Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 48
Ik herinner mij niets meer dan groot gejammer en geschrei; ik zie nog hoe die beide vrouwen zich aan hem vastklemden en hoe wij allen in de kamer stonden; _ik_ met een papier in de hand, dat Ham mij gegeven had; baas Peggotty met het vest losgerukt, de haren woest om het hoofd, marmerbleek gelaat en vale lippen, bloed op zijne borst—het was waarschijnlijk uit zijn mond gevloeid—en met den blik onafgewend op mij gevestigd.
„Lees het voor, mijnheer,” zei hij met zachte, trillende stem. „Langzaam als 't u belieft. Ik weet niet of ik het zal kunnen begrijpen.” Te midden van de doodsche stilte las ik.
„Wanneer gij, die mij allen zoo liefhebt, veel meer dan ik ooit heb verdiend, zelfs toen mijn hart nog rein was, dit leest, zal ik reeds ver weg zijn.”
„Zal ik ver weg zijn”, herhaalde baas Peggotty langzaam. „Wacht even! Em'ly ver weg. Goed!”
„Wanneer ik mijn dierbaar huis verlaat, mijn dierbaar huis verlaat... o, dat innig geliefde huis.... wanneer ik het morgen verlaat”—de brief was gedateerd op den vorigen avond—„zal het zijn om er nimmer terug te keeren, tenzij hij mij terugbrengt als zijne vrouw. Gij zult dezen brief morgen avond vinden, vele uren nadat ik weg ben. O, als gij wist hoe deze daad mijn hart verscheurt. O, als gij, wien ik zooveel onrecht heb aangedaan, en die mij nimmer vergiffenis zult kunnen schenken, wist hoeveel ik lijd. Ik ben te slecht om over mij zelve te kunnen schrijven. Troost u met het denkbeeld, dat ik zoo slecht ben. Wees barmhartig en zeg aan oom, dat ik nooit zooveel van hem hield als op dit oogenblik. O, denk toch niet aan al uwe liefde en goedheid voor mij.... vergeet dat wij man en vrouw zouden worden.... maar denk aan mij, alsof ik heel klein gestorven en ergens begraven ware. Smeek den Hemel, dien ik ontvluchten wil, dat Hij medelijden hebbe met mijn oom. O, ik had hem nooit zoo lief als op dit oogenblik. Wees hem tot troost. Mocht gij een lief meisje vinden, dat mijne plaats kan innemen bij oom en dat u trouw en waardig is en zich over niets kan te schamen hebben dan over mij. God zegen u allen! Ik zal dikwijls op mijne knieën voor u allen bidden! Als hij mij niet als zijne vrouw terugbrengt en ik niet meer voor mij zelven bid, zal ik toch bidden voor u allen. Breng mijn laatsten groet, mijne laatste tranen, mijn laatsten dank aan oom!”
Dat was alles. Nog lang, nadat ik geëindigd had, bleef baas Peggotty mij zwijgend aanstaren. Eindelijk waagde ik het zijne hand te nemen en, zoo goed als ik kon, hem te smeeken tot kalmte te komen. „Dank u, mijnheer,” antwoordde hij, „dank u!” Hij bewoog zich echter niet.
Ham sprak hem aan en hij toonde zich in zoo ver gevoelig voor diens smart, dat hij zijne hand nam, maar overigens bleef hij onbewegelijk staan en niemand durfde hem storen.
Eindelijk wendde hij de oogen van mijn gelaat af, alsof hij uit een droom ontwaakte, en keek de kamer rond. Daarna sprak hij met zachte stem:
„Wie is die hij? Ik moet zijn naam weten.” Ham keek mij aan en plotseling voer mij een schok door de leden, zoodat ik bijna achterover tuimelde.
„Er wordt iemand verdacht,” hernam baas Peggotty. „Wie is het?”
„Jongeheer Davy!” smeekte Ham. „Ga een oogenblik naar buiten en laat mij hem vertellen wat ik verplicht ben. Gij behoeft het niet te hooren.”
Opnieuw voelde ik dien schok. Ik zonk in een stoel neer en trachtte een antwoord te vinden, maar mijne tong was verlamd en er lag een floers voor mijn oogen.
„Ik moet zijn naam weten,” hoorde ik nogmaals zeggen.
„Eenigen tijd geleden,” stotterde Ham, „is hier nu en dan een knecht geweest. Ook is er een heer geweest. Zij behoorden bij elkander.”
Baas Peggotty stond nog onbewegelijk op dezelfde plaats, maar staarde nu Ham aan.
„Die knecht,” ging Ham voort, „is gisteren avond met ons.... arme meisje.... gezien. Hij heeft zich hier langer dan eene week schuilgehouden. Men dacht dat hij weg was, maar hij hield zich schuil. Blijf toch niet hier, jongeheer Davy, doe het toch niet!”
Ik voelde Peggotty's arm om mijn hals, maar ik zou mij niet hebben kunnen bewegen al was het huis boven mij ingestort.
„Een vreemd rijtuig met vreemde paarden stond van morgen buiten de stad, op den weg naar Norwich, even voor het aanbreken van den dag,” ging Ham voort. „De knecht ging er heen en keerde terug en ging er nogmaals heen. Toen hij er de laatste maal heenging was Em'ly bij hem. En die andere zat in het rijtuig. Dat is die man.”
„In 's Hemelsnaam,” riep baas Peggotty, terwijl hij achteruit deinsde en zijne hand uitstak, alsof hij iets van zich wilde afhouden, waarvoor hij bevreesd was, „zeg in 's Hemelsnaam niet dat die man Steerforth heet!”
„Jongeheer Davy,” riep Ham stotterend, uit, „ik beschuldig u geen oogenblik.... gij zijt er geheel onschuldig aan.... maar zijn naam is Steerforth en hij is een verdoemde schurk!”
Baas Peggotty sprak geen woord, stortte geen tranen en bewoog zich niet, tot hij plotseling scheen te ontwaken en zijn overjas van den spijker afrukte.
„Help eens een handje! Ik weet niet wat mij scheelt, maar ik kan het niet doen!” sprak hij op ongeduldigen toon. „Help mij een handje! Goed zoo!”—Een van allen had hem de jas helpen aantrekken.—„Geef mij nu mijn hoed!”
Ham vroeg waar hij heenging.
„Ik ga mijn nichtje opzoeken. Ik ga Em'ly opzoeken. Eerst ga ik die boot in elkaar trappen en laten zinken op dezelfde plek, waar ik hem zou hebben laten verdrinken, zoo waar ik leef, zou hebben laten verdrinken, indien ik geweten had welk een lange ziel in hem stak. Toen hij daar zoo voor mij zat,” vervolgde hij woest, terwijl hij de gebalde rechtervuist uitstak, „toen hij daar zoo voor mij zat... ik mag gekielhaald worden, als ik hem niet had laten verdrinken en gemeend had een goed werk te doen... Ik ga mijn nichtje opzoeken.”
„Waar?” riep Ham, terwijl hij zijn oom in den weg ging staan.
„Overal! Ik ga mijn nichtje opzoeken... door de geheele wereld! Ik ga mijn nichtje opzoeken in hare schande en breng haar terug. Houdt mij niet tegen! Ik zeg u, ik ga mijn nichtje opzoeken!”
„Neen, neen!” riep juffrouw Gummidge, terwijl zij luid schreiende voor hem op de knieën viel. „Neen, neen, Dan, niet in dezen toestand. Ga haar over eenige dagen opzoeken, mijn beste ongelukkige Daniël, dat zal veel beter zijn! Maar niet in deze stemming! Ga zitten en schenk mij vergiffenis omdat ik u altijd tot last ben geweest, Daniël! Wat beteekenen mijne narigheden bij dit ongeluk! Laat ons praten over den tijd, toen zij pas een weesje was en toen Ham pas een wees was en toen gij mij, als arme, verlaten weduwe, in uw huis naamt, Dan. Dat zal balsem zijn op uw arme hart,”—zij legde haar hoofd tegen hem aan, „dat zal u troost schenken in uw bitter verdriet, want gij kent het woord, Daniël: ‚Gelijk gij aan de minste van deze gedaan hebt, hebt gij aan mij gedaan,’ dat kan nimmer falen onder dit dak, waaronder wij allen zoo vele, vele jaren een schuilplaats hebben gevonden.”
Hij was kalm geworden door deze toespraak en toen ik hem hoorde schreien, maakte de opwelling om voor hem op de knieën te vallen en hem vergiffenis te smeeken voor de ellende, die ik over hen had gebracht, en om Steerforth te vervloeken, plaats voor een beter gevoel. Mijn overkropt gemoed vond dezelfde verlichting—ik barstte in tranen uit.
XXXII.
Het begin van een lange reis.
Hetgeen in mij natuurlijk is, is het bij vele andere menschen ook, naar ik vermoed; daarom aarzel ik niet neer te schrijven, dat ik nooit zooveel van Steerforth gehouden had, als toen de band tusschen ons voor eeuwig verbroken was. In mijne bittere droefheid na de ontdekking van zijn onwaardig gedrag dacht ik meer dan ooit aan hetgeen, waardoor hij boven anderen uitblonk, aan al zijne goede eigenschappen, ik deed meer recht aan de hoedanigheden, die een man met een edel karakter en een grooten naam van hem gemaakt zouden hebben, dan ik ooit gedaan had in den tijd, toen ik de grootste vereering voor hem koesterde. Hoe diep ik ook gevoelde welk een, hoewel onwillekeurig, aandeel ik gehad had in zijn misdrijf, waardoor hij den eerlijken naam van deze gastvrije woning had geschandvlekt, ik geloof toch, dat ik hem geen enkel verwijt zou hebben kunnen doen, wanneer ik tegenover hem gestaan had. Hoewel hij niet meer dien zekeren betooverenden invloed op mij had, zou ik toch van hem gehouden hebben; de herinnering aan zijne vriendschap kon niet zoo spoedig worden uitgewischt. Ik vermoed dat ik zoo weekhartig zou gestemd zijn geweest als een bedroefd kind, maar nooit zou de gedachte in mij zijn opgekomen dat wij weder vrienden zouden kunnen worden. Ik herhaal dat die gedachte nooit in mij is opgekomen. Ik voelde het, evenals hij het gevoeld had, dat alles uit was tusschen ons beiden. Ik heb nooit geweten welke herinnering hij van mij bewaard heeft—och, die is misschien vaag genoeg geweest om spoedig uitgewischt te zijn—maar de mijne van hem was die van een dierbaren vriend die gestorven was.
Ja, Steerforth moge reeds lang van het wereldtooneel zijn afgetreden, de smart, die hij mij en, veel meer nog, dien anderen heeft aangedaan, moge voor den troon des Eeuwigen Rechters getuigenis tegen hem hebben afgelegd, geen toornige gedachte, geen verwijt van mij zullen hem treffen.
Het nieuwtje was spoedig genoeg door de stad verspreid; zoo zelfs dat, toen ik den volgenden morgen de straten doorliep, de menschen er op den stoep hunner woning over stonden te praten.
Over haar oordeelden velen zeer hard, over hem minder, maar haar tweede vader en haar verloofde wekten de algemeene deelneming op. Onder alle klassen werd met den grootsten eerbied over hen gesproken en de droevige geschiedenis met zachtheid en kieschheid behandeld. De schippers bleven op een afstand, toen zij hen te zamen in den vroegen morgen langs het strand zagen wandelen en bleven onder elkander praten, vol medelijden over het ongeluk, dat hen getroffen had.
Ik vond hen aan het strand, dicht bij de zee. Het was hen aan te zien dat zij dien nacht niet geslapen hadden; ik zou dit ook opgemerkt hebben al had Peggotty mij niet verteld, dat zij des morgens nog op dezelfde plek zaten als waarop ik hen den vorigen avond verlaten had. Zij zagen er afgemat uit en, naar het mij voorkwam, was baas Peggotty's gestalte meer gebogen in dezen éénen nacht dan in al den tijd, dien ik hem gekend had. Zij waren echter beiden even ernstig en zwijgend als de zee zelve, die op dit oogenblik zoo glad was als een spiegel onder den donkergrijzen hemel; hoewel er toch eenige deining was alsof zij ook in haar rust nog ademhaalde, terwijl de horizon door een breede, lichtende streep was aangegeven.
„Wij hebben lang en breed gesproken over hetgeen ons te doen staat,” zei baas Peggotty nadat wij met ons drieën eenigen tijd zwijgend langs het strand hadden gewandeld. „Wij weten echter nog niet welken koers wij uit moeten.”
Ik wierp toevallig een blik op Ham's gelaat, die naar het licht in de verte stond te turen, en op dit oogenblik kwam er eene vreeslijke gedachte in mij op; wel lag er geen toornige uitdrukking op zijn gelaat, maar het verried zooveel kalme vastberadenheid, dat ik niet kon nalaten te denken: „Indien hij ooit Steerforth ontmoet zal hij hem dooden.”
„Mijn plicht is hier afgedaan, mijnheer,” hernam baas Peggotty, „ik ga heen om mijn—,” hij hield even op en ging toen met vaster stem voort, „ik ga heen om mijn nichtje te zoeken; dat is mijn eerste plicht.” Hij schudde het hoofd, toen ik vroeg waar hij haar wilde zoeken, en informeerde of ik den volgenden dag naar Londen terugging. Ik antwoordde dat ik dienzelfden dag reeds zou zijn vertrokken, indien ik niet gevreesd had de gelegenheid te zullen missen om hem op de eene of andere wijze van dienst te kunnen zijn, maar dat ik ieder oogenblik gereed was om met hem te vertrekken.
„Indien het u schikt zal ik morgen met u medegaan, mijnheer,” besloot hij.
Nogmaals wandelden wij zwijgend eenigen tijd rond.
„Ham,” hernam hij een oogenblik later, „zal aan zijn werk blijven en bij mijne zuster wonen. De oude boot ginds....”
„Wilt gij de oude boot verlaten, baas Peggotty?” vroeg ik vriendelijk.
„Mijn post, jongeheer Davy,” antwoordde hij, „is niet langer daar ginds, maar ik wil niet dat de boot verlaten zal worden. Ver van daar!” Wij wandelden nog eenigen tijd heen en weer, evenals te voren, tot hij voortging:
„Ik verlang, mijnheer, dat de boot er dag en nacht, winter en zomer, zal uitzien zooals ze er altijd heeft uitgezien, zoolang zij er gewoond heeft. Mocht zij ooit terugkeeren, dan moet zij de oude woning nog kunnen vinden, begrijpt gij? Dan moet die haar hoe langer hoe meer tot zich trekken, en haar toelachen te midden van wind en regen en haar naar haar oude plekje aan den haard lokken. En wanneer zij daar dan niemand vindt dan juffrouw Gummidge, dan zal zij moed vatten en binnenkomen en haar oude bedje opzoeken, om haar vermoeid hoofdje te laten rusten.”
Ik kon niets antwoorden, hoewel ik beproefde eenige woorden te zeggen.
„Elken avond,” vervolgde baas Peggotty, „even geregeld als de zon ondergaat, moet de kaars op het oude plekje voor het venster staan, opdat zij het pad kan vinden en het haar toeschijne, alsof haar reeds van verre werd toegeroepen: ‚Kom terug, mijn kind, kom terug!’ En als er ooit geklopt wordt, Ham,—zoo zachtjes—aan de deur van uwe tante, doe dan niet open. Laat zij mijn gevallen kind opendoen—gij niet!”
Hij liep een weinig vooruit en bleef eenige oogenblikken vóór ons. Ik sloeg een blik op Ham's gelaat en ziende, dat er nog steeds dezelfde uitdrukking op lag en dat zijn oogen nog altijd op den horizon gevestigd waren, raakte ik even zijn arm aan. Tweemaal riep ik hem bij zijn naam, zooals men iemand uit den slaap zou gewekt hebben, eer hij mij scheen te hooren. Toen ik eindelijk vroeg waaraan hij op dat oogenblik zoo ernstig dacht, antwoordde hij: „Aan hetgeen voor mij ligt, jongeheer Davy, en aan de overzij.”
„Aan het leven, dat voor u ligt, bedoelt gij?”—Hij had met een droomerigen blik naar de zee gewezen.
„Ach, jongeheer Davy, ik weet niet goed hoe ik het met mij zelven heb, maar van de overzij schijnt het tot mij te komen—het einde er van, bedoel ik.” Hij keek mij aan als iemand, die plotseling wakker wordt, doch met dezelfde vastberaden uitdrukking.
„Welk einde?” vroeg ik onder den indruk van hetzelfde angstige gevoel als zoo even.
„Ik weet het niet,” zei hij peinzend; „ik dacht er aan, dat alles hier op deze plek is begonnen..... en dat toen het einde is gekomen. Maar het is voorbij, jongeheer Davy, alles!” voegde hij er bij, vermoedelijk als antwoord op mijn angstigen blik, „gij behoeft u niet ongerust te maken over mij, maar ik zie alles nog zoo in een nevel en kan er niet goed uit wijs worden.” Hij bedoelde daarmede dat zijne gedachten nog wat verward waren.
Toen baas Peggotty bleef staan opdat we hem zouden inhalen, deden wij dit zwijgend.
De herinnering aan dezen morgen, in verband met de gedachten, waarmede ik vervuld was, doemde later telkens bij mij op, tot het onverbiddelijk einde op den bestemden tijd kwam.
Wij waren intusschen ongemerkt de oude boot genaderd en traden binnen. Juffrouw Gummidge zat nu niet meer in haar oude hoekje te kniezen, maar was druk bezig met het ontbijt in gereedheid te brengen. Zij nam baas Peggotty den hoed af, zette een stoel voor hem gereed en sprak zoo zacht en zoo vriendelijk, dat ik haar nauwelijks herkende.
„Daniël, beste man,” sprak zij, „gij moet wat gebruiken en uwe krachten bewaren, want zonder deze kunt gij niets uitrichten. Probeer het maar eens, brave man! En als ik u hinder met mijn gerammel,”—zij bedoelde met haar gebabbel—„zeg het dan gerust, Dan.”
Toen zij ons alle drie bediend had, nam zij bij het venster plaats en begon met grooten ijver eenige hemden en andere kleedingstukken van baas Peggotty te verstellen, waarna zij alles netjes opvouwde en in een zak van geolied zeildoek bijeenpakte, zooals de matrozen medenemen, wanneer zij aan boord gaan. Zij praatte intusschen op dezelfde kalme wijze voort:
„Gij weet, Dan, dat ik hier altijd te vinden zal zijn, al blijft gij ook jaren weg, en alles doen zal overeenkomstig uw verlangen. Ik heb wel weinig geleerd, maar ik zal u dikwijls schrijven en mijn brieven aan jongeheer Davy zenden. Wellicht zult gij mij ook nu en dan eens schrijven, Dan, en mij vertellen hoe gij 't hebt op uwe eenzame, treurige reis.”
„Ik vrees dat gij 't hier ook heel eenzaam hebben zult,” zei baas Peggotty.
„Neen, neen, Dan,” antwoordde zij, „dat zal ik niet. Denk niet aan mij. Ik zal genoeg te doen hebben met het huis in orde te houden tot gij terugkomt, met alles in orde te houden voor ieder, die zou willen terugkomen, Dan. Als het mooi weer is, ga ik aan de deur staan, zooals ik altijd placht te doen. Mocht zeker iemand hier aankloppen, dan zal zij in de verte reeds zien, dat de oude weduwvrouw trouw op haar post is.”
Welk een verandering had daar in weinige uren bij juffrouw Gummidge plaats gegrepen! Zij was een ander mensch geworden. Zij was zoo vol toewijding; zij wist zoo goed te onderscheiden wat zij zeggen kon en wat zij moest zwijgen; zij vergat zich zelve zoo geheel en ging zoo op in het verdriet van de anderen, dat ik haar zwijgend eene eerbiedige hulde bracht. En wat deed zij dien dag al niet af! Allerlei dingen moesten van het strand naar huis worden gebracht, zooals riemen, netten, zeilen, touwwerk, boomen, potten met kreeften, zakken met ballast, en zoo meer; en hoewel er hulp in overvloed was,—er waren handen genoeg, die voor baas Peggotty wilden werken, zonder eenige belooning dan de vraag om het te doen—bleef zij den ganschen dag zwoegen onder vrachten, waarvoor zij niet berekend was en deed zij allerlei onnoodige boodschappen. In stede van te jammeren over haar eigen rampen, scheen zij vergeten te hebben dat zij ze had. Te midden van haar droefenis spreidde zij eene opgewektheid ten toon, waarover ik mij telkens moest verbazen. Geen spoor van de gewone wreveligheid. Den geheelen dag haperde haar stem geen oogenblik, noch bespeurde ik een enkelen traan; maar toen de schemering was ingevallen en zij met baas Peggotty en mij alleen was en baas Peggotty van vermoeidheid in slaap was gevallen, brak zij in snikken uit. Zij nam mij mede naar de deur en zeide zij: „God zegen u, jongeheer Davy, wees den armen, besten man altijd een vriend en een steun!” Daarna snelde zij het huis binnen om haar gezicht te wasschen, opdat hij haar kalm aan haar werk zou vinden als hij wakker werd. Kortom, toen ik dien avond heenging, wist ik dat zij een steun en eene troost zou zijn voor baas Peggotty en ik kon niet lang genoeg nadenken over de les, die juffrouw Gummidge mij gegeven en de nieuwe ervaring, die ik door haar opgedaan had.
In een treurige stemming wandelde ik tusschen negen en tien uur door Yarmouth's straten en bleef voor de deur van mijnheer Omer staan. Zijne dochter vertelde mij, dat haar vader zich het voorgevallene zoo had aangetrokken, dat hij den geheelen dag ongesteld was geweest en zonder pijp naar bed was gegaan.
„Zij is eene valsche, laaghartige meid,” zei juffrouw Joram. „Zij is altijd slecht geweest, altijd!”
„Zeg dat niet,” antwoordde ik. „Gij meent het toch niet.”
„Ja, dat doe ik wel!” riep juffrouw Joram toornig uit.
„Neen, neen,” zei ik kalm.
Juffrouw Joram wierp het hoofd in den nek en deed haar best om zoo boos en zoo stuursch mogelijk te kijken, maar zij kon haar beter-ik niet onderdrukken en begon te schreien. Ik was nog jong, dat is waar; maar deze uiting van medelijden deed mij goed en ik verbeeldde mij, dat haar die, als deugdzame vrouw en moeder, veel beter stond!
„Wat moet er van haar worden!” snikte zij. „Waarheen zal zij gaan? Wat kan zij beginnen? O, hoe kon zij zoo wreed zijn voor zich zelve en voor hem!”
Ik herinnerde mij den tijd toen Minnie zelve nog een jong en mooi meisje was en het verheugde mij te zien, dat zij zich dat ook herinnerde en zooveel medelijden toonde.
„Mijn kleine Minnie,” sprak zij, „is juist in slaap gevallen, maar in haar slaap snikte zij nog omdat Emily weg is. Den geheelen dag heeft zij geschreid en mij telkens en telkens weer gevraagd waarom Emily ondeugend is. En wat kan ik haar antwoorden, als ik bedenk hoe Emily den laatsten avond, dien zij hier doorbracht, nog een lint van haar eigen hals om dien van het kind bond en naast haar op het kussen bleef liggen totdat het in slaap was. Het kind draagt het lint nog; dat is misschien wel niet zooals het behoort, maar wat kan ik er aan doen? Emily heeft slecht gehandeld, maar zij hielden zooveel van elkander, zij en het kind! En het kind weet er niets van!”
Juffrouw Joram was zoo van streek, dat haar man in den winkel kwam om haar tot kalmte te brengen. Ik liet hen alleen en ging naar de woning van Peggotty, zoo mogelijk nog treuriger gestemd dan te voren. Dat goede schepsel—ik bedoel Peggotty—hoewel nog onder den indruk van haar eigen treurigheid en van de vele slapelooze nachten, was naar haar broeder gegaan, bij wien zij tot den volgenden morgen dacht te blijven. Er was niemand in huis dan eene oude vrouw, die in den laatsten tijd het werk gedaan had, toen Peggotty daartoe niet in staat was geweest. Aangezien ik hare diensten niet noodig had, liet ik haar naar bed gaan, waartoe zij zich volstrekt niet ongenegen betoonde, en bleef nog eenigen tijd bij het keukenvuur zitten, ten einde al het voorgevallene te overpeinzen. Ik haspelde alles dooreen, Emily's vertrek, het sterfbed van Barkis en dreef in gedachten met het tij mede naar de overzijde, waarheen Ham's blik dien morgen gewend was geweest, toen ik plotseling uit mijne droomerijen werd opgewekt door geklop op de deur. Er was een klopper op de buitendeur, maar deze had het geluid niet veroorzaakt. Er was met de hand geklopt op het onderste gedeelte van de deur, alsof een kind het gedaan had.
Ik sprong zoo verschrikt op, alsof de lakei van een of ander voornaam persoon had aangeklopt; maar toen ik de deur opende en naar beneden keek, zag ik in het eerste oogenblik niets dan een reusachtige paraplu, die daar op en neer scheen te wandelen. Weldra ontdekte ik echter, dat niemand anders dan juffrouw Mowcher de draagster was.
Vermoedelijk zou ik dit wonderlijk schepseltje niet heel vriendelijk ontvangen hebben, indien zij, na vergeefsche pogingen in het werk gesteld te hebben om de paraplu dicht te doen, dezelfde kluchtige uitdrukking op haar gelaat had gehad, die mij bij onze eerste en eenige ontmoeting zoo had getroffen. Maar toen ik haar met haar regenscherm—die eerder voor een reusachtigen Ier dan voor haar bestemd scheen—geholpen had, keek zij mij zoo ernstig aan en wrong zij hare kleine handjes zoo wanhopend, dat ik onmiddellijk in eene welwillende stemming geraakte.
„Juffrouw Mowcher,” vroeg ik, na de ledige straat te hebben afgekeken, zonder te weten wat ik eigenlijk nog meer verwachtte te zien, „wat komt gij hier doen? Wat scheelt er aan?”
Zij beduidde mij met haar korte rechter armpje, dat ik haar de paraplu zou afnemen en ging mij daarna voorbij naar de keuken. Toen ik de deur gesloten had, volgde ik haar met de paraplu in de hand en vond haar op een hoekje van den haardrand zitten—het was een breede, lage rand, die aan de hoeken breed uitliep, ten einde er borden op te kunnen plaatsen—in de schaduw van een grooten, koperen ketel, terwijl zij haar lichaam onophoudelijk vooruit en achteruit bewoog en met de handen over hare knieën wreef als iemand, die hevige pijn lijdt.
Ik was er een weinig verlegen mede, dat ik alleen zulk ontijdig bezoek ontvangen en van dit zonderling gedrag getuige zijn moest en riep nogmaals uit: „Maar zeg mij dan toch, juffrouw Mowcher, wat u scheelt! Zijt gij ziek?”
„Beste jongen,” antwoordde juffrouw Mowcher met de hand op het hart, „ik ben ziek, hier, erg ziek. O, het is zoo vreeselijk te moeten bedenken, dat het zoover gekomen is, terwijl ik het had kunnen verhinderen, als ik niet zulk eene onbedachtzame zottin geweest was!”