Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 50
Op onzen terugweg moesten wij een met marmer geplaveide gang doorgaan, met glazen dak en wanden, waartegen een wingerd was geleid. Ranken en bladeren waren reeds groen en aangezien het een warme, zonnige dag was, stonden eenige deuren, die op den tuin toegang gaven, open. Door een van deze naderde Rosa Dartle ons met onhoorbare schreden en toen zij dichtbij mij was, sprak zij:
„Gij hebt goed gedaan, waarlijk goed gedaan door dien man hier te brengen.”
Nooit had ik dat gelaat in staat geacht om zooveel woede en verachting uit te drukken, als er op dit oogenblik in hare koolzwarte oogen te lezen was. Het litteeken door den hamer teweeggebracht was, zooals gewoonlijk, wanneer zij in eene opgewonden stemming verkeerde, duidelijk zichtbaar. En toen dat verraderlijke kloppen, waarvan ik vroeger ook eens getuige was geweest, weder begon, gaf zij zich zelve met de vlakke hand een klap op de wang.
„Is dat nu een kerel om in bescherming te nemen en hier heen te brengen?” riep zij. „Gij zijt wel een trouw vriend!”
„Juffrouw Dartle,” gaf ik ten antwoord, „gij zult toch wel niet zoo onrechtvaardig zijn om mij te veroordeelen?”
„Waarom brengt gij verdeeldheid tusschen deze twee dolle schepsels?” vroeg zij. „Weet gij dan niet, dat zij beiden half krankzinnig zijn van trots en eigenzinnigheid?”
„Is dat mijn schuld?” vroeg ik.
„Zeker is het uwe schuld!” hernam zij. „Waarom brengt gij dien kerel hier?”
„Deze man is zwaar beleedigd, juffrouw Dartle; dat zeg ik u, zoo gij het nog niet weten mocht.”
„Ik weet dat James Steerforth,” sprak zij met de hand op het hart alsof zij den storm, die daar binnen woedde, wilde bezweren, „een valsch en doortrapt gemeen hart heeft en een verrader is. Maar wat geef ik om dien kerel en zijne gemeene nicht?”
„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik. „Gij hoopt de eene beleediging op de andere. Het is nu genoeg. Ik wil u alleen nog zeggen, dat gij dezen man onrecht aandoet.”
„Ik doe hem geen onrecht aan!” antwoordde zij. „Het is een slechte, ontaarde troep. Ik zou die meid wel willen geeselen!”
Baas Peggotty liep zonder een woord te zeggen naar de deur en verliet de woning.
„Schaam u, juffrouw Dartle, schaam u toch!” riep ik verontwaardigd uit. „Hoe is het mogelijk iemand, wien zoo onverdiend een ongeluk getroffen heeft, nog bovendien te trappen!”
„Ik zou hen allen te zamen willen vertrappen,” antwoordde zij. „Ik zou hun huis willen omverhalen. Ik zou haar gezicht willen brandmerken en haar in lompen gehuld de straat opzenden om van honger te sterven. Kon ik haar vonnis vellen dan zou het zoo luiden. Wat? Ik zou het zelve ten uitvoer brengen! Ik heb een afschuw van haar! Wist ik maar waar ik haar vinden kon, dan zou ik haar opzoeken en haar hare schande voor de voeten werpen! Kon ik haar maar vervolgen tot in het graf, dan zou ik het doen! Wanneer er een troostwoord was, dat haar verlichting kon schenken in haar stervensuur, een woord, dat ik alleen kende, ik zou het haar onthouden, al kostte het mij mijn leven!”
De nuchtere opsomming van al deze verwenschingen kan, dat voel ik zeer goed, slechts een flauw begrip geven van de hartstochtelijkheid, waarvan haar geheele voorkomen getuigde, ofschoon hare stem zachter klonk dan gewoonlijk. Ik zou onmogelijk eene beschrijving van haar kunnen geven, zoo als zij mij thans nog voor den geest staat, geheel overmeesterd door toorn en—jaloezie. In mijn later leven heb ik den hartstocht leeren kennen in tallooze vormen, maar nooit zag ik iemand in een toestand als Juffrouw Dartle op dezen dag.
Ik had baas Peggotty, die langzaam en peinzend den heuvel afdaalde, weldra ingehaald. Zoodra ik bij hem was, vertelde hij mij, dat nu hij zijn gemoed had ontlast van hetgeen hij te Londen doen moest, de reis nog dezen avond zou worden aangevangen. Op mijne vraag waar hij het eerst dacht heen te gaan, antwoordde hij: „Ik ga mijn nichtje zoeken, mijnheer.”
Toen wij op de kamers boven den kruidenierswinkel waren teruggekeerd, was ik in de gelegenheid Peggotty te vertellen wat hij op mijne vraag geantwoord had, waarop zij mij meedeelde dat zij dien morgen hetzelfde bescheid had gekregen. Zij wist van zijn plannen niet meer dan ik, maar vermoedde wel dat hij er een gemaakt had.
Ik kon niet besluiten hem in deze omstandigheden te verlaten, zoodat wij met elkander het middagmaal gebruikten, bestaande uit een biefstukpastei—een van de goede dingen waarvoor Peggotty beroemd was—die ditmaal bijzonder gekruid was door een geur van thee, koffie, boter, spek, kaas, versch brood, brandhout, kaarsen en soja, waarvan het geheele huis doortrokken was. Na het eten bleven wij ongeveer een uur, zonder veel te praten, voor het venster zitten, en toen stond baas Peggotty op, haalde zijn reistasch van gewaste taf en zijn dikken stok en legde die op de tafel. Zijne zuster gaf hem als een voorschot op zijn legaat eene som geld, naar mijne meening, even voldoende om eene maand van te leven. Hij beloofde mij te zullen schrijven wanneer hem iets bijzonders overkwam, waarna hij zijn reistasch omhing, hoed en stok opnam en ons vaarwel zei.
„Ik wensch u alles goeds, best oudje,” zei hij, Peggotty omhelzende, „en u ook, jongeheer David!” Hij schudde mij de hand. „Ik ga haar opzoeken, wijd en zijd. Mocht zij terugkomen, terwijl ik weg ben—och dat zal wel niet gebeuren!—of mocht ik haar terugbrengen, dan moeten wij met haar ergens gaan wonen en sterven, waar niemand haar kan verwijten wat zij gedaan heeft. Onthoud het goed—het zou kunnen zijn dat mij een ongeluk trof—mijn laatste woord, dat ik voor haar achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en schenk haar vergiffenis.””
Hij zei dit op plechtigen toon, blootshoofds; waarna hij zijn hoed opnam en de trap afging. Wij volgden hem tot aan de deur. Het was een warme, mistige avond, juist op een tijdstip, waarop gedurende eenige oogenblikken een stilstand was in den stroom van voetgangers en een roode zonnestraal tot in het straatje, waar de kruidenierswinkel was, doordrong. Geheel alleen ging hij op weg en wij staarden hem na tot hij om den hoek van de straat verdween.
Zelden keerde dit avonduur terug, zelden werd ik des nacht wakker, zelden keek ik op naar de maan en de sterren, noch staarde ik op den neervallenden regen, noch hoorde ik den wind loeien, of ik dacht aan den eenzamen man, die daar als een arme pelgrim ronddoolde en dan herhaalde ik zijn laatste woorden:
„Ik ga haar zoeken wijd en zijd. Onthoudt het goed—het zou kunnen zijn dat mij een ongeluk overkwam—mijn laatste woord, dat ik voor haar achterlaat, is: „Ik heb mijn lief kind nog even lief als altijd en schenk haar vergiffenis.””
XXXIII.
Zaligheid.
Niettegenstaande al deze verwikkelingen was mijne verliefdheid op Dora grooter en grooter geworden. Te midden van alle droefenis en teleurstelling was de gedachte aan haar mijn eenige troost; zelfs vergoedde mij die het verlies van mijn vriend. Hoe meer medelijden ik met mij zelven of met anderen had, hoe meer troost ik zocht en vond in het beeld van Dora. Hoe grooter de opeenstapeling van bedrog en verdriet werd in de wereld, hoe schitterender en helderder Dora's ster boven alles uitkwam. Ik geloof niet dat ik eene zuivere voorstelling had van Dora's herkomst noch van haar graad van bloedverwantschap met zekere wezens van een hoogere orde; maar ik ben heilig overtuigd, dat ik het denkbeeld, als zou zij eenvoudig een menschelijk wezen zijn, zooals elke andere jonge dame, met verontwaardiging en verachting van de hand zou hebben gewezen.
Als ik het eens zoo mag uitdrukken, was ik „doortrokken van Dora.” Ik was niet alleen tot over de ooren op haar verliefd, maar door en door van haar verzadigd. Er kon, in overdrachtelijken zin sprekende, genoeg verliefdheid uit mij geperst worden, om iemand in te laten verdrinken; en toch zou er nog genoeg in mij zijn overgebleven, om er mij elk oogenblik aan te laven. Mijn geheele wezen zou toch met Dora vervuld zijn gebleven.
Het eerste, dat ik na mijne terugkomst deed, was een nachtelijke wandeling te ondernemen naar Norwood en daar, evenals in het merkwaardige raadsel uit mijne jeugd geschiedde, voordurend aan Dora denkende, het huis rond te loopen zonder er aan te raken. Als ik mij goed herinner, was de oplossing van dit onbegrijpelijke raadsel „de maan”. Hoe het zij, ik, de maanzieke slaaf van Dora, bleef twee uur om het huis en den tuin rondzwerven, nu eens door de reten in de schutting kijkende, dan weder, door mij op angstverwekkende wijze uit te rekken, mijn kin boven de verroeste spijkers op den muur brengende; terwijl ik telkens kushanden toewierp aan het venster van hare kamer en op romantische wijze den nacht te hulp riep, om mijne Dora te beschermen—waartegen, dat weet ik niet; ik denk tegen brand, maar het kan ook wel tegen muizen geweest zijn, waarvoor zij doodsbang was.
Ik ging zoo geheel op in mijne verliefdheid en het was zoo natuurlijk voor mij Peggotty in vertrouwen te nemen, toen ik haar op zekeren avond met hetzelfde naaigerei uit den ouden tijd op mijne kamer vond zitten, druk bezig met het in orde brengen van mijne garde-robe, dat ik haar rondweg mijn geheim mededeelde. Peggotty luisterde met groote aandacht, maar ik kon haar niet zoover brengen, dat zij de zaak uit hetzelfde oogpunt bekeek als ik. O, zij was zoo bevooroordeeld in alles wat mij betrof en dientengevolge kon zij ook mijn angst, noch mijne neerslachtigheid begrijpen. „Dat jonge meisje mag wel heel blij zijn zulk een aanbidder te hebben,” meende zij. „En wat verwacht haar Papa dan wel voor haar?” vroeg zij bijna verontwaardigd. Ik ontwaarde echter, dat mijnheer Spenlow's proctoriale toga en witte das Peggotty wel een eenigszins lager toon deden aanslaan en haar met grooter eerbied vervulden voor den man, die in mijne oogen meer en meer tot een verhevener soort menschen ging behooren, van wien voor mij zelfs een glans scheen af te stralen, wanneer hij daar statig in het Hof tusschen stapels papieren zat, gelijk een vuurtoren in eene zee van paperassen. Langzamerhand kwam er—ik herinner mij dit zeer goed—een vreemd gevoel bij mij op, wanneer ik, zelf in het Hof zittende, begon in te zien hoe weinig die oude rechters en doctors om Dora zouden gegeven hebben, al hadden zij haar gekend; hoe kalm zij zouden gebleven zijn indien hun een huwelijk ware voorgesteld met Dora, terwijl ik buiten mij zelven van verrukking zou zijn geweest; hoe Dora's zingen en overheerlijk guitaarspel, waarmede zij mij op de grens van krankzinnigheid bracht, die oude suffers geen duimbreed van hun weg zouden hebben gebracht. Ik verachtte hen allen te zamen! Half bevrozen, oude tuiniers tusschen de bloembedden van het hart, o, ik verachtte u allen diep! Het gansche Hof was in mijne oogen niets meer dan een troep vervelende muggenzifters. De Balie boezemde mij niet meer liefde en poëzie in dan de toonbank in eene herberg.
Niet zonder trots—van weerszijden natuurlijk—liet Peggotty de ten uitvoerlegging van Barkis' testament geheel aan mij over; ik onderzocht of alles volgens de wet in orde was, zorgde voor de afdoening der successie-rechten en was al heel spoedig met alles gereed. Tot afwisseling van deze rechtsgeleerde bemoeiingen bezochten wij een wassenbeeldenspel in Fleet-street—ik hoop dat al de beelden reeds twintig jaar geleden versmolten zijn—; brachten een bezoek aan Miss Linwood's tentoonstelling van kant- en borduurwerk—eene bezigheid, zeer geschikt om tot zelfonderzoek en berouw te komen; deden eene wandeling door den Tower van Londen en beklommen de St. Paulskerk. Al deze wonderen verschaften Peggotty zooveel genoegen als zij in de gegeven omstandigheden in staat was te smaken; behalve, naar ik vermoedde, de St. Paulskerk, die de teekening op haar naaidoos in de schaduw stelde en zich daarom niet in hare sympathie mocht verheugen.
Toen Peggotty's zaak, die, zooals wij in de Commons plachten te zeggen, tot de loopende zaakjes behoorde—o, die loopende zaakjes waren zoo gemakkelijk en winstgevend!—geheel in orde was, nam ik haar op zekeren morgen mede naar het kantoor om de rekening te betalen. De oude Tiffey vertelde dat mijnheer Spenlow was uitgegaan met een heer, die een huwelijkslicentie moest beëedigen; maar aangezien ik wist dat hij dan spoedig zou terugkomen, verzocht ik Peggotty te blijven wachten.
Bij de behandeling van testamentaire beschikkingen geleken wij in de Commons eenigszins op aansprekers of lijkbezorgers, want het was eene gewoonte geworden om min of meer somber te kijken, wanneer wij te doen hadden met klanten, die in den rouw waren. Zij, die onze hulp noodig hadden in huwelijksaangelegenheden, werden in eene vroolijke, opgeruimde stemming ontvangen. Ik waarschuwde daarom Peggotty, dat mijnheer Spenlow den schok over den dood van Barkis wel te boven zou zijn en.... inderdaad, hij kwam binnen alsof hij zelf de bruidegom was.
Maar noch ik, noch Peggotty had oogen voor mijnheer Spenlow, toen wij in den heer, die met hem was binnengekomen, mijnheer Murdstone herkenden. Hij was weinig veranderd; zijn haar scheen nog even dik en zeker nog even zwart als voorheen en zijn oogopslag boezemde nog even weinig vertrouwen in als vroeger.
„Ha, Copperfield,” zei mijnheer Spenlow, „bedrieg ik mij niet, dan is deze heer u bekend?”
Ik maakte eene koele buiging en Peggotty deed alsof zij hem niet herkende. In het eerste oogenblik scheen deze onverwachte ontmoeting hem wat in de war te hebben gebracht; maar al heel spoedig had hij een besluit genomen en kwam hij naar mij toe.
„Ik hoop,” sprak hij, „dat het u goed gaat?”
„Dat zal u, dunkt mij, weinig belang inboezemen,” antwoordde ik, „maar indien gij het weten wilt.... Ja, het gaat mij heel goed.”
Wij keken elkander een oogenblik in het gelaat en daarna wendde hij zich tot Peggotty met de vraag:
„En u? Het spijt mij te moeten zien, dat gij uw man verloren hebt.”
„Het is niet het eerste verlies, dat ik in mijn leven lijd, mijnheer Murdstone,” antwoordde Peggotty, bevende van het hoofd tot de voeten. „Het verheugt mij echter dat bij dit sterfgeval niemand zich behoeft te schamen, niemand zich iets heeft te verwijten.”
„Zoo!” sprak hij, „dat is eene groote troost voor u. Gij hebt dan uw plicht gedaan?”
„Ik heb niemands leven verbitterd,” antwoordde Peggotty, „dat moet mij wel tot tevredenheid stemmen. Neen, mijnheer Murdstone, ik heb geen lief zwak schepseltje geplaagd en gesard tot zij rust vond in een vroegtijdig graf!”
Hij keek haar aan met een somberen blik—gedurende een ondeelbaar oogenblik meende ik er wroeging in te lezen—en zich tot mij wendende hoewel hij naar mijne laarzen in plaats van naar mijne oogen keek, zei hij:
„Wij zijn er zeker geen van beiden op gesteld elkander spoedig weder te ontmoeten—dergelijke ontmoetingen kunnen ons geen van beiden aangenaam zijn. Ik kan niet verwachten, dat gij, die u altijd tegen mijn rechtmatig gezag hebt gekant, tot uw eigen bestwil en tot vorming van uw karakter door mij geoefend, mij thans bijzonder genegen zoudt zijn. Er bestaat tusschen ons eene antipathie....”
„Die reeds van ouden datum is, naar ik meen,” zoo viel ik hem in de rede.
Hij glimlachte, terwijl mij een blik trof, zoo boosaardig als alleen uit _die_ oogen komen kon.
„Reeds als klein kind toondet gij u weerspannig. Gij hebt er het leven van uwe moeder door verbitterd. Gij hebt gelijk, ik hoop, dat gij uw leven zult beteren.”
Daarmede was het gesprek ten einde. Het was met gedempte stem in een hoekje van mijnheer Spenlow's wachtkamer gevoerd en terwijl hij nu den drempel van het kantoor overschreed, zei hij bijna op zalvenden toon: „Menschen van mijnheer Spenlow's beroep zijn gewend aan familiegeschillen en weten hoe moeilijk en ingewikkeld die somtijds zijn!” Daarna betaalde hij de onkosten van de licentie, die hij keurig opgevouwen, van mijnheer Spenlow ontving, terwijl deze hem de hand schudde en hem en zijne aanstaande veel geluk wenschte.
Een zucht van verlichting ontsnapte mij toen hij het kantoor verlaten had. Het zou mij misschien meer moeite hebben gekost op zijne woorden het zwijgen te doen, indien ik minder moeite had gehad om Peggotty, die woedend was om mijnentwil, het goede schepsel! te overtuigen, dat het hier niet de plaats was om met dien man in het gericht te gaan, zoodat ik haar verzoeken moest zich stil te houden. Zij was vreeselijk opgewonden en ik was blijde er met eene hartstochtelijke omhelzing af te komen, waartoe de zoo onverwacht opgewekte herinnering aan vroegere dagen en doorgestaan leed haar aanleiding gaf. Ik deed mijn best mijnheer Spenlow de zaak zoo kort mogelijk uit te leggen. Mijnheer Spenlow scheen de betrekking, waarin ik tot mijnheer Murdstone stond, niet te kennen; ik was daar blijde om, want het viel mij moeilijk, het lot mijner arme moeder in aanmerking nemende, de familieverhouding te erkennen. Mijnheer Spenlow verkeerde in de meening—indien hij het ten minste der moeite waard achtte er over te denken—dat mijne tante het hoofd was van de familie en er eene partij was, die zich, onder aanvoering van iemand anders, tegen haar gezag verzette. Ten minste, ik meende dit te moeten opmaken uit hetgeen hij zeide, terwijl wij op mijnheer Tiffey wachtten, die Peggotty's rekening van onkosten had opgemaakt.
„Juffrouw Trotwood,” merkte hij op, „is een flinke vrouw, zonder twijfel, die niet gemakkelijk den strijd zal opgeven. Ik ben een en al bewondering voor haar karakter en mag u geluk wenschen, Copperfield, dat gij aan hare zijde staat. Geschillen tusschen familiebetrekkingen zijn altijd te betreuren, maar komen zeer veel voor; de zaak is maar dat men zich aan den kant bevindt waar het recht is.” Hij bedoelde natuurlijk: aan den kant waar het geld is.
„Mijnheer Murdstone doet, voor zoover ik weet, een goed huwelijk, nietwaar?” vroeg hij verder.
Ik verklaarde er niets van te weten.
„Zoo waarlijk!” zei hij. „Nu, uit de enkele woorden, die mijnheer Murdstone zich liet ontvallen—zooals een man bij dergelijke gelegenheden altijd doet—en uit hetgeen ik van juffrouw Murdstone vernam, moet ik wel tot het besluit komen, dat het een goed huwelijk is.”
„Bedoelt gij, dat de bruid veel geld heeft, mijnheer?” vroeg ik.
„Ja,” antwoordde mijnheer Spenlow.
„Ik geloof, dat zij veel geld heeft. En, zij moet heel mooi zijn ook, vertelde men mij.”
„Waarlijk? En is zij nog jong?”
„Zij is juist meerderjarig geworden. Ik vermoed zelfs, dat men daarop gewacht heeft.”
„God zij het arme kind genadig!” riep Peggotty uit, met zooveel nadruk en zoo onverwacht, dat wij alle drie het stilzwijgen bewaarden tot Tiffey met de rekening kwam en die aan mijnheer Spenlow ter inzage bood. Mijnheer Spenlow's kin dook weg in de stijve das en wreef daar zachtjes langs, liep met een verontschuldigend gelaat de rekening door—o, die mijnheer Jorkins!—en gaf haar met een zucht aan Tiffey terug.
„Ja,” zei hij. „Ze is in orde. Zeer juist. Het zou mij een genoegen hebben verschaft deze rekening tot de uitschotten te beperken, maar het is nu eenmaal eene onaangename omstandigheid in mijne betrekking, dat ik aan dergelijke wenschen geen gehoor mag geven. Ik heb nu eenmaal een compagnon—mijnheer Jorkins.”
Hij zei dit op zulk een aandoenlijken toon, dat men hem, indien hij niet in deze onaangename omstandigheden verkeerd had, niet in staat zou hebben geacht zelfs de uitschotten in rekening te brengen. Ik betuigde hem dan ook uit naam van Peggotty mijn dank en betaalde Tiffey in deugdelijke Engelsche banknoten uit. Peggotty ging daarop naar huis, terwijl mijnheer Spenlow en ik ons naar het Hof begaven, waar een proces over echtscheiding aanhangig was. Men beriep zich op een vernuftig uitgedacht wetsartikel, dat thans, naar ik meen, is vervallen, doch waarop ik menig huwelijk heb zien ontbinden. De zaak was deze: De echtgenoot, wiens naam was Thomas Benjamin, had eene licentie gevraagd op den naam Thomas (zonder Benjamin); hij wenschte gewaarborgd te zijn voor het geval, dat de huwelijksstaat hem niet beviel. En waarlijk, dit geval deed zich voor; de arme man liet, na twee jaren getrouwd te zijn geweest, door een vriend voor het Hof verklaren, dat zijn naam was Thomas Benjamin en zijn huwelijk dus onwettig was. Tot zijn groot genoegen werd dit ook door het Hof bevestigd.
Ik moet erkennen, dat er twijfel bij mij oprees over de strikte rechtvaardigheid van deze uitspraak en mij zelfs niet door het schepel tarwe, waarmede alle onrechtmatigheden werden bezworen, van mijne opinie liet afbrengen.
Mijnheer Spenlow besprak de quaestie met mij en zeide: „Kijk eens rond in de wereld, daar is evenveel goed als kwaad; en bekijk nu de kerkelijke wetten: daarin is ook evenveel goed als kwaad. Het was maar een systeem! Zie daar nu! Wat wil men meer?”
Ik miste de stoutmoedigheid om tegen Dora's vader te zeggen, dat wij zelf moesten beproeven de wereld een weinig te verbeteren, als wij maar vroeg opstonden en onze rokken uittrokken gedurende het werk; maar ik bleef er bij dat in de Commons veel te verbeteren viel. Mijnheer Spenlow antwoordde mij, dat hij mij den goeden raad moest geven, om deze gedachte voor mij zelven alleen te houden, omdat die in een gentleman, zooals ik, niet mocht opkomen; maar toch zou het hem genoegen doen van mij te vernemen, welke wijzigingen ik in de Commons noodzakelijk achtte.
Het gedeelte van de Commons nemende, dat het dichtst bij de hand lag—onze delinquent was al weder ongetrouwd en wij hadden het Hof verlaten en wandelden langs het bureau der Prerogatieven—gaf ik te kennen dat juist daarop veel viel aan te merken. „In welk opzicht?” vroeg mijnheer Spenlow. Ik antwoordde met de achting, welke ik aan zijne meerdere ondervinding verschuldigd was—met nog meer achting, vrees ik, voor Dora's vader—dat het onzinnig was het archief van dat Hof, waarin de testamenten bewaard werden van alle personen, die gedurende de laatste drie eeuwen in het groote district Canterbury gestorven zijn en goederen van waarde hebben nagelaten, in zulk een gebouw te plaatsen, dat volstrekt niet aan de bedoeling beantwoordde; in een gebouw, dat niet eens brandvrij was. Ik voegde er bij, dat ik zeer goed begreep, dat de ambtenaren het gebouw liever in dit vergeten hoekje van het Sint Paulskerkhof behielden, waar weinig menschen het kenden; maar dat, als ik iets te zeggen had, die ambtenaren, onder wie er waren, die een tractement van acht en negen duizend pond genoten, behalve nog de emolumenten, zoo spoedig mogelijk zouden moeten zorgen voor een gebouw, waarin dergelijke kostbare documenten veiliger konden bewaard blijven....