Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 61

Chapter 614,170 wordsPublic domain

„Zullen wij terugkeeren?” vroeg Uriah, terwijl hij mij langzamerhand mijn gezicht naar de stad liet wenden, die op dit oogenblik zich baadde in het zilverwitte maanlicht.

„Eer wij van deze zaak afstappen,” hernam ik na eene vrij lange pauze, „moet gij wel begrijpen, dat ik Agnes zoo ver boven u verheven en zoo geheel en al onbereikbaar voor u acht als de maan boven ons!”

„Wat staat ze daar vreedzaam, nietwaar!” zei Uriah. „Maar, nu zult gij toch moeten bekennen, jongeheer Copperfield, dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt als ik van u. Het zou mij niet verbazen als gij mij eigenlijk voor al te nederig hadt gehouden?”

„Ik houd niet van menschen, die zoo met hunne nederigheid of met wat ook te koop loopen,” antwoordde ik.

„Welnu, komaan!” hernam Uriah—zijn gelaat had in het licht der maan eene loodkleur aangenomen.—„Heb ik het niet gedacht! Gij kunt u natuurlijk geen denkbeeld vormen van de nederigheid, waartoe menschen als wij verplicht zijn. Vader en ik zijn beiden op eene kostelooze school geweest en moeder is in een liefdadigheidsgesticht groot gebracht. Men heeft ons daar van den ochtend tot den avond voorgehouden dat wij nederig moesten zijn. Wij moesten nederig zijn tegen mijnheer X. en tegen mijnheer IJ. onze pet afnemen en eene buiging maken voor mevrouw Z.; wij moesten altijd weten waar wij staan moesten en onderdanig zijn aan onze meerderen. En o, wij hadden zooveel meerderen! Vader kreeg de kweekeling-medaille omdat hij altijd zoo nederig was. En ik ook. Vader werd tot doodgraver aangesteld om dat hij zoo nederig was. Hij had onder de groote lui den naam van een ordelijk en nederig man verworven en daarom wilden zij niemand voor die betrekking aangewezen zien dan hem. ‚Wees nederig, Uriah’, zei vader altijd, ‚dan kunt gij vooruitkomen in de wereld. Het is u en mij op school altijd ingeprent en men ziet dat ook het liefst’. En waarlijk, het is mij niet slecht gegaan!”

Voor de eerste maal kwam de gedachte in mij op, dat dit afschuwelijk geteem over die valsche nederigheid wel een familiekwaal zijn kon. Ik had wel den oogst gezien, maar nooit aan het zaad gedacht.

„Toen ik nog een kleine jongen was,” hernam Uriah, „ondervond ik reeds waartoe nederigheid leiden kan en hield er mij bij. Ik kreeg smaak in de nederigheid. Toen ik voor mijn nederigen staat genoeg meende geleerd te hebben, zei ik: „Halt!” en ik bedankte u voor uw aanbod om mij Latijn te leeren. Ik wist beter dan gij wat mijne nederigheid eischte. ‚De menschen willen elkaar gaarne voorbij streven,’ zei mijn vader, ‚blijf laag bij den grond!’—Ik ben tot op dit oogenblik altijd nederig gebleven, jongeheer Copperfield; maar ik heb toch een weinigje macht gekregen!”

Hij zei dit alles—ik zag het aan zijn gezicht—opdat ik zou begrijpen dat hij vast besloten was zich voor zijne nederigheid schadeloos te stellen door die macht te gebruiken. Ik had nooit aan zijne laagheid, zijne listigheid en zijn boosaardig karakter getwijfeld, maar op dit oogenblik voelde ik voor het eerst ten volle hoe laaghartig en wraakgierig de dwang, dien hij zich had opgelegd, hem moest gemaakt hebben. Intusschen had het verslag, dat hij van zich zelven gegeven had, in zooverre eene aangename zijde, dat hij mijn arm had losgelaten, ten einde aan zijne hand de geliefkoosde plaats onder de kin te geven. Eenmaal van hem los, besloot ik van hem los te blijven en zoo wandelden wij naast elkander voort zonder veel meer te praten.

Of de mededeeling, die ik hem gedaan had, hem in eene opgewekte stemming had gebracht, dan wel of de herinnering aan vroegere dagen hem had opgewonden.... hoe het zij, hij was aan tafel veel spraakzamer dan gewoonlijk, vroeg aan zijne moeder, die van het oogenblik van onze thuiskomst af haar post had verlaten, of hij langzamerhand niet te oud werd voor een jonggezel en keek Agnes eenmaal zoo aan, dat ik een goudstuk had willen geven als ik hem één muilpeer had mogen toedienen.

Toen wij, heeren, met ons drieën waren achtergebleven, werd hij nog stoutmoediger. Hij had bijna geen wijn gedronken, zoodat ik vermoed dat het niets dan onbeschaamdheid was, die hem deed meenen dat hij de overwinning reeds behaald had—wellicht werd hij daartoe ook door mijne tegenwoordigheid uitgelokt.

Ik had den vorigen dag opgemerkt dat hij mijnheer Wickfield tot drinken trachtte aan te zetten en tengevolge van den wenk, dien Agnes mij bij het verlaten van de kamer had gegeven, zelf slechts één glas wijn gedronken en daarna voorgesteld de dames naar het salon te volgen. Ik wilde dit heden herhalen, maar Uriah was mij voor.

„Wij zien onzen huidigen gast zoo zelden, mijnheer,” zei hij tot mijnheer Wickfield, die—welk een contrast!—aan het benedeneinde van de tafel zat, „dat ik voorstel hem met een glas welkom te heeten, zoo gij er niets tegen hebt. Mijnheer Copperfield, uwe gezondheid en uwe goede voornemens!”

Ik was wel verplicht te doen alsof ik de hand, die hij mij over de tafel heen toestak, aannam en daarna nam ik met eene geheel verschillende gewaarwording de hand van zijn slachtoffer.

„Kom, compagnon,” zei Uriah, „als ik zoo vrij mag zijn.... nu zult gij, onderstel ik, wel eens op Copperfield willen drinken!” Ik ga de toosten, die mijnheer Wickfield dronk op tante, op mijnheer Dick, op Doctors' Commons, op Uriah zwijgend voorbij; evenals het bewustzijn van zijn eigen zwakheid en de vruchtelooze pogingen om er zich tegen te verzetten; den strijd tusschen de schaamte over Uriah's houding en den wensch om hem te vriend te houden; en de wijze, waarop Uriah zich verkneuterde nu hij zijn compagnon in al diens zwakheid kon ten toon stellen. Het deed mij zeer hem zoo te zien, mijne pen weigert zelfs het uitvoeriger te beschrijven.

„Kom, compagnon!” zei Uriah eindelijk, „ik wil nog op iemand een toost instellen, maar schenk de glazen tot den rand vol, want ik ben van plan om op de bekoorlijkste van hare sexe te drinken.”

Haar vader had het ledige glas in de hand; ik zag hoe hij het neerzette, een blik op het portret wierp, dat zoo sprekend op Agnes leek, de hand naar het voorhoofd bracht en toen met een zucht achterover in zijn leunstoel zonk.

„Ik ben eigenlijk een veel te nederig persoon om op hare gezondheid te drinken,” ging Uriah onverbiddelijk voort, „maar ik bewonder.... ik aanbid haar.”

Geen lichamelijke smart had het grijze hoofd van haar vader dieper kunnen buigen en zou mij vreeselijker hebben toegeschenen dan het zielelijden, dat hij op dit oogenblik achter zijne beide handen verborg.

„Agnes,” vervolgde Uriah, die zich òf niet aan hem stoorde òf het gebaar, dat hij maakte, niet begreep, „Agnes Wickfield—dat durf ik zeggen—is de bekoorlijkste van haar geslacht. Mag ik spreken als onder vrienden? Haar vader te zijn is eene weelde, maar haar echtgenoot.....”

O, mocht ik nimmer meer zulk een angstkreet hooren als die, waarmede haar vader op dit oogenblik opsprong!

„Wat scheelt u?” vroeg Uriah doodsbleek. „Gij zijt toch niet krankzinnig geworden, mijnheer Wickfield? Als ik zeg dat het eene eer voor mij zijn zou van uwe Agnes mijne Agnes te maken, bedoel ik dat ik daartoe even goed het recht heb als elke andere man. Ik heb er zelfs meer recht op dan eenig ander man!”

Ik had mijn arm om mijnheer Wickfield geslagen en smeekte hem in naam van alles, wat mij maar voor den geest kwam, in naam vooral van zijn liefde voor Agnes, kalm te blijven. Hij was werkelijk voor een oogenblik krankzinnig, trok zich de haren uit het hoofd, sloeg zich tegen het voorhoofd, poogde mij weg te duwen en zich uit mijn arm los te maken, sprak geen woord, zag niets, noch iemand; worstelde blindelings, met starende oogen en verwrongen gelaatstrekken, zonder te weten met wat of met wien—het was een vreeselijk schouwspel.

In onsamenhangende woorden, maar op hartstochtelijke wijze bezwoer ik hem zich niet zoo te laten meeslepen en naar mij te luisteren; ik smeekte hem aan Agnes te denken, aan Agnes in verband met mij; zich te herinneren hoe Agnes en ik te zamen waren opgegroeid, hoe ik haar vereerde en liefhad, hoe zij altijd zijn trots en zijne vreugde geweest was. Ik trachtte hem haar beeld voor den geest te brengen en verweet hem zelfs zijne zwakheid, dat hij haar een tooneel als dit niet kon besparen. Het is mogelijk dat ik met dit alles iets heb uitgewerkt of dat zijne onstuimigheid van zelf bedaarde, hoe 't zij, zijn verzet werd zwakker; hij begon mij aan te kijken—eerst met eene vreemde uitdrukking in zijne oogen, maar toen meende ik dat hij mij begon te herkennen. Eindelijk zei hij: „Ik weet het, Trotwood! Mijn lief kind en gij—ik weet het! Maar kijk eens naar dien man daar!”

Hij wees op Uriah, die bleek en vol strijdlust in een hoek van de kamer stond, blijkbaar verrast door de uitwerking van zijne woorden, maar toch met eene dreigende uitdrukking in zijne leelijke oogen.

„Daar staat mijn kwelgeest,” hervatte mijnheer Wickfield, „door hem heb ik stap voor stap mijn goeden naam, mijn vrede en rust, mijn huis en erf verloren.”

„Ik heb uw goeden naam voor u behouden, en uw vrede en rust en uw huis en erf op den koop toe,” riep Uriah op den gejaagden toon van iemand, die gaarne vrede wil sluiten. „Wees toch niet dwaas, mijnheer Wickfield. Mocht ik verder gegaan zijn dan gij gedacht hadt, dan kan ik immers nog teruggaan. Er is nog niets mede verbeurd.”

„Ik zocht altijd bij iedereen naar beweegredenen,” zei mijnheer Wickfield, „en was blijde dat ik hem in zijn eigen belang aan mij verbinden kon. Maar zie hem nu eens aan.... zie hem nu eens aan!”

„Breng hem toch tot zwijgen, als gij kunt, Copperfield,” riep Uriah, terwijl hij met zijn langen voorsten vinger naar mijnheer Wickfield wees. „Pas toch op! Hij zal nog dingen zeggen, die hem later zullen berouwen en u ook, dat gij ze hebt aangehoord!”

„Ik zal alles zeggen wat ik wil!” riep mijnheer Wickfield met de wanhoop op het gelaat. „Ik ben immers toch in uwe macht; waarom dan ook niet in die van anderen?”

„Pas op, zeg ik u!” riep Uriah mij waarschuwend toe. „Als gij zijn mond niet stopt, zijt gij zijn vriend niet! Waarom gij niet in ieders macht moogt zijn, mijnheer Wickfield? Omdat gij eene dochter hebt. Gij en ik weten wat wij weten, nietwaar? Maakt geen slapende honden wakker! Ik zal ze laten liggen. Ziet gij dan niet dat ik zoo nederig ben als ik maar zijn kan? Ik zeg u immers dat ik te ver ben gegaan, dat het mij spijt. Wat verlangt gij dan nog meer, mijnheer?”

„O, Trotwood, Trotwood!” riep mijnheer Wickfield handenwringend uit. „Wat is er van mij geworden sinds ik u voor het eerst dit huis zag binnenkomen? Toen reeds was ik op een hellend vlak, maar welk een treurigen weg heb ik sedert dat oogenblik afgelegd! Mijne zwakheid heeft mij in het verderf gestort! Mijne zwakheid om steeds aan het verleden te willen denken en het tegelijkertijd te willen vergeten. Ik ben te toegevend geweest voor mij zelven. Het verdriet over den dood van Agnes' moeder werd ziekelijk; de liefde voor mijn kind evenzoo. Iedereen, die met mij in aanraking kwam, werd besmet. Ik heb ellende gebracht over degene, die mij het liefste was, dat weet ik.... en gij weet het ook! Ik achtte het mogelijk al mijne liefde te geven aan één menschelijk wezen en de overigen niet lief te hebben; ik achtte het mogelijk rouw te dragen over ééne, die is heengegaan, en geen deel te nemen in het leed van anderen. Zoo misbruikte ik de lessen, die het leven mij gegeven had! Ik heb mij door mijne flauwhartigheid laten beheerschen, zoowel in mijn verdriet, als in mijne liefde en in de pogingen om wat daar duister was in mijn leven te vergeten! Zie wat er van mij geworden is! Een ruïne!.... En haat en veracht mij dan!”........

Hij liet zich in zijn stoel neervallen en snikte als een kind. De opgewondenheid, waaraan hij ten prooi was geweest, was nu geheel voorbij. Uriah kwam ook uit zijn hoekje te voorschijn.

„Ik weet niet wat ik in mijne dwaasheid gedaan heb,” zei mijnheer Wickfield, terwijl hij de handen naar mij uitstak, als smeekte hij hem niet te veroordeelen.

„Hij weet het 't best,” voegde hij er, op Uriah wijzend bij, „want hij heeft altijd achter mij gestaan en mij alles ingefluisterd. Gij begrijpt dus dat hij mij als een molensteen op mijne borst ligt. Gij vindt hem in mijn huis en op mijn kantoor. Gij hebt zoo even gehoord wat hij zeide. Behoef ik er nog wel iets bij te voegen?”

„Gij had niet eens zoo veel, zelfs niet half zoo veel, gij hadt niets behoeven te zeggen,” gaf Uriah half uitdagend, half vleiend ten antwoord. „Gij zoudt mijne woorden ook niet zoo hebben opgenomen als de wijn niet medegeholpen had. Morgen zult gij er wel anders over denken, mijnheer. Mocht ik te veel, of meer dan mijn voornemen was gezegd hebben, wat beteekent dat dan nog? Ik heb er immers verder over gezwegen.”

Daar werd de deur geopend en kwam Agnes de kamer in, zoo bleek als een doode; zij sloeg den arm om haars vaders hals en vroeg op kalmen toon: „Papa, zijt gij niet wel? Kom, ga met mij mee!”

Met het hoofd op haar schouder, als schaamde hij zich, ging hij met haar naar het salon. Haar blik ontmoette den mijne slechts één oogenblik; toch begreep ik dat zij het voorgevallene raadde.

„Ik had niet gedacht dat hij zoo barsch zou uitvallen, jongeheer Copperfield,” zei Uriah. „Maar het is niets. Morgen zijn wij weer goede vrienden. Het is tot zijn bestwil. Ik verlang niets dan in al mijne nederigheid zijne belangen te bevorderen.”

Ik gaf hem geen antwoord en ging naar boven, naar het kleine kamertje waar Agnes zoo dikwijls bij mij gezeten had, terwijl ik mijn schoolwerk maakte. Niemand kwam daar bij mij voor zeer laat in den avond. Ik had een boek genomen en trachtte te lezen, maar mijne gedachten waren te zeer met andere dingen vervuld. Eindelijk hoorde ik de klok twaalf uur slaan en een oogenblik later kwam Agnes bij mij.

„Gij gaat morgen ochtend al vroeg heen, nietwaar, Trotwood? Laat ons daarom nu afscheid nemen!”

Zij had geschreid, maar haar gezichtje was nu zoo kalm en zoo bekoorlijk.

„God zegene u!” sprak zij en gaf mij eene hand.

„Liefste Agnes!” antwoordde ik, „ik zie wel, dat gij van avond liever niet meer met mij wilt spreken, maar.... kan er niets gedaan worden?”

„Op God vertrouwen,” antwoordde zij.

„Kan _ik_ niets doen, _ik_, die met al _mijn_ verdriet bij u kom?”

„En het mijne zoo verlicht,” sprak zij. „Neen, beste Trotwood.”

„Lieve Agnes,” hernam ik, „het is wellicht verwaand van mij, die zoo arm is in al hetgeen waaraan gij zoo rijk zijt.... in goedheid, besluitvaardigheid en allerlei andere deugden, maar gij weet hoeveel ik van u houd en hoeveel ik u verschuldigd ben. Gij zult u immers niet opofferen uit een verkeerd begrepen gevoel van plicht, Agnes?”

Zenuwachtiger dan ik haar ooit gezien had,—hoewel slechts een oogenblik—liet zij mijne hand los en deed eene schrede achteruit.

„Zeg mij, Agnes, dat gij er niet over denkt; zeg mij dat, liefste Agnes, die mij meer zijt dan eene zuster! Denk aan den schat, dien een hart als het uwe herbergt, aan het groote geluk dat iemand te beurt valt, dien gij uwe liefde schenkt.”

Langen, langen tijd daarna zag ik nog telkens de uitdrukking, die op dit oogenblik op haar lief gezichtje lag—niet verbaasd, niet verwijtend, niet beschuldigend.—Langen, langen tijd daarna zag ik, evenals nu, op dat gezichtje een glimlach verschijnen, een liefelijken glimlach, waarmede zij mij zeide dat zij voor zich zelve niet vreesde, dat ook ik niet voor haar behoefde te vreezen—en toen ging zij heen met het woord „Broeder” op de lippen!

Toen ik den volgenden morgen de diligence besteeg, was het nog donker. De dag brak juist aan, toen wij zouden afrijden, en terwijl ik aan Agnes zat te denken, doemde plotseling Uriah's hoofd op aan het portierraam.

„Copperfield!” zei hij op het wiel staande op fluisterenden toon, „ik vermeen dat het u, eer gij heengaat, aangenaam zal zijn te hooren dat alles in orde is. Ik ben reeds bij hem geweest en alles is bijgelegd. Ziet gij, al ben ik maar nederig, ik kan hem toch veel diensten bewijzen; en als hij niet onder den invloed van den wijn is, begrijpt hij zijn eigen belang. Wat is hij toch een beste man, jongeheer Copperfield!”

Ik dwong mij zelven om mijne blijdschap te betuigen, dat hij zijne verontschuldigingen had aangeboden.

„O, zeker!” zei Uriah. „Wat beteekent het verontschuldigingen aan te bieden, als men nederig is! Het is zoo gemakkelijk! Zeg eens!” vervolgde hij plotseling op een ander onderwerp overgaande, „ik onderstel dat gij ook wel eens een peer geplukt zult hebben eer ze rijp was, jongeheer Copperfield?”

„Dat zal ik wel,” antwoordde ik.

„Dat heb _ik_ gisteren avond gedaan,” zei Uriah; „maar ze zal toch wel rijp worden. Ik heb alleen maar wat geduld noodig. Welnu, ik kan wachten!”

Toen de koetsier den bok beklom, sprong hij van het rad en nam wel twintig maal afscheid. Ik weet niet of hij misschien iets in den mond had tegen den invloed van de gure ochtendlucht, hoe 't zij, hij maakte bewegingen met zijn vale kaken alsof de peer al rijp was en likte zich de lippen al af.

XL.

De zwerver.

Wij hadden dien avond in Buckingham-street een ernstig gesprek over al hetgeen ik in het laatste hoofdstuk heb meegedeeld. Tante was er zeer door getroffen en wandelde langer dan twee uren achtereen, met de armen over elkander, de kamer op en neer. Wanneer zij iets had, dat haar bijzonder aandeed, maakte zij altijd zulke voetreizen en uit den duur van zulk eene reis kon men met bijna wiskunstige zekerheid de mate van hare ontstemming opmaken. Ditmaal was zij zoo ontroerd, dat zij het noodig vond de deur van de slaapkamer open te zetten, zoodat zij hare wandeling van den eenen muur tot den anderen kon uitstrekken en, terwijl mijnheer Dick en ik zwijgend bij het vuur zaten, bleef zij in en uitgaan, met afgemeten stap, zoo regelmatig als de slinger van een uurwerk.

Toen mijnheer Dick naar bed was, bleven tante en ik nog bij elkaar zitten en schreef ik mijn brief aan de twee oude dames. Zij was moe van het wandelen en zat nu bij het vuur met de japon opgeslagen, als van ouds, over de beenen. Maar in plaats van, zooals zij gewoon was, het glas op de knieën te houden, stond het vergeten op den schoorsteenmantel en terwijl haar linker elleboog op haar rechter arm rustte en hare kin op hare linkerhand, staarde zij peinzend naar mij. Zoo dikwijls ik de oogen van mijn papier opsloeg, ontmoette ik de hare. „Ik ben in het beste humeur, lieve jongen,” verzekerde zij mij dan telkens, „maar ik ben gejaagd en verdrietig.”

Ik had te hard zitten schrijven om, eer zij naar bed was gegaan, op te merken dat zij haar slaapdrank, zooals zij het noemde, onaangeroerd op den schoorsteenmantel had laten staan. Toen ik aanklopte om haar mijne ontdekking mede te deelen, kwam zij even aan de deur van hare slaapkamer en zei met hare vriendelijkste stem: „ik heb van avond geen moed om te drinken, Trot,” waarna zij hoofdschuddend hare kamerdeur sloot.

Den volgenden morgen las zij mijn brief aan de oude dames en keurde dien goed. Ik bracht hem op de post en had nu niets anders te doen, dan het antwoord af te wachten. Reeds langer dan een week was ik in afwachting, toen ik op een avond door een felle sneeuwjacht van de woning van doctor Strong naar huis wandelde. Het was bitter koud geweest dien dag en er blies een scherpe noordoosten wind. Tegen den avond was de wind gaan liggen en begon het te sneeuwen met groote, dikke vlokken, zoodat er spoedig een flinke laag op den grond lag. Elk geluid van rijtuigen en voetgangers was gesmoord; het scheen wel dat de straten met vederen bestrooid waren. Mijn kortste weg naar huis—en ik nam op dien avond den kortsten weg—was door St. Martin's Lane. De kerk, waaraan deze straat haar naam ontleent, stond in die dagen minder ruim dan thans; er was geen pleintje voor en de straat liep in allerlei kronkelingen door tot aan het Strand. Bij den hoek van de kerktrap ontmoette ik eene vrouw, die mij aankeek en verdween. Ik kende dat gezicht, ik had het vroeger gezien; dat wist ik zeker, maar ik kon mij niet herinneren waar dat geweest was. Er moest eene droevige herinnering aan verbonden zijn, want gedurende een oogenblik stokte mij de adem in de keel en hoorde ik mijn hart bonzen; maar ik had aan geheel andere dingen loopen denken, toen ik die vrouw voorbijging, en was dientengevolge een oogenblik van streek.

Bij de trappen van de kerk stond een man in gebukte houding, hij had een pakje in de sneeuw neergelegd om het vast te binden en op hetzelfde oogenblik keken wij elkander in het gelaat. Ik geloof niet dat ik in de verrassing van het oogenblik bleef staan; hoe het zij, hij richtte zich op en kwam naar mij toe en daar stond ik tegenover baas Peggotty! Nu wist ik ook, wie die vrouw was. Het was Martha, die in Peggotty's keuken geld had gekregen van Emily. Martha Endell.... in gezelschap van den man, die haar, volgens Ham, voor al de schatten der wereld niet met Emily zou hebben willen zien.

Wij schudden elkander hartelijk de hand en konden in het eerste oogenblik geen van beiden een woord uitbrengen.

„Jongeheer Davy!” zei hij, mijne hand vast in de zijne klemmende, „hoe blijde ben ik u te zien, mijnheer!”

„Welkom, mijn beste oude vriend!” zei ik.

„Ik had van avond bij u willen komen, mijnheer,” hernam hij, „maar omdat ik wist dat uwe tante bij u woont—ik ben daar ginds geweest, op weg naar Yarmouth—vreesde ik dat het te laat geworden was. Het was nu mijn voornemen morgen vroeg eens te komen kijken, mijnheer, voor ik verder ga.”

„Gaat gij weer heen?” vroeg ik.

„Ja, mijnheer,” antwoordde hij, treurig het hoofd schuddende, „morgen ga ik weer verder.”

„En waarheen?” vroeg ik.

„Wel,” antwoordde hij, de sneeuw uit zijn lange haren schuddende, „ik zal nu eerst eene poging doen om ergens onder dak te komen.”

In die dagen was er dicht bij de plek, waar wij stonden, een zij-ingang naar het stalplein van het Gouden Kruis, het logement, dat juist met betrekking tot zijn ongeluk zoo gedenkwaardig voor mij was geworden. Ik wees hem het poortje, stak mijn arm door den zijnen en wij gingen naar binnen. Er kwamen twee of drie gelagkamers op het stalplein uit; een er van was ledig en er brandde een helder vuur—daar stapten wij binnen.

Toen ik baas Peggotty bij het licht zag, merkte ik op dat zijne haren lang en verwilderd waren en dat zijn aangezicht door de zon was verbrand. Hij was grijzer geworden, de lijnen in gelaat en voorhoofd waren dieper; hij maakte in alles den indruk alsof hij in allerlei weer en wind had rondgezworven, maar hij was toch forsch en sterk, en zag er uit als een man, die weet wat hij wil en door niets ter wereld van een eenmaal opgevat voornemen is af te brengen. Terwijl ik deze opmerkingen in mij zelven maakte, schudde hij de sneeuw van zijn kleederen en van zijn hoed en droogde zijn gezicht af, waarna hij tegenover mij aan eene tafel plaats nam, met den rug naar de deur, waardoor wij waren binnengekomen, en nogmaals mijne hand in de zijne nam en hartelijk schudde.

„Laat mij u nu eens vertellen, mijnheer Davy,” zei hij, „waar ik geweest ben en wat ik gehoord heb. Ik ben ver weg geweest en heb weinig gehoord; laat ik u echter alles vertellen.”

Ik schelde, ten einde iets warms te bestellen; hij wilde echter niets dan bier hebben en terwijl het gebracht en bij de kachel warm gemaakt werd, zat hij, in gepeins verzonken, voor zich uit te kijken. Er lag zulk eene plechtige, ernstige uitdrukking op zijn gelaat, dat ik hem niet durfde storen.

„Toen zij nog een kind was,” begon hij, zoodra wij weder met ons beiden waren, „sprak zij veel met mij over de zee en over de kusten, waar de zee donkerblauw en de hemel altijd helder was. Ik verkeerde in den waan, dat zij zooveel daaraan dacht, omdat haar vader daar verdronken is. Ik weet het niet, maar wellicht geloofde of hoopte zij, dat hij daar zou zijn aangespoeld, waar altijd de zon schijnt en de bloemen eeuwig bloeien.”

„Het is waarschijnlijk slechts kinderlijke verbeelding geweest,” zei ik.