Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 60

Chapter 604,040 wordsPublic domain

„Beste Copperfield, iemand, die gebukt gaat onder finantiëele ongelegenheden, is tegenover het gros van de menschen in het nadeel. En deze verhouding wordt niet beter, wanneer die ongelegenheden zulk eene uitbreiding verkrijgen, dat men genoodzaakt is het vastgesteld salaris op te vragen, alvorens de termijn vervallen en het salaris verschuldigd is. Al wat ik van mijn vriend Heep kan zeggen, is dat hij dergelijke aanvragen steeds beantwoord heeft op eene wijze, die zijn hoofd en hart eer aandoet.”

„Ik heb nooit gedacht, dat hij zoo gemakkelijk van zijn geld afstand zou doen,” meende ik.

„Neem mij niet kwalijk,” antwoordde mijnheer Micawber, „maar ik kan alleen spreken van mijn vriend Heep, voor zoo ver mijne ervaringen zich uitstrekken.”

„Het doet mij genoegen, dat gij te dien opzichte zulke aangename ervaringen hebt opgedaan,” antwoordde ik.

„Wel verplicht, beste Copperfield,” zei mijnheer Micawber en begon een deuntje te fluiten.

„Ziet gij mijnheer Wickfield dikwijls?” vroeg ik om een ander onderwerp ter sprake te brengen.

„Niet dikwijls,” antwoordde mijnheer Micawber op minachtenden toon. „Mijnheer Wickfield is iemand, die .... dat durf ik zeggen .... uitmuntende bedoelingen heeft, maar .... kortom .... ze niet meer kan toepassen.”

„Ik heb wel eens gevreesd dat zijn compagnon hem zoo maakt,” hernam ik.

„Beste Copperfield, vergun mij eene opmerking te mogen maken,” zei mijnheer Micawber, onrustig op zijn stoel heen- en weer schuivende. „Ik heb hier een post van vertrouwen; kortom .... men stelt vertrouwen in mij. Ik acht het daarom onvereenigbaar met mijne betrekking, over sommige zaken te spreken, zelfs met mevrouw Micawber, die al de wisselingen in mijn levenslot met mij heeft gedeeld en op een buitengewoon helder verstand kan bogen. Ik neem dus de vrijheid om u in overweging te geven, in onzen vriendschappelijken omgang—die, naar ik vertrouw, nimmer zal worden afgebroken—eene lijn te trekken. Aan de eene zijde van deze lijn”—hij stelde de lijn aanschouwelijk voor met de liniaal—„ligt alles waarmede de menschelijke geest zich kan bezighouden, op één uitzondering na; aan de andere zijde ligt die uitzondering zelve; d. w. z.; daar liggen de zaken van de firma Wickfield en Heep met alles wat daartoe behoort. Ik vertrouw dat mijn vriend uit vroeger dagen het mij niet ten kwade zal duiden, indien ik dit voorstel aan zijn rechtvaardig oordeel onderwerp?”

Hoewel ik een zekere gedwongenheid bij mijnheer Micawber opmerkte, alsof hij onder zijne betrekking gebukt ging, had ik toch niet het recht hem deze beschouwing kwalijk te nemen. Het scheen eene verademing voor hem te zijn, toen ik hem dit zeide, en hij schudde mij hartelijk de hand.

„Ik ben verrukt van mejuffrouw Wickfield, Copperfield; daarvan kan ik u de verzekering geven. Zij munt in bevalligheid, talenten, kortom, in alle deugden boven de meeste jonge dames van haar leeftijd uit. Waarlijk,” vervolgde hij met een kushand in de richting van de deur, „mijn nederigste hulde aan mejuffrouw Wickfield! Hm!”

„Dat verheugt mij ten minste,” zei ik.

„Indien gij ons den avond, dien wij het genoegen hadden samen door te brengen, niet verteld hadt, Copperfield, dat uw meest geliefde letter een D is,” hernam hij, „zou ik ongetwijfeld in de meening verkeerd hebben dat het een A moest zijn.”

Wie kent het gevoel niet, dat ons somtijds bekruipt, alsof hetgeen wij zeggen of doen, reeds vroeger eens gezegd of gedaan is, alsof wij jaren en jaren geleden ook omringd zijn geweest door dezelfde gezichten, dingen en omstandigheden; alsof wij nauwkeurig weten wat in het volgend oogenblik gezegd zal worden omdat wij het ons van eene vroegere gelegenheid meenen te herinneren. Zulk een geheimzinnig gevoel had ik nooit sterker dan een oogenblik voor mijnheer Micawber de laatste woorden sprak.

Ik nam nu voorloopig afscheid van hem met het verzoek mijne groeten aan alle huisgenooten over te brengen. Toen ik hem verliet en ik hem daar zag zitten, met de pen in de hand, op den hoogen kantoorstoel, terwijl hij zijn dikke onderkin in de stijve boorden heen en weer schoof om het hoofd eene houding te geven, waarin hij gemakkelijk kon schrijven, voelde ik dat er, sinds hij deze betrekking had aanvaard, iets tusschen ons gekomen was, dat ons belette met elkander om te gaan, zooals wij vroeger plachten te doen, iets dat eene geheel andere wending gaf aan onze gesprekken.

Ik vond niemand in het ouderwetsche salon, hoewel de sporen van juffrouw Heep's verblijf er zichtbaar waren; toen ik echter een blik wierp in Agnes' kamertje, zag ik haar aan haar schrijftafeltje zitten. Aangezien ik het licht onderschepte, keek zij op. Welk een heerlijke gewaarwording de oorzaak te zijn van zulk eene verheldering van dat peinzend gezichtje, en op zulk eene lieftallige hartelijke wijze welkom geheeten te worden!

„O, Agnes,” zei ik, toen wij naast elkander hadden plaats genomen, „ik heb u in den laatsten tijd zoo gemist!”

„Waarlijk?” antwoordde zij. „Al weer? En zoo spoedig?”

Ik schudde het hoofd.

„Ik weet niet hoe 't met mij staat, Agnes, maar er schijnt iets in mijne geestvermogens niet ontwikkeld te zijn, iets, dat ik telkens mis. Gij waart zoo gewoon voor mij te denken in den goeden, ouden tijd en het kwam mij zoo natuurlijk voor altijd uw raad en uwe hulp in te roepen, dat ik somtijds denk of ik het ontbrekende daarom wellicht niet gekregen heb.”

„En wat is het dan?” vroeg Agnes opgeruimd.

„Ik weet niet hoe ik het noemen moet,” antwoordde ik. „Ernst en volharding heb ik genoeg, onderstel ik.”

„Daarvan ben ik overtuigd,” zei Agnes.

„En geduld, Agnes?” vroeg ik een weinig aarzelend.

„Ja,” antwoordde zij lachend. „'t Gaat nog al.”

„En toch,” hernam ik, „ben ik dikwijls zoo verdrietig en moedeloos, zoo besluiteloos en onstandvastig, zoo weinig zeker van mij zelven, dat ik hetgeen mij ontbreekt maar zelfvertrouwen zal noemen, vindt gij ook niet?”

„Noem het zooals gij wilt,” zei Agnes.

„Welnu,” antwoordde ik, „luister dan. Gij komt in Londen, ik vertrouw u alles toe, en gij hebt terstond een plan gevormd. Ik kom hier, omdat ik het in Londen niet meer kan uithouden, en nauwelijks ben ik hier of ik voel mij een ander wezen. De omstandigheden, die mij wanhopig maakten, zijn niet veranderd, sinds ik deze kamer binnentrad; maar in dat korte tijdsbestek ben ik onder een invloed gekomen, die mij veranderd en.... o, zooveel beter gemaakt heeft. Wat is dat nu? Wat is uw geheim, Agnes?”

Zij keek met voorovergebogen hoofd in het vuur.

„Het is de oude geschiedenis,” hernam ik. „Lach niet als ik zeg dat het zoowel in kleine als in groote zaken altijd zoo geweest is. In vroeger dagen was mijn verdriet eenvoudig eene dwaasheid, thans is het ernstig; nu ik echter weder bij mijn zusje ben....”

Agnes keek op—met zulk eene bekoorlijke uitdrukking op haar lief gezichtje—en bood mij de hand, waarop ik een kus drukte.

„Als ik u in den beginne niet gehad had om mij raad te geven en mij nu en dan eens te prijzen, zou ik zonder twijfel uit den band gesprongen en in allerlei moeilijkheden geraakt zijn. Wanneer ik maar bij u kwam, zooals ik altijd gedaan heb, keerden rust en vrede in mijne ziel terug. En ook thans kom ik bij u, als een vermoeid reiziger, en vind datzelfde vreedzame gevoel terug.”

Ik gevoelde zoo diep wat ik zeide, het ontroerde mij zoo, dat mijne stem mij bijna begaf en terwijl ik mijn gelaat met de handen bedekte, barstte ik in tranen uit. Ik schrijf de waarheid, er moge tegenstrijdigheid en beginselloosheid in mijn karakter geweest zijn; veel had anders en beter kunnen zijn in mij; hoe ik wellicht tegen de inspraak van mijn eigen hart mag gehandeld hebben, dat weet ik niet. Ik weet alleen welk een rust en vrede het mij gaf, toen ik Agnes naast mij had.

Hare kalme, zusterlijke manieren, hare stralende, lieve oogen, hare welluidende stem, de zachtheid, waarmede zij optrad en waardoor lang geleden deze woning bijna eene heilige plaats voor mij geworden was, alles tezamen deed mij mijne zwakheid spoedig te boven komen en bracht er mij toe al hetgeen, sinds onze laatste ontmoeting was voorgevallen, aan haar te vertellen.

„En nu heb ik geen woord meer te vertellen, Agnes,” zei ik, toen ik aan het einde van mijne vertrouwelijke mededeelingen gekomen was. „Nu is al mijn hoop en mijn vertrouwen op u gevestigd.”

„Maar dat moest niet zoo zijn, Trotwood,” antwoordde zij met een vriendelijken glimlach. „Gij moest op iemand anders hoopen en vertrouwen.”

„Op Dora?” vroeg ik.

„Ja, zeker.”

„Ik heb u nog niet medegedeeld, Agnes,” zei ik een weinig verlegen, „dat men moeielijk op Dora.... ik zou voor geen geld van de wereld zeggen, „vertrouwen,” want zij is de oprechtheid en onschuld zelve.... maar moeilijk.... ja, ik weet niet hoe ik het noemen zal, Agnes. Zij is een klein, teerhartig schepseltje, dat zich spoedig laat bang maken. Eenigen tijd geleden, nog voor den dood van haar vader, toen ik meende haar eerlijk alles te moeten vertellen omtrent.... hebt gij nog zooveel geduld om alles aan te hooren?”

Op haar bevestigend antwoord vertelde ik Agnes alles van mijne bekentenis aangaande mijne armoede, van het kookboek, van de huishoudelijke rekeningen, alles wat op dien avond bij juffrouw Mills was voorgevallen.

„Maar, Trotwood,” sprak zij op afkeurenden toon, maar toch met een glimlach om de lippen. „Daar heeft uwe oude onstuimigheid u weder parten gespeeld! Gij had toch uwe pogingen om vooruit te komen in de wereld wel met ernst kunnen voortzetten, zonder zulk een lief, teerhartig schepseltje zoo'n schrik aan te jagen. Arme Dora!”

Nooit hoorde ik zooveel zachtheid en vriendelijkheid in eene stem als bij dit antwoord in de hare. Ik zag in mijn verbeelding hoe zij Dora vol bewondering teeder omhelsde, met een verwijtenden blik op mij om mij te bestraffen voor de onbesuisdheid, waarmede ik dat onschuldig hartje had doen ontstellen. Ik zag Dora in hare verrukkelijke natuurlijkheid Agnes liefkoozen en bedanken en hoorde haar met haar vleiend stemmetje mij in staat van beschuldiging stellen, terwijl zij mij toch met haar gansche kinderlijke hartje bleef liefhebben.

O, hoe dankbaar was ik Agnes, hoe bewonderde ik haar! Ik zag die beiden in een ver.... ver verschiet als liefhebbende vriendinnen en vroeg, na eenige oogenblikken in het vuur gekeken te hebben: „Wat moet ik dan doen, Agnes? Wat zou het beste zijn?”

„Naar mijn oordeel moet gij den koninklijken weg bewandelen en aan die twee oude dames schrijven,” antwoordde Agnes. „Vindt gij niet dat het gaan langs sluippaden beneden uwe waardigheid is?”

„Ja, als gij het zoo beoordeelt....”

„Ik ben eigenlijk geen bevoegde rechter in zulke dingen,” antwoordde zij, „maar ik voel dat als gij zoo in het geheim en achterbaks handelt, gij in tweestrijd moet komen met u zelven.”

„In uw oog, misschien, Agnes, omdat gij zulk een hoog denkbeeld van mij hebt,” antwoordde ik.

„Gij zoudt met uw eigen geweten in strijd komen, daarvan ben ik overtuigd”, hernam Agnes; „het is daarom veel beter dat gij een brief schrijft aan die dames. Ik zou uitgebreid en openhartig alles schrijven wat is voorgevallen en hare toestemming vragen om Dora nu en dan te bezoeken. In aanmerking nemende dat gij nog jong zijt en uw weg door het leven nog moet banen, zoudt gij naar mijne meening goed doen er bij te voegen, dat gij u onderwerpt aan alle voorwaarden, welke zij meenen zullen te moeten stellen. Ik zou beleefd vragen uw verzoek niet af te slaan zonder Dora geraadpleegd te hebben en het met haar te bespreken, wanneer zij den tijd daartoe gekomen achten. Gij moet niet onstuimig zijn,” voegde zij er vriendelijk bij, „of te veel vragen. Ik zou maar vertrouwen stellen in mijn eigen trouw en standvastigheid en—in Dora.”

„Maar als zij nu Dora weder doen schrikken, Agnes, door er met haar over te spreken,” zei ik. „En als Dora dan weder begint te schreien en niets van mij vertelt!”

„Is dat waarschijnlijk?” vroeg Agnes met dezelfde lieve, peinzende uitdrukking op haar gelaat.

„Goede Hemel, zij is zoo schrikachtig als een vogeltje,” zei ik. „Het is dus mogelijk! Ook zijn de dames Spenlow—oudere dames zijn somtijds zoo vreemd op zulke punten—misschien geen menschen, van wie men zoo iets gedaan krijgt!”

„Ik geloof niet, Trotwood,” sprak zij, hare lieve oogen tot mij opslaande, „dat ik mij door deze onderstelling zou laten weerhouden. Het is wellicht veel beter alleen te zeggen, ‚dat is de beste weg’ en dien weg in te slaan.”

Ik wist nu wat ik doen moest en aarzelde geen oogenblik meer. Met een verlicht hart, doch in het volle besef van de gewichtige taak, die ik op mij nam, besteedde ik den geheelen namiddag aan het opstellen van den brief, waartoe Agnes mij haar schrijftafeltje had afgestaan. Eerst ging ik echter naar beneden om mijnheer Wickfield en Uriah Heep welkom te heeten.

Ik vond Uriah op een nieuw naar kalk riekend kantoor, dat in den tuin was uitgebouwd; hij zat tusschen bergen boeken en papieren in en mijn eerste gedachte was: „Wat heeft hij toch een valsch uiterlijk!” Hij ontving mij op zijne gewone, kruipende manier en beweerde niets van mijne aankomst vernomen te hebben; eene bewering, waaraan ik niet beliefde te gelooven. Hij vergezelde mij naar de kamer van mijnheer Wickfield, die eene schaduw leek van hetgeen hij geweest was; terwijl de kamer ten gerieve van den compagnon van een aantal gemakken was ontbloot. Terwijl ik mijnheer Wickfield de hand drukte en hij mij welkom heette, bleef Uriah met den rug naar den haard staan en wreef met zijne beenige hand langs zijn kin.

„Gij logeert bij ons, Trotwood, zoolang gij in Canterbury blijft, nietwaar?” vroeg mijnheer Wickfield,—de blik, waarmede hij Uriah's goedkeuring vroeg, ontging mij niet.

„Is er een kamer voor mij?” vroeg ik.

„Wel zeker, jongeheer Copperfield—ik moet mijnheer Copperfield zeggen, maar ik ben dat nog niet gewoon—wel zeker, ik sta u uw oude kamertje gaarne af, indien u dat aangenaam zijn kan,” zei Uriah.

„Neen, neen,” hernam mijnheer Wickfield. „Waartoe zou men u lastig vallen? Er is wel eene andere kamer, er is wel eene andere kamer.”

„O, maar gij weet wel,” zei Uriah met een grijns, „dat het een groot genoegen voor mij zou zijn.”

Ten einde den knoop door te hakken, verklaarde ik die andere kamer of in het geheel geen te willen hebben, zoodat bepaald werd dat ik de andere krijgen zou, waarna ik afscheid nam van de firmanten tot het middagmaal en naar boven ging.

Ik had gehoopt geen ander gezelschap te hebben dan Agnes; maar juffrouw Heep had verzocht met haar breikous in Agnes' kamer bij de kachel te mogen zitten, onder voorwendsel dat er met het oog op haar rheumatiek geen beter plekje was in huis, wanneer de wind zoo en zoo was. Hoewel ik haar wel naar het bovenste topje van de kathedraal had willen verbannen, prijs gegeven aan alle winden, en ik dat vonnis zonder eenige aarzeling zou hebben uitgesproken, indien ik daartoe de macht had gehad, maakte ik van den nood eene deugd en ontving haar met een vriendelijken groet.

„Ik ben u nederig dankbaar, mijnheer,” sprak zij toen ik naar hare gezondheid informeerde, „mijne gezondheid is maar zoo zoo. Ik kan er niet op roemen. Als ik mijn Uriah nog maar eens gevestigd zie, kan ik niet meer van het leven verwachten. Hoe vindt gij dat mijn Uriah er uitziet, mijnheer?”

Ik vond dat hij meer dan ooit op een grooten schurk geleek en zei dat ik geene verandering in hem bespeurd had.

„Zoo, meent gij dat hij niet veranderd is?” vroeg juffrouw Heep. „Dan verzoek ik u nederig de toestemming om met u van opinie te verschillen. Vindt gij niet dat hij magerder geworden is?”

„Neen, ik vind hem niet magerder dan vroeger,” antwoordde ik.

„Vindt gij werkelijk niet! Maar gij bekijkt hem ook niet met het oog van eene moeder.” Toen dat moederoog het mijne ontmoette, kon ik niet nalaten te denken dat het voor alles en allen in de wereld, behalve voor Uriah, een boos oog was; het gleed langs mij heen, waarop het zich tot Agnes wendde. Een ding was zeker; zij en haar zoon waren zeer aan elkander gehecht.

„Vreest gij ook niet, juffrouw Wickfield, dat hij langzaam uitteert?” vroeg juffrouw Heep.

„Neen,” zei Agnes, het werk voortzettende, waaraan zij bezig was, „gij maakt u veel te angstig voor hem. Hij is heel gezond.”

Juffrouw Heep haalde hard haar neus op en ging voort met breien. Zij liet ons geen oogenblik alleen, gedurende de drie of vier uren, die wij voor het middagmaal op Agnes' kamertje doorbrachten; zij zat daar bij het vuur en hare breipennen bewogen zich zoo eentoonig als de slinger van een uurwerk. Ik zat tegenover haar aan de schrijftafel en Agnes had aan den anderen kant van den haard plaats genomen. Wanneer ik, peinzend over mijn brief, de oogen opsloeg en de heldere kijkers van Agnes mij bemoedigend toeknikten, voelde ik dat het booze oog van juffrouw Heep langs mij heen gleed, op Agnes lief gezichtje gevestigd bleef en daarna weder mij opzocht, terwijl het schijnbaar op het breiwerk werd geslagen. Wat zij breide, weet ik niet—ik ben in deze kunst niet ervaren—maar het scheen mij toe een net te zijn en terwijl zij de breipennen, die op Chineesche vorken geleken, over elkander heen liet gaan, deed zij mij bij het licht der vlammen in den haard aan een afzichtelijke tooverheks denken, wier booze toeleg tot nu toe was afgestuit op de deugdzaamheid van haar slachtoffer tegenover haar, maar die toch elk oogenblik haar net zou kunnen uitwerpen.

Gedurende het middagmaal bleef zij de wacht houden over ons zonder dat hare oogen een enkele maal afdwaalden. Na afloop nam haar zoon deze taak over en toen mijnheer Wickfield en hij en ik alleen waren, zat hij zoo naar mij te gluren, terwijl hij zich in de afzichtelijkste bochten wrong, dat ik het bijna niet kon uitstaan. In het salon zat de moeder weder te breien en te spionneeren. Zoo lang Agnes speelde en zong bleef zij bij de piano zitten. Eens vroeg zij haar een zeker lied, waarvan haar Ury, die in een leunstoel zat te geeuwen, zooveel hield; bij tusschenpoozen keek zij naar haar zoon en vertelde dan aan Agnes, dat hij dweepte met muziek. Zij sprak bijna nooit—ik betwijfel of zij het wel ooit deed—zonder haar zoon er bij te halen en ik twijfelde geen oogenblik of dit was de haar opgedragen taak.

En dit duurde tot het tijd was om naar bed te gaan. Ik walgde letterlijk van moeder en zoon, die dit huis als twee poliepen omkneld hielden en wier afzichtelijke gestalten elken lichtstraal onderschepten, zoodat ik veel liever, met breiwerk en al, beneden was gebleven. Ik sliep dan ook zeer onrustig, eigenlijk in het geheel niet. En den volgenden dag, 's morgens, 's middags en 's avonds, hetzelfde liedje! Ik kon geen gelegenheid vinden om Agnes, ook maar tien minuten, alleen te spreken. Ik kon haar nauwelijks mijn brief laten lezen en stelde haar voor eene wandeling met mij te gaan doen, maar aangezien juffrouw Heep voortdurend klaagde dat hare rheumatiek veel erger werd, bleef zij uit medelijden thuis om haar gezelschap te houden. In het schemeruurtje ging ik alleen uit, peinzende over hetgeen ik doen moest. Stond het mij wel vrij Agnes langer onkundig te laten van hetgeen Uriah mij in Londen verteld had? Deze vraag hield mij den ganschen dag bezig en verontrustte mij onbeschrijfelijk.

Ik had de stad nog niet achter den rug—ik wilde den weg naar Ramsgate opwandelen, omdat die een goed voetpad had—toen ik iemand achter mij hoorde aankomen, die mijn naam riep. De slingerende gang en de nauwe overjas sloten elke vergissing uit. Ik bleef staan en Uriah Heep haalde mij in.

„Wat is er?” vroeg ik.

„Hé, wat loopt gij hard!” zei hij. „Mijne beenen zijn vrij lang, maar gij hebt heel wat van ze geëischt.”

„Waar gaat gij heen?” vroeg ik weder.

„Ik ben u achterna gegaan, jongeheer Copperfield; gij zult er zeker niet tegen hebben uwe wandeling voort te zetten met een ouden kennis.” Hij liet dit gezegde vergezeld gaan van eene stuiptrekking, die zoowel voor eene onderdanige buiging als voor spotternij kon gehouden worden, en stapte toen naast mij voort.

„Uriah,” begon ik na een oogenblik gezwegen te hebben, zoo beleefd mogelijk.

„Jongeheer Copperfield!”

„Om u de waarheid te zeggen—gij zult het mij wel niet euvel duiden—ben ik uitgegaan om eens alleen te zijn, want ik heb zooveel menschen om mij heen gehad, dat ik er moe van ben.”

Hij keek mij van ter zijde aan en zei met een leelijken grijns: „Gij bedoelt ‚moeder’.”

„Nu ja, die bedoel ik ook,” antwoordde ik.

„O, maar gij weet immers hoe nederig wij zijn,” hernam hij. „Zelf wetende dat wij zoo nederig zijn, moeten wij zorg dragen niet te worden verdrongen door anderen, die het niet zijn. In de liefde zijn alle listen geoorloofd, mijnheer.”

Hij lichtte zijne groote handen op tot aan zijne kin en begon die zachtjes te wrijven, terwijl hij een soort gegrinnik liet hooren; hij leek op dit oogenblik zoo sprekend op een kwaadaardigen baviaan als een menschelijk wezen doen kan.

„Ziet gij,” hernam hij al voortwrijvende en met het hoofd knikkende, „gij zijt een gevaarlijke mededinger, jongeheer Copperfield. Gij zijt dat altijd geweest.”

„Laat gij juffrouw Wickfield bewaken, ontneemt gij haar hare vrijheid in haar eigen huis, uit vrees voor mij?” vroeg ik.

„O, jongeheer Copperfield, dat zijn harde woorden!” antwoordde hij.

„Breng het dan zelf in woorden, zooals gij verkiest,” zei ik. „Gij weet wat ik bedoel, Uriah, evengoed als ik het zelf weet.”

„O, neen, gij moet het zeggen! Zeker! Ik zou het onmogelijk kunnen.”

„Onderstelt gij,” vroeg ik, al mijn wilskracht te hulp roepende om, ter wille van Agnes, kalm te blijven, „dat ik in juffrouw Wickfield iets anders zie dan eene lieve zuster?”

„Wel, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „gij begrijpt dat ik deze vraag moeilijk kan beantwoorden: misschien doet gij het niet, begrijpt gij; misschien doet gij het ook wel, dat is ook mogelijk.”

Nooit heb ik iets gezien dat te vergelijken was met het sluwe, gemeene gezicht, waarmede hij mij op dit oogenblik aankeek.

„Luister dan,” zei ik. „Ter wille van juffrouw Wickfield....”

„Mijne Agnes!” riep hij uit, terwijl zijn lichaam weder den vorm aannam van een kurketrekker. „Wilt gij wel zoo goed zijn haar Agnes te noemen, jongeheer Copperfield!”

„Ter wille van Agnes Wickfield.... God zegene haar!....”

„Dank u, jongeheer Copperfield!” zoo viel hij mij in de rede.

„.... zal ik u iets meedeelen, dat ik onder gewone omstandigheden evenmin aan u als aan.... Jack Ketch zou hebben verteld.”

„Aan wien, mijnheer?” vroeg Uriah met uitgestrekten hals en de hand achter het oor.

„Aan den beul,” hernam ik. „Aan den meest onwaarschijnlijken persoon, dien ik mij maar bedenken kan,”—zijn eigen gezicht had mij op dit denkbeeld gebracht.—„Ik ben verloofd, zijt gij nu tevreden?”

„Oprecht waar?” riep Uriah.

Ik was op het punt om mijne verontwaardiging te kennen te geven over de bevestiging, die hij van mijne woorden durfde vragen, toen hij mijne hand machtig wist te worden en die hartelijk drukte.

„O, jongeheer Copperfield!” zei hij. „Hadt gij maar de goedheid gehad mij met uw vertrouwen te vereeren, op dien avond, toen ik mijn hart voor u uitstortte en u zoo lang uit den slaap hield, dan had ik nooit dit vermoeden kunnen hebben. Nu dit zoo is, zal ik mijne moeder onmiddellijk en met het grootste genoegen verzoeken eene andere zitplaats uit te kiezen. Gij zult, dat weet ik, de voorzorgen, die mijne liefde mij deed nemen, verontschuldigen. Hoe jammer, jongeheer Copperfield, dat gij niet besluiten kondt mij uw vertrouwen te schenken! Ik weet zeker dat ik er u alle gelegenheid voor heb gegeven. Maar, gij zijt nooit zoo vriendelijk voor mij geweest, als ik wel gewenscht had. Ik weet dat gij nooit zooveel van mij gehouden hebt, als ik van u!”

Gedurende al dezen tijd drukte hij mijne hand met zijne koude, vischachtige vingers, terwijl ik, zonder al te onbeleefd te zijn, pogingen aanwendde om los te komen. Dit gelukte mij echter niet. Hij trok mijne hand onder de mouw van zijne moerbei-kleurige overjas en zoo wandelde ik, tegen wil en dank, arm in arm met hem voort.