Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 5

Chapter 53,964 wordsPublic domain

„Ja,” zei Peggotty, „het is zeker erg koud; iedereen moet dat wel voelen.”

„Ik voel het erger dan iemand anders,” antwoordde juffrouw Gummidge.

Zoo ook bij het middagmaal. Juffrouw Gummidge werd altijd onmiddellijk na mij bediend, aan wien de voorrang werd gegeven als een gast van aanzien. De visch was klein en graterig en de aardappelen waren aangebrand. Wij vonden dit allen minder aangenaam, maar juffrouw Gummidge zeide, dat zij het erger voelde dan wij en begon opnieuw te schreien en gaf met nog grooter bitterheid de oude verklaring van zich zelve.

Het gevolg was dat, toen baas Peggotty te ongeveer negen uur thuis kwam, juffrouw Gummidge dood ongelukkig, met de wanhoop op het gelaat in haar hoekje zat te breien. Peggotty daarentegen was zeer opgeruimd en zat eveneens te werken. Ham had een paar groote waterlaarzen zitten oplappen en ik had, met de kleine Emily naast mij, voorgelezen. Juffrouw Gummidge had geen enkel teeken van leven gegeven dan nu en dan een diepen zucht en sinds de thee geen enkele maal de oogen opgeslagen.

„Wel, maatjes,” zei baas Peggotty, terwijl hij op zijne gewone plaats ging zitten, „hoe gaat het er mee?”

Allen zeiden een enkel woord om hem te verwelkomen of wierpen hem een vriendelijken blik toe, behalve juffrouw Gummidge, die hoofdschuddend doorbreide.

„Wat scheelt er aan?” vroeg baas Peggotty, in de handen klappend. „Moed gevat, oudje!”

Juffrouw Gummidge scheen niet in staat om moed te vatten. Zij haalde een ouden, zwart zijden zakdoek te voorschijn en veegde daarmede hare oogen af, maar in plaats van den zakdoek in haar zak te steken, hield zij dien in de hand, veegde nogmaals hare oogen af en hield den doek in de hand gereed.

„Wat scheelt er aan, moedertje?” vroeg baas Peggotty.

„Niets,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Gij komt uit ‚Het Dorstige Hart’, Dan?”

„Wel ja, ik heb van avond wat zitten praten in ‚Het Dorstige Hart’,” antwoordde baas Peggotty.

„Het spijt mij dat ik u daarheen jaag,” zei juffrouw Gummidge.

„Jagen! Ik behoef volstrekt niet gejaagd te worden,” hernam baas Peggotty, vriendelijk lachend. „Ik ga er maar al te gaarne heen.”

„Zeer gaarne,” zei juffrouw Gummidge, haar hoofd schuddende en hare oogen afvegend. „Ja, ja, zeer gaarne. Het spijt mij, dat gij er om mij zoo gaarne heengaat.”

„Om u? Ik ga er niet heen om u!” riep baas Peggotty. „Geloof daar toch niets van!”

„Ja, ja, het is wel waar,” hernam juffrouw Gummidge. „Ik weet wat ik ben. Ik weet, dat ik een ellendig, ongelukkig schepsel ben en dat alles mij tegenloopt en ik iedereen tot last ben. Ja, ja, ik voel alles veel erger dan andere menschen en ik toon het meer. Dat is juist mijne rampzaligheid.”

Terwijl ik daar zat, kon ik niet nalaten te denken, dat de rampzaligheid zich behalve tot juffrouw Gummidge ook tot de andere leden van de familie uitstrekte; maar baas Peggotty zei niets van dien aard; hij antwoordde slechts met eene vernieuwde uitnoodiging aan juffrouw Gummidge om moed te vatten.

„Ik ben niet wat ik zou kunnen zijn,” hernam juffrouw Gummidge. „Dat is er ver vandaan. Ik weet wat ik ben. Mijn verdriet maakt dat ik iedereen tot last ben. Ik voel mijn verdriet zoo, daarom ben ik iedereen tot last. Ik wilde dat ik het niet zoo voelde, maar ik doe het. Ik wilde dat ik er mij tegen verzetten kon, maar dat kan ik niet. Ik ben een lastpost in huis en dat verbaast mij niet. Ik ben uwe zuster altijd tot last geweest en den jongeheer David...”

Ik voelde mij plotseling zoo getroffen dat ik uitriep: „Neen, juffrouw Gummidge, dat zijt gij niet!” Ik was hevig ontroerd.

„Het is heel slecht van mij, dat ik het doe,” vervolgde juffrouw Gummidge. „Het is zeer ondankbaar van mij. Ik deed beter naar het werkhuis te gaan en daar te sterven. Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel en deed veel beter hier niemand meer tot last te zijn. Als alles mij toch tegen loopt en ik ook mij zelve tot last ben, laat ik dan een lastpost zijn in mijn eigen kerspel, Dan! Ik moest liever naar het werkhuis gaan en daar sterven... dan waart gij mij kwijt.”

Na deze woorden ging juffrouw Gummidge naar haar eigen kamer en naar bed. Toen zij weg was, keek baas Peggotty, op wiens gelaat slechts medelijden te lezen was geweest en nog was, ons allen een voor een aan en zei hoofdschuddend: „Zij heeft weer aan den oude zitten denken.”

Ik begreep niet goed welken oude baas Peggotty bedoelde, maar toen Peggotty mij naar bed bracht, legde zij mij uit dat het baas Gummidge was; „mijn broeder is overtuigd,” voegde zij er bij, „dat juffrouw Gummidge bij zulke gelegenheden altijd aan haar overleden echtgenoot denkt en dit ontroert hem telkens weder.” Eenige oogenblikken nadat baas Peggotty zijn hangmat had opgezocht, hoorde ik hem ook tegen Ham zeggen: „Arm schepsel! Zij heeft weder aan den oude zitten denken!” En telkens als juffrouw Gummidge gedurende ons verblijf zulk eene bui had—dit gebeurde nog eenige malen—zei hij altijd hetzelfde tot hare verontschuldiging en altijd op een toon, die zijn innig medelijden verried.

Zoo gingen de veertien dagen voorbij, door niets afgewisseld dan door het getij, dat verandering bracht in baas Peggotty's uitgaan en thuiskomst en ook in Ham's bezigheden. Wanneer Ham niets te doen had, wandelde hij met ons en liet hij ons de schepen en de schuiten zien en eens nam hij ons zelfs mede in zijne roeiboot. Ik weet niet, waarom sommige indrukken, somtijds van de onbeduidendste zaken, meer dan andere aan eene plaats verbonden blijven, hoewel ik meen, dat zulks ten opzichte van herinneringen uit de kinderjaren met alle menschen het geval is. Ik hoor of lees den naam Yarmouth nooit of ik word herinnerd aan zekeren Zondagmorgen op het strand en hoor de kerkklok luiden en voel de kleine Emily tegen mijn schouder leunen en zie Ham peinzend steentjes in het water werpen en de zon boven de zee door de dikke mist heenbreken en de schepen in de verte, als schimmen van zich zelve.

Eindelijk naderde de dag van vertrek. Ik hield mij ferm bij het afscheid van baas Peggotty en Ham en juffrouw Gummidge, maar dat ik ook de kleine Emily verlaten moest, maakte mij bijna wanhopig. Arm in arm wandelden wij naar de herberg waar de voerman stalde en onder weg beloofde ik haar te zullen schrijven.—Later heb ik deze belofte vervuld in letters zoo groot als die, waarin gewoonlijk huizen of kamers te huur worden aangeboden.—Bij het afscheid waren wij beiden bijna niet tot bedaren te brengen en indien ik ooit eene ledige plaats in mijn hart heb gevoeld, was het op dezen dag.

Gedurende den geheelen tijd, dien ik te Yarmouth had doorgebracht, was ik hoogst ondankbaar geweest jegens mijn ouderlijk huis en had ik er bijna in het geheel niet aan gedacht. Nauwelijks was ik echter op de terugreis of mijn geweten begon te spreken en scheen met dreigenden vinger daarheen te wijzen; juist omdat ik zoo verdrietig was, voelde ik dat ik daar thuis behoorde en dat mijne moeder mijne troosteres en mijne vriendin zou zijn. Naarmate wij verder kwamen, nam dit gevoel toe in kracht; zoodat ik, hoe dichter wij ons huis naderden en hoe bekender alle voorwerpen mij toeschenen, hoe langer hoe meer verlangde bij haar te zijn en mij in hare armen te werpen. Maar in plaats van dit gevoel aan te wakkeren, deed Peggotty haar best—zij het dan ook op vriendelijken toon—om mij tot kalmte aan te manen en zelve keek zij verlegen en verdrietig rond.

Blunderstone's Kraaiennest zou echter, haar ten spijt, in het gezicht komen, wanneer het paard het ten minste verkoos—en dit deed het. Hoe goed herinner ik mij dien kouden, grauwen namiddag met die betrokken lucht en dien voortdurenden motregen! De deur werd geopend en half lachend, half schreiend van zenuwachtige aandoening zocht ik mijne moeder. Zij had echter de deur niet geopend—ik zag niets dan eene vreemde dienstmeid.

„Hoe is het nu, Peggotty,” sprak ik teleurgesteld, „is zij niet teruggekomen?”

„Ja, zeker, jongeheer David,” antwoordde Peggotty. „Zij is thuis gekomen. Wacht een oogenblik, jongeheer David, dan zal ik.... dan zal ik u iets vertellen.”

Tengevolge van hare zenuwachtigheid en haar aangeboren onhandigheid nam Peggotty, bij het verlaten van de kar, de zonderlingste houdingen aan, maar ik was te moedeloos om er haar opmerkzaam op te maken. Toen zij op den weg stond, nam zij mij bij de hand, bracht mij tot mijne onbeschrijfelijke verbazing in de keuken en sloot de deur.

„Peggotty!” vroeg ik angstig, „wat is er gebeurd?”

„Niets van belang, mijn beste jongeheer David,” antwoordde zij, haar best doende om opgeruimd te kijken.

„Er moet iets gebeurd zijn; dat weet ik zeker. Waar is mama?”

„Waar uwe mama is, jongeheer David?” herhaalde Peggotty.

„Ja, waarom is zij niet aan het hek gekomen en waarom zijn wij hier heengegaan? O, Peggotty!” Mijne oogen schoten vol tranen en ik voelde dat ik deze onzekerheid niet lang zou verduren.

„God zegene den lieven jongen!” riep Peggotty, mij tot zich trekkende. „Wat is er? Spreek toch, mijn lieveling.”

„Zij is immers niet dood, Peggotty?”

Peggotty riep, „Neen!” met eene verbazend harde stem, daarna ging zij zitten en begon te hijgen en te zuchten en zei dat ik haar een schrik op het lijf had gejaagd.

Ik omhelsde haar, ten einde den schrik van haar af te nemen en ging toen voor haar staan en keek haar angstig vragend aan.

„Zie, beste jongen, ik had het u al eerder moeten vertellen,” begon zij, „maar ik had daarvoor geen gelegenheid. Ik had er eene gelegenheid voor moeten zoeken maar ik kon er eigenlijk niet goed toe besluiten—vergeef het mij.”

„Ga voort, Peggotty,” zei ik nog angstiger dan te voren.

„Jongeheer David,” vervolgde zij, haar hoed losmakend en sprekende alsof zij geheel buiten adem was, „wat zegt gij daar nu wel van?.... Gij hebt weer een papa gekregen!”

Ik begon te beven en werd zoo wit als een doek. Iets—ik weet zelf niet wat of hoe—iets dat in verband stond met het kerkhof en de opstanding uit den dood scheen langs mij heen te strijken als een tochtwind.

„Een nieuwe,” zei Peggotty.

„Een nieuwe?” herhaalde ik.

Peggotty maakte eene beweging alsof zij een zeer hard stuk inslikte en zeide, mij bij den arm nemende: „Kom, ga mede, dan zult gij hem zien.”

„Maar ik wil hem niet zien.”

.... „en uwe mama ook,” vervolgde Peggotty.

Ik verzette mij niet langer en wij gingen rechtstreeks naar de mooie kamer, waar Peggotty mij alleen liet. Aan de eene zijde van den haard zat mijne moeder, aan de andere.... mijnheer Murdstone. Mijne moeder legde haar werk neer en stond haastig, doch, naar het mij voorkwam, met iets schroomvalligs in hare houding, op.

„Nu, Clara, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „Herinner u wat wij afgesproken hebben. Bedwing u zelve, bedwing u zelve altijd. Dag, David, hoe gaat het u?”

Ik gaf hem eene hand en na een oogenblik geaarzeld te hebben, ging ik naar mijne moeder en kuste haar; zij kuste mij ook en klopte mij vriendelijk op den schouder en.... ging weder aan haar werk. Ik kon haar niet aanzien, ik kon ook hem niet aanzien, ik wist zeer goed dat hij ons beiden aankeek; ik keerde mij daarom naar het venster en keek naar buiten, naar eenige heesters, die in de koude het hoofd lieten hangen.

Zoodra ik kon wegsluipen, kroop ik de trap op. Mijne oude, vriendelijke slaapkamer was geheel veranderd en ik was verhuisd naar de andere zijde van het huis. Ik ging weder naar beneden om iets te vinden dat hetzelfde was gebleven, zoo scheen alles veranderd, en kwam op de plaats. Maar ik nam al heel spoedig de vlucht want het hondenhok was bewoond door een grooten hond—met een zware stem en zwart haar, evenals _hij_—die boos werd toen hij mij zag en uit zijn hok sprong om mij te bijten.

IV.

Ik val in ongenade.

Als het kamertje, waarheen mijn bedje verplaatst was, denken en spreken kon, zou ik er thans een beroep op doen—ik zou wel eens willen weten wie er nu slaapt!—om getuigenis af te leggen van de stemming waarin ik binnentrad. Ik ging de trap op, terwijl de hond op de plaats mij nog steeds achterna blafte, keek ontmoedigd en bedeesd het kleine vertrekje rond en ging met de kleine handen over elkander zitten peinzen..... peinzen over de vreemdsoortigste dingen; over den vorm van de kamer, over de reten in de zoldering, over het behangsel, over de barsten in de ruiten, waardoor allerlei rimpels en kronkelingen in het uitzicht ontstonden, over de waschtafel, die op hare drie pooten scheen te waggelen en iets verdrietigs scheen te hebben, dat mij deed denken aan juffrouw Gummidge, wanneer zij aan haar oude had gedacht.

Ik schreide al dien tijd, maar behalve dat ik koud en bedroefd was, wist ik—daar ben ik zeker van—niet waarom ik schreide. Ten laatste begon ik in mijn wanhoop te begrijpen dat ik hopeloos verliefd was op de kleine Emily en van haar weggenomen was om hierheen gebracht te worden, waar niemand mij maar half zoo noodig en half zoo lief had als zij. Dit bracht mij zoo van streek dat ik mij in mijn deken rolde en mij toen in slaap schreide. Ik werd wakker, omdat ik iemand hoorde zeggen: „Hier is hij.” Te gelijkertijd werd mijn hoofd ontbloot, dat gloeide als een vuurbol. Mijne moeder en Peggotty waren mij komen zoeken en een van beiden had deze woorden gesproken.

„David,” zei mijne moeder, „wat scheelt er aan?”

Ik vond het zeer vreemd dat zij mij deze vraag deed en antwoordde: „Niets.” Daarna keerde ik mij om, dat herinner ik mij nog zeer goed, ten einde mijne bevende lippen te verbergen, die haar meer naar waarheid zouden geantwoord hebben.

„David,” herhaalde mijne moeder. „David, mijn kind!”

Wat zij ook zou kunnen gezegd hebben, niets zou mij zoo hebben getroffen dan dat zij mij „haar kind” noemde. Ik verborg mijne tranen in het bedlaken en duwde hare hand weg toen zij mij wilde oprichten.

„Dat is uw werk, Peggotty, wreed schepsel, dat gij zijt!” riep mijne moeder. „Ik twijfel er geen oogenblik aan. Hoe kunt gij het voor uw geweten verantwoorden, mijn eigen jongen tegen mij op te hitsen of tegen iemand, die mij dierbaar is? Waarom hebt gij dat gedaan, Peggotty?”

Peggotty hief de handen en de oogen ten hemel en antwoordde op de wijze zooals ik gewoon was na tafel mijn gebedje op te zeggen: „De Heer schenke u vergiffenis, mevrouw Copperfield, voor hetgeen gij daar hebt gezegd. Zoo gij ooit oprecht berouw daarover zult voelen....”

„Het is om waanzinnig te worden,” riep mijne moeder. „En dat in de eerste dagen van mijn huwelijk, nu mijn ergste vijand mij zou ontzien en mij mijn weinigje geluk en rust niet zou misgunnen! David, gij zijt een ondeugende jongen en gij, Peggotty, gij zijt een ongevoelig schepsel! O, lieve Hemel!” vervolgde zij, terwijl zij zich boos en eigenzinnig, nu eens tot Peggotty dan weder tot mij wendde, „wat is er toch een ellende in de wereld en dat in een tijd, waarin men mocht verwachten eens louter voor zijn genoegen te leven!”

Ik voelde de aanraking van eene hand, die, dat wist ik, noch aan mijne moeder noch aan Peggotty toebehoorde, en stond in het volgend oogenblik naast mijn bed. Het was de hand van mijnheer Murdstone; hij hield mijn arm vast terwijl hij zeide: „Wat is dat? Clara, lieve, hebt gij onze afspraak vergeten? Flink zijn, lieve, flink zijn!”

„Het spijt mij zoo, Edward,” antwoordde mijne moeder, „ik meende het te wezen, maar het valt mij niet gemakkelijk.”

„Waarlijk!” sprak hij. „Nu reeds? Dat is een slecht begin!”

„Het is wel hard voor mij dat ik zoo moet zijn,” antwoordde mijne moeder pruilend; „het is wel.... zeer hard... is het niet?”

Hij trok haar naar zich toe, fluisterde haar iets in het oor en kuste haar. Toen ik mijne moeder het hoofd op zijn schouder en den arm om zijn hals zag leggen wist ik zeer goed, dat hij hare buigzame natuur kon kneden als was—ik wist dat toen even goed als ik thans weet dat hij het gedaan heeft.

„Ga naar beneden, lieve,” zei mijnheer Murdstone. „David en ik zullen u volgen.”

Toen mijne moeder weg was, keerde hij zich met een gelaat, zoo donker als de nacht, naar Peggotty en vroeg: „weet gij niet hoe uwe mevrouw heet?”

„Zij is lang genoeg mijne mevrouw geweest, mijnheer,” antwoordde Peggotty. „Ik moet dat dus wel weten.”

„O zoo,” hernam hij, „ik meende, toen ik de trap opkwam, u een naam te hooren uitspreken, die de hare niet meer is. Zij heeft mijn naam aangenomen, begrijpt gij? Zult gij dat goed onthouden?”

Na mij eenige malen angstig te hebben gadegeslagen, verliet zij buigende de kamer zonder een woord te antwoorden; zij zag in dat men haar gezelschap missen kon en had geen enkele reden om te blijven.

Toen wij met ons beiden alleen waren, sloot hij de deur en terwijl hij op een stoel zat en ik voor hem stond, keek hij mij gedurende eenige oogenblikken doordringend aan. Mijne oogen werden blijkbaar door de zijnen aangetrokken, zoodat ik hem niet minder doordringend aankeek. Als ik mij dat oogenblik voor den geest roep, waarop wij zoo van aangezicht tot aangezicht tegenover elkander stonden, voel ik mijn hart nog kloppen in mijn keel.

„David,” zei hij, zijne lippen dun makende door ze op elkaar te drukken, „wat denkt gij wel dat ik doe met een koppig paard of een koppigen hond?”

„Dat weet ik niet.”

„Ik geef hem slaag.”

Ik had geantwoord op fluisterenden toon, bijna ademloos, maar ik voelde dat mijne ademhaling hoe langer hoe korter werd.

„Ik laat hem voelen wat pijn is en zeg tot mij zelven: ‚hij moet er onder; en al zou het hem al het bloed kosten dat hij heeft, hij zal er onder.’ Wat hebt gij daar op uw gezicht?”

„Vuil,” zei ik.

Hij wist evengoed als ik dat het de sporen waren van tranen, maar al had hij het mij twintig maal gevraagd, telkens met twintig slagen, ik geloof dat ik het hem, zoo klein en teer als ik was, niet bekend zou hebben.

„Gij hebt verstand in overvloed voor zoo'n kleinen jongen,” zei hij met den hem eigen glimlach, „en gij begrijpt mij zeer goed. Wasch uw gezicht en ga dan met mij naar beneden.”

Hij wees naar de waschtafel, die mij aan juffrouw Gummidge had doen denken, en gaf mij door eene beweging met het hoofd te kennen dat ik oogenblikkelijk moest gehoorzamen. Ik twijfelde er niet aan en ik twijfel er op dit oogenblik volstrekt niet aan of hij zou mij zonder het geringste gemoedsbezwaar geslagen hebben als ik geaarzeld had.

„Clara, lieve,” zei hij, toen wij, nadat ik zijn bevel had opgevolgd, de huiskamer binnentraden—hij hield mijn arm weder omklemd—„het zal u nu gemakkelijk vallen; daarvan ben ik overtuigd. Wij zullen dat jeugdig humeurtje wel verbeteren.”

God weet, dat ik wellicht voor mijn geheele leven verbeterd zou zijn, dat ik misschien een geheel ander mensch zou zijn geworden, indien mij op dit oogenblik een vriendelijk woord ware toegevoegd. Een woord van bemoediging en opheldering, van medelijden met mijne kinderlijke onwetendheid, van welkom thuis of van verzekering dat hier werkelijk mijn tehuis _was_, zou wellicht mijn hart tot dankbaarheid hebben gestemd jegens den man, voor wien ik nu slechts gehoorzaamheid huichelde; zou mij wellicht achting voor hem hebben ingeboezemd, terwijl ik nu niets kon doen dan hem haten. Ik hoopte dat mijne moeder spijt zou gevoelen, als zij mij daar zoo bedeesd zag staan, alsof ik een vreemdeling was in dit huis; ik hoopte het nog, toen ik opmerkte dat zij mij met een droeven blik nakeek, terwijl ik stilletjes naar een stoel sloop—misschien met iets gedwongens in mijne houding—maar dat woord werd niet uitgesproken; het geschikte oogenblik daartoe ging verloren.

Wij gebruikten met ons drieën het middagmaal. Hij scheen erg verliefd te zijn op mijne moeder—ik geloof niet, dat ik daarom meer van hem hield—en mijne moeder scheen erg verliefd te zijn op hem. Uit hetgeen zij bespraken maakte ik op, dat eene oudere zuster van hem bij ons zou komen inwonen en dat deze dienzelfden avond verwacht werd. Ik weet niet zeker meer of het toen of naderhand was, dat ik tot de ontdekking kwam dat hij, zonder zelf werkzaam te zijn, aandeelen had in of een jaarlijksch inkomen genoot van eene groote wijnzaak in Londen, waarin zijne familie reeds bij het leven van zijn overgrootvader betrokken was geweest en dat ook zijne zuster recht had op eene gelijke uitkeering; ik maak er echter nu maar melding van, hetzij dan dat ik het eerst later vernam.

Na het middagmaal, terwijl wij bij den haard zaten en ik peinsde over een middel om Peggotty op te zoeken—ik had niet den moed om weg te loopen uit vrees voor de ongenade van den heer des huizes—reed een rijtuig voor en ging hij naar buiten om den bezoeker te ontvangen. Mijne moeder volgde hem en ik volgde haar zoo bedeesd mogelijk; maar op den drempel keerde zij zich plotseling om—het was donker—en omhelsde mij, zooals zij vroeger gewoon was geweest en fluisterde mij in dat ik mijn nieuwen papa moest liefhebben en gehoorzaam zijn. Zij deed het haastig en heimelijk, alsof zij kwaad deed, maar niettemin met groote teederheid en terwijl zij hare hand achter zich hield met de mijne er in, kwamen wij dicht bij de plek in den tuin, waar hij stond; toen liet zij mij los en stak haar arm door den zijne.

De aangekomene was juffrouw Murdstone, eene stuursche dame, met een even donker uitzicht als haar broeder, met wien zij, wat haar gelaat en hare stem betrof, zeer veel overeenkomst had; zij had in het oog vallend zware wenkbrauwen, die elkaar boven den grooten neus ontmoetten, alsof zij, boos over de onrechtvaardigheid dat het aan hare sexe ontzegd was bakkebaarden te dragen, deze naar het voorhoofd had verplaatst. Zij bracht twee verschrikkelijk harde, zwarte koffers mede met hare initialen in harde koperen spijkers op de deksels. Toen zij den koetsier betaalde, haalde zij het geld uit een harde, stalen beurs en deze beurs stopte zij in een reusachtige beugeltasch, die aan een zwaren, harden ketting aan haar arm hing en toeklapte als de muil van een roofdier. Nooit had ik eene dame gezien, aan wie alles zoo van metaal was als aan juffrouw Murdstone.

Zij werd naar de voorkamer gebracht en hartelijk welkom geheeten, waarna zij mijne moeder van het hoofd tot de voeten opnam en met eene zekere plechtigheid erkende als eene nieuwe en nauwe bloedverwante.

„Is dat uw jongen, schoonzuster?”

Mijne moeder verloochende mij niet.

„In het algemeen,” zei juffrouw Murdstone, „houd ik niet van jongens. Hoe vaart gij, kereltje?”

Op deze bemoedigende toespraak antwoordde ik dat ik heel wel was en dat ik hoopte dat zij ook wel was; ik zei dit op zulk een onverschilligen toon, dat juffrouw Murdstone in twee woorden haar oordeel over mij uitsprak: „Geen manieren.”

Nadat zij dit met groote duidelijkheid gezegd had, verzocht zij op bijna ootmoedigen toon dat men haar hare kamer zou wijzen, die van dat oogenblik af voor mij eene plaats werd, waaraan ik niet dan met angst en beven kon denken, waarin de twee harde, zwarte koffers nooit geopend gezien werden of ongesloten bleven—ik keek er een enkele maal stilletjes binnen, wanneer zij uit was—en waar een onnoemelijk aantal kleine stalen armbanden en kettinkjes, waarmede juffrouw Murdstone zich tooide, wanneer zij in pontificaal was, boven den spiegel hingen.