Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 56

Chapter 563,765 wordsPublic domain

Natuurlijk onderstelde Traddles, dat de quaestie hiermede in eens zou zijn afgedaan; maar ik begreep, dat hier nu juist groote, zware boomen zouden zijn om te hakken en besloot daarom terstond den weg tot Dora door dit woud te banen.

„Ik dank u zeer voor uwe inlichtingen, beste Traddles,” zei ik. „Morgen begin ik er mede.”

Traddles keek zeer verbaasd, maar hij kon zich ook geen denkbeeld vormen van de overdreven eischen, die ik mij zelven stelde.

„Ik ga een boek koopen,” zeide ik „een handboek over het snelschrijven en zal er op de Commons in studeeren, waar ik tijd in overvloed heb. Ten einde mij in de praktijk te oefenen, zal ik de pleidooien in ons Hof opschrijven en dan, beste Traddles, zal ik het wel spoedig onder de knie hebben.”

„Goede Hemel!” zei Traddles, nog steeds verbaasd en lachend voegde hij er bij: „Ik heb nooit geweten, dat gij zoo voortvarend en doortastend zijt, Copperfield!”

Hoe zou hij dit ook! Het was voor mij zelven nieuw! Ik stapte nu van dit onderwerp af en bracht mijnheer Dick op het tapijt.

„Zie,” sprak hij op treurigen toon, „als ik maar iets doen kon, mijnheer Traddles! Kon ik maar op de trom slaan of ergens op blazen!”

Arme drommel! Ik twijfel er niet aan, of hij zou aan eene dergelijke bezigheid boven alle andere de voorkeur hebben gegeven.

Traddles, die voor al het geld van de wereld niet zou hebben willen lachen, antwoordde bedaard:

„Maar gij schrijft zoo goed, mijnheer! Hebt gij mij dat niet verteld, Copperfield?”

„O, uitmuntend!” antwoordde ik. En waarlijk, hij schreef zeer netjes en correct.

„Zoudt gij niet stukken kunnen copiëeren, die ik u geef?” vroeg Traddles.

Mijnheer Dick keek mij twijfelachtig aan. „Welnu, Copperfield?”

Ik schudde het hoofd en mijnheer Dick schudde het zijne en zuchtte. „Vertel mijnheer Traddles dat ik aan mijne memorie bezig ben,” zei mijnheer Dick.

Ik deed wat hij mij verzocht en voegde er bij, dat de eenige moeielijkheid was koning Karel I er buiten te houden; want dat mijnheer Dick telkens weder over hem moest schrijven, of hij wilde of niet. Intusschen stond mijnheer Dick met een hoogst ernstig gezicht op zijn duim te zuigen.

„Maar de stukken, waarover ik spreek, zijn reeds gesteld en geschreven,” zei Traddles, na zich even bedacht te hebben. „Mijnheer Dick heeft ze alleen over te schrijven. Zou dat geen verschil opleveren, Copperfield? In elk geval zou hij het kunnen beproeven.”

Dit voorstel gaf ons opnieuw hoop. Traddles en ik staken de hoofden bij elkaar en terwijl mijnheer Dick met een geleerd gezicht naar ons zat te kijken, beraamden wij een plan, dat met den besten uitslag werd bekroond.

Op eene tafel voor het venster in Buckinghamstreet legden wij het werk gereed, dat Traddles voor hem gekregen had—het was een bewijs van eigendomsrecht op een overweg, dat eenige malen moest worden overgeschreven—en op eene andere tafel spreidden wij de memorie uit, waaraan hij bezig was; waarna wij hem op het hart drukten hetgeen voor hem lag over te schrijven, zonder ook maar in het minst af te wijken van het origineel, en mocht hij behoefde gevoelen om de eene of andere toespeling op koning Karel I te maken, dan moest hij overwippen naar de memorie. Wij vermaanden hem op ernstigen toon standvastig te blijven, en lieten tante bij hem om op te passen. Tante vertelde later dat hij in den aanvang veel geleken had op een paukenist en voortdurend van de eene naar de andere tafel was gesprongen; maar aangezien hem dit vermoeide en in de war bracht, terwijl hij zijn model zoo duidelijk voor oogen had, was hij eindelijk stil en ijverig aan den arbeid gebleven en had het werken aan de memorie tot een meer gelegen tijdstip uitgesteld. Kortom, hoewel wij zorg droegen hem niet meer te laten werken dan goed voor hem was en hij in het midden van de week begonnen was, had hij des Zaterdagavonds tien shillingen en negen stuivers verdiend en nooit, zoolang ik leef, zal ik het stralende gezicht vergeten, waarmede hij alle winkels afliep om zijn schat in halve stuivers te wisselen, die hij, thuis komende, op een presenteerblad, in den vorm van een hart, met tranen van blijden trots in de oogen tante aanbood. Het scheen alsof hij van het oogenblik af, waarop hij nuttige bezigheid had, was aangeraakt door eene weldoende fee; want hij maakte den indruk van den gelukkigsten man van de wereld en dacht in zijne overgroote dankbaarheid aan niemand dan aan de bewonderenswaardigste vrouw en den bewonderenswaardigsten jonkman—aan tante en mij.

„Nu zullen wij niet van honger omkomen Trotwood,” zei hij, terwijl hij mij in een hoekje van de kamer de hand schudde. „Ik zal er wel voor zorgen, mannetje!” Hij stak daarbij zijne tien vingers in de hoogte, alsof hij ze voor even zooveel goudmijnen hield.

Ik weet niet wie blijder was, Traddles of ik!

„Ik zou waarlijk mijnheer Micawber geheel en al vergeten!” zei Traddles op eens en haalde een brief te voorschijn, die aan mij gericht was en luidde:

„Beste Copperfield!

Gij zult zonder twijfel wel niet geheel onvoorbereid het bericht ontvangen, dat zich iets heeft opgedaan; ik meen ten minste u bij eene vorige gelegenheid medegedeeld te hebben, dat ik in afwachting daarvan leefde.

Ik ben op het punt om mij te vestigen in een provinciestadje van ons geliefd eiland—welks bewoners gezegd kunnen worden zich gelukkig te gevoelen bij hun landbouw en hun godsdienst, ten einde mij te wijden aan een wetenschappelijk beroep.

Mevrouw Micawber en ons kroost zullen mij vergezellen. Vermoedelijk zal onze asch verzameld worden op het kerkhof, dat een gebouw omringt, welks eerbiedwaardigheid van Noord tot Zuid, van Oost tot West is bekend.

Nu wij het moderne Babylon vaarwel zeggen, waar wij—ik vertrouw met waardigheid—tallooze malen met de wisselvalligheden van het lot hebben te kampen gehad, kunnen mevrouw Micawber en ik ons niet ontveinzen, dat het ons leed doet voor jaren, wellicht voor eeuwig afscheid te moeten nemen van iemand, die ons steeds zulk een dierbare vriend is geweest en met onverbreekbare banden aan—hetgeen wij zouden kunnen noemen—het altaar van ons huiselijk geluk verbonden is. Mocht gij op den avond voor ons vertrek onzen gemeenschappelijken vriend, Mr. Thomas Traddles, naar onze tegenwoordige woning willen vergezellen en aldaar eenige toepasselijke woorden met ons wisselen, zult gij een weldaad bewijzen aan

Iemand, die zich noemt, Geheel de uwe Wilkins Micawber.”

Het deed mij natuurlijk genoegen te vernemen dat mijnheer Micawber eindelijk uit den brand was, dat zich werkelijk iets had opgedaan. Van Traddles vernam ik dat de uitnoodiging bedoeld was voor dezen avond, die reeds half voorbij was, en aangezien ik haar gaarne wilde aannemen, besloten wij er onmiddellijk heen te gaan. Mijnheer en Mevrouw Micawber woonden thans onder den naam Mortimer dicht bij Gray's Inn Road in eene zeer bekrompen woning. De tweelingen, thans acht à negen jaar oud, sliepen in eene bedstede in de huiskamer, waar mijnheer Micawber in een waschkom een mengsel had gereed gemaakt van den aangenamen drank waarmede hij zich eene zekere vermaardheid had verworven. Ik had bij deze gelegenheid het genoegen de kennismaking te hernieuwen met jongeheer Micawber, een veelbelovenden jongen van twaalf of dertien jaar, onderhevig aan eene zekere beweeglijkheid, waaraan jongens op dien leeftijd gewoonlijk lijdende zijn. Ook ontmoette ik weder de dochter van mijnheer Micawber, die hem, zooals hij mij vertelde, telkens deed denken aan mevrouw Micawber's jeugd.

„Beste Copperfield,” zei hij, toen wij binnentraden, „gij en mijnheer Traddles vindt ons aan den vooravond van eene verhuizing en zult dus de vele ongeriefelijkheden, welke het natuurlijke gevolg zijn van zulk een omstandigheid, wel over het hoofd willen zien.”

Terwijl ik een op deze verontschuldiging passend antwoord gaf, keek ik eens rond en zag dat de bezittingen van de familie Micawber reeds ingepakt waren. Toch scheen mij de hoeveelheid bagage niet overstelpend toe.

Ik wenschte mevrouw Micawber met de aanstaande verandering geluk, waarop zij antwoordde: „Beste mijnheer Copperfield, ik ben overtuigd van uwe vriendelijke belangstelling. Mijne familie moge het beschouwen, alsof wij in ballingschap gaan; ik ben vrouw en moeder, mijnheer Copperfield, en zal mijnheer Micawber nooit, nooit verlaten.”

Traddles, door een wenk van mevrouw Micawber uitgenoodigd om tot ons te komen, stemde niet zonder eenige aandoening hiermede in.

„Zoo, ten minste, is mijne opvatting, mijnheer Copperfield en mijnheer Traddles, van de plechtige woorden, die ik eenmaal heb uitgesproken. ‚Ik, Emma, neem u, Wilkins Micawber, tot mijn wettigen echtgenoot’. Gisteren avond heb ik het formulier nog eens bij eene kaars overgelezen en de slotsom was: ‚Ik verlaat Micawber nooit!’ En,” voegde zij er bij, „zelfs al mocht ik mij vergissen in de beteekenis van het formulier, ik doe het toch niet!”

„Lieve vrouw,” viel mijnheer Micawber op eenigszins ongeduldigen toon hierop in, „ik ben mij niet bewust dat iets dergelijks ooit van u verwacht werd.”

„Ik weet, mijnheer Copperfield, dat het voortaan mijn lot zal zijn onder vreemden te leven; ik weet ook dat de verschillende leden van mijn familie, aan wie mijnheer Micawber in de beleefdste termen dit feit heeft medegedeeld, niet de minste notitie hebben genomen van zijn schrijven. Het mag misschien getuigen van bijgeloovigheid, maar het wil mij voorkomen of mijnheer Micawber op het meerendeel van zijne brieven geen antwoord ontvangt. Uit het stilzwijgen van mijne familie mag ik wel opmaken, dat zij het besluit, waartoe wij gekomen zijn, afkeuren; maar ik mag mij daardoor niet laten afbrengen van mijn plicht, mijnheer Copperfield; zelfs mijn papa en mama zouden dat niet kunnen, indien zij nog leefden.”

Ik gaf door te knikken mijne instemming met hare woorden te kennen.

„Het moge dan al eene opoffering voor mij zijn, mijnheer Copperfield,” vervolgde mevrouw Micawber, „mij in dat bisschopsstadje te gaan begraven, maar hoeveel grooter is de opoffering niet van een man met de bekwaamheden van mijnheer Micawber?”

„Gaat gij naar een bisschopsstad?” vroeg ik, waarop mijnheer Micawber, na ons allen uit de waschkom bediend te hebben, antwoordde: „Ja, mijn beste Copperfield, wij gaan naar Canterbury. De zaak is, dat ik na eenige onderhandelingen een contract gesloten heb met onzen wederzijdschen vriend Heep, om hem te helpen en te dienen in de betrekking van... en te zijn—zijn vertrouwde klerk.”

Ik staarde mijnheer Micawber verbaasd aan en hij vermaakte zich blijkbaar met mijn verrast gezicht.

„Ik voel mij verplicht u mede te deelen,” ging mijnheer Micawber op officiëelen toon voort, „dat de zaakkennis en de omzichtigheid van mevrouw Micawber veel hebben toegebracht aan den goeden uitslag van de onderhandelingen. De handschoen, waarover mevrouw Micawber bij eene vorige gelegenheid sprak, in den vorm van eenige advertenties in het strijdperk geworpen en door mijnheer Heep opgenomen, is de aanleiding geweest tot het hernieuwen onzer kennismaking. Van mijn vriend Heep, een man, begaafd met buitengewone schranderheid, kan ik niet anders dan met de grootste achting spreken. Mijn vriend Heep heeft de positieve belooning voor de door mij te bewijzen diensten wel niet op een te hoog cijfer gesteld; maar van de waarde en groote dezer diensten afhankelijk gemaakt de wijze, waarop hij zijne medewerking zal verleenen tot mijne bevrijding uit eenige geldelijke ongelegenheden. Welnu, zooveel bekwaamheid en doorzicht, als toevallig mijn deel is, zal aan de diensten, welke mijnheer Heep van mij vergt, gewijd worden. Ik ben reeds eenigszins bekend met de wetten, als verweerder in civiele zaken, en zal onmiddellijk beginnen met het bestudeeren van de toelichtingen en beschouwingen van een onzer bekwaamste rechtsgeleerden. Ik meen het overbodig hierbij nog te voegen dat ik Mr. Blackstone op het oog heb.”

Hij, had op den gewonen deftigen toon gesproken met een gelaat, dat glom van zelfvoldoening, en gedurende al dien tijd en eigenlijk den geheelen avond werd mevrouw Micawber's aandacht afgeleid door jongeheer Micawber, die nu eens op zijn schoenen zat, dan weder met het hoofd in de handen, als vreesde hij, dat hij het zou verliezen; nu eens onder de tafel Traddles zat te schoppen of met zijne voeten over elkander te schuiven, dan weder zijne beenen onnatuurlijk ver buiten de tafel uitstak of met zijn verwarde haren tusschen de punchglazen lag; in één woord, op alle denkbare en ondenkbare wijzen zijn bewegelijken aard met de belangen van de overige leden van het gezelschap in botsing deed komen en de desbetreffende opmerkingen van den kant zijner moeder met een ontevreden gezicht aanhoorde. Ik was intusschen nog niet geheel bekomen van de verrassing over mijnheer Micawber's onthullingen en zat daarover te peinzen, tot mevrouw Micawber weder het woord nam en mijne aandacht vroeg.

„Het eenige, waarvoor ik bevreesd ben, mijnheer Copperfield, is, dat mijnheer Micawber door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te nemen, niet in staat zal zijn eenmaal nog de hoogste sport van de ladder te bereiken,” zei mevrouw Micawber. „Ik heb mijnheer Micawber dan ook ernstig verzocht dat wel in het oog te houden, want ik ben overtuigd, dat als hij zich met ijver toelegt op een vak, waarin zijne aangeboren schranderheid en zijne welbespraaktheid zoo uitnemend kunnen te pas komen, hij daarin ook _moet_ uitmunten. Ik meen, mijnheer Traddles, dat hij gemakkelijk rechter of zelfs kanselier zou kunnen worden en het zou toch bedroevend zijn, indien hij zich daarvoor den weg afsneed door zulk eene ondergeschikte betrekking aan te nemen!”

„Lieve,” sprak mijnheer Micawber, waarbij hij Traddles onderzoekend aankeek, „Lieve, wij zullen tijd te over hebben om over deze quaesties in nadere beschouwing te treden.”

„Neen, Micawber!” antwoordde zij. „Neen! Gij hebt slechts één gebrek en dat is, dat gij niet ver genoeg vooruit ziet. Gij zijt tegenover uwe familie en tegenover u zelven niet gerechtvaardigd, zoo gij niet een alles omvattenden blik werpt naar dat punt van den horizon, waarheen uwe bekwaamheden u kunnen brengen.”

Mijnheer Micawber kuchte eens en dronk zijn glas punch ledig met een uiterst tevreden gelaat, terwijl hij voortdurend naar Traddles keek, wiens opinie hij blijkbaar wenschte te vernemen.

„Om u de waarheid te zeggen, mevrouw Micawber,” zeide Traddles, van plan haar die waarheid zoo zacht mogelijk mede te deelen, „om u de naakte, prozaïsche waarheid te zeggen, moet gij weten.....”

„Juist,” viel mevrouw Micawber hem in de rede, „juist, beste Traddles, ik verlang niets dan de naakte, prozaïsche waarheid in zulk eene gewichtige aangelegenheid.”

„Weet dan,” vervolgde Traddles, „dat deze tak van de rechten, zelfs al ware mijnheer Micawber procureur in optima forma,.....”

„Juist, juist,” viel mevrouw Micawber weder in—„(Wilkins, gij kijkt weer scheel; uwe oogen zullen nog eens zoo blijven staan!)”

„....... niets te maken heeft,” ging Traddles voort, „met rechters en kanseliers. Alleen advocaten zijn voor deze betrekkingen verkiesbaar en mijnheer Micawber kan geen advocaat worden, zonder vijf jaren in de rechten gestudeerd te hebben aan een staatsacademie.”

„Begrijp ik u goed?” vroeg mevrouw Micawber met dat zekere ernstige gelaat, waarmede zij gewoon was zaken te behandelen, „begrijp ik u goed, dat mijnheer Micawber, na afloop van zulk een termijn verkiesbaar zijn zou voor rechter of kanselier?”

„Hij zou _verkiesbaar_ zijn,” antwoordde Traddles, met grooten nadruk op dit woord.

„Dank u,” zei mevrouw Micawber. „Dat is voldoende. Als dit het geval is en mijnheer Micawber dus geenerlei kansen weggooit door deze betrekking aan te nemen, ben ik gerust. Ik spreek natuurlijk als eene vrouw, maar ik heb altijd gemeend dat mijnheer Micawber is, wat ik papa—toen ik nog bij papa en mama thuis was—zoo dikwijls heb hooren noemen: een rechtskundig genie; ik hoop daarom, dat mijnheer Micawber nu een veld gaat betreden, waarop hij zich ten volle zal kunnen ontwikkelen en tot eene hooge betrekking zal geraken.”

Ik geloof dat mijnheer Micawber zich in zijne verbeelding reeds op het kussen zag. Innig vergenoegd streek hij zich met de hand over zijn glimmend hoofd en zei met gekunstelde gelatenheid:

„Lieve, laat ons het geluk niet trachten te dwingen. Ben ik bestemd om eenmaal een pruik te dragen, dan ben ik ten minste uitwendig”—hij wees op zijn kalen kruin—„op die groote onderscheiding voorbereid. Ik betreur het verlies van mijne haren niet,” vervolgde hij, „het is zelfs zeer goed mogelijk dat ik met eene bijzondere bedoeling daarvan beroofd ben. Dat kan ik niet zeggen. Ik ben van plan, mijnheer Copperfield, mijn zoon op te leiden voor de Kerk; ik wil niet ontkennen, dat ik zeer gelukkig zou zijn, om zijnentwil natuurlijk, indien ik hem zoo ver kan brengen.”

„Voor de Kerk?” vroeg ik, nog telkens peinzend over Uriah Heep.

„Ja,” antwoordde mijnheer Micawber. „Hij heeft een zeer goede stem en kan dus beginnen als koorzanger. Eenmaal te Canterbury, zullen de betrekkingen, die wij daar aanknoopen, hem zonder twijfel behulpzaam zijn om in het corps vooruit te komen, zoodra er vacatures zijn.”

Ik keek na deze lofspraak den zoon aan en bespeurde eene uitdrukking op zijn gelaat, alsof zijne stem uit het bovenste gedeelte van zijn neus zou komen en werkelijk bleek dit ook zoo te zijn, toen hij, nadat hem de keus was gelaten tusschen „iets te zingen en naar bed te gaan,” ons onthaalde op een lied, „De timmerman onder de vogels” getiteld. Nadat wij allen onze tevredenheid daarover hadden betuigd, werd het gesprek wat algemeener en aangezien ik te zeer vervuld was met de verandering in mijn eigen omstandigheden, om daarover langen tijd het zwijgen te bewaren, maakte ik er mijnheer en mevrouw Micawber mede bekend. Ik kan niet zeggen hoe verheugd zij waren, dat mijne tante zich ook in geldelijke ongelegenheid bevond, en hoe zeer hunne vriendelijkheid en vertrouwelijkheid daardoor toenamen.

Toen de bodem van de waschkom zich aan onze oogen begon te vertoonen, fluisterde ik Traddles in dat wij alvorens te scheiden onzen vrienden eene goede reis, gezondheid en geluk in hunne nieuwe woonplaats moesten toewenschen. Ik verzocht daarom mijnheer Micawber onze glazen nog eens tot den rand te vullen en stelde daarna op plechtigen toon den feestdronk in, waarna wij elkander allen de handen schudden en ik mevrouw Micawber kuste. Traddles volgde in het eerste mijn voorbeeld, doch voor het tweede vond hij zich nog niet genoeg „een oud vriend van de familie.”

„Beste Copperfield,” sprak mijnheer Micawber met de duimen in zijne vestzakken, „de metgezel uit vroegere dagen—indien het mij veroorloofd is deze uitdrukking te bezigen—en mijn hooggeachte vriend Traddles—indien ik hem zoo mag noemen—zullen mij wel willen toestaan, ook uit naam van mevrouw Micawber en ons kroost, hun onzen warmen dank te betuigen voor hunne goede wenschen. Het is te verwachten dat ik op den vooravond van eene reis, die ons in een geheel anderen toestand zal brengen”—hij sprak alsof hij minstens vijfhonderdduizend mijlen ver ging—„tot twee zulke vrienden als gij voor ons geweest zijt, eenige afscheidswoorden moet richten. Alles wat ik te zeggen heb aangaande dit punt, heb ik echter reeds gezegd. Welke sport van de ladder ik nog eens moge bereiken door tusschenkomst van het geleerde vak, waaraan ik op het punt sta mij te gaan wijden, ik zal trachten de betrekking, waarin ik alsdan geplaatst zal zijn, geen schande aan te doen en mevrouw Micawber zal haar zeker tot sieraad strekken. Onder den tijdelijken druk van geldelijke ongelegenheden en van verplichtingen, aangegaan met het vooruitzicht op onmiddellijke afdoening, doch uitgesteld tengevolge van een samenloop van omstandigheden, ben ik in de noodzakelijkheid gekomen mij een voorkomen te geven, waartegen mijn ingeschapen gevoel van eerlijkheid in opstand kwam—ik bedoel een bril te dragen—en een naam aan te nemen, waarop ik geen aanspraak maken kan. Al wat ik te dier zake zeggen kan is, dat de sombere wolk thans is voorbij gedreven en de God des daags weder troont boven de toppen der bergen. Aanstaanden Maandag, wanneer de diligence om vier uur 's avonds te Canterbury aankomt, zal de voet van Wilkins Micawber den vaderlandschen bodem weder drukken!”

Mijnheer Micawber ging na deze met vuur uitgesproken redevoering weder zitten en dronk met bijna indrukwekkende deftigheid twee glazen punch achtereen ledig. Daarna zei hij, zoo mogelijk op nog plechtiger toon:

„Alvorens wij voorgoed afscheid nemen, rust nog een plicht op mij. Mijn vriend, mijnheer Thomas Traddles, heeft bij twee verschillende gelegenheden te mijnen behoeve zijn naam geplaatst op een schuldbekentenis of wissel. Bij de eerste gelegenheid werd mijnheer Thomas Traddles—laat mij maar kortweg zeggen—in den steek gelaten. De tweede is nog niet vervallen. Het bedrag van den eerste wissel was, als ik mij niet bedrieg”—hij keek al pratende eenige papieren na—„drieëntwintig pond, vier shillingen en negen en een halven stuiver; van den tweede, volgens mijne aanteekening: achttien pond, zes shillingen en twee stuivers, te zamen alzoo, indien mijne berekening juist is: eenenveertig pond, tien shillingen, elf en een halven stuiver. Wil mijn vriend Copperfield zoo goed zijn de berekening eens na te zien?”

Ik voldeed aan dit verlangen en vond de berekening in orde.

„Deze wereldstad en mijnheer Thomas Traddles te verlaten, zonder mij van het finantiëele gedeelte van mijn plicht gekweten te hebben, zou eene daad zijn, die mij als een ondragelijke last zou blijven drukken. Ik heb daarom voor mijn vriend Thomas Traddles een stuk in gereedheid gebracht—ik heb dat op het oogenblik in de hand—waarmede het gewenschte doel kan worden bereikt. Ik verzoek mijn vriend Thomas Traddles eene schuldbekentenis van mij aan te nemen, groot eenenveertig pond, tien shillings en elf en een halven stuiver; het verheugt mij daarmede mijn gevoel van eigenwaarde te hebben terug gekregen en te weten, dat ik mij thans weder met opgerichten hoofde aan mijne medemenschen zal kunnen vertoonen!”

Met deze woorden, die hem blijkbaar hadden aangedaan, legde hij de schuldbekentenis in handen van Traddles, er bijvoegende, dat hij hem alles goeds toewenschte, in welke levensomstandigheden hij zich ook nog eens mocht bevinden. Ik ben overtuigd, dat dit niet alleen voor mijnheer Micawber hetzelfde was, alsof hij zijne schuld had betaald, maar dat ook Traddles het onderscheid niet inzag voor hij den tijd had gehad, om er eens kalm over na te denken.

Ten gevolge van deze vernuftige handelwijze vertoonde mijnheer Micawber zich met zulk een hoog opgericht hoofd aan zijne medemenschen, dat, toen hij ons voorlichtte bij het afgaan van de trap, zijne borst tweemaal zoo breed scheen als gewoonlijk. Wij namen van weerszijden hartelijk afscheid en toen ik Traddles naar zijne kamers had gebracht en alleen huiswaarts ging, had ik vele en wonderlijke dingen om over te peinzen. Ook dacht ik, dat, hoe weinig nauwgezet mijnheer Micawber ook in geldzaken was, ik het waarschijnlijk aan de herinnering, die hij van mij als kind en inwoner had, moest danken, dat hij mij nooit om geld had gevraagd. Ik weet zeker, dat de zedelijke moed mij ontbroken zou hebben, om het hem te weigeren en ik twijfel er niet aan of hij begreep dit evengoed als ik zelf.

XXXVII.

Een koud bad.