Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 6
Voor zoover ik kon nagaan, was zij gekomen om niet meer heen te gaan. Den volgenden morgen begon zij mijne moeder te helpen en bracht een groot gedeelte van den dag in de provisiekamer door, waar zij alles overhoop haalde en naar haar eigen inzichten rangschikte. Het merkwaardigste, dat ik in juffrouw Murdstone opmerkte, was haar voortdurende achterdocht dat de meiden ergens een man hadden verstopt. Onder den invloed van dit zelfbedrog daalde zij op de meest ongewone uren plotseling in den brandstoffenkelder af en zelden opende zij de deur van eene donkere kast zonder die oogenblikkelijk weder te sluiten, in den waan dat zij „hem” nu gevangen had. Hoewel juffrouw Murdstone niets had, waardoor zij aan een leeuwerik deed denken, kon zij toch met deze wedijveren op het punt van vroeg opstaan. Zij was al op—als ik er nu goed over nadenk, zocht zij dan naar dien man—eer iemand in huis aan opstaan dacht. Peggotty beweerde dat juffrouw Murdstone altijd met één oog open sliep, maar ik kon haar dat niet toegeven; want nadat zij dit vermoeden geuit had, beproefde ik het meermalen en bevond dat het niet mogelijk was.
Op den eersten morgen na hare aankomst was zij reeds bij het eerste hanengekraai op en trok aan hare schel. Toen mijne moeder aan het ontbijt kwam en thee wilde zetten, gaf juffrouw Murdstone haar een pik in de wang—dit kwam haar manier om te kussen het meest nabij—en zeide:
„Nu, Clara, lieve, gij weet, ik ben hier gekomen om u zooveel mogelijk van alle lasten te ontheffen. Gij zijt veel te mooi en te zorgeloos—mijne moeder bloosde en lachte, en scheen deze woorden niet zoo erg onaangenaam te vinden—om plichten op u te nemen, die ik vervullen kan. Indien gij wel zoo goed wilt zijn mij de sleutels te overhandigen, lieve, zal ik voortaan voor alles zorgen.”
Van dat oogenblik af had juffrouw Murdstone den geheelen dag de sleutels in haar nijdige beugeltasch en den geheelen nacht onder haar kussen; mijne moeder had er niet meer over te zeggen dan ik. Mijne moeder gaf echter het opperbestuur niet over dan onder een zweem van protest. Op zekeren avond, toen juffrouw Murdstone eenige huishoudelijke aangelegenheden met haar broeder besprak en deze zijne goedkeuring er aan hechtte, begon mijne moeder plotseling te schreien en zeide dat zij toch ook wel geraadpleegd mocht worden.
„Clara!” zei mijnheer Murdstone ernstig. „Clara, ik verbaas mij over u.”
„O, het is heel gemakkelijk te zeggen dat gij u verbaast, Edward!” riep mijne moeder uit, „en gij hebt mooi praten over flinkheid, maar het zou u toch ook niet aanstaan!”
Ik moet nog doen opmerken dat flinkheid de groote deugd was, waarop mijnheer en juffrouw Murdstone zich niet weinig lieten voorstaan. Welke verklaring ik toenmaals van deze eigenschap zou gegeven hebben, indien men er mij naar had gevraagd, kan ik niet zeggen; maar ik begreep toch heel duidelijk dat deze zoogenaamde flinkheid eigenlijk niets was dan tyrannie, eene bemanteling van hun stuursch, aanmatigend, duivelachtig karakter. Indien ik thans eene karakterschets van hen moest geven, zou ik het aldus doen: Mijnheer Murdstone was flink; niemand in zijne omgeving was zoo flink als mijnheer Murdstone; eigenlijk was er in zijne omgeving niemand flink, want iedereen moest voor zijne flinkheid buigen. Juffrouw Murdstone maakte daarop eene uitzondering; zij mocht ook flink zijn, maar alleen omdat zij zoo na verwant was aan hem, aan wien zij toch altijd ondergeschikt moest blijven. Hare flinkheid was dus van eene mindere soort. Ook mijne moeder maakte eene uitzondering. Zij mocht niet alleen flink zijn, zij moest het zijn, alleen echter om de flinkheid van mijnheer en juffrouw Murdstone te kunnen dragen en te gelooven, dat zij de eenige flinke menschen waren op dit ondermaansche.
„Het is zeer hard,” zei mijne moeder, „en dat in mijn eigen huis....”
„_Mijn_ eigen huis?” herhaalde mijnheer Murdstone. „Clara!”
„_Ons_ eigen huis, bedoel ik,” fluisterde mijne moeder blijkbaar angstig—„ik hoop dat gij begrijpt wat ik bedoel, Edward—het is zeer hard, dat ik in _uw_ eigen huis geen woord mag meespreken waar het huishoudelijke zaken betreft. Ik ben overtuigd dat ik eene goede huishoudster was vóór wij trouwden. Ik kan getuigen oproepen,” snikte zij, „vraag het aan Peggotty of alles niet geregeld ging toen ik aan het hoofd stond!”
„Edward,” zei juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”
„Jane Murdstone,” antwoordde haar broeder, „zwijg! Hoe durft gij zelfs maar doen vermoeden dat gij mijn karakter niet beter kent dan men uit uwe woorden zou opmaken?”
„Ik verlang volstrekt niet,” hernam mijne moeder tot haar eigen bittere schade, onder veel tranen, „dat er iemand heengaat. Ik zou zeer bedroefd en ongelukkig zijn, indien er iemand heenging. Ik vraag niet veel; ik ben niet onredelijk. Ik verlang slechts nu en dan geraadpleegd te worden. Ik ben aan iemand, die mij helpt, zeer veel verplicht en verlang slechts nu en dan, al is het maar voor den vorm, geraadpleegd te worden. Ik meende, Edward, dat gij er vroeger mede ingenomen waart, dat ik nog weinig ondervinding had en wat kinderlijk was.... ik weet zeker dat gij het gezegd hebt, maar het schijnt wel dat gij mij nu daarom minacht, zoo streng zijt gij.”
„Edward,” herhaalde juffrouw Murdstone, „maak er een einde aan. Ik ga morgen heen.”
„Jane Murdstone,” bulderde hij haar toe, „zwijg! Hoe durft gij zoo iets uitspreken?”
Juffrouw Murdstone haalde haar zakdoek te voorschijn en hield dien voor de oogen.
„Clara,” ging hij voort, mijne moeder aankijkende, „ik verbaas mij over u. Ik ben een en al verbazing! Ja, het denkbeeld om in het huwelijk te treden met eene vrouw, die nog weinig ervaren was en nog niets van de wereld gezien had, trok mij zeer zeker aan; ik hoopte haar karakter te kunnen vormen en haar een weinig van die flinkheid en vastberadenheid mede te deelen, waaraan zij nog zoo zeer behoefte had. Maar wanneer Jane Murdstone vriendelijk genoeg is mij tot dat doel hare hulp te komen aanbieden en ter wille van mij eigenlijk eene betrekking als huishoudster op zich te nemen, en wanneer zij dan met ondank wordt beloond....”
„O, ik smeek u, Edward, ik smeek u, beschuldig mij niet van ondankbaarheid!” riep mijne moeder. „Ik ben er zeker van dat ik niet ondankbaar wil wezen. Niemand heeft ooit gezegd dat ik het was. Ik heb veel gebreken, maar ondankbaar ben ik niet. Zeg dat toch niet, lieve man!”
„Wanneer Jane Murdstone, zeg ik, met den zwartsten ondank wordt beloond,” hernam hij, toen mijne moeder zweeg, „moet het gevoel, dat ik voor u koesterde, wel verkoelen en veranderen.”
„O, zeg dat toch niet, lieve man!” smeekte mijne moeder dringend. „O, zeg dat toch niet! Ik zou het niet kunnen dragen. Wat ik ook zijn moge, ik heb een goed hart. Ik weet dat ik een goed hart heb; ik zou het niet kunnen zeggen, als ik er niet zeker van was. Vraag het Peggotty, ik ben er zeker van dat zij het ook zal zeggen.”
„Overdreven teederheid heeft niet den minsten invloed op mij, Clara,” antwoordde mijnheer Murdstone. „Gij doet vergeefsche moeite.”
„Och, laat ons weer vrienden zijn,” sprak mijne moeder. „Koelheid en onvriendelijkheid zouden mij dooden. Het spijt mij zoo. Ik heb zooveel gebreken, Edward, en het is heel lief van u dat gij met uw krachtigen geest wilt trachten mij te verbeteren. Jane, ik beklaag mij over niets. Mijn hart zou breken indien gij er ook maar over dacht ons te verlaten....” Mijne moeder was te overspannen om voort te gaan.
„Jane Murdstone,” sprak mijnheer Murdstone tot zijne zuster, „het is iets ongewoons, dat er tusschen ons harde woorden vallen. Het is echter niet mijne schuld, dat zoo iets ongewoons heden avond heeft plaats gehad. Ik werd er door een ander in betrokken. Ook is het uwe schuld niet. Gij werdt er ook door een ander in betrokken. Laat ons beiden trachten het te vergeten. En aangezien dit,” voegde hij er na deze grootmoedige woorden bij, „geen geschikt tooneel is voor kinderen.... ga naar bed, David.”
Ik kon nauwelijks de deur vinden, want mijne oogen stonden vol tranen. Ik was zoo bedroefd, omdat mijne moeder verdriet had en ging op den tast de kamer uit en de trap op naar mijne slaapkamer, waar het nog donker was, zonder zelfs den moed te hebben, Peggotty goeden nacht te zeggen of eene kaars bij haar te vragen. Toen zij ongeveer een uur later naar mij kwam kijken, werd ik wakker en vertelde zij mij, dat mijne moeder ongesteld was en naar bed was gegaan en dat mijnheer en juffrouw Murdstone alleen beneden zaten.
Den volgenden morgen kwam ik vroeger dan gewoonlijk beneden en bleef aan de deur van de huiskamer staan, want ik hoorde de stem van mijne moeder. Zij verzocht juffrouw Murdstone in vollen ernst nederig vergiffenis en toen deze dame wel zoo goed was die te schenken, had er eene volledige verzoening plaats. Ik geloof niet, dat mijne moeder ooit weder haar gevoelen uitte over de eene of andere zaak, zonder eerst dat van juffrouw Murdstone te vragen, of zonder zich eerst overtuigd te hebben, dat juffrouw Murdstone er eveneens over dacht; en nooit zag ik juffrouw Murdstone, wanneer zij uit haar humeur was—zij was dikwijls uit haar humeur—naar de nijdige beugeltasch grijpen, om er de sleutels uit te nemen en die aan mijne moeder te overhandigen, of ik zag mijne moeder te gelijkertijd bleek worden van schrik.
De sombere tint in het karakter der Murdstones kleurde ook hunne godsdienstige opvattingen, die hard en liefdeloos waren. Ik heb later wel eens gemeend, dat die hardheid en liefdeloosheid het noodzakelijke gevolg moesten wezen van mijnheer Murdstone's flinkheid, die hem niet toestond iemand de zwaarste straffen te onthouden, als hij maar eenige aanleiding vond om ze uit te deelen. Hoe dit ook zijn moge, ik herinner mij nog zeer goed de uitgestreken gezichten, waarmede wij kerkwaarts togen en hoe daar alles veranderd scheen. De gevreesde Zondag is weder aangebroken en ik klim in de oude bank, evenals een welbewaakte gevangene, die zijn doodvonnis komt aanhooren. Wederom volgt mij juffrouw Murdstone in een zwart fluweelen japon, die er uitziet, alsof zij uit een lijkkleed gemaakt is; dan volgt mijne moeder en eindelijk haar echtgenoot. Peggotty is er nu niet, zooals vroeger in den goeden, ouden tijd. Wederom luister ik naar juffrouw Murdstone, die in zich zelve alle antwoorden geeft en met een zeker wreed genoegen den klemtoon legt op alle gevreesde woorden. Wederom zie ik hare donkere oogen rollen, wanneer zij de kerk rondkijkt bij het uitspreken van de woorden, „armzalige zondaars”, alsof zij die toepaste op alle leden van het kerspel. Wederom vang ik nu en dan—heel zeldzaam—een blik op van mijne moeder, die bedeesd hare lippen opent tot het gebed, terwijl „die twee” haar aan weerszijden in de ooren brommen. Wederom komt plotseling de vrees bij mij op, dat de oude geestelijke ongelijk en mijnheer en juffrouw Murdstone gelijk kunnen hebben, dat alle engelen in den Hemel engelen der wrake kunnen zijn. Wederom geeft juffrouw Murdstone mij een por met haar gebedenboek, wanneer ik maar een vinger verroer of een spier in mijn gelaat vertrek.
Ja, en wederom merk ik onder het naar huis gaan op, dat sommige buren naar mijne moeder kijken en naar mij en dan samen fluisteren. En wanneer het drietal arm in arm vooruitwandelt en ik achteraan kom slenteren, volg ik eenige van die blikken en vraag ik mij af of mijne moeder daar nog wel zoo luchtig voortstapt en of haar gezichtje nog wel zoo mooi is als vroeger. Telkens ben ik nieuwsgierig te weten of een van deze buren zich nog wel herinnert, zooals ik, hoe wij gewoonlijk te zamen naar huis wandelden en daarover blijf ik den geheelen, langen, vervelenden Zondag peinzen.
Er was over gesproken of het geen tijd werd om mij naar een kostschool te zenden. Mijnheer en juffrouw Murdstone hadden het plan geopperd en mijne moeder had er natuurlijk in toegestemd. Toch was er nog geen besluit genomen en ontving ik middelerwijl onderwijs in huis.
Zal ik die lessen ooit vergeten? Zooals het heette, moest ik hetgeen mij door den onderwijzer werd opgegeven, bij mijne moeder opzeggen, maar eigenlijk bij mijnheer en juffrouw Murdstone; zij waren er altijd bij tegenwoordig en grepen deze gelegenheid aan, om mijne moeder onderricht te geven in misplaatste flinkheid, die de vloek van ons beider leven was. Ik geloof zeker dat men mij met het oog daarop thuis hield. Ik zou vlug en gewillig genoeg geweest zijn om te leeren, wanneer ik met mijne moeder alleen geweest was. Ik herinner mij nog flauwtjes hoe ik het alphabet geleerd heb, leunende tegen hare knieën. Wanneer ik thans nog de dikke, vette letters in het AB-boek bekijk, bekruipt mij nog hetzelfde beklemmende gevoel als in de dagen, toen ik de letters nog niet uit elkander kon houden en de goedige rondheid van de O, de Q en de S mij telkens weder trof. Ik herinner mij echter niet dat ik tegenzin had in het leeren of dat het mij verveelde. Integendeel, het komt mij voor of ik tot het krokodillenboek op rozen wandelde; en wanneer die tijd mij voor den geest komt, hoor ik nog duidelijk de lieve stem en zie ik nog het vriendelijke gelaat van mijne moeder. De ernstige lessen, welke later volgden, hebben daarentegen geen andere herinnering achtergelaten dan die van eene dagelijks terugkeerende marteling en kwelling. Ze waren lang, talrijk en moeilijk—somtijds zelfs geheel onbegrijpelijk en ik geloof dat mijne moeder er even hard onder leed als ik zelf.
Laat ik eens verhalen hoe het bij deze lessen toeging en mij daartoe een morgen in het geheugen roepen.
Ik kom na het ontbijt met mijne boeken en mijne lei in de huiskamer. Mijne moeder zit gereed aan haar lessenaartje, maar mijnheer Murdstone zit ook op mij te wachten in zijn leunstoel bij het venster—al doet hij of hij leest—en juffrouw Murdstone zit stalen kralen te rijgen, maar wacht ook op mij. Alleen reeds de aanwezigheid van deze twee heeft zulk een invloed op mij, dat ik de woordjes, die ik met ontzaglijk veel moeite in mijn hoofd heb gekregen, voel wegglijden, ik weet niet waarheen. Ik zou werkelijk wel eens willen weten waar ze bleven—dit tusschen haakjes. Ik overhandig mijne moeder het eerste boek. Ik weet niet wat het is: taalkunde, geschiedenis of aardrijkskunde. Ik werp een laatsten, wanhopenden blik op de pagina, die ik haar aanwijs, en begin hardop met vervaarlijke snelheid, want het zit er nog versch in. Ik struikel over een woord. Mijnheer Murdstone kijkt op. Nogmaals struikel ik over een woord. Juffrouw Murdstone kijkt op. Ik krijg een kleur, ik struikel over een half dozijn woorden, ik houd op. Als mijne moeder gedurfd had, zou zij mij het boek hebben voorgehouden, maar zij durft niet en zegt zachtjes: „O, David, David!”
„Nu, Clara,” zegt mijnheer Murdstone, „flink zijn, als ik u verzoeken mag. Nu niet zeggen: ‚O, David, David!’ Dat is kinderachtig. Hij kent zijn les of hij kent zijne les niet.”
„Hij kent zijn les niet,” valt juffrouw Murdstone in met haar ontzagverwekkend stemgeluid.
„Ik ben waarlijk ook bang dat hij zijn les niet kent,” zegt mijne moeder.
„Dan, Clara,” herneemt juffrouw Murdstone, „moest gij hem het boek teruggeven en hem de les laten leeren.”
„Ja zeker,” zegt mijne moeder, „dat ben ik ook voornemens, lieve Jane. Nu, David, beproef het nog eens, wees nu niet dom.”
Ik gehoorzaam aan het eerste gedeelte van het bevel en beproef het nog eens, maar met het tweede gedeelte wil het niet lukken—ik ben dommer dan dom. Ik blijf al steken, eer ik aan de vorige plaats ben gekomen, bij een woord, dat ik zooeven nog goed kende, en houd op om na te denken. Maar ik kan niet denken, ten minste niet over het onderwerp van de les. Ik peins over het aantal ellen lint, dat aan de muts van juffrouw Murdstone zou besteed zijn, aan den prijs van mijnheer Murdstone's ochtendjas en aan allerlei dwaze dingen, die mij niets aangaan en waarmede ik niets te maken wil hebben. Volgt eene ongeduldige beweging van mijnheer Murdstone, die ik al lang verwacht heb. Hetzelfde doet zich bij juffrouw Murdstone voor. Mijne moeder kijkt beiden onderdanig aan, doet het boek dicht en legt het weg. Dit is een les om in te halen, wanneer het overige van mijne taak is afgedaan. Al heel spoedig ligt er een geheele stapel boeken naast mijne moeder; het aantal in te halen lessen groeit aan als een rollende sneeuwbal. Hoe grooter de stapel, hoe botter ik word. De zaak wordt hopeloos; ik begin niets dan wartaal te spreken en geef elk denkbeeld om er mij uit te redden op. Ik wacht geduldig mijn lot af. De blikken, die mijne moeder en ik wisselen, terwijl ik meer en meer in de war raak, zijn waarlijk wanhopend. Maar het allerergste in die ellendige lessen is, wanneer mijne moeder, meenende dat niemand op haar let, mij tracht te helpen door eene beweging met de lippen. Op dat oogenblik zegt juffrouw Murdstone, die reeds van den aanvang af daarop geloerd heeft, op waarschuwenden toon: „Clara!”
Mijne moeder schrikt, bloost en glimlacht even.
Mijnheer Murdstone staat van zijn stoel op, neemt het boek, smijt het mij voor de voeten of slaat er mij mee om de ooren en zet mij bij een arm de kamer uit.
Nu komt echter nog het ergste aan in den vorm van eene vreeselijke som, door mijnheer Murdstone voor mij bedacht. Hij geeft mij die zelf op: „Als ik naar een kaaskooper ga en vijfduizend dubbele Gloucester-kazen koop voor vier en een halven stuiver het stuk, tegen contante betaling... enz.” Juffrouw Murdstone zit heimelijk te grinneken van genot.—Zonder er iets van te begrijpen of eenig licht te krijgen, zit ik op die kazen te turen tot etenstijd; ik ben dan nagenoeg in een Mulat veranderd door al het vuil van mijne lei in de poriën van mijne huid te wrijven, krijg een snee brood om bij de kazen te verorberen en blijf het verdere gedeelte van den dag in ongenade. Nu er zooveel tijd sinds die ongelukkige lessen verloopen is, komt het mij voor dat ze gewoonlijk dezen loop namen. Ik zou ze wel gekend hebben als de Murdstones er maar niet bij tegenwoordig waren geweest, maar hun invloed op mij was ongeveer gelijk aan dien van twee slangen op een jong vogeltje. Zij betooverden mij. Zelfs wanneer ik het er eens tamelijk afbracht, had ik niets gewonnen dan een maal eten; want juffrouw Murdstone kon mij niet ledig zien zitten en wanneer ik ongelukkig toonde dat ik niets te doen had, vestigde zij terstond de aandacht van haar broeder op mij door te zeggen: „Clara, lieve, er is niets zoo goed als bezigheid.... geef uw jongen wat te doen.” Deze woorden misten nooit hunne uitwerking; ik kreeg dan onmiddellijk eene nieuwe taak. Spelen met kinderen van mijn leeftijd was mij zoo goed als ontzegd, want de Murdstones beschouwden alle kinderen als adderengebroedsel—toch was Jezus ook eens een kind—en hielden vol dat zij elkander maar bedierven.
Het natuurlijke gevolg van deze wijze van opvoeden, die, als ik mij goed herinner, zes maanden of langer werd volgehouden, was dat ik traag, dom en weerspannig werd. Niet het minst werd ik dat, omdat men mij stelselmatig vervreemdde van mijne moeder. Eéne omstandigheid echter bewaarde mij er voor dat ik geheel versufte. Het was de volgende: Mijn vader had eene kleine collectie boeken nagelaten, die in een opkamertje werden bewaard, dat aan het mijne grensde en waarin nooit iemand kwam. Uit dit gezegende kleine kamertje kwamen Roderick Random, Peregrine Pickle, Humphrey Clinker, Tom Jones, The Vicar of Wakefield, Don Quichote, Gil Blas en Robinson Crusoë mij gezelschap houden en waren hartelijk welkome gasten. Zij hielden mijne verbeelding levendig en voedden mijne hoop, dat er buiten Blunderstone en na den tijd, dien ik toen doorleefde, wel iets beters zou opdagen—zij en de Arabische Nachtvertellingen—kwaad kon ik er niet uit leeren, want het kwaad, dat uit enkele van de genoemde werken te leeren valt, kende ik niet. Het verbaast mij nu hoe ik den tijd vond om, terwijl ik mij bijna stompzinnig peinsde over de moeielijkste thema's en sommen, al deze boeken te lezen. Het verbaast mij nu hoe ik mij over mijn onbeteekenend leed—voor mij toen echter groot leed—heb kunnen troosten door de meest geliefkoosde personen in mijne plaats te stellen, zooals ik deed, en mijnheer en juffrouw Murdstone voor de slechte karakters te laten optreden—zooals ik ook deed. Ik ben een week lang Tom Jones geweest—een kinderlijke Tom Jones, een onschuldig schepsel. Ik geloof waarlijk dat ik mij zelven een maand lang voor Roderick Random heb aangezien. De grootste aantrekkelijkheid op de boekenplank waren eenige deelen reisbeschrijvingen van—de naam is mij ontschoten; ik herinner mij nu, dagen achtereen in dat gedeelte van het huis, waarin ik mij vrij mocht bewegen, te hebben rondgeloopen met het middenstuk van een ouden laarzentrekker—een voorstelling gevende van kapitein Dinges van de Koninklijke Marine, door wilden aangevallen en vastbesloten zijn leven duur te verkoopen. De kapitein verloor niets van zijne waardigheid, al kreeg hij met een Latijnsche spraakkunst om de ooren; toch bleef hij een held, ten spijt van alle spraakkunsten, van alle talen der wereld, zoo doode als levende.
Dit was mijn eenige en mijn voortdurende troost. Wanneer ik daaraan denk, komt mij altijd het tooneel voor de oogen van een zomeravond, terwijl de buurjongens op het kerkhof speelden en ik in mijn bed zat te lezen of het leven er van afhing. Elke schuur in den omtrek, elke steen van de kerk, elke voetstap op het kerkhof stond in mijne verbeelding in betrekking tot mijn boek en stelde de eene of andere plaats daarin voor, die bijzonder mijne aandacht trok. Ik heb Tom Pipes op den kerktoren zien klimmen; ik heb Strap met den knapzak op den rug tegen het tuinhek zien uitrusten en ik weet dat Commodore Trunnion zijne samenkomsten met mijnheer Pickle in het kleine kamertje van de dorpsherberg hield.
De lezer zal dus wel begrijpen wat ik was, toen ik aan dat punt van de geschiedenis mijner jeugd was genaderd, waarop ik nu ben teruggekomen.
Op zekeren morgen, toen ik met mijne boeken de huiskamer binnentrad, zat mijne moeder erg angstig te kijken; juffrouw Murdstone keek „flink” en mijnheer Murdstone was bezig iets aan het eind van een wandelstok te binden—een taaien, buigzamen, rieten wandelstok; toen ik binnen was, hield hij op met binden en zwaaide en sloeg er eenige malen mede in de lucht.
„Ik verzeker u, Clara,” zei mijnheer Murdstone, „dat ik zelf ook dikwijls een pak slaag heb gehad.”
„Dat spreekt van zelf,” zei juffrouw Murdstone.
„Zeker, lieve Jane,” stotterde mijne moeder. „Maar.... maar meent gij dat het Edward goed heeft gedaan?”
„Meent gij dat het Edward kwaad heeft gedaan, Clara?” vroeg mijnheer Murdstone op ernstigen toon.
„Dat is de zaak!” voegde zijne zuster er bij, waarop mijne moeder antwoordde: „Zeker, lieve Jane,” en verder zweeg.
Ik werd beducht dat ik persoonlijk in dat gesprek betrokken was, en hield mijnheer Murdstone voortdurend in het oog, terwijl hij mij aankeek.
„Nu, David,” zei hij—en toen hij dit zeide, zag ik weder dat hij loensch was, „gij moet vandaag beter opletten dan gewoonlijk.” Hij begon weder met den stok te slaan en te zwaaien en toen hij daarmede gereed was, legde hij dien met een veelbeteekenenden blik naast zich neder en nam zijn boek op.
Dit alles was zeer geschikt om mijn geest op te frisschen eer ik begon. Ik voelde de woorden wegglijden, niet woord voor woord of regel voor regel, maar bij geheele bladzijden tegelijk. Ik trachtte ze vast te houden, maar het scheen wel, als ik het zoo eens mag uitdrukken, dat ze schaatsen hadden ondergebonden, zoo geleidelijk zweefden ze van mij weg.
Het begin was slecht en het ging hoe langer hoe slechter. Ik was binnengekomen, denkende dien morgen eens te zullen uitmunten, want ik had hard geleerd; maar ik had mij schromelijk vergist. Boek na boek werd bij de in te halen lessen gelegd, terwijl juffrouw Murdstone voortdurend een oog in het zeil hield. En toen wij eindelijk tot de vijfduizend kazen genaderd waren—als ik mij goed herinner noemde hij ze dien morgen stokken—barstte mijne moeder in tranen uit.
„Clara!” zei juffrouw Murdstone met hare harde stem.