Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 54
„O, persoonlijk!” herhaalde mijnheer Jorkins ongeduldig. „Ik verzeker u, dat er bezwaren bestaan, mijnheer Copperfield. Het is hopeloos! Hetgeen gij wenscht kan niet gebeuren. Ik.... ik moet aan de Bank zijn.” Nu rende hij letterlijk weg en, voor zoover ik weet, verscheen hij in de eerste drie dagen niet in de Commons.
Aangezien ik geen enkele kans onbeproefd wilde laten, wachtte ik tot mijnheer Spenlow terugkwam en deelde hem mijn gesprek met mijnheer Jorkins mede; terwijl ik er bijvoegde, dat ik de hoop nog niet opgaf, indien hij zelf wilde beproeven den onbuigzamen compagnon te vermurwen.
„Copperfield,” antwoordde mijnheer Spenlow met een minzaam lachje, „gij kent mijn compagnon, mijnheer Jorkins, niet zoo lang en zoo goed als ik. Niets ligt minder in mijne bedoeling dan mijnheer Jorkins op de eene of andere wijze zwart te maken; maar mijnheer Jorkins heeft eene manier om bezwaren te opperen, waarmede hij de menschen wat eens misleidt. Neen, Copperfield, mijnheer Jorkins _is_ niet te vermurwen, geloof mij,” eindigde hij hoofdschuddend.
Het duizelde mij. Ik wist niet meer wie nu eigenlijk de bezwaren maakte, mijnheer Jorkins of mijnheer Spenlow? Ik zag echter met onverbiddelijke duidelijkheid in, dat ik aan het terugkrijgen van de duizend pond, door tante gestort, niet behoefde te denken. Moedeloos—ik herinner mij dat altijd nog met spijt, want ik was mij bewust, dat ik nog te veel aan mij zelven dacht, al was het steeds in verband met Dora—moedeloos verliet ik het kantoor en ging naar huis.
Ik poogde mij gemeenzaam te maken met het ergste, mij de schikkingen voor te stellen, die voor de toekomst, voor de zwartste toekomst, gemaakt moesten worden; ik deed mijn best alles zooveel mogelijk van den donkersten kant te bekijken, toen mij eene huurkoets achterop reed en vlak bij mij bleef stilstaan. Ik keek op en ziet—een blank handje werd mij toegestoken uit het portierraam en ik zag een lachend gezichtje, een gezichtje, dat ik nooit had gezien zonder mij gelukkiger en opgewekter te gevoelen, van het oogenblik af, dat het op de eikenhouten trap met de breede leuning naar mij keek en het mij aan de geschilderde vensters in de kerk deed denken.
„Agnes!” riep ik verheugd uit. „O, lieve Agnes, niemand kan mij op dit oogenblik meer welkom zijn dan gij!”
„Zoo, waarlijk?” vroeg zij op den haar eigen hartelijken toon.
„Ik heb zooveel met u te bespreken!” ging ik voort. „Nu ik u maar zie, is mijn hart al zooveel lichter! Had ik kunnen tooveren, ik zou niemand liever hierheen getooverd hebben dan u!”
„Wat?”
„Ja, misschien toch Dora eerst!” voegde ik er met een blos bij.
„Natuurlijk, Dora eerst, dat hoop ik ten minste,” zei Agnes lachend.
„Maar dan u! Waar gaat gij heen?”
Zij was op weg naar Buckingham-street om tante een bezoek te brengen. Het was mooi weer, zoodat zij blijde was het rijtuig te kunnen verlaten—ik had al dien tijd mijn hoofd binnen het rijtuig gehad, waarin een lucht was, die deed denken aan een stal onder een broeiraam.—Ik gaf den koetsier zijn afscheid en zij stak haar arm door den mijne en zoo wandelden wij naar mijne kamer. Zij vertegenwoordigde voor mij de belichaamde Hoop. Welke eene verandering had zij in deze enkele minuten reeds bij mij teweeggebracht! Arm in arm met Agnes!
Tante had haar een van die zonderlinge, korte briefjes geschreven—niet veel langer dan een banknoot—waartoe zij gewoonlijk hare correspondentie beperkte. Zij had daarin bericht, dat zij tegenspoed gehad en Dover voor goed verlaten had; maar dat zij zich reeds daarover heen had gezet en niemand zich dus om harentwil bezorgd behoefde te maken. Agnes was daarop naar Londen gegaan om tante een bezoek te brengen; want in de laatste jaren had tusschen tante en haar eene wederkeerige genegenheid bestaan. Deze dagteekende van het oogenblik, waarop zij mij bij de Wickfields had gebracht.
„Ik ben niet alleen in Londen,” sprak Agnes. „Papa is ook hier en.... Uriah Heep.”
„En zijn zij nu compagnons?” vroeg ik. „De duivel hale den kerel!”
„Ja,” zei Agnes. „Zij hebben zaken hier en ik heb de gelegenheid waargenomen om met hen mede te gaan. Gij moet niet denken, Trotwood, dat mijn bezoek geheel en al belangeloos of uit vriendschap is, want.... ik ben bang, dat gij mij erg voorzichtig zult vinden.... ik laat papa niet gaarne alleen—met hem.”
„Oefent hij nog steeds denzelfden invloed op mijnheer Wickfield, Agnes?” vroeg ik.
Agnes schudde het hoofd. „Er is zooveel veranderd in huis,” sprak zij, „dat gij onze oude, gezellige woning bijna niet meer zoudt herkennen. Zij wonen nu bij ons in.”
„Wie?” vroeg ik.
„Mijnheer Heep en zijne moeder. Hij slaapt op uw oude kamertje,” vertelde Agnes, terwijl zij mij haar lief gezichtje toekeerde.
„O, kon ik zijne droomen beheerschen!” riep ik uit. „Dan zou hij daar niet lang slapen!”
„Ik heb mijn oude kamertje behouden,” zei Agnes, „waar ik gewoon was mijne lessen te leeren. Wat gaat de tijd toch snel voorbij! Herinnert gij u dat kleine met hout beschoten kamertje? Het kwam in het salon uit.”
„Of ik mij dat herinner, Agnes? Toen ik u voor de eerste maal zag, kwaamt gij uit die deur met het kleine sleutelmandje aan den arm.”
„Juist, dat bedoel ik,” hernam Agnes met een vriendelijken glimlach. Het doet mij genoegen, dat gij 't u zoo goed herinnert. Wat waren wij toen gelukkig!
„Ja, waarlijk, dat moogt gij wel zeggen.”
„Ik heb dat kamertje voor mij zelve gehouden, maar ik kan juffrouw Heep niet altijd alleen laten, dat begrijpt ge. Ik voel mij dikwijls verplicht om haar gezelschap te houden, terwijl ik veel liever alleen zou zijn. Overigens heb ik geen enkele reden om over haar te klagen. Mocht zij mij nu en dan al eens vervelen met de loftuitingen over haar zoon, dan denk ik maar dat dit zoo natuurlijk is in eene moeder. Hij is een goed zoon voor haar.”
Ik keek Agnes aan, toen zij deze woorden gezegd had, maar kon niet ontdekken of zij iets van zijne plannen vermoedde. Hare zachte, ernstige oogen ontmoetten de mijne met dezelfde oprechtheid als altijd; er was niet de minste ontroering te bespeuren in haar lief gezichtje.
„De hoofdoorzaak, waarom ik dit samenwonen betreur, is, dat ik nu niet altijd zoo dicht bij papa kan zijn als ik wel zou wenschen—Uriah is nu zoo dikwijls tusschen ons—; ik kan hem nu niet zoo nauwgezet bewaken, bedoel ik—indien dit ten minste geen al te stoute bewering is. Mocht hij voor een oogenblik het slachtoffer worden van eenig bedrog of verraad, dan zullen, naar ik hoop, toch eindelijk liefde en waarheid wel sterker blijken te zijn. Ik hoop dat ware liefde en waarheid sterker zullen blijken te zijn, dan al het kwaad en al de boosheid op de geheele wereld.”
Een heldere, zonnige glimlach, zooals ik nooit op een ander gelaat gezien heb, verdween reeds, terwijl ik nog dacht hoe schoon die was en hoe ik daarvan in ruime mate had kunnen genieten. Toen wij dicht bij mijne kamers waren, vroeg zij mij, met eene plotselinge verandering op haar gelaat, of ik iets wist van de oorzaak der veranderde omstandigheden mijner tante. Ik antwoordde, dat zij mij nog niets daarvan had verteld, waarna Agnes stil werd en het mij toescheen, als voelde ik haar arm op den mijne beven.
Wij vonden tante alleen en in zenuwachtige stemming. Er was een verschil van gevoelen gerezen tusschen haar en juffrouw Crupp, over eene geheel op zichzelve staande quaestie, namelijk of het voegzaam was voor leden der zwakkere sexe om alleen op kamers te wonen; terwijl zij daarover aan het disputeeren waren had tante, ongevoelig voor de zenuwen van juffrouw Crupp, plotseling verklaard, dat deze naar brandewijn rook en beter deed maar heen te gaan. Deze beide uitdrukkingen waren in de oogen van juffrouw Crupp in rechten vervolgbaar, zoodat zij als haar voornemen had te kennen gegeven, een klacht in te dienen bij de „Engelsche Judy”, waarmede zij vermoedelijk het bolwerk onzer nationale vrijheid bedoelde.
Tante had echter reeds gelegenheid gehad om te bekoelen, want Peggotty was uitgegaan om mijnheer Dick de Horse Guards te laten bewonderen; bovendien was zij blijde Agnes te zien en volstrekt niet met het geval verlegen, ja, eerder trotsch op de wijze, waarop zij „dat mensch” de waarheid had gezegd, zoodat zij ons in eene bijzonder goede luim ontving. Toen Agnes haar hoed op de tafel gelegd had, en ik haar daar naast tante zag zitten met hare zachte oogen en haar hoog, blank voorhoofd, kon ik niet nalaten te denken, hoe natuurlijk het was, dat zij daar bij ons zat, hoe volkomen tante op haar vertrouwde, niettegenstaande zij zooveel jonger was en zooveel minder ondervinding had opgedaan; hoe sterk zij was in hare zucht naar liefde en waarheid.
Het gesprek liep over de verliezen, die tante geleden had, en ik vertelde haar wat ik dien morgen gepoogd had te doen.
„Dat was niet verstandig van u, Trot,” zei tante, „hoewel goed gemeend. Gij zijt een jongen, die het hart op de rechte plaats heeft—ik moet nu zeggen een jonge man—ik ben trotsch op u, beste. Tot zoover zijn wij het dus eens, maar nu, Trot en Agnes, moeten wij de zaak van Betsey Trotwood eens flink aanpakken en zien hoe die staat.”
Ik zag dat Agnes bleek werd, terwijl zij tante met de grootste opmerkzaamheid gadesloeg. En tante keek, terwijl zij de kat streelde, ook Agnes oplettend aan.
„Betsey Trotwood,” vervolgde tante, die altijd hare geldzaken zelve behandeld had—„ik bedoel niet uwe zuster Trot, beste jongen; ik bedoel mij zelve—bezat een zeker kapitaal. Hoeveel? Dat doet er niet toe. Genoeg om van te leven; meer nog dan dat, want zij was spaarzaam geweest en had overgehouden. Betsey had haar kapitaal in effecten belegd, maar op raad van haar zaakwaarnemer nam zij hypotheek op landerijen. Dit ging heel goed en gaf behoorlijke rente tot Betsey werd afbetaald.—Ik spreek daar van Betsey alsof zij een matroos was.—En toen moest Betsey uitkijken naar eene andere plaatsing voor haar geld. Zij meende wijzer te zijn dan haar zaakwaarnemer, die toenmaals de zaken niet meer zoo goed waarnam als vroeger—ik heb het oog op uw vader, Agnes—en belegde haar geld zelve. Zij ging met hare varkens naar eene andere markt en die markt bleek eene slechte te zijn. Eerst verloor zij met mijnspeculatiën en toen verloor zij met duikerspeculatiën—ik geloof om verloren schatten op te visschen of eene dergelijke dwaasheid”—legde tante uit, terwijl zij haar neus wreef; „en toen verloor zij nogmaals met de mijnen, en eindelijk, om de kroon op alles te zetten, verloor zij met Bankspeculatiën. Ik weet niet wat die aandeelen, een tijd geleden, waard waren,” vervolgde zij, „ik geloof honderd procent; maar die Bank was aan het andere einde van de wereld en sprong, voor zoover ik weet, van de wereld af in de ruimte; hoe het zij, er komt geen halven shilling van terecht. Betsey's shillings stonden er alle in en zijn nu alle weg. Hoe minder ik er van zeg, hoe minder ik heb te verantwoorden.”
Tante besloot dit wijsgeerig verslag met Agnes, die langzamerhand hare kleur had teruggekregen, met een zegevierenden blik aan te kijken.
„Is dat de geheele geschiedenis, lieve juffrouw Trotwood?” vroeg Agnes.
„Ik meen dat het genoeg is, mijn kind,” antwoordde tante. „Ware er meer geld te verliezen geweest, dan zou het denzelfden weg zijn opgegaan, dat weet ik zeker. Ik twijfel niet of Betsey zou wel een middel hebben geweten om het de rest achterna te gooien en dan zou de geschiedenis ook langer zijn geweest. Maar aangezien er geen geld meer was is de geschiedenis uit.”
Agnes had in het eerst met ingehouden adem zitten luisteren en was beurtelings rood en bleek geworden; maar thans ademde zij vrijer. Ik meende de oorzaak daarvan te begrijpen. Zij had gevreesd dat haar toch reeds zoo ongelukkige vader er op de eene of andere wijze in betrokken was. Tante nam Agnes' hand in de hare en zei lachend: „Dat is nu alles, behalve: ‚En later leefden zij heel gelukkig.’ Misschien mag ik dit nog eens aan Betsey's geschiedenis toevoegen. En nu, Agnes, gij zijt altijd zoo verstandig en gij ook, Trot, hoewel ik u niet in alle dingen dit compliment kan maken,”—tante schudde op eene eigenaardig heftige wijze het hoofd tegen mij—„wat moeten wij nu doen? Ik heb mijn huisje nog, dat ongeveer zeventig pond in het jaar zal opbrengen—daarop mogen wij, naar ik meen, wel rekenen—maar dat is ook alles.”—Tante had, evenals sommige paarden, de dwaze eigenaardigheid om nu en dan plotseling op te houden, terwijl zij nog een geheelen tijd scheen te zullen voortgaan.
Na eene kleine pauze vervolgde zij: „Dan hebben wij Dick. Hij betaalt honderd pond 's jaars, maar gij begrijpt, dat die ook voor hem besteed moeten worden. Liever zond ik hem weg—al weet ik dat ik de eenige persoon ben, die hem naar waarde weet te schatten, dan hem te houden om zijn geld. Hoe kunnen Trot en ik nu op de beste wijze ons leven inrichten? Wat denkt gij daarvan, Agnes?”
„Ik zeg, tante,” viel ik in, „dat ik iets doen moet.”
„Soldaat worden of naar zee gaan? Bedoelt gij dat—met „iets doen?”” vroeg tante ongerust. „Ik wil er niets van hooren. Gij moet proctor worden. Het is in ONZE familie niet de gewoonte zich naar lager wal te laten sturen, onthoud dat goed, jongeheer.”
Ik was op het punt om te verklaren, dat ik geen plan had deze manier van doen bij de familie in te voeren, toen Agnes vroeg of de kamers, die ik bewoonde, voor langen tijd gehuurd waren.
„Gij slaat den spijker op den kop, lieve Agnes,” zei tante. „Wij kunnen er in de eerste zes maanden niet afkomen, tenzij ze aan anderen verhuurd konden worden, hetgeen ik betwijfel. De laatste bewoner is hier gestorven. Vijf van de zes bewoners zouden hier natuurlijk sterven—met die vrouw in het nanking en den flanellen onderrok. Ik heb nog eenig contant geld en ik ben het met u eens, het beste is hier te blijven, tot de huur om is, en voor mijnheer Dick eene kamer in de buurt op te zoeken.”
Ik achtte het mijn plicht tante te wijzen op de onaangenaamheden, waaraan zij zich zou blootstellen, wanneer zij in voortdurenden oorlog moest leven met juffrouw Crupp, maar zij ruimde mijn bezwaar terstond uit den weg door te verklaren, dat zij bij de eerste poging om de vijandelijkheden te beginnen, juffrouw Crupp zulk een schrik op het lijf zou jagen, dat zij, juffrouw Crupp, daaraan haar geheele verdere leven genoeg zou hebben.
„Ik dacht, Trotwood,” zei Agnes een weinig aarzelend, „dat als gij tijd over hadt....”
„O, ik heb veel tijd, Agnes. Ik ben om vier of vijf uur altijd vrij en ook 's morgens heb ik tijd. In overvloed dus,” antwoordde ik, met een gevoel van schaamte over al den tijd, dien ik verbeuzeld had met door de stad en langs den weg naar Norwood te slenteren.
„Zoudt gij genegen zijn om eene betrekking als secretaris op u te nemen?” vroeg zij, terwijl zij bij mij kwam staan en met zulk eene zachte, lieve stem tot mij sprak, dat ik die telkens nog meen te hooren.
„Genegen zijn, lieve Agnes?”
„Gij moet weten,” hernam zij, „dat doctor Strong zijn plan, om de school over te doen, eindelijk ten uitvoer gebracht en zich metterwoon in Londen gevestigd heeft; en ik weet dat hij papa verzocht heeft hem iemand aan te bevelen. Zoudt gij niet denken, dat hij niemand liever bij zich zou willen hebben dan u, zijn oud-leerling, over wien hij steeds met groote ingenomenheid spreekt?”
„Lieve Agnes!” zei ik. „Wat moest ik toch beginnen zonder u? Gij zijt altijd mijn goede engel. Ik heb u dat reeds meer gezegd. Ik denk nooit anders aan u dan in dien zin.”
Agnes antwoordde met een vriendelijken glimlach, dat naar hare meening één goede engel—zij bedoelde Dora—voldoende was en bracht mij toen in herinnering, dat doctor Strong altijd 's morgens vroeg en 's avonds in zijne studeerkamer doorbracht—mijne vrije uren zouden hem dus waarschijnlijk goed kunnen te pas komen. De blijdschap, dat ik zelf mijn brood zou kunnen verdienen, was grooter dan de hoop, dat ik het onder leiding van mijn ouden meester zou kunnen doen; evenwel, ik nam op raad van Agnes onmiddellijk pen en papier en schreef den doctor, dat ik den volgenden morgen te tien uur precies bij hem zou zijn, om met hem te spreken over de openstaande betrekking van secretaris. Ik adresseerde dezen brief naar Highgate—want daar, in dat voor mij zoo gedenkwaardige plaatsje woonde hij—en bracht hem zelf naar de post.
Waar Agnes ook was, overal was hare tegenwoordigheid weldadig, overal liet zij sporen na, die iemand in eene aangename stemming brachten. Toen ik terugkwam, vond ik tante's kooitjes opgehangen op dezelfde wijze als ze in de huiskamer te Dover hadden gehangen; mijn leunstoel stond bij het open venster op dezelfde wijze als de veel grootere van tante te Dover voor het venster had gestaan, en zelfs de ronde, groene waaier, die tante had medegebracht, prijkte op de vensterbank. Ik wist wie dat alles had bewerkstelligd, omdat het zoo stil, zoo als van zelf geschied was; ja, ik zou terstond geweten hebben wie mijne oude schoolboeken had gerangschikt, zooals ze in vroegere dagen stonden, al was Agnes mijlen ver weg geweest. Thans stond zij er voor en keek glimlachend om, toen ik binnenkwam, terwijl zij bestraffend den vinger opstak, omdat er zooveel wanorde onder heerschte.
Tante sprak hare tevredenheid uit over de Theems, die er, beschenen door de morgenzon, waarlijk nog al aantrekkelijk uitzag, al was het zeegezicht uit tante's huisje aan het strand veel mooier, maar met den Londenschen mist kon zij zich niet verzoenen, omdat die, volgens hare bewering, evenals peper overal doordrong. Deze peper had eene volslagen revolutie in mijne kamers ten gevolge, waarbij Peggotty eene groote rol speelde; en juist was ik bezig te overpeinzen, hoe weinig Peggotty uitvoerde in verband met de drukte, die zij bij alles maakte, terwijl Agnes zonder eenige drukte zooveel deed, toen er op de deur werd geklopt.
Agnes werd bleek en zeide; „Ik onderstel dat het papa is. Hij heeft mij beloofd te zullen aankomen.”
Ik opende en stond niet alleen tegenover mijnheer Wickfield, maar ook tegenover Uriah Heep. Ik had mijnheer Wickfield in eenigen tijd niet gezien en was, na hetgeen Agnes verteld had, er op voorbereid, hem zeer veranderd te zullen vinden, maar toch trof mij zijn uitzicht diep. Zeker, hij scheen vele jaren ouder te zijn geworden, hoewel zijn toilet nog altijd onberispelijk was; zijn gelaat had eene ongezonde, roode kleur, zijne oogen waren ontstoken en met bloed beloopen, zijne handen beefden—maar daarvan kende ik de oorzaak; ik had die jaren geleden aan het werk gezien. Ook maakte hij nog altijd den indruk van een gentleman, maar wat mij trof was, dat niettegenstaande hij door geboorte, stand en kennis zoo ver verheven was boven dien kruiper, dien huichelaar, hij zich geheel door Uriah Heep had laten inpakken. De omkeering, welke in hunne wederzijdsche verhouding had plaats gegrepen—Uriah's macht en mijnheer Wickfield's afhankelijkheid—deed mij pijnlijker aan dan ik in woorden kan beschrijven. Indien ik een man had gezien in de macht van een aap, zou mij dit niet zoo vernederend hebben toegeschenen als hetgeen, waarvan ik thans getuige zijn moest.
Mijnheer Wickfield scheen zich bovendien maar al te zeer daarvan bewust te zijn. Toen hij binnenkwam bleef hij een oogenblik met gebogen hoofd op den drempel staan; één oogenblik echter maar, want Agnes ging naar hem toe en zei met hare zachte stem: „Papa! Hier is juffrouw Trotwood—en Trotwood, dien gij in zoo'n langen tijd niet gezien hebt.” Toen kwam hij naderbij, bood tante een weinig verlegen de hand, maar schudde de mijne met meer hartelijkheid. In dat oogenblik van aarzeling, waarvan ik zoo even sprak, zag ik een afschuwelijken glimlach op Uriah's gezicht. Ook Agnes merkte dien op, naar ik meende, want een rilling voer haar door de leden.
Wat mijne tante zag of niet zag, kon zelfs de grootste gelaatskenner niet ontdekken, wanneer zij dat niet wilde. Ik geloof niet, dat er ooit iemand geboren is, die het gelaat beter in de plooi kon houden dan zij. Op dit oogenblik geleek het een blinde muur, zoo weinig verried hetgeen in haar omging, tot zij plotseling de stilte verbrak.
„Wel, Wickfield,” sprak zij en nu keek hij haar voor de eerste maal aan, „ik heb uwe dochter eens verteld hoe goed ik zelve voor mijn geld heb gezorgd, toen ik het u niet meer kon toevertrouwen, omdat gij wat oud begint te worden. Wij hebben hier met ons drieën raad gehouden en zijn, de omstandigheden in aanmerking genomen, al een goed eind op weg. Agnes is, naar mijn oordeel, zooveel waard als de geheele firma.”
„Als ik zoo vrij mag zijn de nederige opmerking te maken,” zei Uriah Heep met een grijns, „dat ik het volkomen eens ben met mejuffrouw Betsey Trotwood en dat ik maar al te gelukkig zou zijn als juffrouw Agnes in de zaak wilde komen.”
„Gij zijt immers nu zelf compagnon,” viel tante in. „Is dat soms nog niet genoeg? Hoe vaart u, mijnheer?”
Op deze vraag, die met buitengewone kortheid was gedaan, antwoordde mijnheer Heep, den blauwen zak, dien hij droeg, angstig vastklemmende, dat hij heel wel was en hoopte hetzelfde ook van tante te mogen vernemen.
„En gij, jongeheer.... ik wil zeggen, mijnheer Copperfield?” vervolgde Uriah. „Ik hoop dat gij wel zijt! Het verheugt mij u weer eens te zien, mijnheer Copperfield, zelfs in de tegenwoordige omstandigheden.”—Ik geloofde dit gaarne, want hij scheen er zich ook werkelijk in te verheugen.—„Uwe vrienden zouden u gaarne in andere omstandigheden zien, mijnheer Copperfield, maar het geld maakt den man niet: dat moet... het gaat werkelijk boven mijn nederige krachten te zeggen wat het wel doet, maar.... geld niet,” voegde hij er bij, terwijl hij zich in allerlei bochten wrong.
Nu schudden wij elkander de hand niet op de gewone wijze, maar wij stonden een goed eind van elkander af en hij lichtte mijne hand op en liet die weer vallen, alsof hij aan den slinger van eene pomp trok.
„En hoe vindt gij dat wij eruitzien, jongeheer Copperfield—ik bedoel, mijnheer Copperfield,” vroeg Uriah op zijn gewonen kruiperigen toon. „Houdt mijnheer Wickfield zich niet goed, mijnheer? In onze firma hebben de jaren geen invloed, jongeheer Copperfield; alleen doen zij de nederigen opkomen—ik bedoel mijne moeder en mij—en,” voegde hij er bij, alsof hem dit plotseling inviel, „de schoonheid ontwikkelen—in juffrouw Agnes.”
Na dit complimentje rekte hij zich zoo uit en maakte hij zulke ijzingwekkende grimassen, dat tante, die hem strak had zitten aankijken, haar geduld verloor en riep:
„De Duivel hale dien man! Wat scheelt hem toch? Gij lijkt den Vitus-dans wel te hebben, mijnheer!”
„Pardon, juffrouw Trotwood, ik begrijp, dat gij een weinig zenuwachtig zijt.”
„Loop rond! Mijnheer!” riep tante, blijkbaar ontstemd. „Hoe durft gij zoo iets zeggen? Ik ben verre van zenuwachtig! Als gij een man zijt, gedraag u dan als een man en sta daar niet te kronkelen als een aal! Groote goedheid!” ging zij op verontwaardigden toon voort, „gij zoudt mij met uwe slangachtige en kurketrekkerachtige bewegingen van mijn stuk brengen!”
Mijnheer Heep was, zooals de meeste menschen zouden geweest zijn, niet weinig verbluft door dezen uitval, waarvan de uitwerking nog verhoogd werd door de toornige wijze, waarop tante op haar stoel heen- en weerschoof en haar hoofd schudde, alsof zij op hem wilde aanvliegen. Intusschen zei hij binnensmonds tegen mij:
„Ik weet wel, jongeheer Copperfield, dat juffrouw Trotwood, hoewel eene uitmuntende vrouw, soms wat driftig is—ik heb haar al gekend, toen ik nog maar een eenvoudig klerkje was, langen tijd voor gij kennis met haar maaktet, jongeheer Copperfield—en het is heel natuurlijk, dat de tegenwoordige omstandigheden haar prikkelbaar hebben gemaakt. Het verbaast mij, dat zij nog niet zenuwachtiger is. Ik ben alleen medegekomen om te zeggen dat, als wij iets voor u kunnen doen, moeder of ik, of de firma Wickfield en Heep, wij heel blijde zullen zijn. Ik mag immers wel zoo ver gaan?” vroeg hij aan zijn compagnon met den afschuwelijksten glimlach, dien ik ooit van hem gezien had.