Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 51

Chapter 514,110 wordsPublic domain

Mijnheer Spenlow glimlachte, omdat ik mij zoo warm maakte en besprak toen deze zaak met mij, zooals hij alle zaken besprak. Indien het publiek meent, dat de testamenten in veilige handen zijn—zoo ongeveer sprak hij—en er in berust dat er geen beter gebouw voor gezet wordt, wie leed daar dan schade bij? Niemand. Wie hadden er voordeel van? De ambtenaren. Het goede behield dus de overhand. Het mocht al niet volmaakt zijn, er was niets op de wereld volmaakt; maar waar hij zich niet mede kon vereenigen, dat was met het afbreken van bestaande zaken. Met dit archief was het Land voorspoedig geweest. Breek het archief af en het is wellicht gedaan met den voorspoed. Hij beschouwde het als den plicht van een gentleman om te berusten in bestaande toestanden en twijfelde niet, of het Hof van de Prerogatieven zou langer bestaan dan wij. Ik schikte mij in zijne opinie, ofschoon ik, vooral aan de laatste woorden twijfelde. Toch blijkt het dat hij gelijk heeft gehad, want het bestaat niet alleen nog, maar is blijven bestaan in weerwil van eene interpellatie in het Parlement, die lang niet malsch was, nu achttien jaar geleden. Dezelfde bezwaren, door mij opgesomd, werden breed uiteengezet en de opmerking er bij gevoegd, dat dit testamentenpakhuis over twee of drie jaar propvol zou zijn. Wat zij sedert gedaan hebben, of er bij toeval verloren zijn geraakt, of er nu en dan verkocht zijn aan de verschillende komenijswinkels, om er zakken van te plakken, dat weet ik niet; ik ben alleen blijde, dat het mijne er niet bewaard wordt, en ik hoop dat het er voorloopig ook niet opgelegd zal worden.

Ik heb dit alles vermeld in een hoofdstuk, dat volgens het opschrift aan geheel andere dingen gewijd moest zijn, maar het staat hier toch op zijne plaats. Nu mijnheer Spenlow en ik dit gesprek eenmaal begonnen waren, zetten wij het al wandelende voort tot wij onderwerpen van algemeenen aard begonnen aan te roeren. Zoo vertelde mijnheer Spenlow mij op het laatst, dat Dora in diezelfde week jarig was en voegde er bij, dat het hem aangenaam zou zijn, indien ik aan een pic-nic wilde komen deelnemen, die hij voor deze gelegenheid zou op touw zetten. Ik wist in het eerste oogenblik niet waar ik was; den volgenden dag was ik in den zevenden hemel, toen ik een sierlijk, geparfumeerd briefje ontving, waarin niets stond dan: „Ter herinnering aan papa's invitatie.” Den tijd, die mij nog van den gewichtigen dag scheidde, bracht ik door in een toestand tusschen waken en droomen. Ik geloof dat ik ter voorbereiding tot deze heerlijke gebeurtenis alle mogelijke dwaasheden beging. Ik krijg nog eene kleur wanneer ik denk aan de das, die ik kocht; mijne laarzen hadden eene plaats moeten vinden in eene tentoonstelling van martelwerktuigen. Daags te voren zond ik met de diligence op Norwood een sierlijk mandje, dat, naar ik meende, op zich zelve reeds eene declaratie bevatte. Er bevonden zich pistaches in met zinspreuken, zoo toepasselijk als ze maar voor geld te krijgen waren. Des morgens te zes uur was ik reeds op de markt in Covent Garden om een bouquet te koopen; te tien uur zat ik te paard—ik huurde voor deze gelegenheid een vurigen appelschimmel—en draafde met de bouquet in mijn hoed—de eenige wijze om hem frisch te houden—den weg naar Norwood op.

Ik vermoed dat ik, toen ik Dora in den tuin zag zitten, mij houdende alsof ik haar niet zag, en het huis voorbij reed alsof ik er angstig naar zocht, twee kleine dwaasheden beging, die andere jongelieden in mijne omstandigheden meermalen hebben begaan—zij gingen mij zoo natuurlijk af. Maar o! toen ik het huis vond en afsteeg aan het tuinhek en die hardvochtige laarzen over het grasperk sleepte in de richting van Dora, die onder een seringeboom op een bank zat met een wit hoedje op en in eene hemelsblauwe japon! Dat was op dien prachtigen zomermorgen een schouwspel, zoo heerlijk, dat ik het nooit vergeten zal.

Zij was in gezelschap van een jong meisje—bij haar vergeleken was zij al oud—ongeveer twintig, dunkt mij. Zij heette juffrouw Mills en Dora noemde haar Julia. Zij was Dora's boezemvriendin. Gelukkige juffrouw Mills!

Jip was ook aanwezig en wilde mij opnieuw aanvliegen en toen ik Dora mijne bouquet aanbood, liet hij de tanden zien. En wel mocht hij jaloersch zijn als hij zelfs maar een flauw denkbeeld gehad heeft van mijne vurige liefde voor zijne meesteres.

„O, dank u, mijnheer Copperfield! Welke heerlijke bloemen!” zei Dora.

Ik had plan gehad—zelfs had ik den geheelen weg over gepeinsd over den besten vorm, waarin ik mijne toespraak zou gieten—als mijne meening te kennen te geven, dat de bloemen in mijn oog eerst mooi werden, wanneer ik ze in hare handen mocht bekijken. Ik kon echter niet uit mijne woorden komen; hare bekoorlijkheid bracht mij geheel van mijn stuk. Het was onmogelijk haar de bloemen tegen haar klein, mollig kinnetje te zien leggen zonder alle tegenwoordigheid van geest te verliezen. Het verbaast mij nog dat ik niet gezegd heb. „Dood mij, juffrouw Mills; laat mij hier sterven!”

Daarna liet Dora Jip aan de bloemen ruiken. Jip bromde en wilde niet ruiken, waarop Dora begon te lachen en hem de bloemen wat dichter bij den neus hield. Jip beet er in en schudde de bouquet heen en weer, hetgeen hem een paar klappen deed oploopen van Dora, die uitriep:

„O, mijne arme, mooie bloemen!” Zij deed dit op zulk een hartstochtelijken toon, alsof Jip mij gebeten had. Had hij 't maar gedaan!

„Het zal u zeker genoegen doen te vernemen, mijnheer Copperfield,” sprak Dora, „dat die vervelende juffrouw Murdstone niet hier is. Zij is het huwelijk bijwonen van haar broeder en zal minstens drie weken wegblijven. Vindt gij dat niet heerlijk?”

Ik zeide dat zij het zeker heerlijk zou vinden en dat ik alles wat zij heerlijk vond, ook heerlijk vond. Juffrouw Mills keek ons met een minachtend lachje aan, alsof zij veel verstandiger was dan wij en wij hare welwillendheid op prijs moesten stellen.

„Zij is het onaangenaamste wezen, dat ik ooit ontmoette,” zei Dora. „Gij kunt u geen voorstelling maken van haar lastig humeur, Julia.”

„Ja, dat kan ik wel, beste,” antwoordde Julia.

„O, ja, gij zult het misschien wel kunnen, lieveling,” hernam Dora, terwijl zij hare hand op die van Julia legde. „Vergeef mij dat ik voor u geen uitzondering maakte.”

Ik begreep hieruit, dat juffrouw Mills reeds een veelbewogen leven en veel beproevingen achter den rug had en dat ik wellicht daaraan dien verstandigen en welwillenden blik te danken had, waarvan ik zoo even sprak. In den loop van den dag had ik gelegenheid, om op te merken dat dit het geval was: juffrouw Mills had eene ongelukkige liefde gehad en zich met de door haar opgedane ondervinding uit de wereld teruggetrokken; zij bleef echter belang stellen in de onverbleekte hoop en liefde der jeugd.

Nu kwam mijnheer Spenlow het huis uit en Dora ging naar hem toe, roepende: „Kijk eens, papa, welke mooie bloemen!” Juffrouw Mills glimlachte en keek daarbij alsof zij zeggen wilde: „Geniet nog maar eens van den helderen morgen, want uw bestaan is even broos als dat des vlinders!” Daarna wandelden wij allen te zamen over het grasperk naar het rijtuig, dat gereed stond.

Nimmer zal ik nogmaals zulk een heerlijken rijtoer doen. Nooit heb ik er voor of na dien tijd zoo een gemaakt. Zij zaten slechts met hun drieën in den phaëton, met hunne mand en mijn mandje en de guitaarkist; en ik reed achter het rijtuig en Dora zat met den rug naar de paarden, zoodat zij mij voordurend in het oog kon houden. Zij had de bouquet vlak naast zich op het kussen gelegd en Jip mocht onder geen voorwendsel aan dien kant zitten, uit vrees, dat hij de bloemen vernielen zou. Telkens nam zij de bouquet in de hand om zich aan de heerlijke geuren te laven en telkens ontmoetten onze oogen elkander bij die gelegenheden. Het verbaast mij nu nog, dat mijn vurige appelschimmel mij niet over den kop in het rijtuig heeft geworpen.

Ik geloof, dat het erg stoof en heb eene flauwe herinnering van eene waarschuwing van mijnheer Spenlow om op een afstand te blijven. Maar ik bemerkte niets van het stof! Ik zag alleen Dora in een waas van bekoorlijkheid en liefde, anders niet. Nu en dan stond mijnheer Spenlow op om mij te vragen hoe ik het uitzicht vond; ik antwoordde dat ik het heel mooi vond; hoewel ik niets zag dan Dora. De zon scheen Dora, de vogels zongen Dora, de Zuidewind blies Dora en de wilde bloemen in de heggen waren allen Dora's tot zelfs de kleinste knopjes. Het was een troost voor mij, dat juffrouw Mills mij begreep dat juffrouw Mills geheel kon opgaan in mijn gevoel.

Ik weet niet hoe lang wij doorreden en tot op dit uur heb ik nooit geweten waarheen. Ik vermoed naar Guildford. Wellicht opende een Oostersche toovenaar de plaats voor één dag, om die terstond weder te sluiten. Het was een groen plekje op een heuvel, met een tapijt van mollig gras. Er waren boomen, die heerlijke schaduw gaven, en heide en, zoover het oog reikte, een prachtig landschap.

Het was een ware beproeving voor mij, toen wij hier menschen vonden, die op ons wachtten; mijne jaloezie, zelfs op de dames, was niet te beschrijven. En de heeren waren allen mijn doodsvijanden—één vooral, iemand, ongeveer vier jaar ouder dan ik, met roode bakkebaarden, waarop hij onverdragelijk pedant was.

Wij pakten allen onze manden uit en gingen aan het werk om het diner in gereedheid te brengen. Roodbaard beweerde zoo goed salade te kunnen gereed maken—waaraan ik natuurlijk geen geloof sloeg—en trachtte de algemeene aandacht te trekken. Een paar jonge dames waschten en sneden de latuw onder zijne leiding en ook Dora deed daaraan mede. Ik voelde dat het noodlot dien man op mijn weg had geplaatst en dat een van ons beiden moest vallen.

Roodbaard maakte de sla aan en ik begrijp nog niet hoe iemand er van kon eten. Voor niets ter wereld zou ik er aan geraakt hebben! Ook riep hij zichzelf uit tot bottelier en, listig als hij was, richtte hij een wijnkelder in een hollen boomstam in. Een oogenblik later zag ik hem met het grootste gedeelte van een mooie kreeft op zijn bord aan Dora's voeten liggen!

Ik kan mij maar flauw herinneren wat er gebeurd is gedurende den eersten tijd, nadat ik dit onverkwikkelijk schouwspel genoten had. Ik was vroolijk, dat weet ik; maar die vroolijkheid was valsch. Ik zocht mijn heil bij een heel jong schepseltje in een rose toiletje en maakte haar op eene wanhopende wijze het hof. Zij nam mijne attenties gaarne aan, maar of het alleen om mijnentwil was dan wel of zij Roodbaard jaloersch wilde maken, kan ik niet zeggen. Dora's gezondheid werd gedronken. Ik deed alsof ik mijn gesprek slechts even tot dat doel afbrak en vatte het terstond weer op. Toen ik met mijn glas in de hoogte even eene buiging voor haar maakte, meende ik eene smeekende uitdrukking te zien in den blik, dien zij mij toewierp. Maar deze blik bereikte mij over het hoofd van Roodbaard heen en daarom was ik onvermurwbaar.

Het jonge meisje in rozerood had eene mama in het groen en ik geloof dat deze ons om redenen van staatkundigen aard scheidde. Hoe het zij, terwijl de overblijfselen van het middagmaal werden opgeruimd, verspreidde zich het gezelschap en ik ging, met toorn en wroeging in het hart, onder de boomen wandelen. Ik verkeerde in tweestrijd met mijzelven of ik niet zou voorwenden onwel te zijn, of ik niet zou laten opzadelen en de vlucht nemen—toen eensklaps Dora en juffrouw Mills voor mij stonden.

„Mijnheer Copperfield,” zei juffrouw Mills, „wat zijt gij stil!”

„Wel, neen, hoe kunt gij dat zeggen?”

„En Dora,” vervolgde zij, „gij zijt ook stil.”

„O, neen, lieveling, volstrekt niet!”

„Mijnheer Copperfield en Dora,” hernam zij bijna op plechtigen toon, „laat het nu genoeg zijn. Laat geen onzinnig misverstand de bloesems doen verwelken, die de lente nauwelijks heeft te voorschijn geroepen en die, eenmaal verflenst, niet opnieuw kunnen ontluiken. Ik spreek uit ondervinding van het verledene—van een onherroepelijk verleden. De dartele fonteinen, schitterend in het zonlicht, mogen niet door laffe grillen worden verstopt; de oasis in de woestijn moet niet nutteloos worden uitgeroeid.”

Ik wist nauwelijks wat ik deed, maar voelde dat ik over mijn geheele lichaam begon te gloeien, ik nam Dora's kleine handje in de mijne en drukte er een kus op en.... zij liet het toe! Ik kuste ook de hand van juffrouw Mills en met ons drieën stegen wij, naar ik geloofde, op naar den zevenden hemel. En, wij daalden niet meer naar de aarde af; wij bleven er in, den geheelen avond. Eerst wandelen wij eenigen tijd onder de boomen op en neer: ik met Dora's arm door de mijne, en de Hemel weet het—hoe dwaas de gedachte ook was—de wensch kwam in mij op om eeuwig zoo onder deze zelfde boomen te blijven wandelen!

Te vroeg drong het gelach en gepraat en geroep van de anderen tot ons door. „Waar is Dora?” Wij keerden daarom terug en nu moest er gezongen worden. Roodbaard wilde de guitaarkist uit het rijtuig halen, maar Dora zei dat niemand dan ik wist waar ze stond. Voor de eerstvolgende oogenblikken was Roodbaard dus den mond gestopt en ik ging de guitaarkist halen; ik maakte die open, ik nam de guitaar er uit; ik zat bij haar; ik hield haar zakdoek en hare handschoenen vast en ik dronk, als het ware, elken noot van hare lippen en zij zong voor mij, die haar liefhad, en de anderen mochten applaudisseeren, zoo hard als zij wilden, voor hen zong zij niet!

Ik was dronken van blijdschap, al vreesde ik dat mijn geluk te groot was om waar te zijn en dat ik den volgenden morgen in Buckingham-street zou ontwaken en juffrouw Crupp het theegoed zou hooren klaarzetten evenals altijd. Maar Dora zong en de anderen zongen en juffrouw Mills zong—van de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering, alsof zij meer dan honderd jaren oud was—en het werd avond en wij dronken thee en de ketel hing boven het vuur, zooals in de Zigeuner-kamp, en ik bleef even gelukkig. Maar het gelukkigst voelde ik mij toen wij naar huis gingen en ik den uit het veld geslagen Roodbaard met de anderen hunsweegs zag gaan. Wij sloegen onzen weg in, terwijl het gaandeweg donker werd. Mijnheer Spenlow was een weinig slaperig van de champagne—heil den grond, waar de druif groeit, der druif, waarvan de wijn wordt gemaakt, der zon, die de druif doet rijpen en den koopman, die den wijn vervalschte! Ik reed op zijde van het rijtuig en bleef in druk gesprek met Dora. Zij bewonderde mijn paard en klopte het op den hals.... wat was dat handje lief en klein op dien paardenhals! en toen haar shawl niet wilde blijven zitten, trok ik dien dicht en ik verbeeldde mij dat zelfs Jip begon te begrijpen, dat er niets meer aan te veranderen viel en hij maar goede vrienden met mij moest worden.

En dan die scherpzinnige juffrouw Mills! Dat beminnelijke schepseltje, dat nu reeds meende met de wereld te hebben afgedaan, dat kluizenaresje van nog geen twintig jaar, dat „de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering” niet wilde wakker maken, o, wat was ook zij vriendelijk voor mij!

„Mijnheer Copperfield,” sprak zij, „kom eens een oogenblik aan dezen kant van het rijtuig—als gij namelijk een oogenblik te missen hebt. Ik moet u iets zeggen.”

En daar galoppeerde ik op mijn appelschimmel naast het rijtuig, aan den kant, waar juffrouw Mills zat, met de hand op het portier.

„Dora komt bij mij logeeren. Na overmorgen gaat zij met mij mede. Zoo gij ons eens wilt komen bezoeken, zal papa u zeker met genoegen ontvangen.”

Wat kon ik meer doen dan in stilte den zegen afsmeeken over juffrouw Mills' hoofd en juffrouw Mills' adres in het veiligste hoekje van mijn geheugen verbergen! Wat kon ik anders doen dan juffrouw Mills met een dankbaren blik en in hartstochtelijke taal zeggen, hoe ik hare goede diensten op prijs stelde en hoe onschatbaar hare zoo zeer gewaardeerde vriendschap voor mij was!

Daarop gaf juffrouw Mills mij met een vriendelijk knikje mijn afscheid, zeggende: „Ga nu weder naar Dora!” Ik ging en Dora leunde uit het rijtuig om met mij te praten en ik drong mijn vurigen appelschimmel zoo dicht tegen het rijtuig aan, dat het arme dier zijn voorbeen schaafde tegen het wiel: waardoor de eigenaar, volgens zijne verklaring, eene schade had van drie pond en zeven shilling, die ik hem betaalde, meenende dat het gesmaakte genot daarmede niet te duur was gekocht. Gedurende dien tijd zat juffrouw Mills naar de maan te kijken, terwijl zij verzen prevelde, die haar, naar ik onderstelde, herinnerden aan de dagen, waarin zij en de wereld nog iets met elkander gemeen hadden.

Norwood lag naar mijn oordeel vele mijlen te dicht bij en wij bereikten het vele uren te vroeg; evenwel mijnheer Spenlow werd, een oogenblik voor het rijtuig stilhield, wakker en vroeg: „Komt gij niet binnen, Copperfield? Blijft gij nog niet wat?” En ik bleef en wij gebruikten allerliefste kleine boterhammetjes en dronken wijn met water en in de helder verlichte kamer zag de blozende Dora er zoo bekoorlijk uit, dat ik mijne oogen niet van haar kon afhouden en haar bleef zitten aanstaren, tot mijnheer Spenlow's snorken mij tot het besef bracht, dat het tijd werd om afscheid te nemen. Op den terugrit naar Londen voelde ik voortdurend den druk van Dora's handje op de mijne en herhaalde ik bij mij zelven elk woord, dat gesproken was, duizende malen, en liet ik alles, wat dien dag was voorgevallen, in mijn geest nog eenmaal gebeuren; en toen ik in mijn bed lag, was ik zoo verliefd, als zoo'n jong, onervaren manneke maar wezen kon.

Toen ik den volgenden morgen ontwaakte, was mijn besluit genomen: ik zou Dora mijne liefde bekennen, ik wilde zekerheid hebben. Volmaakt gelukkig of diep ellendig zou haar antwoord mij maken; daarvan was ik ten volle overtuigd. Ik bracht drie dagen door, die evenzooveel maanden geleken, mij zelven martelende en pijnigende door aan alles, wat er ooit tusschen Dora en mij was voorgevallen of besproken, eene voor mij zelven ongunstige uitlegging te geven. Ik maakte buitengewone onkosten aan mijn toilet en eindelijk begaf ik mij met eene liefdesverklaring op de lippen naar de woning van juffrouw Mills.

Hoe dikwijls ik de straat op en neer en het pleintje rondliep, eer ik kon besluiten de trap op te gaan en den klopper in de hand te nemen, doet nu niets ter zake. Zelfs toen ik eindelijk den klopper had laten vallen en op de stoep stond te wachten, kwam nog even de gedachte in mij op om te vragen of hier mijnheer Blackboy woonde, verschooning te vragen voor mijne vergissing en heen te gaan. Gelukkig bleef het echter bij eene opkomende gedachte.

Mijnheer Mills was niet thuis. Ik had dit trouwens ook niet verwacht. Wij hadden hem niet noodig. Juffrouw Mills was thuis en zou mij gaarne ontvangen. Men wees mij den weg naar eene bovenkamer, waar juffrouw Mills en Dora waren met Jip. Juffrouw Mills was bezig een muziekstuk over te schrijven—ik herinner mij dat het een nieuw lied was, getiteld: „De vergankelijkheid der Liefde”—en Dora zat bloemen na te teekenen. Wie zal mijne gewaarwording beschrijven toen ik mijn eigen bloemen herkende, de bloemen, die ik op de markt in Covent Garden gekocht had! Ik kan niet zeggen dat de gelijkenis heel groot was, ja, zelfs niet dat ze op eenige bloemensoort leken, die ooit onder mijn oogen was geweest; ik herkende ze echter aan het papier, dat er om heen zat en zeer nauwkeurig was gevolgd.

Juffrouw Mills was blijde mij te zien, en betuigde haar leedwezen dat haar papa niet thuis was, een verdriet, dat wij alle drie met gelatenheid droegen. Nog eenige minuten bleef zij praten, maar toen legde zij haar „Vergankelijkheid der Liefde” neer en liet ons alleen.

Ik begon te denken dat het wellicht beter tot den volgenden dag zou kunnen worden uitgesteld.

„Ik hoop dat uw arme paard niet al te vermoeid was toen gij thuis kwaamt,” zei Dora, terwijl zij mij met hare verrukkelijke oogen aankeek. „Het dier heeft een langen weg moeten afleggen.”

Ik begon te denken dat het toch beter was vandaag maar van wal te steken.

„Hij had wel een langen weg,” antwoordde ik, „en bovendien was er den geheelen dag niets, dat zijne krachten schraagde.”

„Heeft het arme dier niets te eten gehad?” vroeg Dora.

Ik begon te denken dat ik toch maar tot den volgenden dag moest uitstellen.

„Ja..... ja, zeker wel,” antwoordde ik, „hij is goed verzorgd. Ik bedoel dat hij niet het onuitsprekelijke geluk had van zoo dicht bij u te zijn als ik.”

Dora boog het hoofd over hare teekening en zei, na eene kleine pauze—ik had intusschen een gevoel gehad alsof ik de koorts had, ik gloeide en mijne beenen waren stijf.—„Op zeker gedeelte van den dag scheen het mij toch toe, dat gij niet zoo bijzonder gevoelig waart voor dat geluk.”

Ik begon in te zien dat elke weifeling noodlottig kon worden en ik dus terstond van wal moest steken.

„Dat geluk scheen u bijzonder koel te laten,” vervolgde Dora, hare wenkbrauwen een weinig optrekkende en haar hoofdje schuddend, „toen gij bij juffrouw Kitt een plaatsje hadt veroverd.”

Ik moet nog meedeelen, dat juffrouw Kitt de dame was in het rose, met de kleine oogjes.

„Ik begrijp ook eindelijk niet hoe u dat gelukkig zou kunnen maken,” vervolgde Dora, „waarom gij dat een geluk noemt. Natuurlijk meent gij niet wat gij zegt. Niemand twijfelt er bovendien aan, dat gij niet zoudt mogen doen wat gij goed vindt. Kom hier, Jip, ondeugd!”

Ik weet niet hoe het kwam, maar het geschiedde in een ondeelbaar oogenblik. Ik was Jip voor. Dora lag in mijn armen en ik was zoo welsprekend, als ik nooit gemeend had te zullen kunnen zijn. Ik bleef geen oogenblik steken. Ik vertelde haar, dat ik haar liefhad, dat ik voor haar wilde sterven, dat ik haar aanbad, haar verafgoodde.... en gedurende al dien tijd bleef Jip maar aan het blaffen.

Toen Dora haar hoofdje liet hangen en begon te schreien, werd mijne welsprekendheid hoe langer hoe grooter. Indien zij wilde, dat ik mijn leven voor haar zou laten, behoefde zij slechts één woord te spreken en ik zou er toe bereid zijn. Te leven zonder hare liefde was eene onmogelijkheid voor mij geworden. Ik kon en wilde dat niet dragen. Sinds ik haar gezien had, had ik haar elke minuut, elke seconde, dag en nacht lief gehad. Op dit oogenblik had ik haar zelfs waanzinnig lief en zoo zou ik haar blijven liefhebben, mijn leven lang. Niemand vóór mij, noch na mij kon ooit zoo hebben bemind of zou ooit zoo kunnen beminnen als ik haar beminde, dat was onmogelijk, dat kon niet! Hoe meer ik in vuur geraakte, hoe harder Jip begon te blaffen. Het scheen wel of wij beiden, ieder op zijn eigen manier dol werden....

Eenige oogenblikken later zaten Dora en ik rustig naast elkander op de sofa en Jip lag op haar schoot en kwispelde kalm, terwijl hij mij aankeek. Nu was het van mijn hart af en was ik zoo verrukt als een verliefd jongmensch maar zijn kan. Dora en ik waren verloofd!

Wij begrepen wel, dat moet ik ten minste onderstellen, dat eene verloving met een huwelijk dient te eindigen. Wij moeten dat wel begrepen hebben, want Dora stelde als voorwaarde, dat wij nimmer zouden trouwen zonder de toestemming van haar papa. In onze verrukking keken wij, geloof ik, noch vóór, noch achter ons; wij hadden voor niets oogen dan voor het onbekende heden. Wij moesten ons geluk geheim houden voor mijnheer Spenlow; maar ik ben overtuigd, dat ik daarin op dit oogenblik niets onbehoorlijke zag.

Juffrouw Mills keek nog ernstiger dan gewoonlijk toen Dora, die haar gehaald had, met haar terugkwam—ik vrees omdat hetgeen was voorgevallen wel in staat was om de sluimerende echo's in de spelonken der herinnering te doen ontwaken. Zij wenschte ons echter geluk, gaf ons de verzekering van hare eeuwigdurende vriendschap en sprak ons toe met eene stem, die als uit de onderaardsche gang van een klooster tot ons doordrong.

Wat een gelukkige, dwaze tijd volgde nu, geheel gewijd aan allerlei beuzelarijen!