Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 57

Chapter 573,964 wordsPublic domain

Mijne nieuwe levenswijze had reeds langer dan eene week geduurd en ik voelde mij sterker dan ooit om alle plannen, die ik met het oog op de omstandigheden gevormd had, ten uitvoer te brengen. Ik bleef nog altijd hard loopen en werd steeds vervolgd door het denkbeeld, dat ik moest trachten vooruit te komen. Ik moest zooveel van mij zelven vergen als mogelijk was en bij alles wat ik deed, maakte ik het mij tot eene gewoonte al mijne krachten in te spannen. Ik wilde, ik moest een slachtoffer worden van mijn plicht. Zelfs kwam de gedachte in mij op mij op diëet te stellen en alleen van plantaardig voedsel te gaan leven, overtuigd, dat ik daarmede een offer zou brengen aan Dora.

Tot nu toe was Dora onbewust van mijne wanhopende flinkheid, tenzij zij daarvan iets uit mijne brieven had geraden. Maar op zekeren Zaterdagavond zou zij bij juffrouw Mills komen en wanneer mijnheer Mills naar zijn whistclub was—waarvan ik telegrafisch bericht zou ontvangen door het plaatsen van een vogelkooi voor het middelste venster van de voorkamer—zou ik komen theedrinken.

Wij woonden toen reeds eenigen tijd met ons drieën in Buckingham-street, en mijnheer Dick genoot dagelijks meer van zijn copiëerwerk, waaraan hij zich met onafgebroken ijver wijdde. Tante had eene glansrijke overwinning behaald op juffrouw Crupp en haar hare streken betaald gezet, door de eerste kruik of kan, die zij op de trap vond staan, uit het raam te werpen en een meisje, dat zij gehuurd had voor huishoudelijke bezigheden, in persoon de trap op en af te brengen. Deze ingrijpende maatregelen vervulden juffrouw Crupp met zooveel angst, dat zij zich in haar keuken schuil hield, meenende dat tante niet goed meer bij haar verstand was. De meening van juffrouw Crupp liet tante echter volslagen onverschillig, trouwens zij stoorde zich aan niemand en gaf eerder voedsel aan juffrouw Crupp's meening, dan dat zij trachten zou die weg te nemen; zoodat deze, eenige dagen te voren nog zoo stoutmoedig, zich telkens, wanneer zij tante meende te zullen ontmoeten, achter de eene of andere deur verborg, waarbij de zoom van haar flanellen onderrok haar echter gewoonlijk verried. Deze handelwijze schonk tante zulk eene voldoening, dat zij, telkens wanneer zij vermoeden kon juffrouw Crupp te zullen ontmoeten, voor haar genoegen de trap op- en neerliep met den hoed op de zonderlingste wijzen boven op haar kruin.

Tante was buitengewoon netjes en handig en bracht dientengevolge zooveel verbeteringen aan op mijne kamers, dat ik eer rijker dan armer scheen te zijn geworden. Zoo herschiep zij het provisiekamertje in een kleedkamer voor mij en kocht een ledikant voor mij, dat toegeslagen kon worden en dan zoo zeer aan eene boekenkast deed denken als een ledikant maar doen kan. Ik was het voorwerp van hare voortdurende zorgen; mijne arme moeder zou mij niet meer bewijzen hebben kunnen geven van hare liefde, noch meer gepeinsd kunnen hebben over de wijze, waarop zij mij zoo gelukkig mogelijk kon maken.

Peggotty achtte het een groot voorrecht, dat zij tante bij dit alles helpen mocht, en hoewel zij nog altijd iets van dat oude gevoel van vrees en ontzag voor haar behouden had, ontving zij toch telkens zulke doorslaande bewijzen van vertrouwen, dat zij de beste vriendinnen waren. Maar nu was het tijdstip genaderd—het was dezelfde Zaterdag, waarop ik bij juffrouw Mills zou theedrinken—dat Peggotty naar huis zou terugkeeren, ten einde de plichten te vervullen, die zij ten opzichte van Ham op zich genomen had. „Nu, vaarwel, Barkis,” zei tante, „en houd u maar goed. Ik heb nooit gedacht dat het mij noch eens spijten zou als ik u moest missen!”

Ik vergezelde Peggotty naar het diligencekantoor en zag haar vertrekken. Zij schreide bij het afscheid en beval, evenals Ham gedaan had, haar broeder in mijne voortdurende vriendschap aan. Sinds hij dien helderen achtermiddag vertrokken was, hadden wij taal noch teeken van hem gehoord.

„En nu, luister nog eens, lieve Davy,” zei Peggotty, „mocht gij, zoolang gij nog niet tot uwe bestemming zijt gekomen, of wanneer gij klaar zijt met uwe studie, geld noodig hebben, hetzij om wat zakgeld te hebben of om eene zaak te beginnen,—een van beide zal toch wel eens voorkomen—wie heeft dan meer recht om het u te leenen dan uwe lieve moeders eigen, domme, oude Peggotty?”

Ik beloofde haar, dat, indien ik ooit in de noodzakelijkheid zou komen om geld te leenen, ik het aan haar zou vragen; maar ik ben er zeker van, dat zij veel geruster naar huis zou zijn gegaan, als ik terstond eene aanzienlijke som had te leen gevraagd.

„En, beste Davy,” fluisterde Peggotty, „zeg aan dat lieve, kleine engeltje, dat ik haar zoo gaarne eens gezien zou hebben, al was het maar eene minuut geweest. Vertel haar ook, dat ik, voor zij met mijn besten jongen trouwt, zal overkomen en uw huisje zoo keurig in orde zal maken.... als gij 't maar aan mij overlaat?”

Ik beloofde dat niemand anders er aan zou raken en deze belofte schonk haar zooveel rust, dat zij blijmoedig vertrok.

In de Commons hield ik mij den ganschen dag onledig met het maken van allerlei plannen en toen de avond gekomen was, bevond ik mij op het afgesproken uur in de straat, waar mijnheer Mills woonde. Mijnheer Mills had de vervelende gewoonte om na het middagmaal in slaap te vallen en was nu nog niet uitgegaan, want de vogelkooi stond niet voor het middelste raam. Hij liet mij zoolang wachten tot ik vurig hoopte, dat hij in zijn club voor te laat komen boete zou oploopen. Eindelijk ging hij uit en in het volgende oogenblik zag ik Dora eigenhandig de vogelkooi verplaatsen en over het balcon naar mij kijken. Zoodra zij mij gezien had, snelde zij naar binnen, terwijl Jip op het balcon bleef staan blaffen tegen een reusachtigen slagershond, die hem wel als een pil had kunnen inslikken.

Dora kwam mij aan de deur van de voorkamer tegemoet en Jip kwam naar buiten vliegen, al brommende, in den waan dat ik een inbreker was, en daarna gingen wij met ons drieën naar binnen, zoo gelukkig en zoo blijde als wij maar konden zijn. Weldra verstoorde ik echter onze vreugde—het was wel niet mijn plan, maar ik was zoo met mijne gewijzigde omstandigheden vervuld, dat ik niet zwijgen kon en zonder eenige voorbereiding aan Dora vroeg of zij een bedelaar zou kunnen liefhebben?

O, hoe ontstelde mijn lieve, kleine Dora! Dat woord kon zij aan niets verbinden dan aan een geel gezicht met een slaapmuts, een paar krukken of een houten been en een hond met een flesschenbakje in den bek of iets dergelijks; het verbaasde gezichtje, waarmede zij mij aankeek, was verrukkelijk!

„Hoe kunt gij mij zulk eene dwaze vraag doen?” vroeg zij met een pruilend lipje. „Een bedelaar liefhebben!”

„Liefste Dora!” antwoordde ik, „ik ben een bedelaar!”

„Hoe kunt gij zoo dwaas zijn om mij zulk een onzin te vertellen?” sprak zij, terwijl zij mij een tik op mijne hand gaf. „Ik zal Jip tegen u ophitsen!”

Hare kinderlijke maniertjes brachten mij in verrukking, maar het was noodzakelijk mij duidelijker te verklaren en daarom antwoordde ik: „Dora, lieveling, ik ben nog altijd uw David, maar ik ben zoo arm als een kerkrat.”

„Pas op, hoor! Ik stuur Jip op u af!” hernam Dora, haar hoofdje schuddend, „als gij zulke dwaze dingen vertelt!”

Ik keek echter zoo ernstig, dat Dora spoedig ophield met haar hoofdje te schudden, haar bevend handje op mijn schouder legde, mij eerst angstig aankeek en toen begon te schreien. Dat was niet uit te staan! Ik viel voor de sofa op de knieën, liefkoosde haar en smeekte haar mijn hart niet te verscheuren; maar gedurende eenige minuten deed de arme, kleine Dora niets dan uitroepen: „Maar beste! Maar beste!” O, zij was zoo vreeselijk geschrokken! En waar was Julia Mills toch? Zij wilde naar Julia en ik moest heengaan, riep zij. Ik wist niet meer wat ik zei of deed.

Eindelijk haalde ik haar toch over om mij aan te kijken, eerst met een doodelijk verschrikt gezicht, dat langzamerhand kalmer werd, tot ik hare zachte wang tegen de mijne voelde. Toen vertelde ik haar, met mijn arm om haar heen, hoe lief ik haar had, hoe innig, innig lief; ik zeide dat ik het mijn plicht achtte haar van haar woord te ontslaan, omdat ik nu arm was; dat ik nimmer, nimmer meer gelukkig zou kunnen zijn, indien ik haar moest verliezen; dat ik de armoede niet vreesde, als zij het maar niet deed, want dat ik sterk was en werken kon, indien ik het maar voor haar mocht doen; dat ik reeds aan het werk was met een ijver zooals alleen iemand kan aan den dag leggen, die waarachtig liefheeft; dat ik reeds begonnen was in de toekomst te zien; dat een zuur verdiende korst brood beter smaakte dan een in den schoot geworpen lekkernij.... en nog veel meer van dien aard. Ik sprak met een vuur en een hartstochtelijkheid, waarover ik zelf verbaasd was, hoewel ik er dag en nacht over gepeinsd had, van het oogenblik af, dat mijne tante mij hare verrassende mededeeling had gedaan.

„Behoort uw hart mij nog toe, lieveling?” vroeg ik, hoewel ik wist, dat mijne vraag overbodig was, want zij hield mij met groote teederheid omklemd.

„O, zeker!” antwoordde Dora. „Zeker, geheel en al! Maar jaag mij toch niet zoo'n angst aan!”

„Ik, Dora angst aanjagen!”

„Spreek toch niet over armoede en hard werken!” zei Dora, terwijl zij zich nog dichter tegen mij aandrong. „Doe dat toch niet!”

„Lieve Dora!” begon ik weder, „de zuur verdiende korst brood....”

„O, ja, ja, maar ik wil nu niets meer over broodkorsten hooren!” zoo viel Dora mij in de rede. „En Jip moet elken middag om twaalf uur een schapeboutje hebben, anders gaat het arme dier zeker dood.”

Ik was verrukt over hare kinderlijke opvatting van de zaak en verzekerde haar dat Jip op den gewonen tijd zijn schapeboutje hebben zou; hing een tafereel op van onze eenvoudige woning, waar 't door mijne arbeidzaamheid aan niets zou ontbreken; beschreef het kleine huisje, dat ik te Highgate gezien had, en plaatste er tante reeds op de bovenverdieping.

„Jaag ik nu nog angst aan, Dora?” vroeg ik op teederen toon.

„O, neen, neen!” riep Dora. „Maar ik hoop dat uwe tante veel op haar eigen kamer blijven zal. En als zij maar geen knorrige, oude brompot is!”

Indien het mogelijk was dat ik nog meer van Dora hield dan vóór dezen avond, dan ben ik overtuigd dat ik het deed. Toch voelde ik, dat zij niet erg meegaand was. Mijn pas ontloken geestdrift werd een weinig getemperd, nu het mij zoo moeielijk viel haar daarvan een weinig mede te deelen. Ik deed daarom eene nieuwe poging. Toen zij geheel tot kalmte was gekomen en bezig was Jip, die op haar schoot lag, aan de ooren te draaien, hernam ik met een ernstig gezicht:

„Lieveling! Mag ik nog iets zeggen?”

„O, zeker, maar kijk toch niet zoo ernstig!” antwoordde Dora met een vleiend stemmetje. „Dan jaagt gij mij weder zoo'n angst aan.”

„Lieveling!” hernam ik, „gij behoeft u voor niets angstig te maken. Ik wil juist, dat gij er geheel anders over denkt. Ik wil u wat moed geven, ik wil u kracht......”

„O, hoe vreeselijk!” riep zij uit.

„Neen, waarlijk, liefste. Kracht en volharding zullen ons in staat stellen het zwaarste te dragen.”

„Maar ik ben volstrekt niet zoo sterk!” riep zij uit, terwijl zij mij met hare zachte, glanzende krullen in het gezicht sloeg. „Ben ik wel, Jip? Toe, kus Jip nu eens en wees nu eens gezellig!”

Het was onmogelijk Jip geen kus te geven, toen zij mij het diertje met dat doel voorhield, terwijl zij zelve haar kleine mondje spitste om mij te beduiden hoe ik het doen moest—precies midden op den neus. Ik deed wat zij verzocht—mij later schadeloos stellende—en zoo deed zij mij, voor ik weet niet hoe lang, mijne zwaarmoedigheid vergeten.

„Maar, Dora, lieveling!” zei ik, eindelijk weder ernstig, „ik wilde u nog iets vertellen.”

De rechters in Prerogative Court zouden zeker verliefd op haar zijn geworden, als zij haar op dit oogenblik gezien hadden, met de handen gevouwen, mij smeekende haar toch niet weder zoo'n angst aan te jagen.

„Ik zal het heusch niet doen,” verzekerde ik. „Maar, Dora, lieveling, als gij nu en dan eens wilt bedenken—niet om u moedeloos te maken—als gij nu en dan eens wilt bedenken—juist om u zelve wat moed in te boezemen—dat gij uwe hand beloofd hebt aan iemand, die arm......”

„O, begin er toch niet weer over! Ik smeek het u!” riep zij. „Gij jaagt mij zoo'n angst aan!”

„Maar dat wil ik volstrekt niet!” zei ik op vroolijken toon. „Als gij het nu en dan maar eens wilt bedenken en eens rondkijken in de huishouding van uw papa en u wat wilt oefenen in.... het boekhouden en zoo....”

Het lieve kind nam dezen raad aan met iets, dat half op een snik en half op een gilletje geleek.

„Dat zou ons naderhand zoo te pas komen,” ging ik voort. „En als gij mij eens zoudt willen beloven eens in een klein.... een klein kookboek, dat ik u zenden zal, te lezen, zou dat voor ons beiden zoo goed zijn. Want, Dora, ons levenspad”—ik werd weer warm—„ons levenspad zal hobbelig en moeielijk begaanbaar zijn, wij moeten het zelve effenen. Wij moeten dapper strijden voor ons dagelijksch brood. Er zullen tallooze hinderpalen op onzen weg zijn, die wij moeten overwinnen.”

Ik had vlug achtereen gesproken met gesloten vuisten en een gezicht, dat gloeide van geestdrift; maar het bleek mij geheel onnoodig om nog voort te gaan. Ik had genoeg gezegd. Ik was nog even ver—ik had haar opnieuw angst aangejaagd. „Waar is Julia toch? O, breng mij toch naar Julia en ga dan heen, ik smeek het u!” Ik wist nu volstrekt niet meer wat ik zeide of deed en liep als een waanzinnige door het salon.

Ik meende haar ditmaal gedood te hebben en begon haar water in het gezicht te sprenkelen. Ik viel op mijne knieën; ik trok mij de haren uit het hoofd; ik schold mij zelven een lomperd, een barbaar en smeekte haar mij vergiffenis te schenken en mij aan te zien. Ik haalde juffrouw Mills' werkdoosje door elkaar om een reukfleschje te zoeken en vond in mijn zielsangst niets dan een ivoren naaldenkokertje waarvan ik den inhoud over Dora uitstortte. Ik zette een vuist tegen Jip die zich even dol aanstelde als ik. Ik bedreef alle mogelijke buitensporigheden en toen juffrouw Mills eindelijk binnenkwam, was ik alles—behalve goed bij mijn verstand.

„Wie heeft dat gedaan?” riep juffrouw Mills, terwijl zij hare vriendin te hulp snelde.

„Ik, juffrouw Mills! Dat heb ik gedaan!” riep ik. „Ziehier den moordenaar!” Te gelijkertijd verborg ik mijn gelaat in het canapékussen.

In het eerst meende juffrouw Mills, dat wij ongenoegen hadden gehad en aan den zoom van de woestijn, de Sahara, waren genaderd; spoedig echter was zij op de hoogte gebracht, want mijne innig geliefde Dora sloeg de armen om haar heen en riep uit: „hij is een werkman!” Daarna begon zij te schreien en omhelsde mij en vroeg mij of ik al het geld, dat zij bezat, van haar wilde aannemen en toen viel zij juffrouw Mills weder om den hals en snikte, alsof haar lieve hartje zou breken.

Juffrouw Mills moet geboren zijn—ons ten zegen. Zij liet mij in enkele woorden vertellen, wat eigenlijk de aanleiding was, troostte Dora, bracht haar aan het verstand, dat ik geen werkman was—uit mijne manier van spreken scheen Dora opgemaakt te hebben, dat ik polderjongen geworden was en den geheelen dag zware kruiwagens tegen planken moest opkruien—en herstelde in een oogenblik den vrede. Toen wij alle drie weder bedaard waren en Dora naar boven was gegaan, om hare oogen met wat rozenwater te betten, schelde Julia voor de thee. Intusschen bedankte ik haar voor hare hulp, verklaarde dat zij eeuwig mijne vriendin zou blijven en dat ik de bewijzen van hare hartelijke vriendschap niet zou vergeten vóór mijn hart had opgehouden te kloppen.

Daarna trachtte ik juffrouw Mills duidelijk te maken hetgeen ik vergeefs gepoogd had Dora aan het verstand te brengen. Zij antwoordde dat in het algemeen een hutje van klei, waarin men tevreden leefde, te verkiezen was boven een paleis, hoe prachtig ook, wanneer de liefde er ontbrak, hetgeen ik ten volle beaamde, er bijvoegende dat niemand dit beter kon beseffen dan ik, omdat ik Dora liefhad zooals nog nooit een sterveling had liefgehad. Juffrouw Mills antwoordde op moedeloozen toon, dat het voor sommige personen heel gelukkig zou zijn, indien hetgeen ik daar zeide waar was, waarop ik verzocht mijne opmerking niet verder te mogen uitstrekken dan tot het mannelijk geslacht.

Ik drong er vervolgens bij juffrouw Mills op aan mij ruiterlijk te willen bekennen, of mijn raad ten opzichte van het huishouden en het kookboek naar hare meening practisch was of niet. Na eenig nadenken antwoordde zij.

„Ik zal u eerlijk zeggen hoe ik daarover denk, mijnheer Copperfield. Zielsverdriet en veelvuldige beproevingen vullen dikwijls aan, wat men in leeftijd te kort komt; maar ik zal zoo onomwonden met u spreken alsof ik eene abdis was. Neen, uw raad was voor onze Dora niet geschikt. Onze lieve Dora is in alle opzichten door de natuur begunstigd, vertroeteld zelfs. Zij heeft nog niets gekend dan licht en vreugde. Ik wil niet ontkennen dat het goed zou zijn, als men er eens met haar over kon spreken, maar .....” Juffrouw Mills schudde het hoofd.

Aangemoedigd door deze laatste woorden, waarin toch eenigszins eene erkenning lag opgesloten van de waarde mijner opmerking, verzocht ik juffrouw Mills bij voorkomende gelegenheden Dora's aandacht eens te willen vestigen op de wijze, waarop zij zich tot een meer ernstig leven zou kunnen voorbereiden. Juffrouw Mills beloofde dit terstond, zoodat ik de vrijheid nam haar de zorg voor het kookboek op te dragen met de verklaring, dat indien zij het eens onder Dora's aandacht wilde brengen, zonder haar angst aan te jagen, zij mij een hoogst gewichtigen dienst zou bewijzen. Juffrouw Mills nam ook deze taak op zich, maar durfde mij niet veel hoop geven op een goeden uitslag.

Toen Dora terugkeerde zag zij er zoo bekoorlijk, zoo kinderlijk uit, dat ik mij _moest_ afvragen waarom zulk een lief schepseltje met dergelijke vervelende dingen moest lastig worden gevallen. En zij had mij zoo lief en was zoo bekoorlijk—vooral toen zij Jip op de achterpooten liet staan en hem een koekje voorhield, terwijl zij deed, alsof zij hem tot straf voor zijn verzet met den neus tegen den warmen trekpot wilde houden—dat ik mij zelven vergeleek bij een monster, dat in het paleis van eene fee was binnengedrongen en de bewoonster een schrik aangejaagd en aan het schreien gebracht had.

Na de thee werd de guitaar te voorschijn gehaald en zong Dora eenige van die ouderwetsche Fransche liedjes, waarin dansen het grootste levensgenot heet.... La ra la, La ra la.... en terwijl ik naar haar zat te luisteren, werd het mij hoe langer hoe duidelijker, welk een vreeselijk monster ik eigenlijk was.

Ons genoegen werd slechts éénmaal gestoord, even voordat ik afscheid zou nemen, toen juffrouw Mills iets wilde afspreken voor den volgenden ochtend en ik mij ongelukkig liet ontvallen, dat ik tegenwoordig alle morgen om vijf uur opstond. Of Dora meende dat ik tot eene vereeniging van vrijwillige nachtwakers behoorde, durf ik niet zeggen; maar het maakte zulk een diepen indruk op haar, dat zij volstrekt niet meer wilde zingen of spelen. Zij was er nog van onder den indruk, toen ik afscheid van haar nam, en zei met haar lief, vleiend stemmetje: „Nu niet om vijf uur opstaan, hoor, ondeugd! Dat is al te gek!”

„Liefste,” zei ik, „ik moet werken.”

„Maar waarom zoudt gij dat doen?” vroeg zij. „Laat het toch!”

Met dat lieve, kinderlijke, verbaasde gezichtje voor mij, was het mij onmogelijk anders dan op schertsenden toon te antwoorden, dat wij allen moesten werken om te leven.

„O, hoe vreeselijk dwaas!” riep zij uit.

„Maar hoe zouden wij dan moeten leven, Dora?” vroeg ik.

„Hoe? Ja, op de eene of andere manier, dat weet ik niet!” antwoordde zij vroolijk.

Zij scheen te meenen dat zij de zaak nu in eens had uitgemaakt en gaf mij met zulk een zegevierend gezichtje een afscheidskus, die rechtstreeks uit haar onschuldig hartje kwam, dat ik voor al de schatten der wereld haar antwoord niet zou hebben kunnen bestrijden.

Ik had haar lief en bleef haar lief hebben met mijn gansche hart; maar ik bleef ook hard werken en smeedde het ijzer, dat nu heet was, met den grootsten ijver; menigen avond zat ik tegenover tante in gepeins verzonken over den angst, dien ik Dora had aangejaagd, en over de beste wijze, waarop ik mij met de guitaarkist een weg zou kunnen banen door het woud van moeilijkheden, dat voor mij lag, en ik verbeeldde mij, dat mijne haren van al het peinzen grijs werden.

XXXVIII.

De compagnieschap verbroken.

Mijn ijver om mij op het snelschrijven toe te leggen en de debatten van het Parlement te stenographeeren, was intusschen niet bekoeld. Dit was een van de ijzers, die ik onmiddellijk gloeiend had gemaakt en gloeiend hield en waarop ik met bewonderenswaardigen ijver bleef hameren. Ik kocht een grondig onderricht in de edele kunst en de geheimen der stenographie—het kostte mij tien shillings en zes stuivers—en geraakte zoodanig er in verward, dat ik meende krankzinnig te zullen worden. De verandering in beteekenis, wanneer een punt zus of zoo was geplaatst; de wonderlijke grillen van de cirkeltjes van verschillende grootte; de onnaspeurlijke gevolgen van teekens, die op vliegenpooten geleken; de vreeselijke uitwerking van het kleinste kromme lijntje op eene verkeerde plaats, dat alles hield mij niet alleen den ganschen dag bezig, maar vervolgde mij ook in mijne droomen. Toen ik, blindelings rondtastende mijn weg tusschen al deze moeilijkheden door gevonden had en het alphabet kende, dat op zich zelf al even geheimzinnig was als een Egyptische tempel, volgde er eene nieuwe reeks verschrikkingen, de willekeurige teekenen genoemd; ja, wel waren ze willekeurig, despotisch zelfs! Zoo zal een ding, dat op het begin van een spinneweb lijkt, ‚verwachting’ en een met inkt geteekend pijltje ‚nadeelig’ beduiden.

Toen ik mijn hoofd hiermede letterlijk had afgemarteld, kwam ik tot het besef, dat al het andere er weder uitgedreven was; ik moest dus opnieuw beginnen en vergat toen de ‚willekeurige’ weer en toen ik de ‚willekeurige’ weer onder de knie had, was ik het alphabet weer kwijt, kortom, het was hartverscheurend.

Maar hoe zou het dan wel geweest zijn als ik Dora niet gehad had, Dora, het plechtanker van mijn aan de golven prijs gegeven scheepje. Elk krabbeltje in mijne handleiding was een knoestige eik in het woud der moeilijkheden, en ik hakte den een voor, den ander na om met zulk een ijver, dat ik na drie of vier maanden eene proef nam met een der advocaten in de Commons, die heel duidelijk en langzaam sprak. Zal ik het ooit vergeten dat die voortreffelijke spreker mij al vooruit was eer ik begon, en hoe dat domme potlood hem over het papier nawaggelde, alsof het dronken was!

Het ging niet, dat was duidelijk! Ik had een te hooge vlucht genomen en zou op deze wijze nooit vooruit komen. Traddles moest mij raad geven en de goede jongen was dadelijk bereid. Hij zou mij redevoeringen voorlezen, zóó langzaam en zóó duidelijk en met zóóveel tusschenpoozen, als mijne geringe ervarenheid eischte. Dankbaar nam ik zijn vriendschappelijk voorstel aan en zoo hielden wij avond op avond, ja, langen tijd achtereen, elken avond nadat ik van doctor Strong thuiskwam, in Buckingham-street op onze manier Parlements-zitting.