Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 49

Chapter 494,135 wordsPublic domain

Opnieuw begon haar groote hoed, die, op den rand gezet, bijna zoo groot was als het geheele persoontje, voor- en achterwaarts te gaan evenals haar bovenlichaam; terwijl een hoed van reusachtige afmetingen dezelfde beweging op den muur maakte.

„Het verbaast mij,” begon ik, „u zoo ernstig en zoo wanhopend te zien....” Zij viel mij terstond in de rede:

„Ja, zoo is het altijd,” sprak zij. „Al die onbedachtzame jonge menschen zijn verbaasd, wanneer zij een weinig natuurlijk gevoel ontdekken in zulk een klein ding als ik ben. Zij beschouwen mij als een stuk speelgoed, vermaken zich met mij en smijten mij weg, wanneer zij mij moe zijn; terwijl zij zich verbazen als ik meer gevoel heb dan een houten paardje of een tinnen soldaatje. Ja, ja, zoo is het! Zoo gaat het altijd!”

„Dat moge bij anderen zóo zijn,” antwoordde ik, „maar ik verzeker u, dat het bij mij niet zoo is. Wellicht had ik niet verbaasd mogen zijn toen ik u zoo zag, maar ik ken u nog zoo weinig. Ik sprak een weinig onbedachtzaam uit, hetgeen ik dacht.”

„Wat kan ik doen?” hernam het kleine vrouwtje opstaande, terwijl zij hare armpjes uitstak om te toonen, hoe klein zij was. „Zie! Wat ik ben, is mijn vader geweest en zijn mijn broeder en mijne zuster ook. Ik heb hard gewerkt voor mijn broeder en zuster, mijnheer Copperfield, jaren achtereen. Ik moet leven en doe geen mensch onrecht aan. En indien er sommige menschen zoo wreed, zoo onbarmhartig zijn om den spot met mij te drijven, wat blijft mij dan over dan met mij zelve en met hen en met alles den spot te drijven? Wiens schuld is het, als ik het nu en dan doe? De mijne?”

„Neen, de uwe niet,” antwoordde ik.

„Had ik een gevoelig hart getoond aan uw valschen vriend,” vervolgde zij, terwijl zij haar hoofd schudde en mij met een ernstigen, bijna verwijtenden blik aankeek, „zou hij mij dan ooit geholpen hebben? Zou ik dan ooit op zijn gunst hebben mogen rekenen? Als de kleine Mowcher, die toch niet kan helpen, dat zij zoo mismaakt is, zich om haar ongelukkigen toestand tot hem en zijns gelijken gewend had, zou haar zwakke stem dan ooit zijn gehoord? En toch zou diezelfde kleine Mowcher hebben moeten leven, al was zij de domste en ongenaakbaarste van alle dwergen geweest. Zij zou naar haar brood hebben kunnen fluiten, tot zij zich dood gefloten had. Neen, neen, dat kon niet!”

Juffrouw Mowcher nam opnieuw plaats op den haardrand, haalde haar zakdoek te voorschijn en wischte haar oogen af.

„Verheug u met mij, indien gij het hart op de rechte plaats hebt—waaraan ik niet twijfel—,” sprak zij, „dat ik vroolijk en tevreden zijn kan, niettegenstaande ik weet wat ik ben. Ik ben in elk geval blijde, dat ik mijn weg kan vinden door de wereld, zonder van iemand afhankelijk te zijn; al wat mij uit spotternij of uit onbedachtzaamheid naar het hoofd wordt geworpen, laat mij koud. Het is voor mij zelve het best en tot niemand's nadeel, dat ik maar niet peins of mok over hetgeen ik missen moet. Ik ben nu eenmaal voor u, reuzen, een stuk speelgoed; het eenige wat ik vraag, is: behandel mij niet te ruw.”

Juffrouw Mowcher stak den zakdoek in den zak en keek mij strak aan terwijl zij vervolgde:

„Ik zag u juist voorbijkomen, maar ik kon u met mijn kleine beentjes en mijne zwakke borst niet bijhouden, veel minder inhalen; ik giste echter waar gij heengingt en liep u na. Ik ben vandaag al eenmaal hier geweest, maar de goede vrouw was niet thuis.”

„Kent gij haar?” vroeg ik.

„Ik weet veel van haar,” antwoordde zij, „door Omer en Joram. Ik was daar van morgen om zeven uur al. Herinnert gij u wat Steerforth zei omtrent dat ongelukkige meisje, toen ik u beiden in het logement bezocht?”

De groote hoed op het hoofd van juffrouw Mowcher en de nog grootere op den muur hervatten hunne voor- en achterwaartsche bewegingen, toen zij deze vraag deed.

Ik herinnerde mij zeer goed wat zij bedoelde, want ik had tallooze malen aan dit gesprek gedacht.

„Moge zijne straf niet uitblijven,” zei het kleine vrouwtje, terwijl zij haar voorsten vinger eenige oogenblikken tusschen mij en haar schitterende oogjes hield, „maar die schurk van een knecht verdient tienmaal meer straf. Ik meende toen dat gij zoo'n beetje kalverliefde voor haar hadt opgevat?”

„Ik?”

„Kind, kind!” riep juffrouw Mowcher, terwijl zij, ongeduldig de handen wringend, op den haardrand heen en weer zwaaide, „hoe is het mogelijk dat gij haar zoo prijzen kondt, dat gij zoo verlegen werdt en zoo bloosdet!”

Ik kon voor mij zelven niet verhelen dat ik dit gedaan had, hoewel de aanleiding eene andere was dan ik vermoedde.

„Wat wist ik er van!” zei juffrouw Mowcher, terwijl zij nogmaals haar zakdoek te voorschijn haalde en met haar kleine voetje op den grond stampte, telkens wanneer zij den zakdoek naar de oogen bracht. „Hij plaagde en vleide u en gij waart als was in zijne handen; dat zag ik zeer goed. Ik was nog geen minuut de kamer uit, of die knecht vertelde mij al, dat ‚die jeugdige onschuld’—zoo noemde hij u, maar gij moogt _hem_ uw leven lang ‚oude schuld’ noemen—verliefd op haar was en dat zij een wispelturig ding was en hem aanmoedigde, maar dat zijn heer besloten had het te verhinderen—meer om uwentwil dan om haar—en dat zij om die reden hier waren. Wat kon ik anders doen dan geloof slaan aan zijn verhaal? Ik hoorde Steerforth haar lof verkondigen om u genoegen te doen. Gij waart de eerste, die haar naam noemde, ja, gij verteldet zelfs dat gij haar altijd bewonderd hadt. Gij werdt warm en koud, rood en bleek, toen ik met u over haar sprak. Wat kon ik denken—wat dacht ik anders, dan dat gij nog weinig ondervinding hadt opgedaan en in handen waart gevallen van iemand, die ervaring genoeg had en u, tot uw eigen bestwil, voor een dwazen stap zou behoeden. O! o! o! Gij waart bevreesd dat ik de waarheid zou ontdekken!” riep zij, van den haardrand afstappende. Zij liep nu in de keuken op en neer en hield als in wanhoop de kleine armpjes in de hoogte. „Ja,” vervolgde zij, „gij waart bevreesd omdat ik zoo'n klein slim ding ben—dat moet ik wel zijn, wil ik mij zelf door de wereld helpen—en zij bedrogen mij, de een voor de ander na; en ik bezorgde het ongelukkige meisje een brief, die—daarvan ben ik overtuigd—de oorzaak was dat zij ooit met Littimer in aanraking is gekomen. Om die redenen is Littimer achtergebleven—daar valt niet aan te twijfelen!”

Ik stond verbaasd over zulk eene opeenstapeling van valschheid en trouweloosheid, terwijl ik voortdurend het oog gevestigd hield op juffrouw Mowcher, die in de keuken bleef op- en neerloopen tot zij geheel buiten adem was. Toen zij weder op den haardrand had plaats genomen, haalde zij opnieuw haar zakdoek te voorschijn en schudde langen tijd het hoofd, zonder een woord te spreken.

„Op mijn rondreis,” hernam zij ten laatste, „kwam ik ook te Norwich, mijnheer Copperfield. Dat was eergisteren avond. Hetgeen ik daar vernam van hun doen en laten gedurende de laatste dagen, scheen mij verdacht toe. Nu gij niet bij hen waart vermoedde ik dat er iets achter schuilde. Ik vertrok daarom gisterenavond met de diligence naar Londen en kwam van morgen hier aan. Te laat, helaas!”

De arme, kleine Mowcher werd zoo rillerig van het schreien, dat zij zich op den haardrand omkeerde en hare kleine voetjes in de asch stak om ze te warmen en zooals zij daar in het vuur zat te staren, leek zij een groote pop. Ik zat aan den anderen kant van den haard, verdiept in allerlei sombere gedachten, en keek nu eens in het vuur, dan weder naar mijne bezoekster.

„Ik moet weg,” sprak zij eindelijk opstaande. „Het is laat. Gij wantrouwt mij immers niet?” voegde zij er bij.

Toen ik haar scherpen blik ontmoette, zoo scherp als ik dien nog nooit gezien had, kon ik onmogelijk rondborstig „neen” antwoorden op hare vraag.

„Komaan!” sprak zij, mijn aanbod om haar te helpen dankbaar aannemende, „gij zoudt mij niet wantrouwen indien ik eene gewone vrouw was.” Zij keek mij bij deze woorden strak aan.

Ik voelde dat er veel waarheid in dit gezegde was gelegen en keek een weinig beschaamd voor mij.

„Gij zijt een jonge man,” vervolgde zij knikkende. „Neem een raad aan van mij, al ben ik maar drie voet zonder meer. Doe uw best om in een mismaakt lichaam niet altijd een mismaakte ziel te zoeken, tenzij gij er uwe goede redenen voor hebt.”

Zij was intusschen over den haardrand heengestapt en ik over mijn wantrouwen. Ik zei haar, dat ik vertrouwen stelde in de geschiedenis, die zij mij over zich zelve had opgedischt, en dat wij beiden niet anders dan werktuigen geweest waren in arglistige handen. Zij bedankte mij voor deze woorden en noemde mij „een besten jongen.”

„Luister eens!” riep zij, terwijl zij zich op weg naar de deur omwendde en mij met opgeheven vinger tegemoet kwam, „naar hetgeen ik hoorde vertellen heb ik reden om te vermoeden—ik heb mijne ooren altijd wijd geopend, want de vermogens, die mij gegeven zijn, mag ik niet verwaarloozen—dat zij buitenslands zijn gegaan. Maar indien zij ooit terugkeeren, of indien een van beiden terugkeert, is het wel waarschijnlijk—ik kom overal—dat ik het spoedig vernemen zal. Wat ik ooit moge vernemen, zal ik u laten weten. Indien ik dat bedrogen schepseltje ooit den een of anderen dienst kan bewijzen, zal ik het niet nalaten, dat weet de Hemel! En Littimer zal later wel zeggen, dat hij liever een bloedhond achter zich had gehad dan de kleine Mowcher!”

Ik hechtte onvoorwaardelijk geloof aan deze laatste verklaring, toen ik den blik zag, waarmede die vergezeld ging.

„Stel niet meer, doch ook niet minder vertrouwen in mij dan gij in eene gewone vrouw zoudt stellen,” sprak zij op smeekenden toon, terwijl zij haar handje op mijn arm legde. „Mocht gij mij ooit weder ontmoeten en mocht ik mij dan weder voordoen zooals bij gelegenheid van onze kennismaking, neem dan het gezelschap, waarin gij mij vindt, in aanmerking. Bedenk dat ik een hulpeloos, klein schepsel ben, dat zich niet kan verdedigen. Stel u mij voor zooals ik thuis ben met een broeder en eene zuster, die op mij lijken. Wellicht zult gij dan geen hard oordeel over mij vellen of verbaasd zijn, omdat ik ook in eene droevige, ernstige stemming kan verkeeren. Goeden nacht!”

Ik gaf juffrouw Mowcher een hand en had eene geheel andere meening omtrent haar dan ik tot nu toe gekoesterd had. Het opsteken van de groote paraplu was geen gemakkelijke taak, maar eindelijk gelukte het mij toch haar die, behoorlijk in balans, in de hand te geven; en daar zag ik de paraplu, aan een halven luchtballon gelijk, de straat afslingeren, zonder in het minst de onderstelling te wettigen, dat er iemand onder liep, behalve wanneer een stroom water uit een overloopende dakgoot haar naar een zijde deed overhellen en juffrouw Mowcher wanhopende pogingen deed om er recht onder te blijven. Na twee of driemaal de straat te zijn opgegaan om haar te helpen, hetgeen nutteloos bleek, want de paraplu wipte telkens weder voort, nog eer ik haar kon bereiken, ging ik naar binnen, zocht mijn bed op en sliep tot den volgenden morgen.

Baas Peggotty en zijne zuster haalden mij al heel vroeg af en te zamen wandelden wij naar het diligencekantoor, waar juffrouw Gummidge en Ham ons stonden te wachten.

„Jongeheer David,” fluisterde Ham, mij ter zijde nemende, terwijl baas Peggotty voor zijne bagage zorgde, „hij is geheel in de war, hij weet niet waar hij heengaat, hij weet niet wat hij eigenlijk zal doen; hij begint eene reis, die hij, zoo lang hij leeft, zal voortzetten, geloof mij, tenzij hij vindt wat hij zoekt. Ik kan er immers zeker van zijn, dat gij een vriend voor hem blijven zult, jongeheer Davy?”

„Vertrouw gerust op mij,” antwoordde ik, terwijl ik hem met den grootsten ernst de hand drukte.

„Dank u, dank u hartelijk, mijnheer. Nog iets. Gij weet, ik heb volop werk en kan het geld, dat ik verdien, niet alleen opmaken. Voor mij heeft het geen waarde. Indien gij het op de eene of andere wijze voor hem zoudt kunnen besteden, zou ik met nog meer ijver mijn werk doen. Hoewel, wat dat betreft, mijnheer”—hij sprak zacht doch op vasten toon—„ik zal altijd werken als een man en alles doen wat in mijn vermogen is.”

Ik zei hem, dat ik daarvan overtuigd was en sprak, hoewel aarzelend, de hoop uit, dat er nog eens een tijd zou aanbreken, waarin hij het eenzame leven, dat thans voor hem aanbrak, zou vaarwel zeggen.

„Neen, mijnheer,” zei hij hoofdschuddend, „dat is voorbij. Niemand kan ooit de ledige plaats innemen. Maar gij zult denken aan het geld, nietwaar? Ik zal zorgen, dat er altijd wat voor hem gereed ligt.”

Ik bracht hem in herinnering, dat baas Peggotty van het legaat van zijn zwager een vast, zij het ook niet al te groot inkomen had en beloofde hem aan zijn verlangen gevolg te zullen geven. Daarna namen wij afscheid van elkander. Zelfs nu nog kan ik geen afscheid van hem nemen zonder met weemoed te denken aan den eenvoudigen, jongen man, die zijn groot leed met zooveel moed wist te dragen.

Indien ik beproefde te beschrijven hoe juffrouw Gummidge naast de diligence de straat afliep, op niets anders lettende dan op baas Peggotty, die bovenop zat, met tranen in de oogen, zoodat zij telkens tegen de menschen aanliep, zou ik eene moeilijke taak hebben. Ik doe dus beter haar maar op de stoep van een bakkerswinkel te laten zitten, geheel buiten adem, met een hoed op, waaruit alle fatsoen verdwenen is, terwijl een harer schoenen, een heel eind verder, midden op de straat ligt.

Toen wij het doel van onze reis bereikt hadden, was ons eerste werk om naar een kamer uit te zien voor Peggotty, waar tevens voor haar broeder gelegenheid zou zijn om te slapen. Wij waren zoo gelukkig een paar zindelijke kamers te vinden boven een kruidenierswinkel, niet ver van mij af en tot een matigen huurprijs. Toen wij daar mede gereed waren, kocht ik wat koud vleesch in een gaarkeuken en nam mijne reisgenooten mede naar mijn kamer, hetgeen volstrekt niet de goedkeuring van juffrouw Crupp kon wegdragen, integendeel. Ik moet hierbij echter ter verklaring van juffrouw Crupp's gemoedstoestand doen opmerken, dat zij ten hoogste beleedigd was, omdat Peggotty, nog voor zij tien minuten in huis was, hare rouwjapon opsloeg en mijn slaapkamer begon aan te stoffen. Juffrouw Crupp beschouwde dit als vrijpostigheid en vrijpostigheid, zeide zij, kon zij niet gedogen.

Baas Peggotty had mij onderweg iets medegedeeld, waarop ik niet geheel onvoorbereid was. Hij wilde namelijk allereerst mevrouw Steerforth opzoeken. Aangezien ik mij verplicht achtte hem hierbij behulpzaam te zijn en ook als bemiddelaar op te treden, ten einde haar moederlijk gevoel zooveel mogelijk te sparen, schreef ik haar nog dienzelfden avond een brief. Ik vertelde haar zoo verzachtend mogelijk welk leed hem was aangedaan en welk aandeel ik persoonlijk daarin had gehad. Ik schreef haar, dat hij een man was uit nederigen stand, maar dat hij een open, eerlijk en rechtschapen karakter bezat, ik aarzelde niet de hoop uit te spreken, dat zij hem in zijne bittere droefheid wel te woord zou willen staan. Ik bereidde haar voor op onze komst, te twee uur in den namiddag van den volgenden dag, en bracht zelf den brief naar het postkantoor.

Op het aangeduide uur stonden wij voor de deur—de deur van hetzelfde huis, waar ik eenige dagen geleden zooveel genoegen had gehad; waar ik mijn geheele jonge, warme hart had blootgelegd en thans—thans was het voor mij gesloten voor altijd; het was een ruïne, een verlaten hoop steenen voor mij geworden.

Littimer verscheen niet. Hetzelfde meisje, dat mij bij mijn laatste bezoek bediend had, deed open en ging ons voor naar het salon, waar mevrouw Steerforth ons zat te wachten. Rosa Dartle sloop, toen wij binnenkwamen, uit een anderen hoek van de kamer naderbij en ging achter mevrouw Steerforth's stoel staan.

Het gezicht van de moeder verried mij terstond, dat zij van hem zelven vernomen had wat hij had gedaan. Het was bleek en droeg de sporen van diepere aandoening dan door mijn brief alleen kon zijn opgewekt, die ten minste nog eenigen twijfel zou hebben kunnen achterlaten. Naar het mij toescheen, geleek zij meer op haar zoon dan ooit, en ik voelde meer dan ik zag, dat deze gelijkenis ook mijn reisgenoot had getroffen.

Zij zat daar in haar leuningstoel, zoo deftig, zoo onbewegelijk, dat het scheen alsof niets ter wereld haar zou kunnen verstoren. Toen baas Peggotty voor haar stond, keek zij hem strak aan en Rosa Dartle's scherpe blik was op ons allen tegelijk gericht. Gedurende eenige oogenblikken sprak niemand een woord, waarna mevrouw Steerforth baas Peggotty verzocht plaats te nemen. Hij antwoordde echter met zachte stem: „Het zou onnatuurlijk zijn, mevrouw, indien, ik in dit huis ging zitten. Ik zal liever blijven staan.” Hierop volgde weder stilzwijgen, waarop mevrouw Steerforth zei:

„Ik heb tot mijn diep leedwezen vernomen, wat u hierheen heeft gebracht. Wat wilt gij nu van mij? Wat wilt gij dat ik doen zal?”

Hij nam den hoed onder den arm haalde Emily's brief uit zijn jaszak te voorschijn, vouwde dien open en reikte hem haar over.

„Wees zoo goed, mevrouw, dit te lezen. Mijn nichtje heeft dit zelve geschreven.”

Zij las den brief in dezelfde deftige, onverstoorbare houding—voor zoover ik kon opmerken, schokte de inhoud haar niet—en gaf hem aan baas Peggotty terug.

„Tenzij hij mij terugbrengt als zijne vrouw,” zei baas Peggotty, met den vinger deze woorden aanwijzende. „Ik ben hier gekomen, mevrouw, om te weten of hij zijn woord zal houden?”

„Neen,” antwoordde zij.

„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg baas Peggotty.

„Het is onmogelijk. Hij zou schande brengen over zichzelven. Gij moet toch weten hoe ver zij beneden hem staat!”

„Hef haar dan op!” zei baas Peggotty.

„Zij is onopgevoed en heeft niets geleerd.”

„Het is mogelijk, maar het is ook mogelijk dat zij het niet is. Ik zou meenen—maar ik kan die dingen niet zoo goed beoordeelen—laat haar dan onderwijs geven.”

„Ik had het liever nagelaten, maar nu gij mij noodzaakt mij nader te verklaren, moet ik u zeggen, dat haar lage afkomst zoo iets reeds onmogelijk maakt.... wij zouden betrekkingen moeten aanknoopen met menschen, die ver beneden ons staan....”

„Luister eens, mevrouw,” zoo viel baas Peggotty haar op zachten, kalmen toon in de rede, „gij weet wat het zegt een kind lief te hebben—ik ook. Al ware zij honderd malen mijn eigen kind, dan zou ik niet meer van haar kunnen houden. Gij weet niet wat het zegt een kind te verliezen—ik wel. Indien ik al de rijkdommen van de wereld bezat, zou ik ze willen geven om haar terug te koopen! Red haar van de schande; wij zullen nimmer schande over haar brengen. Geen van ons onder wie zij is opgegroeid, geen van ons, bij wie zij altijd geleefd heeft en die alles voor haar over hebben gehad, zal ooit moeite doen om haar lief gezichtje terug te zien. Wij zullen tevreden zijn, als wij weten waar zij is, als wij aan haar kunnen denken als ware zij ver, ver weg, onder een anderen hemel; wij zullen tevreden zijn als wij haar aan haar echtgenoot.... misschien aan haar kinderen kunnen overlaten, en den tijd afwachten, waarin wij, allen in rang en stand gelijk, zullen staan voor onzen Hemelschen Vader!”

Zijne eenigszins ruwe welsprekendheid maakte ontegenzeggelijk indruk. Wel behield zij den trotschen toon van zoo even, maar er lag toch een zweem van zachtheid in hare stem, toen zij antwoordde:

„Ik wil volstrekt niets rechtvaardigen, evenmin de andere partij beschuldigen; maar het spijt mij te moeten herhalen, dat het onmogelijk is. Zulk een huwelijk zou onvermijdelijk alle vooruitzichten van mijn zoon den bodem inslaan, zijne toekomst verwoesten. Het kan en zal niet plaats hebben, dat staat onherroepelijk vast. Mocht er op de eene of andere wijze eenige.... vergoeding....”

„Ik zie een gelaat voor mij,” zoo viel baas Peggotty haar in de rede, bedaard doch met oogen, die het vuur, dat hem inwendig verteerde, weerkaatsten, „dat sprekend gelijkt op een, waarop mijn oog gerust heeft in mijn eigen huis, aan mijn haard, in mijn boot—en waar al niet?—een gelaat, dat steeds een vriendelijken glimlach vertoonde, terwijl het toch zóó verradelijk was, dat ik moeielijk mijn drift kan intoomen, wanneer ik er aan denk. Indien dat gelaat niet vlammend rood wordt bij het denkbeeld, om mij geld aan te bieden voor de schande en de ellende van mijn kind, dan verbergt het evenveel slechtheid als dat andere. Ja, ik weet niet of het niet slechter is, omdat het aan eene dame toebehoort.”

Nu was zij in een oogenblik veranderd. Een toornige blos verspreidde zich over haar gelaat en, met de handen vast om de leuningen van haar stoel, sprak zij op ongeduldigen toon: „Welke vergoeding kunt gij MIJ geven voor de klove, die zou ontstaan tusschen mijn zoon en mij? Wat beteekent uwe liefde tegenover de mijne? Wat uwe scheiding tegenover de onze?”

Juffrouw Dartle raakte haar even zachtkens aan en boog het hoofd voorover om haar iets in te fluisteren, maar zij wilde geen woord hooren.

„Neen, Rosa, geen woord! Laat die man luisteren naar hetgeen ik te zeggen heb! Is MIJ dan geen onrecht aangedaan? Mijn zoon, aan wien ik mijn gansche leven heb gewijd, die nooit uit mijne gedachten is geweest van zijne geboorte af, wiens minste wenschen ik steeds heb vervuld, van wien ik nooit gescheiden heb geleefd—dat mijn zoon, herhaal ik, verzot wordt op zoo'n ellendige meid en van mij wegloopt! Dat mijn zoon het in hem gestelde vertrouwen moedwillig te leur stelt ter wille van dat schepsel en mij laat achter staan bij haar! Dat hij eerder gehoor geeft aan zulk een ellendige gril, dan aan zijn plicht, dan aan de liefde, de achting, de dankbaarheid—aanspraken, die ik ieder uur, iederen dag van zijn leven meende te mogen doen gelden! Ik herhaal het: Is MIJ dan geen onrecht aangedaan?”

Nogmaals trachtte Rosa haar tot kalmte te brengen, doch zonder eenig succes.

„Ik zeg u, Rosa, geen woord! Indien hij alles op het spel kan zetten ter wille van de eerste de beste, dan kan ik het ter wille van een grooter doel. Laat hem gaan waarheen hij wil met de middelen, die mijne liefde hem verschaft heeft. Meent hij mij te zullen overhalen door lang weg te blijven, dan kent hij zijne moeder slecht. Wil hij thans van zijne gril afzien, dan zal hij mij welkom zijn; doet hij dat niet, dan behoeft hij niet meer terug te komen, dan wil ik hem niet terugzien, zelfs al kon ik door eene enkele beweging van mijne hand hem aan mijn sterfbed krijgen—tenzij hij afstand van haar heeft gedaan en mij nederig vergiffenis vraagt. Dit is mijn recht. Ik eisch dat van hem. Zoo diep is de klove tusschen ons. En kan ik dan niet zeggen,” herhaalde zij op denzelfden hoogmoedigen en ongeduldigen toon en haar bezoeker trotsch aankijkende, „heb ik dan niet het recht te zeggen, dat mij een onrecht is aan gedaan?”

Toen ik de moeder op deze wijze hoorde en zag spreken, meende ik den uitdagenden toon van den zoon te hooren. Ik herkende in haar al de eigenzinnigheid en onverzettelijkheid, waarvan hij zoo menigmaal de bewijzen had gegeven. Ik begreep thans, wie zijn karakter zoo verkeerd had geleid, want de grondslagen van dat der moeder waren aan het zijne gelijk.

Zij wendde zich nu tot mij, even stijf en voornaam als straks, zeggende dat het onnoodig scheen de zaak nog verder te bespreken en het haar aangenaam zou zijn, indien hiermede het onderhoud als geëindigd kon worden beschouwd. Tegelijkertijd stond zij op, maar baas Peggotty gaf haar door een teeken te kennen, dat het onnoodig was.

„Vrees niet, mevrouw, dat ik u nog langer zal lastig vallen, ik heb u niets meer te zeggen,” sprak hij, naar de deur gaande. „Ik kwam hier zonder eenige hoop en ga heen zonder eenige hoop. Ik heb gedaan wat ik meende te moeten doen, maar ik heb van dit bezoek niets goeds verwacht. Dit huis heeft mij en de mijnen te veel leed berokkend, om er, zoo lang ik mijn verstand nog bewaard heb, iets goeds uit te verwachten.”

Na deze woorden gingen wij heen, terwijl zij bij haar leunstoel bleef staan als een fraai standbeeld, want geen spier in haar fijnbesneden gelaat vertrok.