Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 58

Chapter 583,923 wordsPublic domain

Ik zou zulk eene zitting wel eens elders hebben willen zien! Tante en mijnheer Dick representeerden de Regeering of, naar gelang van het onderwerp, de rechter of linkerzijde en Traddles slingerde hen met behulp van Enfield's Speaker of van een echt Parlementsverslag de bitterste verwijten naar het hoofd. Bij de tafel staande, met den wijsvinger bij de plaats waar hij was, geleek hij op Pitt, Fox, Sheridan, Burke, Lord Castlereagh of Canning en stortte, gloeiend van verontwaardiging over de verdorvenheid en losbandigheid van tante en mijnheer Dick, de fiolen van zijn toorn over hen uit; terwijl ik, op eenigen afstand met mijn aanteekenboekje op de knieën, al mijn krachten inspande om hem woord voor woord te volgen. Zijne inconsequentie, zijn dolzinnig doorslaan zou geen echt staatsman hem verbeterd hebben. Binnen eene week veranderde hij herhaalde malen van stelsel en zeilde onder alle mogelijke vlaggen. Tante zat gewoonlijk zoo onbewegelijk als een kanselier van de schatkist en wierp er nu en dan eens een „Hoort! Hoort!” of „Neen! Neen!” of „O, o!” tusschen, al naar mate de inhoud dit vorderde; hetgeen voor mijnheer Dick, die zijne rol als landheer volmaakt speelde, het teeken was om met luide stem dezelfde kreten aan te heffen. Mijnheer Dick werd echter in zijne qualiteit van Parlementslid van zulke dingen beschuldigd en voor zóóveel vreeselijke gevolgen verantwoordelijk gesteld, dat het hem nu en dan angstig te moede werd. Ik geloof, dat hij nu en dan werkelijk vreesde iets op zijn geweten te hebben, waardoor Engeland's grondwet of Engeland's vrijheid in gevaar was gebracht.

Meer dan eens zetten wij de debatten voort tot middernacht of tot de kaarsen waren uitgebrand, en het resultaat van deze practische oefeningen was, dat ik langzamerhand Traddles vrij wel kon volgen en zeer tevreden zou zijn geweest, als ik uit hetgeen ik opgeschreven had maar eenigszins had kunnen wijs worden. Maar ik zou even goed de kaballistische teekens van eenige dozijnen Chineesche theekopjes of de etiquetten van al de roode en groene flesschen in een apothekerswinkel hebben kunnen copiëeren.... niemand kon er uit wijs worden en ik zelf evenmin!

Er was niets aan te doen dan opnieuw te beginnen. Het was wel hard, maar ik begon opnieuw, al was het met een bezwaard hart en legde met ijver en stelselmatig nogmaals denzelfden weg in slakkengang af, telkens stil staande om elk puntje, elk bochtje in den weg van alle kanten te bekijken; terwijl ik de wanhopendste pogingen deed om die onverstaanbare teekens, overal waar ik ze tegenkwam, op het eerste gezicht te herkennen. Ik was altijd prompt op mijn tijd op het kantoor en bij den doctor en werkte, zooals de algemeene uitdrukking luidt, als een koetspaard.

Op zekeren dag, als naar gewoonte op het kantoor komende, vond ik mijnheer Spenlow in de gang; hij keek zeer ernstig en praatte voortdurend in zich zelven. Aangezien hij wel eens over hoofdpijn klaagde—hij had een bijzonder korten hals en ik geloof nog dat er te veel stijfsel in zijne boorden gedaan werd—meende ik dat er in dien zin iets niet in orde was; maar hij verloste mij spoedig uit mijne ongerustheid. In plaats van, zooals gewoonlijk, mijn „Goeden morgen” op minzame wijze te beantwoorden, keek hij mij uit de hoogte zeer plechtig aan, terwijl hij mij op ijskouden toon uitnoodigde hem te vergezellen naar een zeker koffiehuis, dat in die dagen met de Commons gemeenschap had door de overwelfde gang op het St. Paulskerkhof. Ik gehoorzaamde, niets op mijn gemak en met een warm, prikkelend gevoel, alsof de vrees, die mij bekroop, door mijn huid naar buiten drong. Toen ik hem eenige schreden liet vooruitgaan, omdat het gangetje te nauw was om naast elkander te loopen, merkte ik op, dat hij zijn hoofd droeg op eene wijze, die weinig goeds beloofde, en bekroop mij de angst, dat hij iets van mijne verhouding tot Dora ontdekt had.

Al had ik dit op weg naar het koffiehuis niet reeds vermoed, ik zou zonder twijfel op dezelfde gedachte gekomen zijn, toen ik, hem naar een opkamertje volgend, juffrouw Murdstone zag zitten met den rug naar het buffet, waarop verscheidene omgekeerde bierglazen stonden, met citroenen er op, benevens twee vreemdsoortige bakjes, met randen en gleuven om messen en vorken in te steken, die, gelukkig voor de menschheid, tegenwoordig uit de mode zijn.

Juffrouw Murdstone gaf mij één ijskouden vingertop en bleef kaarsrecht zitten. Mijnheer Spenlow sloot de deur, verzocht mij een stoel te nemen en ging zelf met den rug naar den haard staan.

„Heb de goedheid, juffrouw Murdstone, aan mijnheer Copperfield te laten zien, wat gij in uw reticule hebt,” zei hij.

Ik geloof waarlijk, dat het dezelfde reticule met den stalen beugel was, die mij in mijn jeugd zooveel angst had aangejaagd, die nijdige reticule, die toeklapte als de muil van een wild dier. Met de lippen op elkaar, in overeenstemming met den beugel, opende juffrouw Murdstone eerst haar mond een weinig en toen den tasch geheel en—haalde er mijn laatsten brief aan Dora uit te voorschijn, vol teedere betuigingen van mijne onveranderlijke liefde.

„Ik meen dat dit uw schrift is, mijnheer Copperfield?” zei mijnheer Spenlow.

Ik gloeide in- en uitwendig en de stem, die ik hoorde, toen ik antwoordde: „Dat is het, mijnheer!” geleek niets op mijn gewoon stemgeluid.

„Vergis ik mij niet,” hernam mijnheer Spenlow, toen juffrouw Murdstone uit haar reticule een geheel pakje brieven te voorschijn haalde, saamgebonden met het sierlijkste blauwe lintje, dat ik ooit gezien heb, „vergis ik mij niet dan zijn ook deze van uwe hand?”

Ik nam ze met een wanhopend gevoel van haar aan en toen ik van eenige den aanhef in het oog kreeg, als „Mijne innig geliefde en eenige Dora! Liefste Engel! Mijn allerliefste vrouwtje!” en dergelijke, bloosde ik als een schooljongen en boog het hoofd.

„Neen, dank u!” zei mijnheer Spenlow op ijskouden toon, toen ik hem werktuigelijk het pakje wilde teruggeven, „ik zal er u niet van berooven. Wees zoo goed voort te gaan, juffrouw Murdstone.”

Nadat dit beminnelijk wezen eenige oogenblikken peinzend op het vloerkleed gestaard had, sprak zij op zalvenden toon.

„Ik moet bekennen, dat ik juffrouw Spenlow reeds eenigen tijd verdacht heb van meer aandacht te schenken aan mijnheer Copperfield dan mij gepast toescheen. Ik was tegenwoordig bij de eerste ontmoeting van juffrouw Spenlow en mijnheer Copperfield en ontving daarvan geen aangenamen indruk. De bedorvenheid van het menschelijk hart is zulk....”

„Gij zult mij verplichten, juffrouw, u tot de zaak zelve te bepalen,” zoo viel mijnheer Spenlow haar in de rede.

Juffrouw Murdstone sloeg de oogen neer, schudde het hoofd alsof zij haar ongenoegen te kennen gaf over de onbetamelijke wijze, waarop mijnheer Spenlow haar in de rede viel, en hernam met gefronst voorhoofd en op nog plechtiger toon:

„Als ik mij dan alleen tot daadzaken bepalen moet, zal ik ze zoo droog mogelijk vermelden. Wellicht zal eene dergelijke behandeling van de feiten meer in den smaak vallen. Ik heb reeds gezegd, mijnheer Spenlow, dat ik sinds eenigen tijd achterdocht koesterde. Meermalen heb ik getracht onomstootelijke bewijzen te vinden voor de juistheid van mijne vermoedens, doch te vergeefs. Ik heb het daarom nagelaten juffrouw Spenlow's vader”—zij keek hem doordringend aan—„met mijne vermoedens lastig te vallen, wel wetende hoe weinig bijval men gewoonlijk ondervindt, wanneer men eenvoudig zijn plicht doet.”

Mijnheer Spenlow scheen verlegen te worden onder den stroeven, ernstigen toon van juffrouw Murdstone en onder hare mannen-manieren, zoodat hij, door met de hand te wuiven, haar tot wat zachtheid meende te kunnen stemmen.

„Bij mijne terugkomst uit Norwood, waarheen het huwelijk van mijn broeder mij gedurende eenigen tijd geroepen had,” ging juffrouw Murdstone op minachtenden toon voort, „en bij den terugkeer van juffrouw Spenlow van haar bezoek aan hare vriendin, mejuffrouw Mills, meende ik uit juffrouw Spenlow's wijze van doen te moeten opmaken, dat mijn achterdocht nog meer reden van bestaan had gekregen dan te voren. Ik bewaakte juffrouw Spenlow daarom met de grootste nauwgezetheid....”

Arme, lieve, zachte Dora! Argeloos onder de hoede van een draak!

„Toch,” hervatte juffrouw Murdstone, „vond ik geen bewijzen vóór gisterenavond. Het kwam mij voor, dat juffrouw Spenlow te veel brieven ontving van hare vriendin, juffrouw Mills; maar aangezien juffrouw Mills met de volledige toestemming van mijnheer Spenlow als vriendin van zijne dochter optrad,”—wederom een vinnigheid aan het adres van mijnheer Spenlow—„kon ik moeilijk tusschen beiden treden. Indien het mij niet veroorloofd is te wijzen op de aangeboren bedorvenheid van het menschelijk hart, mag ik..... neen, moet ik toch de vrijheid nemen, te spreken van misplaatst vertrouwen.”

Mijnheer Spenlow mompelde iets binnensmonds, dat op eene verontschuldiging geleek.

„Gisterenavond na de thee,” vervolgde juffrouw Murdstone, „zag ik hoe Jip opsprong en brommende met iets in den bek door de kamer rende. Ik vroeg aan juffrouw Spenlow: ‚Dora, wat heeft de hond daar in den bek? Het is een papier, als ik mij niet bedrieg.’ Juffrouw Spenlow bracht daarop de hand naar hare japon, gaf een gil en snelde den hond na. Ik kwam tusschen beiden en zei: ‚Lieve Dora, gij moet mij veroorloven dat papier te bekijken.’”

„O, Jip, ellendig beest! Zoo is het dus uw werk!”

„Juffrouw Spenlow,” ging het mensch voort, „trachtte mij wel over te halen met kussen en werkdoosjes en snuisterijen, maar.... 't spreekt van zelf.... dat laat ik rusten. Het hondje nam de wijk onder de sofa, toen ik naderkwam, en werd, na veel vergeefsche pogingen, met de tang er onder uitgejaagd. Het dier bleef echter het papier vasthouden en toen ik trachtte het hem af te nemen, op gevaar af dat hij mij bijten zou, hield hij het zoo stevig met zijn tanden vast, dat hij zich er aan liet ophalen. Eindelijk kreeg ik den brief echter in bezit en na dien gelezen te hebben, gaf ik juffrouw Spenlow te kennen, dat het volstrekt niet met haar rang en stand overeenkwam zulke brieven te ontvangen; ook vroeg ik haar of zij er nog meer had, waarop ik het pakje, dat David Copperfield op het oogenblik in zijne handen heeft, van haar in ontvangst nam.” Nu zweeg zij, klapte de reticule dicht, te gelijk met haar mond en keek alsof men haar wel breken, maar niet buigen kon.

„Gij hebt gehoord wat juffrouw Murdstone heeft gezegd,” sprak mijnheer Spenlow, zich tot mij wendende. „Mag ik nu van u weten wat gij daarop te antwoorden hebt?”

Het tafereel dat zich voor mijn geestesoog opdeed—mijn innig geliefd, zacht meisje, den geheelen avond snikkend en schreiend, geheel alleen, angstig en bedroefd; die meedoogenlooze vrouw smeekend en biddend om het haar te vergeven; hare vergeefsche pogingen om dat steenen hart te vermurwen met kussen, werkdoosjes en snuisterijen; haar wanhoop.... en dat alles ter wille van mij—dat tafereel joeg mijn weinigje manhaftigheid geheel op de vlucht. Ik vrees zelfs dat ik gedurende een of meer minuten stond te beven, ofschoon ik mijn best deed om het te verbergen.

„Ik kan er niets op zeggen, mijnheer,” antwoordde ik, „dan dat ik alleen de schuldige ben; Dora....”

„Juffrouw Spenlow, als ik u verzoeken mag,” zei haar vader uit de hoogte.

„——is door mij overreed,” dat koele ‚mejuffrouw Spenlow’, wilde mij niet over de lippen, „geheimhouding in acht te nemen; maar ik heb er bitter berouw van.”

„Uwe handelwijze is hoogst laakbaar, mijnheer,” sprak mijnheer Spenlow, op het haardkleed heen en weder loopende, terwijl hij met zijn geheele lichaam nadruk legde op zijne woorden—met het hoofd alleen, was hem onmogelijk tengevolge van zijne stijve, hooge boorden. „Gij hebt heimelijk en zeer ongepast gehandeld, mijnheer Copperfield. Wanneer ik een fatsoenlijk man bij mij ontvang, onverschillig of hij negentien of negentig jaar is, moet ik onvoorwaardelijk op hem kunnen vertrouwen. Schendt hij dat vertrouwen, dan pleegt hij eene oneerlijke handeling, mijnheer Copperfield.”

„Ik verzeker u, mijnheer, dat ik dit zeer goed voel,” antwoordde ik. „Ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Eerlijk, oprecht, inderdaad, mijnheer Spenlow, ik heb dat vroeger niet zoo ingezien. Ik heb juffrouw Spenlow zoo onuitsprekelijk lief....”

„Och wat! Dwaasheid!” antwoordde mijnheer Spenlow met eene hoogroode kleur. „Vertel mij nu niet in mijn gezicht dat gij mijne dochter lief hebt, mijnheer Copperfield!”

„Zou ik mijne handelwijze kunnen verdedigen, indien ik haar niet liefhad, mijnheer?” antwoordde ik op nederigen toon.

„Kunt gij uwe handelwijze verdedigen, indien het wel zoo is, mijnheer?” vroeg mijnheer Spenlow, terwijl hij op het haardkleed bleef staan. „Hebt gij uw eigen leeftijd en dien van mijne dochter in aanmerking genomen, mijnheer Copperfield? Hebt gij wel bedacht wat het zegt het vertrouwen te schokken, dat tusschen mijne dochter en mij dient te bestaan? Hebt gij bedacht welke positie mijne dochter in de maatschappij bekleedt, welke plannen ik wellicht voor hare toekomst hebben mag, welke testamentaire beschikkingen ik ten opzichte van mijne dochter voornemens ben te nemen? Hebt gij wel iets daarvan overwogen, mijnheer Copperfield?”

„Heel weinig, naar ik vrees,” antwoordde ik zoo eerbiedig en berouwvol als mij mogelijk was; „ik verzoek u echter vriendelijk mij te willen gelooven, indien ik u zeg, dat ik mijn eigen wereldlijke positie wel heb overwogen. Toen ik u die meedeelde, waren wij reeds geëngageerd....”

„Ik _verzoek_ u,” zei mijnheer Spenlow, die, zooals hij daar stond en met de eene hand in de andere sloeg, sprekend op Punch geleek; zelfs in mijne wanhoop moest ik deze vergelijking opmerken—„ik verzoek u niet te spreken van _geëngageerd zijn_, mijnheer Copperfield!”

De anders zoo onverstoorbare juffrouw Murdstone kon niet nalaten even een minachtend lachje te laten hooren.

„Toen ik u meedeelde, welke wijziging er in mijne omstandigheden gekomen was,” hernam ik, een nieuwen vorm kiezende voor hetgeen ik te zeggen had, „was de ongelukkige afspraak reeds gemaakt tusschen juffrouw Spenlow en mij. Sinds deze wijziging in mijne omstandigheden heb ik al mijne krachten ingespannen, alles wat mogelijk was gedaan om ze te verbeteren. Mettertijd zullen ze beter worden, daarvan ben ik overtuigd. Wilt gij een tijdstip bepalen, waarop ik u Dora.... juffrouw Spenlow's hand mag komen vragen? Het doet er niet toe of het nog wat ver verwijderd zij, want wij zijn beiden nog jong, mijnheer.”

„Gij hebt gelijk,” antwoordde mijnheer Spenlow, verscheidene malen met zijn hoofd knikkende en met gefronste wenkbrauwen, „gij zijt beiden nog erg jong. Laat de dwaasheid dan ook uit zijn. Neemt gij dat pakje brieven mede en werp ze in het vuur. Geef mij de brieven van juffrouw Spenlow om ze in het vuur te werpen en, hoewel onze omgang, zooals gij wel begrijpen zult, zich voortaan bepalen moet tot de Commons, zullen wij het verleden laten rusten. Kom, mijnheer Copperfield, gij hebt gezond verstand genoeg en deze wijze van handelen is de verstandigste.”

Neen; ik kon dat onmogelijk toestemmen. Het speet mij wel, maar in dit geval kon ik onmogelijk het verstand alleen aan het woord laten. De liefde gaat boven alle aardsche bedenkingen en ik had Dora lief boven alles en zij had mij lief. Ik zei dit niet ronduit, ik verzachtte het zooveel mogelijk; maar ik gaf het toch duidelijk genoeg te kennen en bleef standvastig. Ik geloof niet dat ik mij erg belachelijk aanstelde; hoe het echter zij—ik bleef standvastig.

„Welnu, mijnheer Copperfield,” zei mijnheer Spenlow; „dan zal ik beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen.”

Juffrouw Murdstone gaf door een bijzonder geluid, of eene langgerekte ademhaling, die zoowel aan een zucht als aan gekerm deed denken, te kennen, dat hij hiermede had moeten beginnen—ten minste, dit kwam mij zoo voor.

„Ik moet beproeven welken invloed ik op mijne dochter kan oefenen,” herhaalde mijnheer Spenlow. „Zijt gij van plan die brieven mede te nemen, mijnheer Copperfield?”—ik had ze naast mij op de tafel gelegd.

Ik zei hem dat hij dit, naar ik hoopte, niet euvel zou duiden, maar ik kon ze onmogelijk aannemen van juffrouw Murdstone.

„Ook niet van mij?” vroeg mijnheer Spenlow.

„Neen,” antwoordde ik met eene diepe buiging, „ook niet van u.”

„Heel goed,” zei mijnheer Spenlow.

Er volgde nu eene pijnlijke stilte; ik wist niet of ik zou heengaan of blijven. Eindelijk begon ik eene beweging te maken in de richting van de deur, met het plan te zeggen, dat ik hem vermoedelijk het meest genoegen zou doen met heen te gaan, toen hij, hoewel met moeite, de handen in zijne rokzakken stak en met eene.... ik zal maar zeggen—vrome stem zei:

„Het is u waarschijnlijk niet onbekend, mijnheer Copperfield, dat ik niet geheel ontbloot ben van aardsche goederen en dat mijne dochter mijne naaste en liefste bloedverwante is?”

Ik haastte mij hem hierop te antwoorden, dat ik overtuigd was gedwaald te hebben, maar dat hij mij niet van baatzuchtigheid moest beschuldigen. Mijne eenige drijfveer was waarachtige liefde geweest.

„Het is niet mijne bedoeling de zaak uit dat oogpunt te beschouwen,” antwoordde mijnheer Spenlow. „Het zou voor u en voor ons allen beter geweest zijn als gij uit baatzucht gehandeld hadt, mijnheer Copperfield.... ik bedoel, als gij wat minder hadt toegegeven aan zulke jeugdige dwaasheid. Neen, ik heb eene geheel andere bedoeling met de vraag of het u bekend is, dat ik mijn kind eenig vermogen zal nalaten?”

„Zeker heb ik dat ondersteld.”

„Met de ondervinding, die wij in de Commons dagelijks opdoen, ten aanzien van de achteloosheid en onverantwoordelijke onverschilligheid van vele menschen, waar het testamentaire beschikkingen betreft, zult gij ook begrijpen, dat mijn testament in volmaakte orde is.”

Ik boog toestemmend.

„Ik zou niet gaarne zien,” hernam mijnheer Spenlow, blijkbaar geheel meegesleept door zijne vroomheid, met het hoofd knikkend en op teenen en hielen balanceerend, „ik zou niet gaarne zien dat de voorzieningen, door mij in het belang van mijn kind getroffen, ten gevolge van eene jeugdige dwaasheid als deze, wijzigingen moesten ondergaan. Het is louter dwaasheid. Over eenigen tijd zult gij die beiden vergeten zijn. Mocht er echter aan deze dwaze geschiedenis niet spoedig een einde komen, dan zou.... dan zou ik mij wel eens genoodzaakt kunnen voelen maatregelen te nemen, opdat mijne dochter niet het slachtoffer zou worden van een onbezonnen stap. Ik hoop, mijnheer Copperfield, dat gij mij niet zult noodzaken die afgesloten bladzijde uit mijn levensboek ook maar voor een kwartier nader in overweging te nemen.”

Hij zei dit alles met eene plechtigheid en eene kalmte, die mij wel moesten treffen. Hij was zoo kalm en gelaten—blijkbaar waren zijne zaken volgens eene bepaalde methode eens vooral geregeld—dat de gedachte aan eene wijziging hem wel moest aandoen. Ik meende zelfs tranen in zijne oogen te bespeuren. Maar, wat kon ik doen? Ik kon toch Dora en mijn eigen hart niet verloochenen. Kon ik zeggen dat ik geen bedenktijd wilde hebben, toen hij mij eene week aanbood, omdat ik wel wist dat de tijd geene verandering zou brengen in mijne liefde voor Dora?

„Bespreek intusschen de zaak eens met juffrouw Trotwood of met andere personen, die wat meer levenservaring hebben dan gij,” hernam mijnheer Spenlow, zijn das naar de hoogte trekkende. „Neem eene week bedenktijd, mijnheer Copperfield.”

Ik zwichtte en verliet met een gelaat, waaraan ik eene uitdrukking van wanhopige standvastigheid trachtte te geven, de kamer. Juffrouw Murdstone's zware wenkbrauwen volgden mij tot de deur—ik spreek van de wenkbrauwen in stede van de oogen, omdat de eersten in haar gelaat de grootste rol speelden—en zag er zoo volkomen eender uit als in dezelfde morgenuren in onze huiskamer te Blunderstone, dat mij weder hetzelfde gevoel bekroop, als wanneer ik in mijn les was blijven steken; ik meende dat de looden last, die mij drukte, niets anders was dan dat afschuwelijke spelboek met de ovale houtsneefiguren, die in mijne jeugdige verbeelding het meest op brilleglazen leken.

Toen ik het kantoor binnentrad en den ouden Tiffey en de overige klerken met de hand groette, aan mijne schrijftafel plaats nam, in het voor mij bestemde hoekje en nadacht over het voorgevallene, dat even plotseling was opgekomen als een aardbeving, was mijn hart met bitterheid vervuld tegen Jip en kwelde mij de gedachte, hoe Dora onder dit alles zou lijden, zóó, dat het mij nog verbaast waarom ik mijn hoed niet opgezet heb en in één adem door naar Norwood geloopen ben. Het denkbeeld, dat men haar angst zou aanjagen en aan het schreien brengen, en dat ik niet bij haar was om haar te troosten, was zoo onuitstaanbaar, dat ik niet kon nalaten een hartstochtelijken brief aan mijnheer Spenlow te schrijven, waarin ik hem in hartroerende woorden smeekte haar in geenen deele voor mijne ondoordachte handelwijze aansprakelijk te stellen. Ik smeekte hem haar te sparen—de teere bloem niet te knakken—en schreef, voor zoover ik mij herinner, in het algemeen alsof hij, in stede van haar vader, een menscheneter of een draak was. Ik verzegelde den brief en legde dien op zijne tafel voor hij terugkwam; en later zag ik door de half geopende deur, dat hij hem opnam en las.

Hij sprak dien geheelen morgen geen woord, maar vóór hij dien namiddag heenging, riep hij mij binnen en zei, dat ik mij volstrekt niet bezorgd behoefde te maken voor het wel en wee van zijne dochter. Hij had mij verzekerd, dat het een dwaasheid was en hij zou dit zijne dochter ook verzekeren. Hij meende een toegevende vader te zijn—dit was hij inderdaad—zoodat ik mij volstrekt niet ongerust behoefde te maken over zijne dochter.

„Gij zoudt mij daartoe noodzaken, Copperfield, wanneer gij onverstandig of koppig waart,” ging hij voort. „Ik zou mijne dochter voor eenigen tijd buitenlands moeten zenden.... ik heb echter betere gedachten van u; ik hoop dat gij verstandig zijn zult. Wat juffrouw Murdstone betreft”—ik had in mijn brief ook haar naam genoemd—„ik heb groote achting voor de waakzaamheid, die deze dame betoont, en ben haar zeer veel verplicht; maar zij heeft den last ontvangen het onderwerp te vermijden. Alles wat ik verlang, mijnheer Copperfield, is dat de zaak vergeten worde. Alles wat gij te doen hebt, mijnheer Copperfield, is, mejuffrouw Spenlow te vergeten.”

Alles! In het briefje, dat ik aan juffrouw Mills schreef, haalde ik deze laatste woorden aan. Alles, wat ik te doen had, schreef ik, op spottenden toon, was Dora te vergeten. Dat was alles en wat beteekende dat? Ik verzocht haar dien avond een bezoek te mogen brengen. Kon dit niet zonder mijnheer Mills' toestemming en medeweten, dan zou ik haar gaarne even in het geheim spreken, in de achterkeuken, waar de mangel stond. Ik schreef haar, dat ik op het punt was om mijn verstand te verliezen en dat zij alleen redding kon aanbrengen. Ik teekende mij „haar waanzinnige” en toen ik het epistel overlas, alvorens het door den portier van de Commons te laten wegbrengen, meende ik er den stijl van mijnheer Micawber in te herkennen. Toch zond ik het weg en des avonds wandelde ik in de straat op en neer, tot ik door de dienstmeid van juffrouw Mills binnengelaten en langs den kortsten weg naar de achterkeuken gebracht werd. Ik heb reden om te gelooven, dat er volstrekt geen aanleiding bestond om mij niet door de hoofddeur binnen en in het salon te laten, behalve juffrouw Mills' zucht naar het romantische en geheimzinnige.

In de achterkeuken stelde ik mij aan, alsof ik werkelijk waanzinnig was. Ik geloof eigenlijk, dat ik er alleen met dat doel was heengegaan, maar ik ben overtuigd, dat ik het deed. Juffrouw Mills had een haastig geschreven briefje gekregen van Dora, waarin deze haar meedeelde dat alles ontdekt was en dat eindigde met het verzoek: „O, Julia, kom bij mij, kom bij mij!” Juffrouw Mills, niet wetende of haar komst wel in den smaak zou vallen van de hoogere machten, was nog niet gegaan en zoo doolden wij nu alle drie rond in de woestijn, de Sahara.