Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 47

Chapter 474,117 wordsPublic domain

Nu de gelegenheid zoo gunstig was vroeg ik mijnheer Omer, eer ons gesprek door de thuiskomst van zijne dochter en haar man werd verstoord, of hij in den laatsten tijd ook iets van Martha gehoord had.

„Och,” antwoordde hij, hoofdschuddend en met een bedrukt gezicht, „niet veel goeds. Dat is eene treurige geschiedenis, mijnheer, van welken kant gij die ook bekijkt. Ik heb nooit gedacht dat er kwaad in dat meisje stak en zou het ook nu nog niet in tegenwoordigheid van mijne dochter durven uitspreken—zij zou mij dat niet vriendelijk afnemen. Geen van ons heeft ooit iets kwaads achter haar gezocht.”

Mijnheer Omer hoorde zijne dochter aankomen en raakte mij daarom even met zijne pijp aan, terwijl hij één oog waarschuwend dichtkneep. Zij kwam in het volgende oogenblik met haar echtgenoot binnen.

De berichten, die zij van Barkis meebrachten, waren zoo slecht als ze maar zijn konden; hij was voortdurend buiten kennis en dokter Chillip had verklaard, dat, al kwamen alle professoren, doctoren en apothekers er bij, de arme man niet meer kon geholpen worden.

Toen ik dit vernam en tevens hoorde dat baas Peggotty bij Barkis was, besloot ik er heen te gaan. Ik zei mijnheer Omer en mijnheer en juffrouw Joram goeden avond en begaf mij in eenigszins plechtige stemming naar de woning van Barkis, die voor mijn gevoel een geheel ander wezen was geworden.

Ik klopte zachtjes op de deur en werd door baas Peggotty open gedaan, die niet zoo verbaasd was over mijne komst als ik gedacht had dat hij zijn zou. Ook bij Peggotty maakte ik dezelfde opmerking, toen zij beneden kwam, en sinds dien tijd heb ik dikwerf de ondervinding opgedaan, dat men in afwachting van droeve gebeurtenissen niet vatbaar is voor verrassingen.

Ik schudde baas Peggotty de hand en ging met hem naar de keuken, nadat hij zachtkens de deur had gesloten. De kleine Emily zat bij de kachel met de handen voor het gelaat en Ham stond bij haar. Wij spraken niet dan op fluisterenden toon en luisterden intusschen naar alle geluiden op de kamer boven ons. Toen ik den vorigen keer daar geweest was, had ik er niet bij gedacht, hoe vreemd het was Barkis niet in de keuken te zien; maar op dit oogenblik miste ik hem daar.

„Het is heel vriendelijk van u, jongeheer Davy”, zei baas Peggotty.

„Het is buitengewoon vriendelijk,” zei Ham.

„Emily, lieve,” riep baas Peggotty. „Zie eens hier! Jongeheer Davy is gekomen! Kom, wees vroolijk! Hebt gij geen woord over voor jongeheer Davy?”

Ik zie nu nog hoe zij zat te beven; ik voel nu nog haar koude handje in de mijne. Het eenige teeken van leven, dat zij gaf, was dat zij hare hand terugtrok; waarna zij opstond en naar haar oom sloop, om zich zwijgend tegen hem aan te vlijen.

„Ze is zulk een lief hartje,” zei baas Peggotty terwijl hij haar weelderigen haardos met zijn groote, ruwe hand streelde, „de treurigheid hier grijpt haar zoo aan. Het is natuurlijk bij jongelieden, die nog weinig verdriet hebben bijgewoond, jongeheer Davy, heel natuurlijk.”

Zij drong zich nog dichter tegen hem aan, maar lichtte haar hoofd niet op en sprak geen woord.

„Het is al laat, liefje,” hernam baas Peggotty, „en hier is Ham om u naar huis te brengen. Kom, ga met dien besten jongen mede. Wat zegt ge Em'ly? Wat is het, liefje?”

Het geluid harer stem was niet tot mij doorgedrongen, maar hij boog zich voorover alsof hij luisterde naar hetgeen zij zeide.

„Bij uw oom blijven?” vroeg hij. „Dat meent gij immers niet! Bij uw oom blijven, popje? Terwijl uw aanstaande man hier is om u naar huis te brengen? Wie zou dat nu kunnen denken als men dat fijne poppetje naast zulk een verweerden zeebonk, als ik ben ziet staan,” zei hij, met een trotschen blik rondkijkende, „maar er is niet meer zout in de zee dan liefde voor mij in dat kleine hartje—die malle, kleine Em'ly!”

„En Em'ly heeft gelijk, jongeheer Davy,” grinnikte Ham. „Maar, luister eens. Als Em'ly het wenscht en als zij wat angstig is, laat haar dan tot morgen hier blijven. En dan blijf ik ook maar.”

„Neen, neen,” zei baas Peggotty. „Dat moogt gij niet doen, dat gaat niet aan voor een getrouwd man—ten minste zoo goed als een getrouwd man—om zoo maar een dag te verzuimen. En—waken en werken gaan niet samen. Gij moet naar huis en naar bed gaan. Ik beloof u goed op kleine Em'ly te zullen passen.”

Ham liet zich overreden en nam zijn hoed op om heen te gaan. Zelfs toen hij haar een kus gaf—ik zag nooit dat hij haar aanhaalde, maar ik voelde dat moeder Natuur hem de kieschheid van een gentleman had geschonken—scheen zij nog dichter tegen haar oom aan te dringen, ten einde zich aan de liefkoozing van haar uitverkoren echtgenoot te onttrekken. Ik sloot de deur achter hem, opdat de stilte door het dichtslaan niet verstoord zou worden, en toen ik terug kwam, stond baas Peggotty zacht met haar te praten.

„Nu ga ik naar boven,” zei hij, „om uwe tante te vertellen dat jongeheer Davy hier is; dat zal haar wat opvroolijken. Ga intusschen wat bij het vuur zitten en warm uw koude handjes eens. Gij behoeft u niet zoo angstig te maken en het u niet zoo aan te trekken. Wat? Wilt gij met mij meegaan? Nu, toe dan maar!....”

„Al werd haar oom uit huis en hof verjaagd en aan den dijk gezet, jongeheer Davy,” zei hij met niet minder trotschheid dan zoo even, „zij zou met hem meegaan, daarvan ben ik overtuigd! Maar er komt gauw iemand anders, gauw.... iemand anders, Em'ly!”

Toen ik later de trap opging en langs mijn oude kamertje kwam, waarin het donker was, meende ik, hoewel onduidelijk, te zien dat zij daar languit op den grond lag. Maar, of zij het werkelijk, dan wel de schaduw van een of ander voorwerp in de kamer was, durf ik niet met zekerheid zeggen.

Ik had, voor het keukenvuur zittende, gelegenheid genoeg om aan Emily's vrees voor den dood te denken—die ik voor de oorzaak hield van hare vreemde wijze van doen, vooral na hetgeen mijnheer Omer mij verteld had—en vóór Peggotty beneden kwam, had ik ook gelegenheid genoeg om tot een zachter oordeel te komen over hare zwakheid, terwijl ik naar het tikken van de klok hoorde en de plechtige stilte om mij heen hoe langer hoe dieperen indruk op mij begon te maken. Peggotty sloeg de armen om mijn hals en zegende en dankte mij, omdat ik zulk een troost—zij gebruikte dit zelfde woord—was in hare droefheid. Zij noodigde mij daarna uit om boven te komen, terwijl zij er snikkend bijvoegde dat Barkis altijd zooveel van mij gehouden en mij zoo bewonderd had; dat hij meermalen mijn naam genoemd had eer hij buiten kennis was geraakt en dat, als hij nog tot bewustzijn kwam, mijne tegenwoordigheid hem zeker goed zou doen, indien er ten minste nog iets op de wereld was, dat hem zou kunnen goed doen.

Toen ik hem zag achtte ik het niet waarschijnlijk, dat hij nog tot bewustzijn zou komen. Hij lag met het hoofd en de schouders buiten het bed, in eene allerongemakkelijkste houding, half over den koffer heen gebogen, die hem gedurende zijn leven zooveel onrust had veroorzaakt. Men vertelde mij, dat toen hij niet meer uit het bed kon kruipen om den koffer te openen en zich niet meer met de wichelroede, die ik hem had zien gebruiken, van de aanwezigheid kon overtuigen, hij verlangd had dat de koffer op een stoel naast zijn bed zou worden geplaatst en van dien tijd af had hij er dag en nacht de armen om heen geslagen. Op dit oogenblik lag hij er met den arm op. Zijn leven vlood heen, maar de kist bleef en de laatste woorden, die hij uitte, waren: „Oude kleeren.”

„Barkis, beste man!” zei Peggotty bijna op opgeruimden toon, terwijl haar broeder en ik aan het voeteneinde stonden, „hier is mijn lieve jongen...... mijn lieve jongen..... jongeheer Davy, die ons bij elkander heeft gebracht, Barkis! Dien gij de boodschap opdroegt, Barkis! Zegt gij niets meer tegen jongeheer Davy?” Hij was even stom en gevoelloos als de koffer.

„Hij zal met het getij uitzeilen,” zei baas Peggotty achter zijne hand.

Mijne oogen waren vochtig evenals die van baas Peggotty; maar ik herhaalde op fluisterenden toon: „Met het getij?”

„Hier aan de kust,” antwoordde baas Peggotty, „kunnen de menschen niet sterven of de eb moet in aantocht zijn. Zij kunnen niet geboren worden of de vloed moet haast opkomen. Hij zal heengaan met de eb. Om half vier is het eb en een half uur speling. Overleeft hij de eb, dan blijft hij leven tot een half uur na den vloed, en gaat met de volgende eb heen.”

Wij bleven wachten, langen tijd—uren achtereen. Ik zal niet beweren, dat mijne tegenwoordigheid een geheimzinnigen invloed op hem had, maar toen hij eindelijk met zwakke stem begon te ijlen, was zijn geest verplaatst naar den dag, toen hij mij naar school reed.

„Hij komt bij,” zei Peggotty.

Baas Peggotty raakte mij even aan en fluisterde vol ontzag en eerbied: „De eb zal beginnen; het is gedaan.”

„Barkis, beste man!” riep Peggotty.

„C. P. Barkis!” zei hij met zwakke stem. „Geen betere vrouw op de geheele wereld!”

„Kijk eens! Hier is jongeheer Davy!” zei Peggotty, toen hij even de oogen opende.

Ik was op het punt om hem te vragen of hij mij herkende, toen hij den arm uitstak en, bepaald tot mij, zeide, met een vriendelijken glimlach:

„Barkis is klaar.”

Het was eb; hij zeilde uit met het getij.

XXXI.

Een grooter verlies.

Het viel mij niet moeilijk op Peggotty's verzoek te blijven tot het overschot van den armen vrachtrijder te Blunderstone aan den schoot der aarde was toevertrouwd. Lang geleden reeds had zij van haar eigen spaarpenningen een stukje grond gekocht op het oude kerkhof dichtbij het graf van „hare lieveling”, zooals zij mijne moeder altijd noemde; dáár zouden zij beiden rusten.

Terwijl ik Peggotty gezelschap hield en haar hielp in alles wat ik kon—weinig genoeg—was ik zoo gelukkig als ik maar wezen kon; met genoegen herdenk ik thans nog dien tijd. Ik vrees echter, dat het grootste genoegen veroorzaakt werd door het testament van den braven Barkis, dat ik als „man van het vak” voor Peggotty in bewaring nam en haar verklaarde. Ik mag er op bogen het eerst op het denkbeeld te zijn gekomen, dat zijn uiterste wil in den bewusten koffer zou worden gevonden.

Na een oogenblik gezocht te hebben, vonden wij het stuk ook, in een voederzak, waaruit, behalve eenig hooi nog een ouderwetsch gouden horloge met ketting, cachet en signetten te voorschijn kwam, dat Barkis op zijn trouwdag gedragen had, doch na dien dag nooit meer door iemand gezien was; benevens een zilveren pijpenuithaler in den vorm van een hazensprong; een houten citroen vol kleine kopjes en schoteltjes, die—dat verbeeld ik mij ten minste—Barkis gekocht had om mij present te geven toen ik nog een kind was, en waarvan hij later niet had kunnen scheiden; zevenentachtig en een halve guinje in guinjes en halve guinjes; tweehonderd en tien pond sterling in ongebruikte Engelsche banknoten; eenige acceptatiën op de Engelsche Bank; een oud hoefijzer, een valsche shilling, een stuk kamfer en een oesterschelp. Uit de omstandigheid dat dit laatste voorwerp dikwijls geschuurd was en aan de binnenzijde allerlei kleuren vertoonde, maakte ik de gevolgtrekking dat Barkis veel over parelen had hooren spreken, maar zich daarvan toch geen bepaalde voorstelling had kunnen maken.

Jaar op jaar, dag aan dag had Barkis dezen koffer medegesleept op al zijn tochten. Opdat zijn schat aan de opmerkzaamheid van anderen zou ontgaan, had hij de slimheid gehad om er met letters, die thans nauwelijks meer leesbaar waren, op te vermelden dat de kist behoorde aan een zekeren „Mijnheer Blackboy” en moest blijven staan tot Barkis haar afhaalde.

Hij had al die jaren niet te vergeefs gespaard, want het bijeengegaarde kapitaal bedroeg ongeveer drie duizend pond. Van duizend pond zou baas Peggotty, zoo lang hij leefde, den interest genieten; na zijn overlijden moest het kapitaal verdeeld worden tusschen Peggotty—ik bedoel mijne Peggotty—kleine Emily en mij of tusschen onze nakomelingen. Alles, wat hij verder naliet, vermaakte hij aan Peggotty, die tevens tot executrice was benoemd van zijn testament en zijn laatsten wil.

Ik voelde mij zelf een volmaakte proctor, toen ik dit document met de grootst mogelijke plechtigheid voorlas en tallooze malen aan allen, die het aangingen, uitlegde. Ik begon nu toch te onderstellen dat er meer achter de Commons verborgen was dan ik gemeend had. Ik onderzocht het testament met de grootste aandacht, verklaarde dat het in alle opzichten wettig was, maakte eenige potloodaanteekeningen op den rand en vond mij zelf vreeselijk geleerd. Ik maakte met Peggotty een inventaris van alles wat er was, regelde alles met haar en was tot ons wederzijdsch genoegen in alle opzichten haar raadsman en haar steun gedurende de geheele week, die aan de begrafenis voorafging. Emily zag ik in die dagen niet, maar men vertelde mij dat zij binnen veertien dagen getrouwd zou zijn.

Ik woonde de begrafenis niet officiëel bij, als ik het zoo eens mag uitdrukken. Ik bedoel daarmede dat ik niet was uitgedost als een vogelverschrikker met een zwarten mantel en een lamfer; ik wandelde in den vroegen morgen naar Blunderstone en was op het kerkhof, toen de lijkkoets, door Peggotty en haar broeder gevolgd, daar aankwam. De krankzinnige heer zat uit het raampje van mijne oude kamer te kijken; het kindje van dokter Chillip zat over den schouder van het kindermeisje heen, met zijn logge hoofdje te knikkebollen en keek met zijn uitpuilende oogjes voortdurend naar den predikant; mijnheer Omer stond een weinig achteraf naar adem te hijgen; andere belangstellenden waren er niet. Wij bleven ongeveer een uur lang op het kerkhof wandelen, nadat de plechtigheid was afgeloopen, en plukten eenig jong groen van den boom boven mijn moeders graf.

Een gevoel van angst bekruipt me, terwijl ik nu met mijn verhaal voortga. Er schijnt een dreigende wolk te hangen boven de stad, waarheen ik na de begrafenis alleen terugkeerde. Ik huiver bij de herinneringen aan hetgeen dien zelfden noodlottigen avond voorviel, alsof het zich zal herhalen indien ik het neerschrijf. En toch, het is geschied; mijn schrijven kan er niets aan veranderen; zelfs al liet ik die onwillige hand op mijn papier vastspijkeren—er zou niets meer aan te veranderen zijn.

Er was afgesproken dat Peggotty den volgenden dag met mij naar Londen zou gaan, ten einde de zaken van het testament te regelen. Kleine Emily had den dag van de begrafenis bij de Omers doorgebracht en des avonds zouden wij allen bijeenkomen in baas Peggotty's woning. Ham zou Emily op het gewone uur daar brengen.

Terwijl Peggotty en haar broeder op dezelfde wijze als zij gekomen waren terugkeerden, en ons des avonds bij den haard zouden opwachten, nam ik aan het hek van het kerkhof afscheid van hen, waar in vroegere dagen een denkbeeldige Straps met Roderick Random's knapzak had staan rusten. In plaats van den kortsten weg te kiezen, sloeg ik dien naar Lowestoft in en keerde van daar naar Yarmouth terug. Ik gebruikte het middagmaal in een eenvoudige herberg op een paar mijlen afstands van de overvaart, waarvan ik vroeger heb melding gemaakt; toen ik daar aankwam, was de avond reeds ingevallen. Het regende hevig, maar aangezien de maan nu en dan achter de wolken te voorschijn kwam, was het niet donker.

Al heel spoedig kreeg ik het licht van baas Peggotty's woning in het gezicht en na nog een eind door het mulle zand gebaggerd te hebben, stond ik voor de deur en ging binnen.

Het zag er daar buitengewoon gezellig uit. Baas Peggotty had zijn avondpijpje gerookt en er waren reeds eenige toebereidselen gemaakt voor het souper. Het vuur brandde helder, de asch was aangeveegd en het kleine bankje voor Emily stond op de gewone plaats gereed. Peggotty zat ook weder op haar oude plaatsje en keek rond alsof zij het nooit verlaten had. De naaidoos met de St. Paulskerk op het deksel, het elletje in het huisje, het stukje waskaars om den draad door te halen—niets van dit alles scheen ooit van de plaats te zijn geweest. Juffrouw Gummidge zat in haar oude hoekje een weinig te kniezen en keek bijgevolg heel strak.

„Gij zijt de eerste, jongeheer Davy!” zei baas Peggotty, met een gelaat, dat straalde van opgeruimdheid. „Gij zult die natte jas toch niet aanhouden, mijnheer?”

„Dank u, baas Peggotty,” antwoordde ik, hem mijn overjas gevende om op te hangen. „Mijn jas is droog.”

„Ja, dat is waar!” hernam hij, de hand op mijn schouder leggende. „Zoo droog als kurk. Ga zitten, mijnheer. Het is niet noodig u nog welkom te heeten, want gij weet, dat gij 't steeds zijt, van ganscher harte welkom.”

„Dank u voor deze woorden, baas Peggotty; ik ben daarvan overtuigd. Wel, Peggotty, hoe gaat het?” vroeg ik, haar een kus gevende. „En hoe is 't met uwe gezondheid, moedertje?”

„Ha, ha, ha!” zei baas Peggotty lachend, terwijl hij in de handen wreef, alsof hij zich verlicht voelde na al de droefheid van de laatste dagen en zijne goedhartigheid deed hem daarbij voegen: „daar is geen vrouw in de wereld, mijnheer—en ik heb haar dat al zoo dikwijls gezegd—die zich over haar geweten minder bezorgd behoeft te maken dan zij! Zij heeft haar plicht gedaan jegens den overledene en de overledene weet dat; de overledene heeft het goed met haar gemaakt, evenals zij het met den overledene heeft gedaan en.... en.... alles is in orde....”

Juffrouw Gummidge slaakte een diepen zucht.

„Wees toch vroolijk, moedertje!” zei baas Peggotty, maar tegelijkertijd schudde hij het hoofd, alsof hij ons te kennen wilde geven, dat de laatste gebeurtenissen haar zonder twijfel den oude in het geheugen moesten hebben geroepen. „Zit toch niet zoo te kniezen. Wees vroolijk.... ge zult zien, dat dan alles van zelf gaat!”

„Bij mij niet, Dan,” antwoordde juffrouw Gummidge. „Ik zou alleen maar nog beter gewaar worden, dat ik een ongelukkig schepsel ben.”

„Neen, neen,” zei baas Peggotty, zijn best doende om haar te troosten.

„Ja, ja, Dan!” zei juffrouw Gummidge. „Ik ben niet iemand, die wonen moet met menschen, die geld geërfd hebben. Ik veroorzaak toch niets dan narigheid. Het zou veel beter wezen als ik maar in een hofje was.”

„Maar, hoe zou ik al dat geld kunnen verteeren zonder u?” vroeg baas Peggotty met een ernstig gezicht. „Wat praat gij toch? Heb ik u nu niet meer noodig dan ooit?”

„Ik weet heel goed, dat ik nooit noodig ben geweest!” riep juffrouw Gummidge op klagenden toon uit, „en nu zegt gij mij dit ook nog! Hoe kon ik verwachten ooit noodig te zullen zijn, terwijl ik altijd zooveel narigheid heb en zulk een ongelukkig schepsel ben!”

Baas Peggotty scheen ontsteld bij de gedachte, dat hij in staat zou zijn geweest om iets te zeggen waarin hij van zooveel ongevoeligheid blijk zou geven; maar Peggotty, die hem bij de mouw trok en het hoofd schudde, voorkwam, een antwoord. Nadat hij juffrouw Gummidge eenigen tijd met een droeven blik had aangestaard, keek hij naar de Friesche klok, stond op, snoot de kaars en zette die in het venster.

„Ziezoo,” sprak hij, „als naar gewoonte geïllumineerd, vrouwtje.” Hij keek bij deze woorden naar juffrouw Gummidge, die niets deed dan zuchten. „Dat is voor de kleine Emily, want het pad is nu zoo donker; als ik aan wal ben, doe ik dat altijd, op het uur dat zij gewoonlijk thuis komt. Ik heb daarvoor twee redenen,” ging hij opgeruimd voort. „Emily zegt dan: ‚daar is ons huis.’ En dan zegt zij ook: ‚Daar is mijn oom’; want als ik niet thuis ben, schijnt het licht niet.”

„Gij kunt doen als een kleine jongen,” zei Peggotty, hoewel zij zeer ingenomen was met alles wat hij zeide en deed.

„Wel,” antwoordde baas Peggotty, terwijl hij met zijn beenen ver van elkaar stond en vergenoegd in zijn handen wreef, nu eens naar ons dan weder naar het vuur kijkende, „het is wel mogelijk dat ik het ben. Niet, om te zien begrijpt ge!”

„Niet precies,” zei Peggotty.

„Neen,” hernam baas Peggotty lachend, „niet om te zien, maar in mijn doen en laten, nietwaar? Ik kan het niet helpen en het kan mij ook niet schelen, och Heere neen! Maar nu zal ik u eens wat vertellen. Als ik naar dat mooie huisje van onze Emily ga kijken, dan... dan mag ik gekielhaald worden... daar!” riep hij met klem uit, „meer kan ik niet zeggen... dan heb ik het gevoel alsof al die kleine mooie dingen kleine Em'ly zelve zijn. Ik durf er niets van aanraken en zou onmogelijk iets van dat alles hard kunnen behandelen. En zoo is het ook met hare kleine hoedjes en met alles. Ik durf ze nauwelijks opnemen en zet ze terstond weder neer. Daar hebt gij nu een kleinen jongen in den vorm van een grooten zeeëgel!” riep hij schaterlachend uit.

Peggotty en ik lachten ook, doch niet zoo luid.

„Het komt zeker,” ging hij na eenigen tijd zijne knieën te hebben gewreven, voort, „omdat ik zooveel met haar gespeeld heb; nu eens was ik een Turk, dan weder een Franschman of een haai en zoo meer... goede Hemel, ja... en leeuwen en walvisschen hebben wij samen voorgesteld en wat niet al, toen zij nog niet hooger kwam dan mijne knieën. Ik was er zoo aan gewend, begrijpt ge? En deze kaars! Ik weet zeker dat ik die nog daar zal neerzetten als zij al lang getrouwd en van ons weggegaan is. Ik weet zeker dat, wanneer ik 's avonds hier ben—en waar zal ik anders gaan wonen al heb ik nu zooveel geld gekregen?—en zij niet hier is en ik niet daar ben, ik de kaars voor het venster zal zetten en zelf bij de kachel zal gaan zitten, alsof ik haar opwacht evenals nu. Zeg nu maar dat ik doe als een kleine jongen!” riep hij lachend. „Wel, op dit oogenblik, als ik de kaars zie opflikkeren, zeg ik tegen mij zelven: „Zij kijkt er naar! Emily komt!” Een kleine jongen in den vorm van een zeeëgel, hahaha! En toch heb ik gelijk.” Zoo eindigde hij wat minder luidruchtig, „want daar komt zij aan!”

Ham kwam echter alleen. Het weer scheen ruwer te zijn geworden, want hij had een grooten zuidwester op, die zijn gezicht half bedekte.

„Waar is Em'ly?” vroeg baas Peggotty. Ham maakte een beweging met het hoofd, alsof hij wilde zeggen dat zij buiten stond. Baas Peggotty nam de kaars van het venster, snoot die, zette den kandelaar op tafel en ging het vuur wat opporren, terwijl Ham, die onbewegelijk op dezelfde plek was blijven staan, zeide:

„Komt gij eens even buiten, jongeheer Davy? Gij moet eens zien wat Em'ly en ik voor u hebben meegebracht.”

Wij gingen naar buiten, maar toen ik hem voorbijging zag ik, dat hij doodsbleek was. Hij duwde mij snel de deur uit en sloot die achter ons. Achter ons beiden, alleen.

„Wat scheelt u, Ham?”

„Jongeheer Davy!”—Hij kon niet spreken; hij schreide....

Ik stond eveneens sprakeloos bij het zien van zijne hartstochtelijke droefheid. Ik weet niet wat ik op dat oogenblik dacht of vreesde. Ik kon slechts kijken naar hem.

„Ham! Beste, arme kerel! Vertel mij in 's Hemels naam wat er gebeurd is.”

„O, jongeheer Davy, mijn innig geliefd meisje, mijn trots, mijn hoop, voor wie ik mijn leven zou gegeven hebben en nog geven wil—is weg!”

„Weg?”

„Em'ly is weg! O, jongeheer Davy en hoe! Denk eens, dat ik mijn goeden en barmhartigen God bid, haar, die ik boven alles liefhad, te dooden, ten einde haar voor onheil en schande te bewaren!”

Wanneer ik in mijne gedachten die groote eenzame vlakte voor mij zie, komen mij altijd zijn door smart verwrongen gelaat, zijne smeekend opgeheven handen, zijne ineengekrompen gestalte voor den geest. Het is altijd nacht en ik zie niets dan Ham.

„Gij hebt veel geleerd,” zei hij haastig, „en zult dus wel weten wat het beste is. Wat moet ik daar, binnen, zeggen? Hoe zal ik er ooit over kunnen spreken tot hem, jongeheer Davy?” Ik zag de deur bewegen en deed onwillekeurig een poging om de klink vast te houden, ten einde nog een oogenblik tijd te winnen. Het was te laat. Baas Peggotty stak het hoofd buiten de deur, maar nimmer, al word ik vijfhonderd jaar, zal ik de verandering vergeten, die daar op zijn gelaat plaats had, toen hij ons beiden zag staan.