Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 59

Chapter 593,953 wordsPublic domain

Juffrouw Mills beschikte over een verbazenden woordenvloed en scheen er behagen in te scheppen dien over mij uit te storten. Ik kon het niet helpen, maar, al vermengden zich hare tranen met de mijne, ik geloofde toch dat onze tegenspoed haar genoegen deed; zij verkneuterde zich er in en deed haar best om alles zoo breed mogelijk uit te meten. Een afgrond had zich tusschen Dora en mij gevormd, die alleen de Liefde, met haar regenboog, kon overspannen. Liefde is Lijden in deze harde wereld; dat is altijd zoo geweest en zal altijd zoo blijven. Maar, geen nood! De spinnewebben, die de harten gevangen hielden, zouden wel breken en de Liefde zou eindelijk zegevieren.

Dit was eene schrale troost, maar juffrouw Mills wilde mij niet paaien met ijdele hoop. Zij maakte mij nog veel ellendiger dan ik reeds was, maar—zoo vertelde ik haar met innige dankbaarheid—ik voelde dat zij eene ware vriendin voor mij was. Wij spraken af, dat zij den volgenden morgen, zoo vroeg mogelijk, naar Dora zou gaan, haar door woorden of gebaren de verzekering geven van mijne onveranderlijke genegenheid en haar tevens doen weten, hoe diep ongelukkig ik mij voelde. Toen ik afscheid nam, voelde ik mij rampzaliger dan ooit en ik geloofde dat juffrouw Mills daarvan genoot.

Toen ik thuis kwam vertelde ik alles aan tante, en niettegenstaande alles, wat zij zeide om mij te troosten, ging ik wanhopend naar bed, stond wanhopend op en ging wanhopend uit. Het was Zaterdagmorgen, zoodat ik eerst naar de Commons ging. Toen ik het kantoor naderde verbaasde het mij, dat de loopers buiten met elkaar stonden te praten en de voorbijgangers naar de vensters keken, die tegen de gewoonte gesloten waren. Ik versnelde mijn pas en stapte naar binnen, nog meer verbaasd over de wijze waarop zij mij en elkander aankeken toen ik tusschen hen doorliep. De klerken waren op hunne plaats, maar niemand voerde iets uit. De oude Tiffey zat, naar ik onderstel voor 't eerst in zijn leven, op den stoel van een ander en had zijn hoed niet opgehangen.

„Welk een vreeselijk ongeluk, mijnheer Copperfield!” riep hij mij toe.

„Wat is er gebeurd?” vroeg ik ontsteld. „Wat is er gebeurd?”

„Weet gij er nog niets van?” riep Tiffey en allen kwamen om mij heen staan.

„Neen!” antwoordde ik en keek hen een voor een aan.

„Mijnheer Spenlow,” zei Tiffey.

„Wat is er met mijnheer Spenlow gebeurd?”

„Dood!”

Ik meende dat het kantoor waggelde en niet ik, toen een der klerken mij bij den arm greep. Zij lieten mij op een stoel plaats nemen, maakten mijn das los en brachten mij een glas water. Ik kan niet zeggen of daarmede eenigen tijd verliep.

„Dood?” vroeg ik eindelijk.

„Hij gebruikte gisteren het middagmaal in de stad en reed alleen in den phaëton naar huis,” vertelde Tiffey; „hij had den koetsier met de diligence naar Norwood gezonden, zooals hij wel meer deed....”

„En toen?”

„De phaëton kwam thuis zonder hem; de paarden bleven voor den stal stilstaan en toen de stalknecht met een lantaarn buiten kwam, was het rijtuig ledig.”

„Waren de paarden op hol gegaan?”

„Zij waren niet warm,” antwoordde Tiffey, zijn bril opzettende, „ik heb begrepen dat ze niet warmer waren dan wanneer zij in gewonen draf geloopen hadden. De teugels waren gebroken en hadden over den grond gesleept. Alles was in rep en roer, natuurlijk, en terstond gingen drie mannen den weg op en vonden hem ongeveer op een mijl afstands van Norwood...”

„Nog verder dan een mijl, mijnheer Tiffey,” zei een der jongste klerken.

„Zoo? Ja, ik geloof dat gij gelijk hebt,” antwoordde Tiffey—„nog verder dan een mijl.... niet ver van de kerk lag hij met het aangezicht voorover aan den kant van den weg. Of hij in het rijtuig een beroerte heeft gekregen en er af is gevallen, of de beroerte heeft voelen aankomen en er uit is gegaan..... ja, zelfs, of hij heelemaal dood was of slechts bewusteloos—dat kan niemand zeggen. Hij mag nog geademd hebben—gesproken heeft hij niet. Zoo spoedig mogelijk is er geneeskundige hulp gehaald, maar die was overbodig.”

Ik kan onmogelijk de gewaarwordingen beschrijven, die door dit bericht in mij werden opgewekt. De schok door zulk eene onverwachte gebeurtenis veroorzaakt, door zulk een ongeval, overkomen aan iemand, met wien ik den vorigen dag min of meer ongenoegen had gehad; de akelige ledigheid van de kamer, waar hij gisteren nog gezeten had, waar de tafel en de stoel op hem schenen te wachten, terwijl hetgeen hij den vorigen dag geschreven had iets spookachtigs voor mij kreeg; de onmogelijkheid om mij die plaats te denken zonder hem en om het gevoel te verbannen, dat hij ieder oogenblik zou kunnen binnenkomen—de stilte en ongewone traagheid op het kantoor en de onweerstaanbare lust van allen om over het ongeval te praten—het in- en uitloopen van allerlei menschen, die het naadje van de kous wilden weten—dat alles kan men zich gemakkelijker voorstellen dan het mij mogelijk is het te beschrijven. Wat ik ook niet kan beschrijven is het gevoel van jalouzie, dat zich een plaatsje veroverde in den diepsten schuilhoek van mijn hart, zelfs op den Dood, die mij thans ongetwijfeld geheel verdrongen had uit Dora's gedachten. Ik was jaloersch op hare smart en op allen, die haar mochten troosten en bij wie zij mocht schreien. Hoe vurig wenschte ik niet haar voor mij alleen te hebben, alles voor haar te mogen zijn in deze treurige dagen!

In dezen rusteloozen gemoedstoestand, naar ik hoop, ook aan anderen bekend, wandelde ik dien avond naar Norwood en na van een der dienstboden vernomen te hebben, dat juffrouw Mills bij Dora was, ging ik naar huis terug en verzocht tante aan juffrouw Mills een briefje te willen zenden, dat ik schreef. Ik betreurde daarin den plotselingen dood van mijnheer Spenlow en verzocht haar aan Dora te willen zeggen, indien Dora in staat was om er naar te luisteren, dat haar vader zoo vriendelijk en verschoonend mogelijk over haar gesproken en haar naam niet anders dan op de teederste wijze uitgesproken had, zonder een enkel hard woord of verwijt. Ik weet dat ik schreef uit zelfzucht, ten einde mijn naam onder hare oogen te brengen; maar ik deed mijn best te gelooven, dat ik uit eerbied voor zijne nagedachtenis handelde. Misschien geloofde ik 't ook wel.

Tante ontving den volgenden dag eenige regels tot antwoord, aan haar geadresseerd, doch voor mij bestemd. Dora was diep bedroefd en toen hare vriendin haar vroeg of zij ook iets aan mij te zeggen had, riep zij niets dan: „O, die lieve papa! O, die arme papa!” Zij zei niet „Neen!” dat was voor mij een grootte troost.

Eenige dagen na het voorgevallene kwam mijnheer Jorkins, die te Norwood geweest was, op het kantoor. Hij en Tiffey bleven eenigen tijd samen praten en daarna opende Tiffey de deur en wenkte mij om binnen te komen.

„O!” sprak mijnheer Jorkins. „Mijnheer Tiffey en ik, mijnheer Copperfield, hebben de schrijftafel, de laden en alle verdere bewaarplaatsen van belangrijke documenten nagezocht, ten einde de particuliere eigendommen en papieren te verzegelen en naar het testament te zoeken. Zoo gij wilt, kunt gij ons helpen.”

Ik had reeds met smart verlangd iets van de omstandigheden te weten te komen, waaronder mijne Dora was achtergebleven—voornamelijk, onder wiens voogdij zij zou komen—dit was dus een stap in de goede richting. Wij begonnen onmiddellijk te zoeken: Mijnheer Jorkins opende de laden en den lessenaar en wij namen de papieren er uit; legden de papieren, die de zaak betroffen, aan één kant en de particuliere papieren, die niet talrijk waren, aan den anderen. Wij waren in eene ernstige stemming en wanneer wij een cachet, een potlood, een ring of een ander voorwerp, dat hem had toebehoord, in de handen kregen, spraken wij heel zachtjes. Wij hadden reeds heel wat pakken verzegeld en gingen er kalm mede voort, toen mijnheer Jorkins van wijlen zijn compagnon hetzelfde zei als wijlen zijn compagnon van hem altijd gezegd had:

„Mijnheer Spenlow was zeer moeilijk van een eenmaal opgevat denkbeeld af te brengen. Gij hebt hem gekend! Ik begin tot de meening over te hellen, dat hij geen testament heeft gemaakt.”

„O, zeker heeft hij er een gemaakt!” antwoordde ik. „Ik weet het zeker!”

Zij hielden beiden op en keken mij aan.

„Den dag van zijn dood,” vervolgde ik, „heeft hij mij nog verteld, dat hij er een had en dat zijne zaken reeds sinds langen tijd geregeld waren.”

Mijnheer Jorkins en de oude Tiffey schudden te gelijkertijd het hoofd.

„Dat zegt niet veel,” zei Tiffey.

„Heel weinig”, voegde mijnheer Jorkins er bij.

„Gij twijfelt er zeker toch niet aan...” begon ik.

„Beste mijnheer Copperfield!” hernam Tiffey, de hand op mijn arm leggende, terwijl hij met dichtgeknepen oogen het hoofd schudde, „als gij zoolang in de Commons geweest waart als ik, zoudt gij weten, dat er niets is waarop de menschen onbedachtzamer en minder te vertrouwen zijn dan op testamenten.”

„Wel, lieve Hemel, mijnheer Spenlow zei woordelijk hetzelfde!” riep ik uit, ongeschokt in mijne overtuiging.

„Ik durf bijna beweren, dat daarmede alles gezegd is,” hernam Tiffey. „Naar mijne overtuiging bestaat er geen testament.”

Het leek mij zoo wonderlijk toe, maar het kwam er toch op neer, dat er geen testament was. Hij had er blijkbaar zelfs nooit aan gedacht er een te maken, want er was geen enkele aanwijzing tusschen zijne papieren te vinden, geen aanteekeningen, geen schema, niets, dat op een testament betrekking had. Hetgeen mij eigenlijk nog minder verbaasde was, dat zijne zaken in de grootste wanorde waren. Naar ik vernam was het uiterst moeielijk te bepalen hoeveel schuld hij had, wat betaald was, hoeveel hij op dit oogenblik van zijn overlijden eigenlijk bezat. Het was duidelijk, dat hij het in de laatste jaren zelf niet geweten had. Langzamerhand kwam aan het licht, dat hij, om mede te doen aan den wedstrijd in „het ophouden van het fatsoen en het maken van veel vertoon,” waarvoor de Commons in deze dagen bekend was, meer verteerd had dan zijne betrekking hem opbracht, hetgeen niet veel was, zoodat zijn vermogen, dat waarschijnlijk nooit heel groot geweest was, langzamerhand was ingekrompen. Er had te Norwood eene verkooping plaats van roerende en onroerende eigendommen, en Tiffey, niet wetende hoeveel belang ik daarin stelde, fluisterde mij in, dat hij, na aftrek van al de uitstaande schulden en van alle twijfelachtige en kwade posten van de firma, geen duizend pond voor de geheele nalatenschap zou willen geven.

Dit had plaats na verloop van zes weken. Gedurende al dien tijd had ik als 't ware op de pijnbank gelegen en de gedachte was bij mij opgekomen om de hand aan mij zelven te slaan, want juffrouw Mills berichtte mij, dat Dora in hare droefheid, mijn naam hoorende, nog niets anders geroepen had dan: „o, mijn beste papa! o, mijn arme papa!” Ook deelde zij mij mede, dat Dora geen andere familie had dan twee tantes, ongehuwde zusters van haar vader, die te Putney woonden en sinds vele jaren bijna geen omgang hadden gehad met haar broeder. Wel is waar had men nooit oneenigheid gehad, zoo schreef juffrouw Mills, maar bij gelegenheid van Dora's doopfeest waren zij op de thee genoodigd geweest, terwijl zij meenden recht te hebben om op het middagmaal genoodigd te worden. Zij hadden toen schriftelijk bericht gezonden, dat het vermoedelijk „voor het geluk van beide partijen” maar beter was dat zij weg bleven. Sinds dien tijd waren zij haar eigen weg gegaan en haar broeder den zijne.

Deze beide dames nu doken plotseling uit hare afzondering op en stelden Dora voor te Putney te komen wonen. Dora viel hare tantes om den hals en riep met tranen in de oogen uit: „O, ja, tantes! Neem Julia Mills en mij en Jip mede naar Putney!” En weinige dagen na de begrafenis waren zij reeds vertrokken.

Hoe ik tijd vond om naar Putney te gaan, kan ik niet met zekerheid zeggen; een feit is het echter, dat ik mij de gelegenheid verschafte en meer dan eens in de buurt ronddoolde. Ten einde hare plichten als trouwe vriendin naar behooren na te komen, hield juffrouw Mills een dagboek aan; nu en dan bracht zij mij op de Commons een bezoek en las het mij voor, of—als zij daarvoor den tijd miste—leende zij het mij. Welk een schat waren de korte aanteekeningen voor mij! Ik zal er eene proeve van laten volgen:

„Maandag. Mijn lieve D. nog zeer neerslachtig. Hoofdpijn. Opmerkzaam gemaakt op J.'s gladde vel. D. liefkoosde J. Herinneringen opgewekt. Stroom van tranen. Geheel onder den indruk van smart. (Zijn tranen de dauwdroppelen van het hart? J. M.).

„Dinsdag. D. slap en zenuwachtig. Allerliefst in hare bleekheid. (Merken wij dit ook niet op in het maanlicht? J. M.). D., J. M. en J. maakten een rijtoer. J. kijkt uit het portier, blaft vreeselijk tegen een straatveger. D. glimlacht. (Uit zulke lichte schakels is de keten, die leven heet, samengesteld! J. M.)

„Woensdag. D. tamelijk opgewekt. Voor haar gezongen, bij hare gemoedsstemming passend. Avondklokken. Uitwerking niet als verwacht. Vond haar later snikkend in eigen kamer. Verzen opgezegd. Zonder uitwerking. J. M.

„Donderdag. D. zeer veel beter. Slaapt ook beter. Wangen lichten blos overtogen. Besloten den naam te noemen van D. C. Voorzichtig gesprek op hem gebracht gedurende wandeling. D. onmiddellijk in snikken uitgebarsten. „O, lieve, beste Julia! O, ik ben een ongehoorzaam en slecht kind geweest!” Tot kalmte gebracht en geliefkoosd. Tafereel geschetst van D. C. op den rand van het graf. D. nogmaals snikken. „O, wat moet ik doen, wat moet ik doen? O, breng mij ergens heen!” Angstig geworden. D. in zwijm; glas water aan een herberg. (Poëtische overeenkomst. Bont geschilderd uithangbord, bont als 't menschelijk leven! Helaas! J. M.).

„Vrijdag. Woelige dag. Een man komt in de keuken met een blauwen zak, vraagt naar de dameslaarsjes, om er hakjes onder te zetten. Keukenmeid antwoordt: Weet van niets. Man houdt vol. Keukenmeid gaat heen om te vragen, laat man alleen met J. Keukenmeid komt terug; man blijft volhouden, verdwijnt eindelijk. J. vermist. D. wanhopend. Bericht gezonden aan politie. Man beschreven met breeden neus en lange beenen. Overal gezocht. Geen J.; D. schreit bittere tranen, is ontroostbaar. Weder voor haar gezongen; toepasselijk maar vruchteloos. Tegen den avond gebeld door vreemden jongen. In de spreekkamer gebracht. Breede neus, maar korte beenen. Zegt dat hij een pond moet hebben en een hond weet te vinden. Bereid nader te verklaren, maar heeft haast. D. geeft een pond; keukenmeid met jongen mede naar een klein huisje, waar J. aan tafelpoot vastgebonden ligt. Vreugde van D. die om J. heen danst, terwijl J. zijn avondeten gebruikt. Aangemoedigd door gelukkige wending, noem op de trap den naam van D. C.; D. opnieuw in tranen, roept: „Och neen! Och neen! Niet doen! Het is zoo slecht aan iemand anders te denken dan aan dien armen papa!”—Kust J. en snikt zich in slaap. (Vertrouwt D. C. op den breeden wiekslag des Tijds? J. M.)”

Juffrouw Mills en haar dagboek waren in deze dagen mijn eenige troost. Iemand te zien, die Dora nog zoo kort geleden gezien had—Dora's naam op te sporen in de bladzijden van het dagboek, dat zij uit medelijden met mij aanhield—mij door haar hoe langer hoe ongelukkiger te maken—dat was mijn eenige troost. Ik had een gevoel, alsof ik gewoond had in een kaartenhuis, dat was omgevallen, alsof ik met juffrouw Mills alleen tusschen de puinhoopen was overgebleven; alsof een booze toovenaar een tooverkring had getrokken om de reine godin van mijn hart, dien ik alleen zou kunnen binnendringen op de sterke, breede vleugels, die reeds zoo menigeen hebben gedragen.

XXXIX.

Wickfield en Heep.

Tante begon zich ongerust te maken over mijne voordurende somberheid en achtte dientengevolge eene afleiding noodig. Zij wendde voor dat zij wel eens wilde weten, hoe haar huisje te Dover bewoond werd en of de huurder ook genegen zou zijn den huurtermijn te verlengen. Ik moest dus eens naar Dover gaan.

Janet was door mevrouw Strong in dienst genomen, waar ik haar elken dag zag. Eer zij Dover verliet, had zij geaarzeld of zij al of niet de kroon zou zetten op tante's aanmaningen om het sterke geslacht af te zweren, door met een loods te trouwen; maar zij had het waagstuk niet durven ondernemen. Naar het mij toescheen, gaven hare principes minder den doorslag dan het feit dat zij niet van hem hield.

Hoewel het mij moeite kostte juffrouw Mills te verlaten, kon ik mij toch wel met tante's voorstel vereenigen, aangezien het mij in de gelegenheid zou stellen om eenige uren met Agnes door te brengen. Ik verzocht den goeden doctor mij drie dagen vacantie toe te staan, waarin hij niet slechts bewilligde, maar hij achtte het bepaald noodig dat ik langer zou uitblijven, waartegen mijn ijver en mijn plichtsgevoel zich verzetten—ik besloot dus te gaan.

Met de Commons behoefde ik het zoo nauw niet te nemen. Om de waarheid te zeggen, begon ons kantoor bij de proctors van den eersten graad in eene minder goede reuk te staan en kwam het langzamerhand zelfs in eene zeer dubbelzinnige positie. Onder het bestuur van mijnheer Jorkins, dus vóór mijnheer Spenlow's tijd, hadden de zaken niet veel beteekend en ofschoon laatstgenoemde, voornamelijk door veel vertoon te maken, er wat meer leven had ingebracht, steunde het toch niet op zulke solide grondslagen, dat het plotselinge verlies van den eigenlijken beheerder geen gevoeligen schok zou te weeg brengen. De inkomsten verminderden bij den dag, te meer wijl mijnheer Jorkins, niettegenstaande zijn goeden naam, iemand was met weinig ijver en geestkracht. Ik stond nu geheel onder hem en wanneer ik hem daar zag zitten snuiven in stede van zaken doen, betreurde ik tante's duizend pond meer dan ooit.

Dit was evenwel nog niet het ergst. Er waren een aantal beunhazen, die, zonder zelf proctor te zijn, op eigen hand allerlei kleine zaakjes aannamen en door wezenlijke proctors lieten bezorgen. Deze ontvingen dan een evenredig aandeel van de buit en—zoo waren er bij tientallen. Aangezien ons kantoor ook zaken moest doen, sloten wij ons bij dat edele gezelschap aan en wierpen lokaas uit naar de beunhazen, opdat zij met hunnen zaakjes naar ons zouden komen. Huwelijks-licentiën en kleine certificaten van echtheid, dat was alles wat wij hiervan verwachtten en werd ook het best betaald; de mededinging was echter groot. Wervers en ronselaars hielden alle toegangen tot de Commons bezet en hadden de opdracht alle personen in rouwgewaad en alle heeren, die een weinig verlegen schenen, aan te houden en naar het kantoor van hun lastgever te brengen. En hoe aan deze opdrachten voldaan werd, daarvan ontving ik persoonlijk het bewijs, aangezien ik zelf, eer men mij kende, twee malen het kantoor van onzen hevigsten tegenstander werd binnengedrongen. De tegenstrijdige belangen van deze klanten-zoekende heeren waren uiterst geschikt om nu en dan de hartstochten te prikkelen, zoodat zij niet zelden tot handtastelijkheden aanleiding gaven en eenmaal liep onze voornaamste werver, die vroeger in den wijnhandel en daarna uitdrager geweest was, tot schande van de Commons, met een blauw oog. Een van deze kerels ontzag zich zelfs niet eene oude dame in den rouw uit het rijtuig te helpen, haar te vertellen dat de proctor, naar wien zij vroeg, overleden was en haar te brengen naar den proctor, voor wien hij werver was, zijnde deze volgens zijne bewering de opvolger van den overledene. Menigeen werd op deze wijze om den tuin geleid. Huwelijks-licentiën waren zoo gewild, dat een bedeesd heer, die er een noodig had, niets behoefde te doen dan zich aan den eersten den besten werver over te geven, of, wilde hij om zich laten vechten, de buit van den sterkste te worden. Een van onze klerken had de gewoonte aangenomen, om, wanneer het gevecht in vollen gang was, met den hoed op voor het venster te gaan zitten, opdat hij gereed zou zijn om onmiddellijk naar het bureau van beëediging te loopen wanneer de prooi ons ten deel viel. Dit werfsysteem bestaat, als ik mij niet bedrieg, op dit oogenblik nog. Toen ik de laatste maal op de Commons kwam, schoot een man met een fatsoenlijk uiterlijk, eene flinke houding en een wit voorschoot op mij af en fluisterde mij in: „Huwelijks-licentie,” waarna het mij groote moeite kostte hem te beletten mij in zijne armen te nemen, en bij een proctor te brengen.

Volgt mij na deze uitweiding naar Dover. Ik vond het huisje in den besten toestand en kon tante de verblijdende en geruststellende mededeeling doen, dat de huurder hare grieven tegen de ezels had overgenomen en in voortdurenden oorlog verkeerde met de drijvers. Nadat ik mijne zaken te Dover had afgedaan, bleef ik er een nacht over en wandelde in den vroegen morgen naar Canterbury. Het was winter en de frissche koude, de zeelucht en het gezicht op de golvende duinen brachten mij in eene stemming, waarin mijne hoop werd verlevendigd.

Te Canterbury aangekomen, bleef ik eenigen tijd door de straten slenteren om in stilte te genieten van allerlei herinneringen. Daar waren de oude uithangborden, de oude namen boven de winkels, de oude gezichten achter de toonbanken. Het scheen mij zoo lang geleden dat ik hier als schooljongen rondliep, zoodat ik mij verbaasde het plaatsje zoo weinig veranderd te vinden, tot ik bedacht hoe weinig ik zelf eigenlijk veranderd was. Het moge vreemd klinken, maar het gevoel van kalmte, dat in mijne ziel onafscheidelijk aan Agnes verbonden was, scheen zelfs te zijn overgegaan op de stad harer inwoning. De statige torens van de kathedraal; de oude kraaien en kauwen, wier stemmen, zoo hoog in de lucht, de stilte nog meer in het oog deden vallen; de vervallen portalen, eens vol heiligenbeelden, die nu reeds sinds langen tijd waren neergehaald en tot stof vergaan, evenals de eerwaarde pelgrims, die ze vol eerbied hadden aangestaard; de ouderwetsche huizen; het landelijk uitzicht over velden, boomgaarden en tuinen; de stille hoekjes, verborgen achter eeuwenoud klimop .... overal, over alles hetzelfde plechtig waas, overal dezelfde kalmte, die niet kon nalaten een weldadigen invloed op mij te oefenen.

Toen ik aan de woning van mijnheer Wickfield kwam, vond ik in het uitgebouwde kamertje, waarin Uriah Heep gewoonlijk zat, thans mijnheer Micawber druk aan het schrijven. Hij was deftig gekleed in een zwart pak en scheen in dit kleine kamertje zwaarder en breeder dan ooit.

Mijnheer Micawber was blijde mij te zien, maar toch ook een weinig verlegen. Hij zou mij gaarne terstond naar Uriah gebracht hebben, maar dat aanbod sloeg ik af.

„Ik ken den weg in huis uit vroeger dagen, zooals gij u wel zult herinneren,” antwoordde ik, „zijt gij al goed thuis in de wetten, mijnheer Micawber?”

„Mijn beste Copperfield,” zei hij, „voor een man, wiens geest gaarne een hooge vlucht neemt, heeft het bestudeeren der wetten een groot bezwaar omdat er zooveel details bij zijn in acht te nemen. Zelfs in de Ambts-correspondentie,” ging hij voort met een blik op eenige brieven, die hij geschreven had, „is het niet geoorloofd zijne gedachten in een meer verheven vorm te gieten. Toch is het een schoon beroep! Een schoon beroep!”

Daarna vertelde hij mij, dat hij het oude huis van de Heeps gehuurd had en dat mevrouw Micawber zonder twijfel zeer vereerd zou zijn, indien zij mij nog eens onder haar dak zou mogen zien. „Het is zeer nederig,” vervolgde mijnheer Micawber, „om de geliefkoosde uitdrukking van mijn vriend Heep te gebruiken,—maar ik hoop, dat het als overgang zal dienen tot eene woning met meer geriefelijkheden.”

Ik vroeg hem of hij tot nog toe tevreden was over de behandeling, die hij van zijn vriend Heep ondervond. Hij stond op, ten einde zich te overtuigen dat de deur gesloten was, en antwoordde toen op fluisterenden toon: