Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 55
„Uriah Heep,” antwoordde mijnheer Wickfield op gedwongen toon, „is compagnon geworden in de zaak, Trotwood. Hetgeen hij zegt, zegt hij ook namens mij. Gij weet dat ik altijd belang in u heb gesteld; maar afgescheiden daarvan, hetgeen Uriah Heep zegt, zegt hij ook namens mij.”
„O, welk eene belooning zijn deze woorden voor mij!” zei Uriah, terwijl hij één been optrok tot aan de kin, op gevaar af van zich een tweeden uitval van tante op den hals te halen. „Zulk een groot vertrouwen te genieten! Ik hoop maar iets te kunnen doen om hem van eenige beslommeringen te ontheffen, jongeheer Copperfield!”
„Uriah Heep is mij een groote steun,” zei mijnheer Wickfield met dezelfde eentonige stem. „Het is mij een pak van het hart, Trotwood, zulk een compagnon te hebben.”
De sluwe vos liet hem dit alles zeggen, dat begreep ik zeer goed, opdat hij zich tegenover mij in hetzelfde licht wilde geplaatst zien, dat hij voor mij ontstoken had op den avond, toen hij mij mijne rust had ontroofd. Ik zag denzelfden huichelachtigen glimlach weder om zijn mond; ik zag hoe aandachtig hij mij gadesloeg.
„Gij gaat toch nog niet heen, papa?” vroeg Agnes op angstigen toon. „Wilt gij niet onder geleide van Trotwood en mij gaan?”
Hij zou naar Uriah gekeken hebben om het antwoord van diens lippen te lezen, daarvan ben ik overtuigd; maar de schurk voorkwam hem.
„Ik heb nog zaken af te doen,” zei Uriah, „anders zou ik gaarne den avond met mijne vrienden doorbrengen. Ik verlaat echter mijn compagnon, ten einde de firma te vertegenwoordigen. Juffrouw Agnes, geheel de uwe! Goeden avond, jongeheer Copperfield; breng mijn nederige groeten aan juffrouw Trotwood over.”
Met deze woorden ging hij heen, terwijl hij zijne groote hand kuste en ons aankeek, alsof hij een masker voor had.
Wij bleven nog een paar uren gezellig praten over de goede dagen in Canterbury. Nu mijnheer Wickfield aan de hoede van Agnes was toevertrouwd, begon hij spoedig weder op den ouden mijnheer Wickfield te lijken, hoewel hij toch den druk, waaronder hij gebukt ging, niet geheel kon afschudden. Zijne oogen begonnen weder te schitteren, toen wij allerlei kleine voorvallen uit ons leven ophaalden, voorvallen, die hij zich zeer goed herinnerde. Hij vond het heerlijk om met Agnes en mij weder eens samen te zijn. Ik ben overtuigd dat het kalme, lieve gezichtje van Agnes en de zachte druk van haar handje op zijn arm een invloed op hem oefenden, die wonderen zou hebben uitgewerkt.
Tante, die gedurende al dien tijd met Peggotty in de slaapkamer bezig was geweest, wilde niet met ons medegaan naar de woning, waar zij logeerden, maar drong er op aan, dat ik zou medegaan en—ik ging mede. Den volgenden dag gebruikten wij te zamen het middagmaal en na afloop zat Agnes naast hem als in den goeden, ouden tijd, en schonk hem zijn wijn in. Hij dronk wat zij hem gaf—niet meer—als een kind, en met ons drieën bleven wij voor het raam zitten tot de avond inviel. Toen het donker werd ging hij op de sofa liggen en Agnes plaatste een kussen onder zijn hoofd en toen zij naar het venster terugkeerde, was het niet zóó duister of ik kon tranen in hare oogen zien glinsteren.
De Hemel geve, dat ik de liefde en oprechte trouw, die het lieve meisje in dezen tijd van mijn leven heeft bewezen, nimmer moge vergeten; als ik dat deed, zou het einde zeker zeer nabij moeten zijn en juist dan zou ik het meest naar haar verlangen. Zij wekte de beste voornemens op in mijn hart, schonk mij door haar voorbeeld kracht en gaf—hoe weet ik niet, want zij was te bescheiden om veel raad te geven—eene richting aan mijn besluiteloos karakter en mijn wankelmoedigen ijver, dat ik meen het aan haar te moeten toeschrijven, indien ik nog iets goeds tot stand gebracht en veel kwaad vermeden heb.
En hoe lief sprak zij niet met mij over Dora, terwijl zij daar met mij bij het venster zat te luisteren naar mijne lofspraken over haar; ongemerkt spreidde zij van haar eigen zuiver licht een krans over die kleine feeëngestalte, waardoor deze mij nog begeerlijker, nog onschuldiger toescheen! O, Agnes, zuster uit mijne jongelingsjaren, had ik toen maar geweten, wat ik eerst langen tijd daarna gewaar werd!—
Toen ik naar huis ging stond er een bedelaar op straat en terwijl ik nog even naar het venster opkeek, naar hare lieve, engelreine oogen, klonk mij een echo in de ooren van hetgeen tante dien morgen had gezegd:
„Blind! Blind! Blind!”
XXXVI.
Enthousiasme.
Ik begon den volgenden morgen met een bad te nemen in het Romeinsche badhuis en begaf mij daarna op weg naar Highgate. Mijne neerslachtigheid was nu geheel geweken. Ik dacht niet meer aan den versleten rok en treurde niet meer over het gemis van mijn vurigen appelschimmel. Ik dacht geheel anders over den slag, die ons getroffen had, want ik zag den weg, dien ik te volgen had, duidelijk voor mij; ik moest tante toonen, dat al hare goedheden niet aan een ondankbare besteed waren. Ik moest mij de tucht, die ik in mijne jonge jaren geleerd had, ten nutte maken en moedig aan het werk gaan. Ik moest met de bijl in de hand mij een weg banen door het woud van moeilijkheden, dat voor mij lag, en alles wat mij in den weg stond omhouwen tot ik Dora de mijne mocht noemen. Terwijl ik dit alles overpeinsde, stapte ik zoo stevig door, dat het scheen alsof ik, al wandelende, reeds tal van moeilijkheden overwon.
Toen ik mij op den welbekenden weg naar Highgate bevond, met zulk een geheel ander doel voor oogen dan wanneer ik eenigen tijd geleden dien weg volgde, scheen het mij toe dat er eene geheele verandering in mijn leven gekomen was. Deze gedachte ontmoedigde mij echter niet. Met dat nieuwe leven waren ook nieuwe voornemens, nieuwe lichtpunten geboren. Er zou hard gewerkt moeten worden, maar de belooning zou daarnaar geëvenredigd zijn. Dora was de prijs, die gewonnen moest worden.
Ik geraakte in zulk een opgewonden stemming, dat het mij speet niet reeds een versleten jas te dragen. Ik verlangde naar het hakken in dat woud van moeilijkheden, ten einde te toonen over welke krachten ik kon beschikken. Ik voelde den lust in mij opkomen om aan een ouden man, die met een klep voor de oogen steenen zat te breken aan den weg, den hamer te leen te vragen, ten einde een begin te maken van een pad in de richting van Dora. Ik maakte mij zelf zoo warm en geraakte zoo buiten adem, dat het mij toescheen alsof ik nu reeds, ik weet zelf niet hoeveel, verdiend had. Zelfs ging ik een klein huisje binnen, dat te huur stond en bekeek het van onder tot boven; want ik achtte het noodzakelijk allereerst heel practisch te zijn. Het zou uitmuntend geschikt geweest zijn voor Dora en mij, want er was een klein tuintje voor, waarin Jip kon rondloopen en een hek, waarachter hij de reizende kooplui kon aanblaffen en op de eerste verdieping een mooie kamer voor tante. Toen ik er uitkwam was ik nog warmer en vermoeider dan zoo straks en wandelde toen verder door met zulk eene snelheid, dat ik meer dan een uur te vroeg in Highgate was; maar al ware ik later aangekomen, ik zou toch minstens een half uur hebben moeten rondslenteren, ten einde wat af te koelen en er eenigszins toonbaar uit te zien.
Nadat ik mij aan deze noodzakelijke voorbereiding had onderworpen, was mijn eerste werk de woning van doctor Strong op te zoeken. Ik vond die aan de tegenovergestelde zijde van mevrouw Steerforth's woning in het kleine stadje. Toen ik tot deze ontdekking gekomen was, wandelde ik, gedreven door eene onweerstaanbare neiging, naar eene laan, die langs mevrouw Steerforth's tuin liep, en keek even over den muur. De blinden in zijne kamer waren gesloten. De deuren van de serre stonden open en Rosa Dartle liep daar met een haastigen, driftigen tred, blootshoofds, op en neer. Zij deed mij denken aan een wild dier, dat zonder ophouden hetzelfde pad op- en neerloopt, zoolang de keten reikt, en intusschen van ongeduld vergaat.
Ik verliet ongemerkt mijn observatiepost en bleef nog tot tien uur rondwandelen, waarbij ik echter den omtrek van mevrouw Steerforth's woning vermeed. De kerk met het slanke torentje op den kam van den heuvel was er toen nog niet, om mij te zeggen hoe laat het was. Daar stond toenmaals een groot huis van rooden baksteen, dat tot school diende; en menigmaal had ik gedacht, dat het wel heerlijk zijn moest in zulk een mooi huis op school te gaan.
De woning van doctor Strong zag er lief en netjes uit; blijkbaar was het huis oud en had hij eenig geld besteed om het geheel wat op te knappen, want een aantal verfraaiingen en vertimmeringen waren nog geheel nieuw. Toen ik aankwam, zag ik hem, met slobkousen aan, in den tuin wandelen, alsof hij, sinds ik de school verlaten had, altijd had doorgewandeld. Ook waren zijn oude metgezellen daar weder vertegenwoordigd; want er stonden een aantal hooge boomen in den omtrek en twee of drie kraaien zaten op het gras en keken hem na, alsof de zwarte broeders uit Canterbury hun geschreven hadden, dat zij den ouden professor in het oog moesten houden.
Wetende hoe hopeloos elke poging, om van verre zijn aandacht te wekken, geweest zou zijn, nam ik een kloek besluit, opende het tuinhek en bleef achter hem, zoodat hij mij zien moest, wanneer hij omkeerde. Toen hij dit deed kwam hij oogenblikkelijk naar mij toe, keek mij eenige seconden peinzend aan—vermoedelijk zonder aan mij te denken—en daarna nam hij met een gelaat, dat straalde van innig welgevallen, mijne beide handen en schudde ze hartelijk.
„Wel, mijn beste Copperfield,” sprak hij, „gij zijt een man geworden in dien tijd! Hoe vaart gij? Ik ben heel blijde u te zien. Wat een kerel zijt gij geworden! Gij zijt geheel... ja... lieve Hemel!...”
Ik informeerde naar zijne gezondheid en naar die van mevrouw Strong.
„O, zeker, ja!” antwoordde hij, „Annie is heel wel en zal ook blijde zijn u te zien. Gij hadt altijd een wit voetje bij haar. Zij zeide dit nog gisteren avond, toen ik haar uw brief liet lezen. En... ja... zeker... gij herinnert u Jack Maldon nog wel, Copperfield?”
„O, zeer goed, Mijnheer.”
„Ja, natuurlijk.... HIJ is ook heel wel.”
„Is hij teruggekomen?” vroeg ik.
„Uit Indië? Ja, mijnheer Jack Maldon kon niet tegen het klimaat. Mevrouw Markleham..... gij herinnert u toch mevrouw Markleham nog wel?”
Zou ik „de oude Overste” vergeten zijn? In zulk een korten tijd?
„Mevrouw Markleham,” ging de doctor voort, „maakte zich erg ongerust over hem; wij hebben hem daarom hierheen laten komen en hem een postje bezorgd, dat hem beter bevalt.”
Ik wist genoeg van Jack Maldon, om te vermoeden dat het een postje was, dat hem weinig te doen gaf en goed betaald werd. Terwijl doctor Strong met zijne hand op mijn schouder op en neer wandelde en mij met zijn vriendelijk gezicht aanmoedigde om te spreken, ging hij zelf voort:
„En nu, Copperfield, uw voorstel. Het is zeer zeker hoogst vleiend voor mij en aangenaam bovendien; maar zoudt gij niet iets beters kunnen vinden? Gij waart een van mijn beste leerlingen, dat weet gij wel; gij hebt grondslagen gelegd, waarop elk gebouw zou kunnen worden opgetrokken. Is het dan niet jammer, den besten tijd van uw leven te wijden aan zulk eene armzalige bezigheid, als ik u kan aanbieden?”
Ik begon weder in- en uitwendig te gloeien en vreesde in hoogdravende taal gesproken te hebben, toen ik mijn verzoek herhaalde en den doctor herinnerde, dat ik reeds eene betrekking had.
„Ja, dat is waar,” antwoordde de trouwhartige man. „Gij hebt u een beroep gekozen en zoudt daarin kunnen voortstudeeren; dat maakt een onderscheid. Maar, mijn beste, jonge vriend, wat beteekent zeventig pond 's jaars?”
„Daarmede is ons inkomen verdubbeld, doctor Strong,” antwoordde ik.
„Goede Hemel!” riep de doctor. „Ik bedoel niet dat ik uw salaris zoo zal afpassen tot zeventig pond 's jaars, neen, ik ben altijd gewoon geweest jonge menschen, die ik op deze wijze eenige werkzaamheden opdroeg, ook nog een cadeautje te geven. Zeker, zeker,” ging hij voort, nog steeds met de hand op mijn schouder, „ik heb altijd op een jaarlijksch cadeau gerekend.”
„Mijn beste leermeester,” antwoordde ik—nu zonder in zulke hoogdravende uitdrukkingen te vervallen—„aan wien ik meer dank schuldig ben dat ik ooit zal kunnen erkennen......”
„Tut, tut,” zei doctor Strong, „nu overdrijft ge......”
„Als gij mijn beschikbaren tijd voor lief wilt nemen, dat is 's morgens en 's avonds, en mijn werk u zeventig pond 's jaars waard is, zult gij mij een dienst bewijzen, zoo groot, dat ik u niet genoeg danken kan.”
„Lieve Hemel!” zei de doctor in zijn eenvoud. „Het is immers maar een kleinigheid! En als gij uw tijd nuttiger kunt besteden, zult gij het doen, nietwaar? Beloof mij dat op uw woord?”—Deze uitdrukking had hij altijd gebezigd op de school, want hij deed zijn best om het eergevoel op te wekken bij de jongens.
„Op mijn woord, mijnheer!” antwoordde ik op dezelfde wijze als ik op school gedaan zou hebben.
„Dan blijft het afgesproken,” zei hij, mij nogmaals op den schouder kloppende; hij liet zijne hand daar rusten, terwijl wij nog eenigen tijd in den tuin bleven op- en neerloopen.
„Ik zal mij inderdaad hoogst gelukkig voelen,” zei ik na eene kleine pauze, „indien ik mijn tijd aan het woordenboek mag besteden.” Het was een klein vleierijtje, maar ik hoop—een onschuldig!
Doctor Strong bleef staan, klopte mij nogmaals lachend op den schouder en riep op zegevierenden toon uit, alsof ik door dit gezegde het grootste bewijs van menschelijke schranderheid gegeven had: „Mijn beste, jonge vriend, gij hebt het geraden. Het is het woordenboek!”
Hoe zou het iets anders kunnen zijn! Zijne zakken waren even vol als zijn hoofd. De papieren staken er aan alle kanten uit. Hij vertelde mij, dat het Woordenboek, sinds hij het onderwijs had vaarwel gezegd, met reuzenschreden vorderde; niets had hem aangenamer kunnen zijn dan mijn voorstel om 's morgens en 's avonds, bij hem te komen werken, want over dag maakte hij, al wandelende, zijne aanteekeningen. Zijne papieren verkeerden eenigszins in wanorde, want mijnheer Jack Maldon, die volstrekt niet gewoon was aan zulk werk, had in den laatsten tijd als secretaris gefungeerd; „maar,” voegde hij er in zijne goedhartigheid bij, „wij zouden wel spoedig orde op de zaken gesteld en dan met een zevenmijlsvaart doorgewerkt hebben.” Toen ik goed en wel aan het werk was, bemerkte ik, dat de pogingen van mijnheer Jack Maldon mij meer last bezorgden dan ik gedacht had; want niet alleen had hij zich herhaaldelijk vergist, maar zooveel soldaten en vrouwenkopjes in het manuscript geteekend, dat ik nu en dan de grootste moeite had om uit dien doolhof te geraken.
Het vooruitzicht om te zamen aan dezen gewichtigen arbeid te werken, verheugde den doctor zeer en wij spraken af, dat wij den volgenden morgen om zeven uur zouden beginnen. Elken morgen zouden wij twee, elken avond twee of drie uur werken, behalve des Zaterdags—dan had ik vacantie. En de Zondag was natuurlijk ook tot rustdag bestemd; zoodat ik de voorwaarden al zeer aannemelijk vond.
Toen alles dus tot ons beider bevrediging was geregeld, nam de doctor mij mede naar huis, opdat ik mijne opwachting zou kunnen maken aan mevrouw Strong, die ik in de nieuwe studeerkamer bezig vond de boeken af te stoffen—iets, dat de doctor aan niemand dan aan haar vergunde.
Ter wille van mij was het ontbijt uitgesteld, zoodat wij gezamenlijk aan tafel gingen. Wij zaten nog niet lang, toen ik aan mevrouw Strong's gezicht opmerkte, dat er nog iemand in aantocht was, hoewel ik er niets van hoorde. Een heer te paard hield bij het tuinhek stil, steeg af, bracht zijn paard met de teugels over den arm, naar het ledige koetshuis en kwam toen met de rijzweep in de hand de ontbijtkamer binnen, alsof hij hier thuis was. Het was mijnheer Jack Maldon; en mijnheer Jack Maldon was er, naar mijne meening niet op vooruitgegaan in Indië. Ik was echter in eene bijzondere deugdzame stemming en misschien een weinig bevooroordeeld ten opzichte van jonge lieden, die geen boomen hakten in het woud van moeilijkheden; dit moet dus wel in aanmerking worden genomen bij de beschrijving van den indruk, dien hij op mij maakte.
„Mijnheer Jack Maldon,” zei de doctor, „mijnheer Copperfield!”
Maldon schudde mij de hand, doch niet bijzonder hartelijk, naar het mij voorkwam; bovendien deed hij alsof hij zich mijn meerdere voelde, hetgeen ik in het geheim als eene beleediging opnam. Zijne lusteloosheid en onverschilligheid waren onuitstaanbaar; alleen dan, wanneer hij het woord richtte tot zijn nichtje, mevrouw Strong, scheen zijne belangstelling te zijn opgewekt.
„Hebt gij al ontbeten, Jack?” vroeg de doctor.
„Ik ontbijt zelden, mijnheer,” antwoordde hij, achterover liggende in een luien stoel, „het bekomt mij slecht wanneer ik 's morgens iets gebruik.”
„Is er ook nieuws?” vroeg doctor Strong.
„Neen, niets,” antwoordde Jack Maldon. „Er wordt verteld dat het volk armoede en honger lijdt, daar ergens in het Noorden, maar er is altijd ergens armoede en honger—dat zal wel eeuwig zoo blijven.”
Doctor Strong keek ernstig en zeide, alsof hij liever van dit onderwerp afstappen wilde: „Dus er is geen nieuws; dan zullen wij maar zeggen: geen tijding, goede tijding.”
„Er staat een lang verhaal in de krant over een moord,” hernam Jack Maldon, „maar er wordt bijna elken dag iemand vermoord; ik heb het daarom maar niet gelezen.”
Het aan den dag leggen van onverschilligheid voor alle menschelijke handelingen en hartstochten werd in die dagen niet zulk eene uitstekende eigenschap geacht als ik later wel eens meen opgemerkt te hebben. Ik heb den tijd gekend, dat het bepaald in de mode was, om het met groot succes vol te houden, ik heb jonge heeren en dames gekend, die evengoed als rups hadden ter wereld kunnen komen. Waarschijnlijk maakte het op mij zulk een grooten indruk, omdat het nieuw voor mij was; maar zeker rees mijnheer Jack Maldon dientengevolge niet in mijne achting, noch werd mijn vertrouwen in hem versterkt.
„Ik kwam eigenlijk vragen of Annie lust heeft om van avond mede naar de opera te gaan,” zei Maldon, zich tot haar wendende. „Het is van avond de laatste mooie voorstelling in dit seizoen en er is eene chanteuse, die gij zeker moet hooren. Zij zingt prachtig en is bovendien buitengewoon.... leelijk,” voegde hij er op lusteloozen toon bij.
Doctor Strong, die altijd zeer ingenomen was met alles wat zijne jonge vrouw genoegen kon doen, zeide: „Gij moet gaan, Annie, gij moet er zeker heengaan.”
„Ik wil liever niet,” antwoordde Annie. „Ik blijf veel liever thuis... veel liever.”
Na deze woorden, die tot haar echtgenoot gericht waren, wendde zij zich tot mij en vroeg hoe Agnes het maakte, of zij ook te Highgate zou komen en waarom zij eigenlijk vandaag niet kwam; zij had haar neef zelfs niet aangezien en was zoo zenuwachtig, dat het mij nog verbaast hoe de doctor, die kalmpjes een boterham zat te smeeren, blind kon zijn voor iets dat zoo in het oogvallend was. Maar hij zag werkelijk niets. Met zijne gewone goedhartigheid zei hij, dat zij jong was en zich eens een genoegen moest gunnen en niet altijd bij haar ouden man blijven zitten. Bovendien kon zij hem dan de nieuwe aria's voorzingen en hoe zou zij dat kunnen, als zij er niet heen ging? De goede doctor drong er bepaald op aan en noodigde zelfs Jack Maldon uit, het middagmaal bij hen te komen gebruiken. Toen dit afgesproken was, ging Maldon heen, vermoedelijk naar „zijn postje”; hoe het zij, hij reed weg, onverschilliger en lusteloozer dan ooit.
Ik was zeer nieuwsgierig naar hetgeen ik den volgenden morgen zou vernemen.—Zij was niet naar de opera geweest en had haar neef afgezegd; 's namiddags was zij Agnes gaan bezoeken en had den doctor overgehaald haar te vergezellen; samen waren zij toen naar huis gewandeld en hadden een prettigen avond gehad, volgens zijn eigen verklaring. Ik had toen wel eens willen weten waar zij zouden zijn heengegaan, als Agnes niet thuis was geweest en of Agnes ook op haar zulk een invloed ten goede oefende. Zij zag er dien morgen niet bijzonder gelukkig uit, naar mij voorkwam; maar er lag toch zooveel goedheid op haar lief gezichtje, tenzij zij huichelde, hetgeen ik niet geloofde. Ik keek dikwijls naar haar, want zij zat voor het open venster, terwijl wij werkten, en maakte ons ontbijt gereed, dat wij, onder de hand gebruikten. Toen ik om negen uur wegging, lag zij op hare knieën bij den doctor en maakte zijne schoenen en slobkousen vast. Er lag een schaduw over haar gelaat, te weeg gebracht door de groene takken, die voor het geopende venster van de lage kamer hingen, en gedurende mijne wandeling naar de Commons dacht ik telkens weder aan dien avond, toen ik datzelfde gezichtje had zien staren op het gelaat van haar echtgenoot, terwijl deze las.
Ik had een druk leven; des morgens om vijf uur op en des avonds om negen of tien uur thuis. Het schonk mij echter groote voldoening en nooit, of ik haast had of niet, liep ik langzaam; hoe meer ik mij inspande, hoe meer ik immers Dora waardig zou worden! Ik had Dora nog niets geschreven van de veranderingen, die met mij hadden plaats gegrepen, omdat zij eerstdaags bij juffrouw Mills zou komen logeeren. Ik wilde haar alles mondeling mededeelen en schreef haar alleen—juffrouw Mills was de meest getrouwe postillon, die men zich denken kon—dat ik haar veel, heel veel te vertellen had. Intusschen stelde ik mij op rantsoen wat pommade, berenvet, welriekende zeep en reukwatertjes betrof, en verkocht met groot verlies drie vesten, die voor mijne tegenwoordige levenswijze veel te fijn waren.
Niet tevreden met deze resultaten, maar van verlangen brandende om nog meer te doen, bracht ik een bezoek aan Traddles, die nu op een dakkamertje in Castle street, Holborn, woonde. Mijnheer Dick, die al tweemaal met mij naar Highgate geweest was en de wandelingen met den doctor had hervat, ging met mij mede. Ik nam hem mede, omdat de goede man, zeer begaan met den tegenspoed van de „bewonderenswaardigste vrouw van de wereld” en meenende, dat geen galeislaaf of tuchthuisboef zoo hard behoefde te werken als ik, voortdurend tobde en zelfs zijn eetlust inboette, omdat hij zich op geenerlei wijze nuttig kon maken. In deze omstandigheden voelde hij zich meer dan ooit onbekwaam om de memorie af te maken; hoe harder hij er aan werkte, hoe vaker dat ongelukkige hoofd van Koning Karel I hem parten speelde. De vrees bekroop ons dat zijne ziekte op deze wijze zou verergeren, waarom wij besloten hem te doen gelooven, dat hij zich nuttig maakte, of liever, omdat wij geen kans zagen hem zich nuttig te laten maken, te zien of Traddles ons helpen kon. Ik had Traddles een uitgebreid verslag gezonden van al hetgeen met mij was voorgevallen en een antwoord van hem ontvangen, waarin vriendschap en medelijden om den voorrang streden.
Wij vonden hem hard aan het werk, bij zijn inktkoker en zijn papieren, terwijl de bloemenstandaard en het ronde tafeltje de eenige sieraden waren in het armoedige vertrek. Hij ontving ons zeer hartelijk en had in een oogenblik vriendschap gesloten met mijnheer Dick, die stijf en strak volhield, dat hij Traddles vroeger ergens ontmoet moest hebben, waarop wij beiden verklaarden, dat het volstrekt niet onmogelijk was.
Het eerste punt, waarover ik Traddles wilde raadplegen, was het navolgende: Ik had wel eens gehoord, dat vele mannen, die later met eere genoemd werden, hun loopbaan begonnen waren met het schrijven van de verslagen der zittingen van het Parlement. Traddles had mij bovendien verteld, dat hij zijne hoop vestigde op de nieuwsbladen en deze beide omstandigheden bracht ik met elkander in verband. In mijn brief had ik Traddles reeds gevraagd mij mede te deelen, hoe ik mij voor deze werkzaamheden zou kunnen bekwamen en thans antwoordde hij mij op mijne vraag, dat alleen reeds het aanleeren van het mechanische gedeelte van het geheim van snelschrift even zooveel tijd vereischte als de studie van minsten zes vreemde talen, dat ik er dus bij den grootsten ijver minstens twee jaren voor zoo noodig hebben.