Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 52
Toen ik de maat nam van Dora's vinger voor een ring van vergeet-mij-nietjes en toen de juwelier, bij wien ik dien maat bracht, begreep wat er aan de hand was,—mij over zijn kasboek heen, lachend aankeek en mij zooveel rekende voor dat lieve, kleine prulletje als hem op het oogenblik in het hoofd kwam, voor dat prulletje met de kleine blauwe steentjes—in mijne herinnering zoo verbonden met Dora's hand, dat er, toen ik gisteren een dergelijk ringetje aan de hand van mijn eigen dochtertje ontwaarde, gedurende een oogenblik een pijnlijk gevoel opkwam in mijn hart....
Toen ik buiten wandelde, fier op mijn geheim en vervuld van mijn eigen belangrijkheid, zoo geducht mijne waardigheid voelende als verloofde van Dora, dat ik mij, als ik op de wolken gewandeld had, niet hooger verheven had kunnen wanen boven alles wat op de aarde rondkroop....
Toen wij ontmoetingen hadden op het pleintje voor mijnheer Mills' woning en in het onooglijke zomerhuisje zaten te keuvelen, zóó gelukkig, dat ik nu nog daarom alleen de Londensche musschen liefheb en in hunne grauwe vederen de schitterende kleuren van de tropen meen te ontwaren....
Toen wij onze eerste oneenigheid hadden—binnen een week na onze verloving—en Dora mij den ring terugzond met een wanhopig, steekvormig briefje, waarin zij de ijzingwekkende uitdrukking gebruikte, „dat onze liefde begonnen was met een dwaasheid en eindigen zou met eene krankzinnigheid!” welke vreeselijke woorden ten gevolge hadden, dat ik mij de haren uittrok en riep dat alles nu voor eeuwig voorbij was!....
Toen ik op een duisteren avond naar juffrouw Mills snelde en haar in de achterkeuken vond bij den mangel, waar ik haar smeekte als bemiddelaarster op te treden en de krankzinnigheid te verhoeden. Toen juffrouw Mills aan mijn smeeken gehoor gaf, met Dora terugkeerde en ons van den kansel harer eigene verbitterde jeugd aanmaande, toegeeflijk te zijn voor elkanders fouten en de woestijn, de Sahara, te vermijden!....
Toen wij beiden schreiden en ons geschil bijlegden en opnieuw zoo zalig waren, dat de achterkeuken met den mangel en alles wat er verder in was, ons een tempel der liefde scheen te zijn, waar wij plannen maakten voor eene correspondentie van minstens één brief per dag, terwijl ook daarin juffrouw Mills als tusschenpersoon zou optreden....
Wat een zalige, dwaze tijd, gewijd aan allerlei beuzelarijen! Onder al de tijden, die de Tijd heeft verzwolgen, is er geen, waarvan al de herinneringen mij zoo kunnen doen glimlachen, waaraan ik ook maar met half zooveel teederheid denken kan.
XXXIV.
Ik verbaas mij over mijne tante.
Zoodra Dora en ik verloofd waren, schreef ik aan Agnes. Ik schreef haar een langen brief, waarin ik trachtte haar te doen begrijpen hoe gelukkig ik was en welk een engel Dora was. Ik bezwoer Agnes deze liefde niet te beschouwen als een onbezonnen hartstocht, die elk oogenblik kon worden uitgebluscht, noch ze te vergelijken met de kinderachtige grillen, waarmede wij samen den spot hadden gedreven. Ik verzekerde haar dat mijne liefde onpeilbaar was, dat nooit iemand zoo kon hebben liefgehad als ik.
Het was een mooie avond toen ik daar voor het open venster aan Agnes zat te schrijven en, hoe het kwam weet ik niet, maar toen de herinnering aan haar lief en kalm gezichtje en hare heldere, oprechte oogen in mij opdoemde, had deze zulk een weldadigen invloed op mijne zenuwachtige, onrustige stemming van de laatste dagen, dat men mij wel in mijne tranen had kunnen wasschen. Ik herinner mij, dat ik met de hand onder het hoofd bleef zitten toen de brief half af was, en mij verdiepte in mijn geliefkoosd droombeeld; dat Agnes' tehuis ook het mijne was. Het kwam mij voor, alsof Dora en ik in die voor mij bijna gewijde woning gelukkiger moesten zijn dan ergens elders; alsof mijn hart zich in liefde, vreugde, smart en teleurstelling, kortom in alle gemoedsstemmingen daarheen moest wenden om een toevlucht en eene oprechte vriendin te vinden.
Steerforth's naam noemde ik niet. Ik schreef haar alleen hoe diep bedroefd men te Yarmouth was over Emily's verdwijnen en dat mij door de omstandigheden, waaronder hare verdwijning had plaats gegrepen, een dubbele wonde was toegebracht. Ik wist, hoe vlug zij was in het gissen van de waarheid en dat zij zeker niet de eerste zijn zou om zijn naam te noemen.
Op dezen brief ontving ik per keerende post antwoord. Toen ik haar brief las, was het mij of ik haar hoorde spreken, of haar hartelijke stem mij in de ooren klonk! Wat kan ik meer zeggen!
Aangezien ik in den laatsten tijd veel uit was geweest, had Traddles twee of drie malen eene vergeefsche poging gedaan om mij te bezoeken. Eenmaal had hij Peggotty op mijne kamer gevonden en vernemende, dat zij mijne oude kindermeid was—Peggotty vertelde dit aan ieder, die het hooren wilde—kennis met haar gemaakt en eenige uren met haar over mij zitten praten. Zoo vertelde Peggotty ten minste; ik vermoed echter, dat zij alleen aan het woord zal zijn geweest, want als zij eenmaal over mij begonnen was, dan kende haar woordenrijkdom geen grenzen—God zegene het goede mensch.
Dit herinnert mij niet alleen aan de omstandigheid, dat Traddles tegen zekeren namiddag, die nu gekomen was, zijne komst had aangekondigd, maar ook aan juffrouw Crupp, die van alles wat tot haar post behoorde—de huurpenningen uitgezonderd—had afgezien tot Peggotty haar bezoeken zou hebben gestaakt. Nadat juffrouw Crupp op de trap met eene schelle stem eenige malen haar hart over Peggotty had uitgestort tegen de eene of andere onzichtbare geest—zij was „lichamelijk” geheel alleen—ontving ik een brief van haar, waarin zij hare inzichten blootlegde. Beginnende met de verklaring, die blijkbaar bij alle gelegenheden dienst moest doen om indruk te maken, met de verklaring dat zij zelve ook moeder was, deelde zij mij verder mede, dat zij vroeger geheel andere dagen gekend, maar in alle tijdperken van haar leven een onoverwinlijken afkeer gehad had van spionnen, indringers en aanbrengers. Zij wilde geen namen noemen, schreef zij; wie de schoen paste mocht die aantrekken; maar spionnen, indringers en aanbrengers, vooral wanneer zij in de weduwenrouw waren—deze woorden waren onderstreept—had zij haar leven lang diep veracht. Wilde een zekere heer het slachtoffer worden van spionnen, indringers en aanbrengers—nog werden geen namen genoemd—dat was zijn eigen zaak. Hij was vrij in zijn doen en laten en als _hij_ er dus plezier in had, moest _hij_ dat zelf weten. Al wat zij, juffrouw Crupp namelijk, bedong, was, dat zij met dergelijke menschen niet in aanraking wilde gebracht worden. Zij verzocht daarom verschoond te mogen blijven van de verdere bediening op de bovenverdieping tot de zaken weer waren zooals ze vroeger geweest waren en zooals zij wenschte dat ze altijd gebleven waren; het boekje zou elken Zaterdagmorgen op de ontbijttafel te vinden zijn, terwijl zij onmiddellijk afdoening verzocht, met de menschlievende bedoeling om alle partijen voor onaangenaamheden en „displezier” te vrijwaren.
Toen dit schrijven niet hielp deed zij alle mogelijke moeite om Peggotty de beenen te laten breken door emmers, kannen en dergelijke voorwerpen op de donkerste hoekjes van de trap te laten staan. Ik verkeerde bijna in staat van beleg en vond dien toestand hoogst onaangenaam, maar ik was toch te bang voor juffrouw Crupp om er een einde aan te maken.
„Wel, beste Copperfield,” riep Traddles, die alle hindernissen ten spijt, prompt op het afgesproken uur aanklopte, „hoe maakt gij het? Leeft gij nog?”
„Goede Traddles,” antwoordde ik, „wat ben ik blij u eindelijk eens te zien en wat spijt het mij, dat ik telkens uit was. Ik heb het echter zoo druk—”
„Ja, ja, dat weet ik,” zei Traddles, „natuurlijk, uw meisje woont in Londen, nietwaar?”
„Wat bedoelt... gij?”
„Zij.... pardon... juffrouw D. bedoel ik,” hernam Traddles met een kleur van verlegenheid, „juffrouw D. woont immers in Londen?”
„Jawel, dicht bij Londen.”
„Mijn meisje—misschien herinnert gij u dat—woont in Devonshire.... zij is een van tien. Bij gevolg heb ik het niet zoo druk als gij—wat dat betreft ten minste.”
„Het verbaast mij hoe gij het kunt uithouden haar zoo weinig te zien,” antwoordde ik.
„Ja,” zei hij nadenkend. „Dat schijnt een wonder. Ik denk echter, Copperfield, dat het kan omdat het moet.”
„Dat denk ik ook,” antwoordde ik glimlachend, doch tevens eenige schaamte voelende, „maar ook omdat gij zoo standvastig zijt en zooveel geduld kunt oefenen, Traddles.”
„Goede Hemel,” riep hij uit, „hebt gij zulke gedachten van mij, Copperfield? Ik wist waarlijk zelf niet dat ik zoo ben! Maar zij is zulk een buitengewoon lief meisje, dat zij mij mogelijk iets van deze deugden heeft meegedeeld. Nu gij dat zegt, Copperfield, zou mij dat volstrekt niet verwonderen. Ik verzeker u, dat zij nooit aan zich zelve denkt, maar altijd voor de negen zusters zorgt.”
„Is zij de oudste van het tiental?” vroeg ik.
„O, Hemel, neen! De oudste is eene bekende schoonheid.”
Hij zag, onderstel ik, dat ik niet kon nalaten te glimlachen over de eenvoudigheid van dit antwoord; en voegde er, ook met een glimlach op zijn eerlijk gezicht, bij: „Natuurlijk is mijne Sophie—een lieve naam, vindt gij niet, Copperfield?”
„Heel lief,” antwoordde ik.
„Natuurlijk is mijne Sophie in mijne oogen ook mooi en is zij zonder twijfel in ieders oogen een van de liefste meisjes, die ooit bestonden. Maar als ik zeg, de oudste is eene bekende schoonheid, dan bedoel ik dat zij”—hij maakte met beide handen eene beweging alsof hij een wolk beschreef—„prachtig is, Copperfield, dat zij iets buitengewoons is.”
„Waarlijk?”
„O, ik verzeker het u,” hernam hij, „bepaald iets heel buitengewoons! Zij is geschapen om in gezelschappen uit te blinken en bewonderd te worden, maar aangezien hunne beperkte middelen dat niet toelaten, is zij wel eens wat prikkelbaar en verdrietig. Sophie moet haar dan altijd weer in eene goede luim brengen.”
„Is Sophie de jongste?” waagde ik nog eens te vragen.
„O, Hemel, neen! De beide jongsten zijn pas negen en tien jaar. Zij worden geheel door Sophie opgevoed.”
„De tweede dan?”
„Neen. De tweede heet Sarah en heeft een gebrek aan haar ruggegraat, het arme meisje. Volgens de geneesheeren zal die kwaal wel langzamerhand genezen, maar intusschen moet zij steeds liggen, Sophie past haar op. Sophie is de vierde.”
„Leeft de moeder nog?”
„O, zeker, de moeder is nog in leven. Zij is eene zeer begaafde en verstandige vrouw, maar de vochtige lucht heeft nadeelig op haar gestel gewerkt, zoodat zij het gebruik mist van hare ledematen. Sophie neemt hare plaats in, zij is bijna even goed eene moeder voor hare moeder, als voor de andere negen.”
Ik was in ééne bewondering van al de deugden en voortreffelijke eigenschappen van dit jonge meisje, en waarlijk, alleen om te verhoeden dat de goedhartigheid van Traddles ten nadeele van hun beider levensgeluk zou uitloopen, vroeg ik hoe mijnheer Micawber het maakte.
„Mijnheer Micawber is heel wel, Copperfield, dank u,” antwoordde Traddles. „Maar ik woon tegenwoordig niet meer bij hen.”
„Niet?”
„Neen. Ziet gij, Copperfield, de waarheid is, dat mijnheer Micawber den naam heeft aangenomen van Mortimer, ten gevolge van tijdelijke ongelegenheden, waarin hij verkeert; hij gaat niet meer uit voor de duisternis is ingevallen en dan nog met een bril op. Alles zou door den deurwaarder verkocht worden wegens de achterstallige huishuur. Mevrouw Micawber verkeerde in zulk een beklagenswaardige toestand, dat ik niet kon weigeren, toen zij mij vroeg mijn naam ook onder die tweede schuldvordering te plaatsen. Gij kunt u voorstellen, Copperfield, welk een heerlijk gevoel het voor mij was toen ik zag, dat de zaak daarmede uit de wereld was en mevrouw Micawber's opgeruimdheid terugkeerde.”
„Hm!” zei ik.
„Hun geluk was echter niet van langen duur,” vervolgde Traddles, „want een week later volgde een tweede vonnis. Nu werd het huishouden opgebroken en sedert heb ik op eene gemeubileerde kamer gewoond, terwijl de Mortimers zich zoo goed, als het kon, hebben beholpen. Ik hoop, dat gij mij niet van zelfzucht zult beschuldigen, Copperfield, als ik u nog meedeel, dat de deurwaarder ook het ronde tafeltje met marmeren blad en den bloemenstandaard van Sophie heeft medegenomen?”
„Hoe hard voor u,” riep ik verontwaardigd uit.
„Het heeft mij.... het heeft mij ook wel strijd gekost,” zei Traddles met zijne gewone goedmoedigheid. „Ik vertel het u echter niet om mijnheer Micawber iets te verwijten, maar om eene andere reden. De zaak is deze, Copperfield. Toen zij die meubeltjes bij mij weghaalden was ik niet in staat om ze terug te koopen, want de uitdrager, die ze gekocht had, meende dat ik er bijzonder aan gehecht was en vroeg daarom een buitensporig hoogen prijs; bovendien had ik op dat oogenblik geen geld. Sinds dien tijd echter heb ik den winkel van dien uitdrager niet uit het oog verloren,” ging hij voort, zich verheugende in zijn eigen slimheid.
„Deze winkel is aan het einde van Tottenham Court Road en eindelijk, vandaag, heb ik gezien, dat hij ze heeft uitgestald om ze te verkoopen. Ik heb er alleen maar van den overkant der straat naar gekeken, want als hij MIJ ziet, dan vraagt hij zeker het driedubbele! Aangezien ik nu het geld er voor heb, is de gedachte bij mij opgekomen of gij misschien die goede, oude kindermeid van u zoudt willen vragen met mij naar den winkel te gaan—ik kan haar dien van den hoek van de eerste zijstraat af aanwijzen—en den koop te sluiten alsof zij ze voor zich zelve kocht!”
Het genoegen, waarmede Traddles dit plan opperde, en de overtuiging, die hij bezat van zijn eigen slimheid, leven nog steeds in mijne herinnering voort alsof zijn bezoek gisteren had plaats gehad. Ik zei hem, dat mijne oude kindermeid blijde zou zijn als zij hem een dienst kon bewijzen en dat wij er met ons drieën zouden heengaan—op ééne voorwaarde. Hij moest mij plechtig beloven voortaan noch zijn naam, noch wat ook aan mijnheer Micawber te leenen.
„Mijn beste Copperfield,” zei Traddles, „ik heb dit zelf ook begrepen; ik heb ingezien dat ik niet alleen onbedachtzaam gehandeld heb, maar ook eene onrechtvaardigheid heb begaan jegens Sophie. Ik heb mij zelven reeds beloofd het niet meer te zullen doen; gij behoeft dus niets te vreezen; ik wil echter gaarne dezelfde belofte aan u afleggen. Die eerste ongelukkige schuldbekentenis is door mij betaald. Ik twijfel niet, of mijnheer Micawber zou het zelf gedaan hebben, indien hij het gekund had. Één ding moet ik u nog mededeelen, Copperfield; het is iets, waarom ik mijnheer Micawber hoogacht. Het betreft de tweede schuldbekentenis, die nog niet is betaald. Hij vertelde mij niet, dat er voor gezorgd was, maar zeide dat er voor gezorgd _zou worden_. Vindt gij dat niet eerlijk en oprecht van hem?”
Ik wilde mijn vriend zijn vertrouwen op de menschen niet ontnemen en stemde daarom met zijne loftuiting in. Na nog wat gepraat te hebben, gingen wij naar den kruidenierswinkel om Peggotty te halen; Traddles sloeg mijn aanbod, om den avond bij mij door te brengen, af, zoowel omdat hij vreesde dat iemand hem bij den koop van zijne schatten voor zou zijn, als omdat het de avond was, waarop hij gewoon was aan het liefste meisje van de wereld te schrijven.
Nooit zal ik vergeten hoe hij daar om den hoek van de straat te Tottenham Court Road stond te loeren, terwijl Peggotty met den uitdrager onderhandelde over zijne dierbaarste meubelstukken: noch zijne zenuwachtigheid, toen Peggotty langzaam naar ons toekwam, na te vergeefs een bod te hebben gedaan, en toen zij door den uitdrager werd teruggeroepen en er nogmaals heenging. Het einde van de onderhandeling was, dat zij beide meubeltjes voor een tamelijk lagen prijs opkocht en dat Traddles uitgelaten was van blijdschap.
„Ik dank u hartelijk,” zei hij, toen hij vernam dat de kostbare stukken nog dienzelfden avond aan zijne woning zouden worden bezorgd. „Mag ik nu nog eene gunst vragen? Ik hoop, dat gij mijne vraag niet gek zult vinden, Copperfield?”
„O, zeker niet,” antwoordde ik reeds bij voorbaat.
„Als gij dan zoo goed zoudt willen zijn,” vroeg hij aan Peggotty, „den bloempot nu te halen, want ik zou dien—hij behoort aan Sophie, Copperfield—gaarne zelf naar huis brengen.”
Peggotty was blijde hem dien dienst te kunnen bewijzen; hij overlaadde haar met dankbetuigingen en ging naar huis met den bloempot onder den arm en met zulk een vergenoegd gezicht, als ik zelden van hem gezien had.
Peggotty en ik wandelden daarop naar huis terug, maar aangezien de winkels eene aantrekkingskracht op haar oefenden, zooals ze op mij nooit hebben gedaan, vorderden wij slechts langzaam; telkens moest ik blijven staan om dit of dat te bekijken, zoodat het tamelijk lang duurde eer wij de Adelphi bereikten. De trap opgaande, vestigde ik hare aandacht op de plotselinge verdwijning van al de door juffrouw Crupp gemaakte valstrikken en boven komende, waren wij beiden even verbaasd, toen wij mijne kamerdeur geopend vonden—ik had die zelf gesloten—en stemmen hoorden.
Wij keken elkander aan, zonder te begrijpen wat wij daarvan moesten denken, en gingen de zitkamer binnen. Hoe groot was mijne verbazing, toen ik daar mijne tante vond met mijnheer Dick! Mijne tante zat op haar bagage, met twee vogelkooien voor zich en haar kat op den schoot, eene vrouwelijke Robinson gelijk. Juffrouw Crupp had reeds voor thee gezorgd. Mijnheer Dick stond, in gepeins verzonken, op een grooten vlieger te leunen, op een, zooals wij te zamen er meermalen een hadden opgelaten; de rest van zijne bagage lag achter hem.
„Lieve tante! Gij hier!” riep ik. „Welk eene aangename verrassing!”
Wij omhelsden elkander hartelijk; mijnheer Dick en ik schudden elkander vriendschappelijk de hand en juffrouw Crupp, die bezig was thee te schenken en niet wist wat of zij doen zou om tante te believen, zei met een vertrouwelijk knikje, dat zij wel geweten had hoe blij mijnheer Copperfield zou zijn.
„Hola!” zei tante tegen Peggotty, die bedeesd was blijven staan. „Hoe maakt gij het?”
„Herinnert gij u, tante, Peggotty?” vroeg ik.
„Groote goedheid, kind!” riep tante, „noem die vrouw toch niet bij dien heidenschen naam. Als zij toch getrouwd en dien naam kwijt is geweest—zij heeft heel verstandig gedaan, al was het alleen maar om zich van dien naam af te maken—waarom haar dan ook niet het voordeel van die verandering gegund? Hoe heet gij nu Pe......?” Zij wilde dien gehaten naam niet uitspreken.
„Barkis, mevrouw,” antwoordde Peggotty met een buiging.
„Ziet ge wel! Dat is een menschelijke naam!” zei tante. „Dat klinkt minder of gij nog bekeerd moest worden. Hoe gaat het u, Barkis? Ik hoop dat uwe gezondheid goed is?”
Aangemoedigd door den vriendelijken toon en de uitgestoken hand kwam Barkis wat naderbij, nam de aangeboden hand en bewees hare erkentelijkheid door nogmaals een buiging te maken.
„Wij zijn wat ouder geworden, zie ik,” zei tante. „Wij hebben elkaar vroeger maar eenmaal ontmoet, nietwaar? Dat was een gekke avond, hé! Och, Trot, beste jongen, geef mij nog een kopje thee.”
Ik schonk haar gehoorzaam een kop thee in. Zij zat als altijd kaarsrecht, maar ik waagde toch de opmerking te maken dat zij op een koffer zat.
„Laat ik de sofa bij de tafel zetten, of een gemakkelijken stoel, tante,” zei ik. „Waarom zoudt gij het u niet gemakkelijker maken?”
„Dank u, Trot,” antwoordde tante. „Ik blijf liever op mijn eigen koffer zitten.” Bij deze woorden keek tante juffrouw Crupp doordringend aan en vervolgde: „Gij behoeft om onzentwil niet te wachten, juffrouw.”
„Zal ik nog eens opschenken of nog wat thee op den pot doen, eer ik weg ga, mevrouw?” vroeg juffrouw Crupp.
„Neen, dank u, juffrouw,” antwoordde tante.
„Zal ik nog wat boter halen, mevrouw? Of hebt gij ook lust in een versch eitje? Of zal ik een stukje spek voor u bakken? Is er niets dat ik voor uwe lieve tante doen kan, mijnheer Copperfield?” vroeg juffrouw Crupp dringend.
„Niets, juffrouw,” antwoordde tante in mijne plaats, „ik heb niets noodig, dank u.”
Juffrouw Crupp, die onophoudelijk had geglimlacht, om te toonen welk een zacht humeur zij had; onophoudelijk haar hoofd op zijde had gehouden, om blijk te geven van haar zwakke gezondheid; en onophoudelijk in de handen gewreven had, om hare hulpvaardigheid te toonen, ging glimlachend, met het hoofd op zijde en in de handen wrijvend, heel langzaam de kamer uit.
„Dick!” zei tante eensklaps. „Gij herinnert u wel wat ik u verteld heb van huichelaars en aanbidders van het gouden kalf?”
Mijnheer Dick scheen het vergeten te zijn, maar gaf, blijkbaar door deze vraag opgeschrikt, een bevestigend antwoord.
„Juffrouw Crupp behoort tot die soort,” hernam tante. „Och, Barkis, mag ik u eens lastig vallen om nieuwe thee te zetten? Wat dat mensch mij heeft opgedischt, smaakt mij niet.”
Ik kende mijne tante voldoende, om te weten dat zij iets op het hart had; aan deze onverwachte komst lag een ernstiger reden ten grondslag, dan een vreemde zou hebben kunnen vermoeden. Ik voelde telkens haar oog op mij rusten, wanneer zij meende dat mijne aandacht door iets anders getrokken werd; ik zag dat daar in haar binnenste iets was, dat zij aarzelde uit te spreken, al zat zij nog zoo stijf en recht op dien koffer; ja, ik begon zelfs te overpeinzen of ik ook iets gedaan had, waardoor zij zich gekrenkt kon voelen en mijn geweten fluisterde mij in, dat ik haar nog niets verteld had van Dora. Kon het _dat_ zijn?
Ik begreep dat zij wel zou beginnen te spreken, als zij den tijd daartoe gekomen achtte, en praatte daarom tegen de vogeltjes en tegen poes, die genoegelijk op haar schoot lag te spinnen, en deed alsof ik bijzonder op mijn gemak was. Toch was ik ver van gerust en zou dit ook niet geweest zijn, al had mijnheer Dick, die achter tante op zijn vlieger stond te leunen, niet elke gunstige gelegenheid waargenomen, om zoo geheimzinnig mogelijk het hoofd te schudden en op haar te wijzen.
„Trot,” begon tante eindelijk, toen zij hare thee verorberd en zorgvuldig hare japon gladgestreken en hare lippen afgeveegd had—„Trot,—neen, gij behoeft niet heen te gaan, Barkis!—Trot, hebt gij nu al wat ondervinding en wat zelfkennis opgedaan?”
„Ik hoop het, tante.”
„Wat denkt gij?”
„Ik denk het wel, tante.”
„Welnu dan, mijn jongen,” vervolgde zij, terwijl zij mij met een ernstig gelaat aankeek, „waarom denkt gij dat ik van avond liever op mijn eigen koffer zit?”
Ik schudde het hoofd, want ik kon het onmogelijk raden.
„Omdat,” zei tante, „dit alles is wat ik bezit. Omdat ik geruïneerd ben, beste jongen.”
Al ware het huis met ons en met alles wat er in was in de rivier gestort, ik zou geen grooter schok hebben kunnen krijgen.
„Dick weet er alles van,” vervolgde tante, terwijl zij de hand op mijn schouder legde. „Ik ben geruïneerd, beste Trot. Alles wat ik op de wereld bezit is hier in deze kamer, behalve mijn huisje; ik heb Janet achtergelaten om het te verhuren.—Barkis, ik moet voor dezen heer een bed hebben. Ten einde onkosten te besparen, kunt gij misschien hier wel wat vinden. Alles is goed genoeg. Het is maar voor één nacht. Morgen praten wij verder.”
Terwijl ik nog stom van verbazing en met groote bezorgdheid voor haar—ik ben er zeker van dat ik alleen om _haar_ dacht—voor mij uitstaarde, werd ik uit mijn gepeins gewekt, omdat zij mij om den hals viel en snikkend uitriep, dat haar verdriet alleen mij gold. De omhelzing duurde slechts een oogenblik, want zij had terstond hare aandoening onderdrukt en met een gelaat, waarop eerder eene zegevierende dan eene neerslachtige uitdrukking lag, sprak zij: „Wij moeten de zaak flink onder de oogen zien en ons niet laten ontmoedigen, beste jongen. Wij moeten leeren ons spel uit te spelen. Wij moeten onze rampen overwinnen door ze te overleven, Trot!”
XXXV.
Neerslachtigheid.