door mijnheer Copperfield bedoelde onderwerp; maar wilde mijnheer Copperfield haar dan en dan met een bezoek vereeren—indien hem dit aangenamer was in gezelschap van een vertrouwd vriend—dan zouden zij mijnheer Copperfield gaarne ontvangen en het onderwerp mondeling met hem behandelen.
Natuurlijk antwoordde mijnheer Copperfield per omgaande, dat hij de eer zou hebben op den bepaalden dag zijne opwachting te komen maken aan de dames Spenlow; ingevolge het beleefde voorstel vergezeld van zijn vriend, den heer Thomas Traddles van de Inner Temple. Na deze missive verzonden te hebben, geraakte mijnheer Copperfield in eene ongekende, zenuwachtige spanning, die niet week vóór de bepaalde dag was aangebroken.
Mijn onrust werd niet weinig vermeerderd door de omstandigheid, dat ik in dit voor mij zoo gewichtig tijdsgewricht de onschatbare diensten van juffrouw Mills moest derven. Mijnheer Mills deed echter altijd het een of ander om mij tegen te werken—ik verbeeldde mij dit ten minste, hetgeen op hetzelfde neerkwam—en had de kroon op zijne plagerijen gezet door naar Indië te willen gaan. Waarom anders zou hij naar Indië gaan, dan om mij tegen te werken? Wel is waar had hij juist met geen ander gedeelte van de wereld zaken dan met Indië, en blijkbaar uitgebreide zaken zelfs—ik meen in gouden shawls en olifantstanden—en was hij in zijne jeugd op Ceylon geweest, waarheen hij zich thans weder begaf, teneinde zijne zaken beter te kunnen behartigen, maar.... wat ging mij dat aan! Hem echter zooveel te meer, ten minste hij ging naar Indië en nam zijne dochter mede, die eerst de familie rondreisde om afscheid te nemen, terwijl het huis van onder tot boven beplakt werd met biljetten, waarop was aangekondigd dat het huis te huur of te koop was, en de inboedel—de mangel incluis—tegen taxatie kon worden overgenomen.
Ik kon het niet met mij zelven eens worden over de wijze, waarop ik mij voor dit gewichtig bezoek zou kleeden, en werd geslingerd tusschen den wensch, om mij zoo voordeelig mogelijk voor te doen, en de vrees om iets aan te trekken, dat de dames aan mijn ernst en degelijkheid zou doen twijfelen. Gelukkig slaagde ik in het vinden van een middenweg tusschen deze twee uitersten: tante keurde dien goed en toen ik met Traddles de trap afging, wierp mijnheer Dick ons een zijner schoenen achterna, hetgeen volgens een oud bijgeloof geluk moest aanbrengen.
Ik kende Traddles als een uitmuntende jongen en was zeer aan hem gehecht, maar toch kon ik bij deze gelegenheid den wensch niet onderdrukken, dat hij nooit de gewoonte mocht hebben gehad, om zijne haren zoo stijf rechtop te borstelen. Dit gaf iets wonderlijks—om niet te zeggen iets borsteligs—aan zijn uiterlijk, wat ons, naar ik vreesde, noodlottig zou kunnen worden.
Ik nam de vrijheid Traddles daarop opmerkzaam te maken, terwijl wij naar Putney wandelen, en zei dat, als hij zijn haar een weinig zou willen gladstrijken....
„Beste Copperfield,” antwoordde Traddles, terwijl hij den hoed afnam en in alle richtingen met de hand door zijne haren woelde, „niets zou mij meer genoegen doen, maar het wil niet.”
„Wil het niet gladgestreken worden?” vroeg ik.
„Neen; zelfs niet met geweld. Al droeg ik er van hier tot Putney een gewicht van vijftig kilo op, dan zou het toch weer opstaan. Gij kunt u geen voorstelling maken van zulk eene weerspannigheid, Copperfield. Ik gelijk in dat opzicht wel een stekelvarken.”
Ik moet eerlijk bekennen, dat ik een weinig teleurgesteld was, maar toch voelde ik mij nog weder meer aangetrokken door zijne goedhartigheid. Ik zei hem, dat zijne haren vermoedelijk al de weerspannigheid uit zijn karakter hadden opgetrokken, want dat hij de goedhartigste kerel was, dien ik kende.
„O!” antwoordde Traddles lachend, „ik verzeker u, dat die ongelukkige haren mij al wat last bezorgd hebben. De vrouw van mijn oom kon ze niet uitstaan; zij zeide, dat ik mijn haar zoo droeg om haar te ergeren. En ook, toen ik op Sophie verliefd werd, stond mijn haar mij in den weg. O, zoo erg!”
„Vond zij uw haardos zoo leelijk?”
„Zij niet,” antwoordde Traddles, „maar haar oudste zuster, de zoogenaamde Beauty, dreef er letterlijk den spot mede. Al de zusters lachten er om, dat weet ik zeker.”
„Heel aangenaam!” zei ik.
„Ja,” antwoordde Traddles, „het was een kostelijke grap. Zij houden vol, dat Sophie een lok van mij in hare schrijfportefeuille wilde bewaren, maar in plaats daarvan een dik boek moest nemen om de haren naar beneden te drukken. Daarover is wat gelachen!”
„A propos, Traddles, wellicht kan uwe ondervinding mij helpen. Toen gij u eenmaal overtuigd hadt van de liefde van dat jonge meisje, hebt gij toen bij hare familie een bepaald aanzoek gedaan om hare hand? Heeft er bijvoorbeeld iets plaats gehad, zooals wij thans op weg zijn te gaan doen?” voegde ik er een weinig zenuwachtig bij.
„Wel,” antwoordde Traddles, wiens gelaat eene peinzende uitdrukking had aangenomen, „de omstandigheden waren in mijn geval veel moeilijker, Copperfield. Sophie maakt zich in alle opzichten zoo nuttig in het huishouden, begrijpt gij, dat het denkbeeld, Sophie te moeten missen, haar allen een schrik aanjoeg. Zelfs hadden zij reeds onder elkander uitgemaakt dat Sophie ongetrouwd zou blijven en noemden zij haar reeds spottender wijze de oude jongejuffrouw. Toen ik er dus onder de diepste geheimhouding over sprak met mevrouw Crewler.....”
„Hare mama?” vroeg ik.
„Hare mama,” antwoordde Traddles eenigszins deftig. „Dominee Horace Crewler...... toen ik er dan onder de diepste geheimhouding met mevrouw Crewler over sprak, geraakte zij zoo van streek, dat zij een gil gaf en van zichzelve viel. Maanden daarna kon ik eerst op de zaak terugkomen.”
„Maar gij deedt het toch eindelijk?” vroeg ik.
„Neen, dominee Horace deed het zelf,” antwoordde Traddles. „Hij is een braaf man, een voorbeeld voor velen; hij bracht zijne vrouw onder het oog, dat zij zich als eene echte Christin met het denkbeeld van zulk eene opoffering moest verzoenen—te meer omdat er voorloopig nog geen sprake was van trouwen—en mij liefderijk moest ontvangen. Ik zelf, Copperfield, had het gevoel alsof ik als een roofvogel op die familie neerkwam.”
„Ik hoop toch dat de zusters uwe partij trokken, Traddles?”
„Dat kan ik nu juist niet zeggen,” antwoordde hij. „Toen wij mevrouw Crewler eenigermate met het denkbeeld verzoend hadden, moesten wij er Sarah nog mede bekend maken. Gij herinnert u dat Sarah degene is, die een gebrek aan haar ruggegraat heeft?”
„Ja, zeer goed.”
„Zij sloeg de handen ineen,” vervolgde Traddles, met een gelaat alsof hij dat tooneel nog voor zich zag, „sloot de oogen, verwisselde eenige malen van kleur, bleef roerloos liggen en gebruikte gedurende de eerstvolgende dagen niets dan wat geweekte beschuit, die haar met een theelepeltje werd ingegeven.”
„Welk een onaangenaam schepsel, Traddles!”
„O, neen, Copperfield, volstrekt niet! Zij is een allerliefst meisje; alleen wat overgevoelig. Eigenlijk zijn zij dat allemaal. Sophie vertelde mij later dat zij onmogelijk het gevoel van zelfverwijt zou kunnen beschrijven, dat haar bekroop, toen zij Sarah oppaste. Ik weet dat zij daaronder geleden moet hebben, Copperfield, want ik zelf had een gevoel alsof ik een misdadiger was.
„Toen Sarah wat bekomen was van den schrik, moesten wij het nog aan de andere acht meedeelen, en op allen was de uitwerking van ons bericht verschillend, hoewel het allen zichtbaar aandeed. De twee jongsten, die door Sophie zijn opgevoed, zijn nu eindelijk zoo ver, dat zij niet meer wegloopen, wanneer zij mij zien.”
„Dus zijn zij nu allen met het denkbeeld verzoend.”
„Ja, a, ik geloof wel, dat zij er over het algemeen nu allen in berusten,” antwoordde Traddles op een toon, die mij een oogenblik aan zijne oprechtheid deed twijfelen. „De zaak is, dat wij vermijden over trouwen te spreken, en aangezien mijne vooruitzichten nog zoo onzeker zijn, zoeken zij daarin nog eenige troost. Wanneer wij ooit trouwen, zal de plechtigheid meer aan eene begrafenis, dan aan een huwelijksfeest doen denken. Zij zullen mij allen haten, als ik haar meeneem.”
Zijn rechtschapen gezicht, terwijl hij op kluchtige wijze het hoofd schudde, maakte in mijne herinnering meer indruk op mij, dan het in werkelijkheid deed; want ik zat op dat oogenblik zoo te beven en was zoo vervuld met mijn eigen omstandigheden, dat ik niet in staat was aan iets anders mijne aandacht te wijden. Toen wij de woning van de dames Spenlow naderden was ik zoodanig van streek, dat Traddles voorstelde met een glas ale eerst het evenwicht te herstellen. Toen ik dit in eene herberg genomen had, geleidde hij mij met een bonzend hart naar de woning van de dames.