Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 53
Zoodra ik mijne tegenwoordigheid van geest, die mij in het eerste oogenblik na tante's overweldigend bericht geheel verlaten had, terug had gekregen, stelde ik mijnheer Dick voor met mij naar den kruidenierswinkel te wandelen en daar bezit te nemen van het bed van baas Peggotty, dat beschikbaar was. De winkel was op Hungerford Market, waar het er toenmaals geheel anders uitzag dan tegenwoordig; voor de deur bevond zich bijvoorbeeld een laag houten uitbouwsel, op zuilen rustende,—niet ongelijk aan de woonplaats van het oude mannetje en vrouwtje in de eerste weerglazen—dat mijnheer Dick bijzonder aardig vond. Het genot, om boven zulk een fraai uitbouwsel te logeeren, deed hem alle ongemakken vergeten; en aangezien er weinig ongemakken waren, behalve de geur van de verschillende door mij reeds opgesomde koopwaren, en wellicht de ruimte niet al te groot was, voelde mijnheer Dick zich zeer op zijn gemak. Juffrouw Crupp had hem op verontwaardigden toon verzekerd, dat het een kamer was, waar men zelfs geen kat kon houden; maar, zooals mijnheer Dick mij, op het voeteneinde van het bed zittende, verzekerde, hield hij niet van katten en was juffrouw Crupp's waarschuwing dus geheel overbodig.
Ik deed eene poging om te weten te komen, of mijnheer Dick iets begrepen had van de plotselinge verandering in tante's omstandigheden. Zooals ik verwacht had, was alles een gesloten boek voor hem gebleven. Het eenige dat hij wist te vertellen, was, dat tante hem twee dagen geleden gevraagd had: „Zeg eens, Dick, zijt gij werkelijk zoo verstandig als ik altijd gemeend heb?” Hij had daarop geantwoord: „Ja, dat hoop ik ten minste.” Daarna had tante gezegd: „Ik ben geruïneerd, Dick”, waarop hij geantwoord had: „Zoo, inderdaad!” Tante had hem om dit antwoord zeer geprezen en hij was blijde geweest met dien lof. En toen waren zij naar Londen gegaan en hadden onderweg porter en broodjes gekocht.
Mijnheer Dick was zoo welgemoed, terwijl hij op den rand van het bed zijne beenen zat te wrijven en mij dat alles met wijd geopende oogen glimlachend vertelde, dat ik tot mijn spijt een weinig uit mijn humeur raakte en hem uitlegde, dat „geruïneerd zijn” beteekent armoede, gebrek en honger lijden. Terstond werd ik echter voor mijne hardvochtigheid gestraft, want ik zag hem al bleeker en bleeker worden en eindelijk liepen hem de tranen langs de wangen; terwijl hij mij zoo bitter bedroefd aankeek, dat zelfs een harder gemoed dan het mijne vermurwd zou zijn. Ik had veel meer moeite om hem zijne opgeruimdheid terug te bezorgen, dan ik gehad had om hem ter neer te slaan en weldra begreep ik—ik had dit terstond moeten begrijpen—dat hij alleen daarom zoo gerust was geweest, omdat hij zulk een volkomen vertrouwen stelde in de verstandigste en bewonderingswaardigste aller vrouwen en bovendien meende, dat ik mij met mijne bekwaamheden zelf door de wereld kon helpen. Ik vermoed, dat hij deze bekwaamheden als een geneesmiddel beschouwde tegen alle kwalen, die niet bepaald doodelijk waren.
„Wat kunnen wij doen, Trotwood?” zei mijnheer Dick. „Daar is nog de memorie....”
„Ja, zeker, die is er nog,” antwoordde ik. „Maar alles wat wij op het oogenblik kunnen doen is vroolijk kijken en mijne tante niet laten bespeuren, dat wij er over denken.”
Hij stemde dit toe met een hoogst ernstig gelaat en smeekte mij letterlijk hem, wanneer ik hem ook maar een duim van den rechten weg zag afdwalen, op de wijze, zooals ik het best achtte, terug te roepen. Het spijt mij te moeten bekennen dat de schrik, dien ik hem had aangejaagd, in weerwil van al zijne pogingen, niet van hem wilde wijken. Den geheelen avond dwaalden zijne oogen telkens naar tante's gelaat, en er lag zulk eene angstige uitdrukking in alsof hij haar nu reeds zag vermageren. Hij was zich hiervan wel bewust en deed zijn best om zijn hoofd in bedwang te houden; maar aangezien zijne oogen regelmatig door hunne kassen bleven rollen, alsof er een uurwerk in zijn hoofd verborgen was, maakte hij de zaak daarmede niet beter. Ik zag hem naar het brood kijken, waarmede wij ons souper moesten doen—het was toevallig heel klein—alsof dit ons nog alleen van den hongersnood scheidde, en toen tante hem aanmoedigde om zich als naar gewoonte te bedienen, betrapte ik hem op het wegnemen van eenige stukken brood en kaas. Hij stak die in zijn zak, zonder twijfel met het doel ons met dien overgespaarden schat te verrassen, wanneer wij op het punt waren van den geeuwhonger te krijgen.
Tante, daarentegen, was zoo kalm, zoo welgemoed, dat zij voor ons allen, voor mij vooral, een voorbeeld was. Voor Peggotty was zij buitengewoon vriendelijk, behalve wanneer ik haar met dezen naam aansprak; zij scheen zich geheel thuis te gevoelen, hoewel ik wist dat Londen niets aantrekkelijks voor haar had. Zij zou in mijn bed slapen en ik op de sofa in mijne zitkamer, ten einde de wacht bij haar te houden. Het scheen wel dat de nabijheid van de rivier eene geruststelling voor haar was in geval van brand, want zij roerde dit onderwerp niet aan.
„Trot, beste jongen,” sprak zij, toen zij mij toebereidselen zag maken voor haar gewonen avonddrank, „niet doen.”
„Niet, tante? Zult u dan niets drinken?”
„Geen wijn, beste jongen, bier.”
„Maar ik heb hier wijn, tante. Gij drinkt immers elken avond wijn?”
„Bewaar den wijn voor het geval wij een van allen ziek worden,” zei tante. „Wij mogen er niet zoo zorgeloos mede omspringen. Trot! Geef mij maar bier. Een half pintje.”
Ik meende een oogenblik, dat mijnheer Dick in zwijm zou vallen. Tante bleef bij haar besluit en zoo ging ik het bier zelf halen, terwijl Peggotty en mijnheer Dick den kruidenierswinkel opzochten, want het was laat geworden. De arme kerel! Ik nam afscheid van hem op den hoek van de straat en daar ging hij heen, met den grooten vlieger op den rug—een toonbeeld van menschelijke ellende!
Toen ik terugkwam vond ik tante de kamer op en neerloopende, terwijl zij de kanten van hare nachtmuts met haar vingers in de plooi bracht.
Ik warmde het bier en maakte het geroosterde brood gereed, geheel zooals zij dat jaren lang gewend was geweest. Toen ik daarmede gereed was, was zij gereed om het te gebruiken, had de muts opgezet en de japon over hare knieën geslagen.
„Beste jongen,” sprak zij, na eene teug van het warme bier genomen te hebben, „het is veel beter dan wijn. Veel minder slecht voor de gal.”
Het schijnt dat er eene uitdrukking van twijfel op mijn gelaat te lezen was, want zij voegde er bij:
„Tut, tut, mijn kind. Als ons niets ergers overkomt dan bier in plaats van wijn te moeten drinken, mogen wij van geluk spreken.”
„Dat zou ik zelf ook denken, tante,” antwoordde ik.
„En waarom denkt gij dan niet zoo?” vroeg zij.
„Omdat gij en ik zeer verschillende personen zijn, tante,” antwoordde ik.
„Dwaasheid, praatjes, Trot,” antwoordde tante. Zij bleef met stil genot, waarbij weinig, zoo al eenige gemaaktheid was, het warme bier met een theelepeltje opslurpen, terwijl zij de reepjes geroosterd brood er in sopte.
„Gij weet, Trot,” sprak zij middelerwijl, „dat ik niet veel houd van vreemde gezichten, maar die Barkis bevalt mij wel.”
„Het is mij meer waard dan honderd pond dat ik u dit hoor zeggen, tante,” antwoordde ik.
„Het is een wonderlijke wereld tegenwoordig,” ging zij, haar neus wrijvende, voort, „maar hoe die vrouw er ooit met zoo'n naam is ingekomen, blijft mij een raadsel. Het is toch veel gemakkelijker geboren te worden als Jackson of iets dergelijks.”
„Misschien denkt zij dat zelve ook wel; maar zij kan het niet helpen.”
„Dat zal het ook wel niet,” stemde tante met eenigen weerzin toe, „maar het is toch ergerlijk. Hoe het zij, zij heet nu Barkis. Dat is wel zoo gemakkelijk uit te spreken. Barkis houdt veel van u, Trot.”
„Zij zou alles willen doen om daarvan het bewijs te leveren,” zei ik met warmte.
„Alles,” herhaalde tante, „dat geloof ik ook. Die dwaze meid heeft mij gebeden en gesmeekt om wat van haar geld aan te nemen—omdat zij te veel heeft! Wat een onnoozele bloed!”
Er vielen tranen in het warme bier; dat zag ik duidelijk.
„Zij is het belachelijkste schepsel, dat ooit geboren is,” vervolgde tante. „Van het eerste oogenblik af, dat ik haar bij uwe moeder, bij dat arme, lieve kind-vrouwtje, gezien had, wist ik dat zij een dwaas schepsel was. Maar zij heeft ook veel goeds, die Barkis!”
Zij deed alsof zij lachte en had daardoor gelegenheid om de hand voor de oogen te houden. Toen zij zich op deze wijze geholpen had, ging zij voort met eten en praten.
„Goede Hemel, Trot, ik heb alles gehoord,” sprak zij met een zucht. „Barkis en ik hebben er heel wat afgepraat, toen gij met mijnheer Dick op het pad waart. Ik begrijp niet wat die ongelukkige meisjes zich wel voorstellen! Het verbaast mij altijd, dat zij zich het hoofd niet te bersten loopen tegen.... tegen een schoorsteenmantel!” Vermoedelijk was dit denkbeeld bij haar opgekomen omdat zij vlak tegenover den mijne zat.
„Arme Emily!” zei ik.
„Praat mij toch niet van arme!” antwoordde tante. „Zij moest dat bedacht hebben eer zij zooveel ellende veroorzaakte. Geef mij een kus, Trot. Het spijt mij dat gij zoo jong reeds zulk eene ervaring hebt opgedaan.”
Toen ik mij vooroverboog, zette zij het bierglas op hare knie, opdat zij mij zou kunnen vasthouden, en zei:
„O, Trot, Trot! Verbeeldt gij u werkelijk lief te hebben? Is het waar?”
„Verbeelden, tante?” riep ik uit, zoo rood als een kalkoen. „Ik aanbid haar!”
„Zoo, Dora?” vroeg zij. „En meent gij waarlijk dat zij zoo bekoorlijk is?”
„Lieve tante,” antwoordde ik. „Niemand is in staat om zich eene voorstelling van haar te maken.”
„Zoo? En niet kinderachtig?”
„Kinderachtig, tante?”
Ik geloof in allen ernst dat de gedachte of zij al of niet kinderachtig was, nooit in mij was opgekomen. Natuurlijk ergerde ik mij er aan, maar ik was er toch door getroffen; ze was nieuw voor mij.
„Geen onbezonnen schepseltje?” vroeg tante.
„Onbezonnen, tante!” Ik kon niets doen dan het woord herhalen met hetzelfde gevoel, waarmede ik de eerste vraag had herhaald.
„Zoo, zoo!” hernam tante. „Ik vraag het maar; ik spreek geen kwaad van haar. Arm, jong paartje! En dus meent gij, dat gij voor elkaar geschapen zijt en door het leven gaan zult als twee kleine stukjes gebak op een soupétje? Nietwaar Trot?”
Zij deed deze vraag op zulk een vriendelijken toon en met zulk een gemengde uitdrukking van blijdschap en bezorgdheid op haar gelaat, dat ik er werkelijk door getroffen werd.
„Wij zijn jong en hebben nog weinig ondervinding, tante, dat weet ik,” antwoordde ik, „en ik wil er zelfs bijvoegen dat wij de toekomst misschien wel wat met een bevooroordeelden blik of door een rozenrooden bril beschouwen; maar wij hebben elkander innig lief, dat kan ik u verzekeren. Als de gedachte in mij opkwam, dat Dora ooit een ander zou kunnen lief hebben of zou kunnen ophouden mij lief te hebben; of dat ik een ander meisje zou kunnen liefhebben of zou kunnen ophouden haar lief te hebben—ik weet niet wat ik dan doen zou.... ik geloof dat ik krankzinnig zou worden!”
„O, Trot!” zei tante hoofdschuddend en met een ernstigen glimlach, „blind, blind, blind!”
„Ik ken iemand, Trot,” vervolgde zij na een oogenblik gezwegen te hebben, „ik ken iemand, die heel erg verliefd is, iemand, die mij aan dat arme kind-vrouwtje herinnert. Die „iemand” moet zich ernstig afvragen, of een andere iemand wel ernstig genoeg is om hem te steunen en op den goeden weg te houden, Trot. Ernst..... oprechten, trouwen, heiligen ernst moet hij zoeken.”
„O! Als gij eens wist, tante, hoe ernstig Dora zijn kan!” riep ik.
„Blindheid! Trot! Blindheid!” herhaalde zij en zonder te beseffen waarom, maakte zich eene gewaarwording van mij meester of ik iets verloren had, of dat ik iets miste. De gedachte aan Dora maakte mij niet meer zóó gelukkig als ze tot nu toe gedaan had.
„Gij moet niet denken, Trot,” hernam tante, „dat het mijne bedoeling is twee jonge menschen afkeerig van elkaar of ongelukkig te maken; neen, ofschoon ik uwe zoogenaamde liefde nog beschouw als eene echte kalverliefde en van kalverliefde gewoonlijk—let wel op, ik zeg niet ‚nooit’—niets komt, zullen wij er toch ernstig over praten en het zal mij aangenaam zijn te kunnen hopen op een gelukkigen uitslag. Vooreerst kan er toch niets van komen.”
Dit was nu niet zeer troostrijk voor iemand, die tot over de ooren verliefd was; maar ik was blijde dat tante nu in vertrouwen was genomen en vermoedde dat zij wat vermoeid zou zijn. Ik bedankte haar daarom hartelijk voor dit blijk van hare genegenheid en voor alles, wat zij reeds voor mij gedaan had, waarna ik haar goeden nacht wenschte en zij met de nachtmuts over den arm in mijne slaapkamer verdween.
Maar o, wat voelde ik mij ellendig, toen ik mijne sofa had opgezocht! Allerlei kwellende gedachten hielden mij voortdurend bezig: Wat zou mijnheer Spenlow zeggen nu ik arm was? Wat Dora, nu ik niet meer zijn kon wat ik was, toen ik haar had gevraagd? Hoe moest ik haar bekend maken met mijne veranderde positie en moest ik haar haar woord teruggeven, indien zij dit wenschte? Waarvan moest ik leven gedurende den langen tijd, waaraan ik door het eenmaal gesloten contract verbonden was, als ik niets verdiende? Hoe zou ik iets kunnen doen om mijne tante te ondersteunen? Zou ik nu voortaan, zonder een penny op zak, in een versleten rok naar Norwood moeten gaan, in plaats van keurig uitgedost, op een vurigen appelschimmel, met de fraaiste cadeaux voor Dora in den zak? Ik wist dat deze gedachten zelfzuchtig, ja, bijna laaghartig waren en ik deed mijn uiterste best om ze op de vlucht te jagen, doch mijne liefde voor Dora was oorzaak, dat ze telkens weder naar voren drongen. Ik wist dat het slecht van mij was, zoo weinig aan tante en zooveel aan mij zelven te denken; maar zelfzucht en Dora waren onafscheidelijk van elkander en ik kon Dora niet ter zijde stellen, voor welk menschelijk wezen ook. O, wat bracht ik een ellendigen nacht door!
Toen ik eenmaal in slaap was gevallen droomde ik van armoede in al hare afschuwelijkste vormen, maar ik had het gevoel alsof ik droomde zonder eerst in slaap gevallen te zijn. Nu eens was ik een havelooze bedelaar en wilde Dora lucifers verkoopen—zes doosjes voor een halven stuiver; dan weder kwam ik in een slaaprok en laarzen op het kantoor en werd door mijnheer Spenlow berispt, omdat ik in een dergelijk toilet voor de cliënten wilde verschijnen; een andermaal ving ik de kruimels op van mijnheer Tiffey's beschuit, die hij elken dag, wanneer de klok van St. Paul één uur sloeg, verorberde: hopelooze pogingen wendde ik aan om een licentie te verkrijgen voor een huwelijk met Dora, terwijl ik niets in ruil had dan een van Uriah Heep's handschoenen, die geen der leden van de Commons hebben wilde; en toch bleef ik mij bewust dat ik in mijn eigen kamer was en lag ik in een zee van beddegoed rond te woelen, als een schip zonder masten op de onstuimige baren.
Tante was ook onrustig; ik hoorde haar telkens heen en weer wandelen. Twee of drie malen kwam zij in den loop van den nacht mijne kamer binnen en op de sofa toe, gehuld in een lange, flanellen nachtjapon, waarin zij zeven voet lang scheen. De eerste maal sprong ik ontsteld op, om te vernemen dat zij uit een eigenaardig schijnsel aan den hemel afleidde, dat de Westminsterabdij in brand stond; zij verlangde te weten of bij eene verandering in den wind Buckingham-street ook gevaar zou loopen. De volgende maal bleef ik stil liggen en bemerkte dat zij naast mij ging zitten, telkens fluisterend: „Arme jongen!” Het besef, dat zij alleen aan mij dacht en dat ik zoo zelfzuchtig was, maakte mij diep ellendig.
Het was moeilijk te gelooven dat een nacht, die voor mij zoo onuitsprekelijk lang was geweest, aan iemand anders kort kon hebben toegeschenen.
Deze overweging wekte een visioen in mij op; ik was op een danspartij, waar de uren omvlogen; ik hoorde de muziek onophoudelijk dezelfde melodie spelen, ik zag Dora voortdurend dansen, altijd denzelfden dans, zonder eenige notitie van mij te nemen. Toen ik wakker werd, of laat ik liever zeggen, toen ik mijne pogingen om in slaap te vallen staakte, en de zon door het venster gluurde, was de man, die den geheelen nacht op de harp gespeeld had, bezig deze eene buitengewoon groote slaapmuts op te zetten, hetgeen hem maar niet wilde gelukken.
Aan het einde van een der van het strand komende straten bevond zich in die dagen een Romeinsch badhuis—misschien is het er nog wel—waarvan ik menigmaal gebruik heb gemaakt. Na mij zoo stil mogelijk aangekleed te hebben, ging ik er ook dezen morgen heen—Peggotty zou voor tante zorgen—en stortte mij hals over kop in het koele water; daarna deed ik een wandeling naar Hampstead. Ik hoopte dat deze lichaamsbeweging mij wat zou opfrisschen en ik meen ook dat die mij goed heeft gedaan, want al heel spoedig kwam ik tot het besluit dat de eerste stap, dien ik te doen had, was te trachten mijn contract te verbreken en de gestorte som terug te krijgen. Ik ontbeet te Hampstead en wandelde toen langs de reeds besproeide wegen naar Doctors' Commons; genietende van de liefelijke geuren der bloemen in de tuinen langs den weg en op de wagens der venters, die stadwaarts reden. Mijn voornemen was terstond van mijn kant alles te doen om verbetering te brengen in onze zoo veranderde omstandigheden.
Ik kwam, in weerwil van den veelbewogen morgen, nog veel te vroeg aan het kantoor, zoodat ik meer dan een half uur kon rondslenteren om de Commons, eer de oude Tiffey, die altijd de eerste was, met den sleutel kwam. Ik ging toen in een hoekje zitten kijken naar het spelen van de zonnestralen op de schoorsteenen aan de overzijde, terwijl Dora voortdurend mijne gedachten bezig hield tot mijnheer Spenlow binnenkwam, stijver en keuriger dan ooit.
„Zoo, Copperfield, hoe maakt gij het?” vroeg hij. „Mooi weer, van morgen!”
„Een prachtige morgen, mijnheer!” antwoordde ik. „Kan ik een paar woorden met u spreken eer gij naar het Hof gaat?”
„Zeker, zeker,” antwoordde hij. „Kom in mijn kamer.”
Ik volgde hem naar zijne kamer, waar hij begon met zijne jas uit te trekken en zijn toilet te voltooien voor een klein spiegeltje, dat aan den binnenkant van eene kastdeur was opgehangen.
„Het spijt mij u te moeten meedeelen,” begon ik, „dat ik van mijne tante een bericht heb ontvangen, waardoor ik zeer ben teleurgesteld.”
„Zoo?” zei hij. „Goede Hemel! Toch geen beroerte, hoop ik!”
„Het betreft hare gezondheid volstrekt niet, mijnheer. Zij heeft geldelijke verliezen geleden en maar zeer weinig overgehouden.”
„Maar, Copperfield, ik ben een en al verbazing!” riep mijnheer Spenlow uit.
Ik schudde het hoofd.
„Het is zoo, mijnheer,” zei ik, „hare omstandigheden zijn in die mate veranderd, dat ik u wilde vragen of het mogelijk zijn zou, natuurlijk met opoffering van een gedeelte der gestorte som,”—ik voegde dit er bij, omdat zijn gelaat reeds eene strakke uitdrukking aannam—„of het mogelijk zou zijn mijn contract te verbreken?”
Wat het mij kostte om dit voorstel te doen, weet niemand. Het was hetzelfde, alsof ik de gunst verzocht om van Dora afstand te doen.
„Uw contract te verbreken, Copperfield? Verbreken?”
Zoo kalm mogelijk zette ik hem uiteen, dat ik waarlijk niet wist hoe aan den kost te moeten komen zonder zelf wat te verdienen. Ik zag de toekomst niet donker in, zei ik en—ik legde daarop eenigen nadruk, alsof ik hem wilde doen inzien, dat ik nog volstrekt niet zulk een onaannemelijk schoonzoon was in die toekomst, maar voor het tegenwoordige mij zelven door de wereld moest helpen.
„Het spijt mij ontzettend dit te vernemen, Copperfield,” zei mijnheer Spenlow. „Het spijt mij ontzettend! Het is niet gebruikelijk een contract om zulke redenen te verbreken. Het is volstrekt geen gebruik in ons beroep. Ook is het geen zeer verkieslijk antecedent. Volstrekt niet. Bovendien....”
„Gij zijt wel goed, Mijnheer,” mompelde ik in de meening, dat hij mijn verzoek gunstig opnam.
„Volstrekt niet. Zeg dat niet,” hernam mijnheer Spenlow. „Bovendien, wilde ik zeggen, is het nu eenmaal mijn lot met gebonden handen te staan.... had ik geen compagnon.... mijnheer Jorkins.....”
In een oogenblik was al mijne hoop vervlogen, maar ik deed toch nog eene poging.
„Meent gij, Mijnheer,” vroeg ik, „dat indien ik mijnheer Jorkins de zaak blootleg.....?”
Mijnheer Spenlow schudde op zeer ontmoedigende wijze het hoofd. „De Hemel verhoede, Copperfield,” antwoordde hij, „dat ik iemand onrecht zal aandoen; mijnheer Jorkins het allerminst. Maar ik ken mijn compagnon, Copperfield. Mijnheer Jorkins is niet iemand om op zulk een eigenaardig voorstel in te gaan. Mijnheer Jorkins is zeer moeilijk van den eenmaal gebaanden weg af te brengen. Gij kent hem trouwens?”
Ik kan op mijn woord van eer verklaren, dat ik niets van mijnheer Jorkins wist dan dat hij eerst alleen in de zaak was geweest en nu woonde in een huis dichtbij Montagu-square, dat noodzakelijk geverfd moest worden; dat hij altijd laat kwam en vroeg heenging; dat hem nooit over een of ander advies werd gevraagd, en dat hij een eigen kamertje had, een achterkamertje, waar nooit zaken werden behandeld en waar zijne schrijflessenaar stond, overdekt met een oud, geel kardoespapier zonder een enkel inktspatje, hoewel men beweerde dat het reeds meer dan vijfentwintig jaar oud was.
„Hebt gij er iets tegen, mijnheer, dat ik mijnheer Jorkins de zaak blootleg?” vroeg ik.
„Volstrekt niet,” zei mijnheer Spenlow. „Maar ik heb ten opzichte van mijnheer Jorkins al heel wat ondervinding opgedaan, Copperfield. Ik wilde wel, dat ik andere ondervindingen had opgedaan, want ik zou niets liever doen dan u in alle opzichten tegemoet komen. Maar ik heb er volstrekt niets tegen, dat gij de zaken voor mijnheer Jorkins blootlegt, Copperfield, als gij het de moeite waard acht.”
Met het vaste plan om gebruik te maken van deze toestemming, die mij met een hartelijken handdruk gegeven was, bleef ik aan Dora zitten denken en naar de zonnestralen kijken, die reeds van de schoorsteenen tot op den muur van het huis aan de overzijde waren neergedaald. Toen mijnheer Jorkins kwam, ging ik terstond naar zijne kamer; waar hij mij met een uitroep van verbazing ontving.
„Kom binnen, Copperfield,” zei hij. „Kom binnen!”
Ik kwam binnen en ging zitten, waarna ik mijnheer Jorkins de zaak in nagenoeg dezelfde bewoordingen voordroeg, als ik aan mijnheer Spenlow gedaan had. Mijnheer Jorkins was volstrekt niet zulk eene vrees inboezemende persoonlijkheid als men verwacht zou hebben; doch een zwaarlijvig man met een vriendelijk gelaat en kalme manieren, ongeveer zestig jaar oud; een man, die zooveel snuif gebruikte, dat hij, volgens het in de Commons loopende gerucht, hoofdzakelijk daarvan leefde.
Toen hij mij geheel had laten uitspreken, zei hij: „Gij hebt zeker mijnheer Spenlow ook reeds over deze zaak gesproken?”
„Ja,” antwoordde ik en voegde er bij, dat mijnheer Spenlow zijn naam genoemd had.
„Mijnheer Spenlow heeft zeker gezegd dat ik bezwaren zou maken?” vroeg mijnheer Jorkins.
Ik was verplicht om te bekennen, dat mijnheer Spenlow dit waarschijnlijk achtte.
„Het spijt mij u te moeten zeggen, mijnheer Copperfield, dat ik uwe plannen niet kan bevorderen,” zei hij zenuwachtig. „De zaak is.... maar ik word gewacht aan de Bank; gij wilt wel zoo goed zijn mij te verontschuldigen.” Met deze woorden stond hij haastig op en ging de kamer uit, terwijl ik nog vermetel genoeg was te zeggen, dat er dan, naar ik vreesde, geen manier was om de zaak te schikken.
„Neen!” zei mijnheer Jorkins, terwijl hij hoofdschuddend in de deur bleef staan. „O, neen! Ik ben er tegen, begrijpt gij.” Hij zei dit haastig en ging toen heen. „Gij begrijpt, mijnheer Copperfield,” voegde hij er bij, met een onrustigen blik naar de deur, „als mijnheer Spenlow er tegen is....”
„Persoonlijk heeft hij er niet tegen, mijnheer,” zei ik.