Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 46

Chapter 464,117 wordsPublic domain

„O, wat ben ik blijde dat te weten, want ik word gaarne terechtgewezen wanneer ik het mis heb,” zei Rosa. „Gij bedoelt zeker dat ze wat droog is?”

„Ja,” antwoordde ik, „misschien is ze wat droog.”

„O! Dan is dat zeker de reden waarom gij wat ontspanning en verandering noodig hebt—wat opwekking en zoo?” vroeg zij. „Ja, dat is waar.... maar is het niet wat.... hé, voor hem; ik bedoel niet voor u?”

Een snelle blik naar Steerforth, die gearmd met zijne moeder voor ons uit wandelde, verried mij wien zij meende; maar overigens begreep ik haar niet. En ik twijfel niet of dit moet ook op mijn gezicht te lezen zijn geweest.

„Neemt het hem—ik zeg niet dat het zoo is, maar ik wil het gaarne weten—neemt het hem niet te veel in beslag? Is dat niet de oorzaak waarom hij nog kariger is met zijne bezoeken aan zijne teeder liefhebbende.... hé?” Wederom gleed een snelle blik naar moeder en zoon, gevolgd door een op mij, die mijne geheimste gedachten scheen te lezen.

„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „denk toch niet....”

„Dat doe ik ook niet!” sprak zij. „O, lieve Hemel, neen; onderstel toch niet dat ik iets denk! Ik ben niet achterdochtig. Ik vraag maar iets. Ik heb er geen meening over. Ik wilde juist trachten een meening te krijgen uit hetgeen gij mij zoudt vertellen. Is het dus zoo niet? Welnu, ik ben blij dat ik het weet.”

„Het is volstrekt niet zoo,” antwoordde ik, geheel van mijn stuk, „dat het aan mij te wijten zou zijn, indien Steerforth langer dan gewoonlijk van huis is weggebleven—ik wist zelfs niet dat het zoo was en verneem het nu voor het eerst van u. Ik heb hem in al dien tijd niet gezien voor gisterenavond.”

„Niet?”

„Waarlijk niet, juffrouw Dartle.”

Terwijl zij mij met groote oogen aankeek, zag ik dat haar gelaat al bleeker en spitser werd en het litteeken zich al duidelijker begon af te teekenen, tot het zich dwars over beide lippen uitstrekte. Daar lag iets angstverwekkends voor mij in, vooral toen zij mij met schitterende oogen bleef aankijken en zeide:

„Wat voert hij uit?”

Ik herhaalde deze woorden, meer voor mij zelven dan voor haar, zoo verbaasd was ik.

„Wat voert hij uit?” herhaalde zij op zulk een hartstochtelijken toon dat het mij toescheen of een inwendig vuur haar verteerde. „En waarbij helpt die man hem, die mij altijd zoo aankijkt met zijne ondoorgrondelijke, valsche oogen? Indien gij eerlijk en trouw zijt, vraag ik u niet uw vriend te verraden. Ik vraag u alleen mij te zeggen of het nijd is, of haat, of trots, of onrust, of de een of andere dwaze gril of liefde, waardoor hij wordt meegesleept?”

„Juffrouw Dartle,” antwoordde ik, „hoe zal ik u vertellen, zoodat gij geloof slaat aan mijn woorden, dat ik niets meer van Steerforth weet dan toen ik de eerste maal hier was. Ik geloof werkelijk dat er niets is. Ik begrijp zelfs niet wat gij bedoelt.”

Terwijl zij stil bleef staan om mij in de oogen te zien, kwam er eene trekking of klopping in dat akelige litteeken, waarbij ik niet kon nalaten aan pijn te denken, en werd de hoek aan de lip opgetrokken alsof zij minachting of medelijden wilde te kennen geven. Zij hield er snel hare hand voor—een hand zoo mager en teer, dat ik die zeker voor porcelein zou hebben gehouden, wanneer zij daarmede haar gelaat tegen het licht of de vlam had willen beschutten—en zei op driftigen, hartstochtelijken toon:

„Ik bezweer u dit geheim te houden.” Daarna zeide zij niets meer.

Mevrouw Steerforth was bepaald gelukkig dat haar zoon bij haar was en Steerforth zelf was vol attenties voor haar. Het was zeer belangwekkend voor mij hen samen te zien, niet alleen om de bewijzen van hunne wederzijdsche genegenheid op te merken, maar ook uit hoofde van de sterke gelijkenis, die er tusschen hen bestond. Zijn trotschheid en onstuimigheid vond ik in haar terug, maar verzacht door leeftijd en sekse tot eene zekere waardigheid. Meer dan eens dacht ik hoe gelukkig het was, dat er nooit aanleiding had bestaan tot ernstige geschillen tusschen moeder en zoon; want twee dergelijke karakters—beter ware het te zeggen twee dergelijke schakeeringen van hetzelfde karakter—zouden minder gemakkelijk te verzoenen zijn geweest dan de meest uiteenloopende. Ik moet echter bekennen, dat dit denkbeeld geen gevolg was van mijne eigene opmerkingsgave, maar van een gezegde van juffrouw Rosa Dartle.

Toen wij aan tafel zaten, zeide zij:

„O, vertel mij toch eens, een van allen.... ik heb er den ganschen dag over gepeinsd en zou het gaarne weten.”

„Wat zoudt gij gaarne weten, Rosa?” vroeg mevrouw Steerforth. „Toe, ik smeek u, Rosa, wees toch niet zoo geheimzinnig.”

„Geheimzinnig!” riep zij. „O! Waarlijk? Houdt gij mij daarvoor?”

„Moet ik u niet telkens weder verzoeken, duidelijker en op uwe gewone natuurlijke manier te spreken?” zei mevrouw Steerforth.

„Zoo? Is dit dan niet mijne natuurlijke manier?” vroeg zij. „Gij moet toch een weinig geduld met mij hebben, want ik vraag slechts inlichtingen. Wie durft zeggen, dat hij zich zelven kent?”

„Het is een tweede natuur, van u geworden,” hernam mevrouw Steerforth zonder eenig ongenoegen te toonen; „ik herinner mij echter zeer goed—en dat moet gij ook wel doen, Rosa—dat gij eene geheel andere manier van spreken hadt, dat gij minder omzichtig waart en veel vertrouwelijker.”

„Ik weet zeker dat gij gelijk hebt,” antwoordde zij; „zoo went iemand zich slechte gewoonten aan! Waarlijk? Minder omzichtig en veel vertrouwelijker? Hoe is het mogelijk dat ik, zonder het te bemerken, zoo veranderd kan zijn? Het verbaast mij! Het is dwaas! Ik zal mijn best doen om weder te worden zooals vroeger.”

„Ik hoop dat het u gelukken zal,” antwoordde mevrouw Steerforth glimlachend.

„O, ik wil het! Waarlijk!” hernam Rosa. „Ik wil openhartigheid trachten te leeren van—laat eens zien—van James.”

„Gij kunt op geen betere school gaan, Rosa,” zei mevrouw Steerforth snel, want er lag altijd iets spotachtigs in hetgeen Rosa zeide, zelfs al sprak zij, zooals thans, op den meest argeloozen toon.

„O, dat weet ik; daarvan ben ik overtuigd,” antwoordde zij en legde een buitengewonen nadruk op deze woorden. „Als ik ergens van overtuigd ben dan is het daarvan, dat spreekt van zelf.”

Het scheen wel, dat mevrouw Steerforth spijt had, zich een weinig geraakt getoond te hebben, want zij sprak nu op vriendelijken toon.

„Maar, lieve Rosa, wij moeten nog altijd hooren wat gij zoo gaarne zoudt willen weten?”

„Wat ik zoo gaarne zou willen weten?” herhaalde zij op uitdagend koelen toon. „O! Het was alleen of menschen, die, wat hunne zedelijke constitutie betreft veel op elkander gelijken—zedelijke constitutie—dat is immers de goede uitdrukking?”

„Even goed als elke andere,” zei Steerforth.

„Dank u;—of menschen, die wat hunne zedelijke constitutie betreft, veel op elkander gelijken, grooter gevaar loopen om van elkander te vervreemden indien er tusschen hen eens een ernstig geschil ontstond, dan anderen, die niet in dien toestand verkeeren?”

„Mij dunkt, ja,” zei Steerforth.

„Zoo, waarlijk?” riep zij. „Goede Hemel! Onderstel dan eens voor een oogenblik—men kan de meest dwaze dingen onderstellen—dat gij en uwe moeder eens een ernstig geschil kreegt.”

„Maar lieve Rosa,” zoo viel mevrouw Steerforth haar met een goedaardig lachje in de rede, „ga toch van eene andere onderstelling uit! De Hemel geve, dat James en ik onzen plicht jegens elkander beter kennen!”

„O!” zei Rosa, haar hoofdje peinzend schuddende. „Zeker! Dat zou het beletten! Natuurlijk zou het dat. Juist; ik ben blij zoo dwaas geweest te zijn; ik ben blij deze onderstelling gemaakt te hebben, want het is zoo heerlijk te weten, dat uw plicht het u zou beletten! Ik dank u zeer.”

Ik moet nog eene omstandigheid vermelden, die met Rosa Dartle in betrekking stond; want ik heb reden gehad om mij die later te herinneren, toen het geheele verleden onherstelbaar voorbij was. Den ganschen dag, of liever van dit tijdstip af, deed Steerforth zijn uiterste best—hetgeen hem echter zeer gemakkelijk scheen te vallen—om dit zonderlinge schepsel te behagen en in eene vriendelijke stemming te brengen. Dat hij daarin slaagde, gaf mij geene aanleiding tot eenige verbazing. Dat zij zou moeten zwichten voor den betooverenden invloed van zijne beminnelijke manieren—toen nog zou ik gezegd hebben, zijn beminnelijk karakter—verbaasde mij evenmin, al wist ik dat zij bevooroordeeld en niet gemakkelijk te overtuigen was. Ik zag hoe hare gelaatstrekken en hare manieren langzamerhand eene verandering ondergingen; ik zag hoe hare bewondering voor hem steeg; ik zag dat hare pogingen om zich tegen de bekoring, die van hem uitging, te verzetten al zwakker en zwakker werden, maar dat zij zich bleef verzetten alsof zij zich hare zwakheid bewust was; en eindelijk zag ik hoe er langzamerhand een vriendelijke trek, ja zelfs een glimlach kwam op haar spichtig gelaat. Nu was ik niet langer bang voor haar, zooals ik werkelijk den geheelen dag geweest was, en wij zaten met ons vieren bij den haard te praten en te lachen, zoo vroolijk en uitgelaten alsof wij nog kinderen waren.

Of het was omdat wij daar zoo lang gezeten hadden of omdat Steerforth het eenmaal behaalde voordeel niet wilde prijsgeven, dat weet ik niet, maar wij bleven, nadat zij was heengegaan, niet langer dan vijf minuten in de eetkamer. „Zij speelt op de harp,” zei Steerforth zacht, bij de deur van het salon; „en niemand dan mijne moeder heeft haar dat in de laatste drie jaren hooren doen.” Hij zei dit met een zonderlingen glimlach, die terstond weder verdween; en toen gingen wij de kamer binnen en vonden haar alleen.

„Speel toch door,” zei Steerforth, want zij was opgestaan; „speel toch door, lieve Rosa. Doe ons het genoegen en zing eens een Iersch lied voor ons.”

„Wat geeft gij om een Iersch lied?” vroeg zij.

„O, heel veel!” antwoordde Steerforth. „Meer dan om eenig ander lied. En ons Groentje houdt zoo dol veel van muziek! Zing eens een Iersch lied, Rosa, en laat mij er weder als van ouds naar zitten luisteren.”

Hij raakte haar, noch den stoel, waarvan zij was opgestaan, aan, maar nam bij de harp plaats. Gedurende eenige oogenblikken bleef zij er naast staan, terwijl hare rechterhand de beweging maakte, alsof zij speelde, maar de snaren niet aanraakte. Eindelijk ging zij zitten, trok de harp met een ruk naar zich toe en begon te zingen en te spelen.

Ik weet niet wat het was in haar spel of in haar stem, dat aan haar zang iets bovenaardsch gaf, iets, zooals ik in mijn geheele leven niet gehoord heb, ja mij zelfs niet heb kunnen voorstellen. Er lag iets ijzigs in. Het was alsof hetgeen zij zong nooit geschreven of op muziek gezet was, maar opwelde uit haar hartstochtelijk gemoed, alsof hare stem te zwak was om het te uiten; terwijl het zich weder verschuilde, telkens wanneer zij zweeg. Ik was er nog geheel van onder den indruk, toen zij reeds weder over hare harp gebogen stond en hare rechterhand langs de snaren liet glijden zonder ze aan te raken.

Eene minuut later werd ik echter uit mijne verdooving gewekt door Steerforth, die opstond, den arm lachend om haar middel sloeg en zei: „Kom Rosa, wij zullen elkaar voortaan heel liefhebben!” Maar zij duwde hem van zich af en sloeg naar hem als een wilde kat, waarna zij schreiende de kamer uitging.

„Wat scheelt Rosa toch?” vroeg mevrouw Steerforth, binnenkomende.

„Zij is een engel geweest,” antwoordde Steerforth, „d. w. z. een oogenblik; zij verviel echter onmiddellijk in het andere uiterste, om zich schadeloos te stellen.”

„Gij moet haar niet plagen, James. Bedenk dat haar humeur veel geleden heeft en men er niet te veel van mag vergen.”

Rosa kwam niet terug en er werd verder niet over haar gesproken tot ik met Steerforth naar boven ging en hij mij op zijne kamer goeden nacht wenschte. Hij lachte toen over hare opvliegendheid en vroeg mij of ik ooit iemand ontmoet had, met zulk een onbegrijpelijk humeur.

Ik gaf zooveel verbazing te kennen als ik op dat oogenblik vermocht en vroeg hem, of hij begreep, wat zij eensklaps zoo kwalijk genomen had.

„Dat weet de Hemel,” zei Steerforth. „Alles wat gij maar wilt; mogelijk ook niets! Ik heb u gezegd dat zij alles, zich zelve incluis, op een slijpsteen brengt, en scherpt. Zij is als een werktuig, dat aan alle kanten scherp is en met groote voorzichtigheid behandeld moet worden. Maar gevaarlijk—dat is ze altijd. Goeden nacht!”

„Goeden nacht!” zei ik, „beste Steerforth. Eer gij wakker zijt ben ik reeds vertrokken.”

Hij wilde mij niet laten heengaan en evenals op mijn kamer, legde hij beide handen op mijne schouders en sprak:

„Groentje—al is dit niet de naam, die uwe peten u gegeven hebben, ik noem u zoo het liefst en wenschte wel, dat gij mij ook zoo noemen kondt.... ja.... dat wenschte ik.”

„Welnu, als ik dat ook wensch, kan ik het doen,” antwoordde ik.

„Groentje, als er ooit iets gebeurt, dat ons zou kunnen scheiden, denk dan aan mij, zooals ik vroeger was, oude jongen. Willen wij dat afspreken? Mochten de omstandigheden ons ooit scheiden, denk dan aan mij, zooals ik was in mijn besten tijd.”

„Gij hebt voor mij geen ‚besten’ tijd, Steerforth, ook geen slechten. Ik heb altijd veel van u gehouden en gij hebt altijd een eerste plaats ingenomen in mijn hart.”

Ik voelde zooveel wroeging omdat ik hem ooit, zelfs maar in mijne gedachten, verongelijkt had, dat de bekentenis van deze zonde mij bijna op de lippen kwam. Ik deinsde echter terug voor het verraad, dat ik aan Agnes zou plegen, maar in mijne verlegenheid zou hij haar toch vernomen hebben, indien hij mij niet nogmaals met een „God zegen u, Groentje” goeden nacht had gewenscht. Alleen tengevolge van mijne aarzeling bleef hij er onkundig van; wij schudden elkander de hand en scheidden.

De zon was nauwelijks op, toen ik reeds gekleed bij zijne kamerdeur stond en even een blik daarbinnen waagde. Hij lag vast te slapen, met het hoofd op zijn arm, zooals ik hem op school zoo dikwijls had zien liggen.

Er brak een tijd aan, waarin ik mij verbaasde, dat zijn rust door niets werd verstoord, terwijl ik naar hem keek. Maar hij sliep—laat mij zoo aan hem blijven denken—zooals ik hem zoo menigmaal op school had zien slapen, en zoo verliet ik hem in dit stille morgenuur.

Nimmer meer, de Hemel moge het u vergeven, Steerforth.... nimmer zou ik hem de vriendenhand drukken.... nimmer, nimmer meer!

XXX.

Een verlies.

Dienzelfden avond nog stapte ik aan de herberg te Yarmouth af. Ik wist dat Peggotty's kleine kamertje—mijn kamertje—waarschijnlijk al heel spoedig in gebruik zou moeten worden genomen, wanneer de groote Gast, voor wien al wat leeft moet plaats maken, zijn intrek in de woning nemen zou; ik ging dus naar de herberg en bestelde daar een kamer.

Te tien uur 's avonds ging ik uit. Reeds waren vele winkels gesloten en de straten eenzaam en verlaten. Toen ik bij Omer en Joram kwam, waren de luiken reeds voor de ramen, maar de deur stond nog open. Ik zag mijnheer Omer met de pijp in den mond bij de kamerdeur zitten, ging den winkel binnen en vroeg hoe hij het maakte.

„Wel, heb ik nu ooit van mijn leven!” riep mijnheer Omer, „hoe staat het met uw eigen gezondheid? Ga zitten. De rook hindert u immers niet?”

„Volstrekt niet,” antwoordde ik. „Ik houd er veel van—uit de pijp van een ander tenminste.”

„Wat, rookt gij zelf niet?” vroeg mijnheer Omer lachend. „Zooveel te beter, mijnheer. Een slechte gewoonte voor jonge menschen. Ga zitten. Ik _moet_ wel rooken—tegen het asthma.”

Mijnheer Omer was opgestaan om mij een stoel aan te bieden. Thans zat hij weer geheel buiten adem, terwijl hij aan zijn pijp trok, alsof daarin het heulsap verborgen was, dat hem in het leven moest houden.

„Het spijt mij, dat ik zulke slechte tijding omtrent Barkis gekregen heb,” zei ik.

Mijnheer Omer keek mij strak aan en schudde het hoofd.

„Hebt gij van avond ook iets omtrent hem gehoord?” vroeg ik.

„Ik had u dezelfde vraag willen doen, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, „maar ik heb het uit kieschheid nagelaten. Het is de schaduwzijde van ons vak. Als iemand ziek is, durven wij bijna niet naar zijn toestand informeeren.”

Dit bezwaar was niet in mij opgekomen, hoewel ik, binnengaande, wel gevreesd had het oude deuntje te zullen hooren. Nu er over gesproken werd moest ik het echter erkennen en deed dit ook.

„Ja, ja, gij begrijpt het wel,” zei mijnheer Omer hoofdschuddend. „Wij kunnen dat niet doen. Goede Hemel, de meeste zieken zouden den schok niet te boven komen, wanneer men hun zei: „compliment van Omer en Joram en hoe het van morgen—of van avond—met u is?””

Wij knikten elkander toe en mijnheer Omer riep zijn pijp te hulp om weder bij adem te komen.

„Ons beroep houdt ons daarom terug van beleefdheden, die wij anders gaarne zouden bewijzen,” hervatte hij. „Al heb ik Barkis wellicht veertig jaar lang zien voorbijrijden, kan ik nu toch niet naar zijne vrouw gaan en vragen: Hoe gaat 't met hem?”

Ik voelde dat het hard was voor mijnheer Omer en zei hem dat.

„Ik geloof niet, dat ik baatzuchtiger ben dan andere menschen,” vervolgde hij. „Kijk mij maar eens aan! Ieder oogenblik kan mijn adem mij begeven en het is niet waarschijnlijk, dat ik dan, bij mijn weten namelijk, baatzuchtig zijn zal. Ik zeg ‚het is niet waarschijnlijk’ voor iemand, die weet, dat als eenmaal zijn adem hem begeeft, de omstanders zullen meenen, dat er een blaasbalg knapt.... en die man is nog wel grootvader.”

„Dat geloof ik ook niet,” zei ik.

„Ik kan volstrekt niet klagen over mijn beroep,” ging hij voort. „Volstrekt niet. Elk beroep heeft zijn voor- en nadeelen. Ik zou echter wel wenschen, dat men in het algemeen wat minder bevooroordeeld was.”

Met een gezicht, dat blonk van vergenoegdheid, blies hij na deze woorden zwijgend eenige rookwolken na elkander uit en daarna zei hij, op het begin van ons gesprek terugkomende: „Willen wij daarom weten hoe het met Barkis gaat, dan moeten wij ons bepalen tot de berichten, die de kleine Emily medebrengt. Zij weet wel wat de reden is waarom wij het zelf niet vragen en koestert even weinig achterdocht omtrent ons, alsof wij allen lammeren waren. Minnie en Joram zijn juist naar haar toegegaan—zij is des avonds bij hare tante om te helpen—om te vragen hoe het van avond met den zieke is; zoo gij dus wilt wachten tot zij terugkomen, kunt gij alle bijzonderheden vernemen. Wilt gij niet wat gebruiken? Een glas rumgrog bijvoorbeeld? Ik gebruik dat zelf ook bij mijne pijp, omdat men beweert, dat het de wegen verzacht, waar die lastige adem langs moet gaan. Maar, goede Hemel!” voegde hij er bij: „het zijn de wegen niet die ziek zijn! ‚Geef mij maar adem genoeg’ zeg ik dikwijls tegen mijn dochter Minnie, ‚dan zal _ik_ er de wegen wel voor vinden, beste meid.’”

Hij kon op dit oogenblik volstrekt geen adem krijgen en het was angstverwekkend hem te zien lachen. Toen hij weder zoo ver was, dat ik met hem kon spreken, bedankte ik voor de aangeboden verfrissching, die ik afsloeg omdat ik pas gegeten had; ik verklaarde echter gaarne te willen wachten, zooals hij de goedheid gehad had mij aan te bieden, tot zijne dochter en zijn schoonzoon terugkwamen. Intusschen vroeg ik hoe de kleine Emily het maakte.

„Wel, mijnheer,” antwoordde mijnheer Omer, de pijp uit den mond nemende ten einde zijne kin te wrijven, „als ik u de waarheid mag zeggen ..... ik zal blijde zijn als zij goed en wel getrouwd is.”

„Hoe zoo?” vroeg ik.

„Zij is zoo wonderlijk tegenwoordig. Niet dat zij niet zoo lief is als vroeger, neen, zij is liever ... ik verzeker u dat zij liever is. Ook is het niet omdat zij niet zoo goed werkt als vroeger, volstrekt niet, want dat doet zij wel. Zij _was_ zoo goed als zes anderen en _is_ zoo goed als zes anderen. Maar, als ik het zoo eens zeggen mag: het is met haar hart niet in orde. Ik weet niet of gij begrijpt wat ik in het algemeen met deze woorden bedoel,” vervolgde mijnheer Omer, na nogmaals zijne kin gewreven en eenige trekjes aan zijne pijp gedaan te hebben. „Als ik zeg: ‚Allo mannen, nog één ruk, en nog een fikschen ruk, hoera!’ dan geloofde ik dat ik zoo ongeveer uitdruk wat ik in Emily mis.”

Mijnheer Omer's gezicht en zijne gebaren waren zoo welsprekend, dat ik met een gerust geweten kon knikken alsof ik zijne bedoeling begreep. Mijne vlugheid van begrip scheen hem te bevallen, want hij ging voort: „Nu, ik beschouw dit als een gevolg van de onzekerheid, waarin zij verkeert, begrijpt gij. Ik heb daarover lang en breed gepraat met haar oom en haar aanstaanden man; maar ik voor mij blijf het beschouwen als een gevolg van de onzekerheid waarin zij verkeert. Gij moet altijd bedenken,” vervolgde hij, al met het hoofd schuddende, „dat zij een buitengewoon gevoelig, hartelijk klein ding is. Het spreekwoord zegt: ‚Men kan uit een varkensoor geen zijden beursje maken,’ maar dat geef ik nog niet zoo grif toe. Ik geloof dat men het wel kan, als men maar vroeg begint. Zij heeft van die oude schuit een huis gemaakt, mijnheer, waarbij menig ander van hardsteen en marmer niet te vergelijken is wat gezelligheid betreft.”

„O, dat heeft zij zeker!” verklaarde ik.

„Het is een genot te zien hoe innig veel zij houdt van haar oom,” vervolgde mijnheer Omer, „hare aanhankelijkheid wordt bij den dag grooter. Nu, als dat het geval is moet er strijd gevoerd worden in haar hartje, dat kan niet anders. Maar waarom moet die langer duren dan noodig is?”

Ik luisterde met aandacht naar den goeden, ouden man en stemde van ganscher harte in met hetgeen hij zeide.

„Ik heb hun daarom het volgende gezegd,” ging hij voort op een toon, waarin eenige zelfvoldoening niet te miskennen was, „ik zeide: ‚Gij behoeft Emily op geenerlei wijze gebonden te achten. Volstrekt niet. Bepaal zelf maar den tijd. Zij heeft veel meer diensten bewezen dan ik kon vermoeden; zij heeft ook veel vlugger geleerd dan ik kon vermoeden; Omer en Joram kunnen een streep halen door hetgeen nog blijft staan en zij is vrij, wanneer zij den wensch maar te kennen geeft. Wil zij een schikking treffen om later nog eens een kleinigheid thuis voor ons te doen, heel goed. Doet zij dat niet—ook goed. Wij zijn in geen enkel opzicht bij haar te kort gekomen.’ Want, ziet ge,” vervolgde hij, terwijl hij mij even met zijne pijp aanraakte, „een man met zoo weinig adem als ik en dan nog wel een grootvader kan zulk een lief bloempje met zulke heerlijke blauwe oogen den voet niet dwars zetten.”

„Neen, natuurlijk niet!” riep ik uit.

„Natuurlijk niet! Dat zegt gij goed! Welnu, mijnheer, haar neef—gij weet dat zij met haar neef gaat trouwen?”—

„O, ja,” antwoordde ik. „Ik ken hem heel goed.”

„Ja, dat is waar ook, gij kent hem; welnu, haar neef schijnt goed werk te hebben en ook een flink werkman te zijn; hij bedankte mij op zeer manlijke wijze—over het geheel dwingt zijn gedrag eerbied af—en huurde zulk een allerliefst klein huisje, als gij of ik ons maar zouden kunnen wenschen. Dat kleine huisje is nu geheel gemeubileerd, zoo keurig en gezellig als een poppenkamertje en als de ziekte van Barkis niet een spaak in het wiel had gestoken, zouden zij al man en vrouw zijn. Nu is het huwelijk echter uitgesteld.”

„En is Emily nu niet meer zoo ongedurig?” vroeg ik.

Hij wreef zijn kin weder met zijne pijp en antwoordde: „dat zou buiten alle verwachting zijn. Het vooruitzicht van de verandering en de scheiding, alles is nu zoowel nabij als veraf. De dood van Barkis zou geen reden zijn tot uitstel, maar indien hij bleef sukkelen, zou het huwelijk zeker uitgesteld worden. Hoe het zij, het is, zooals gij ziet, een onzekere toestand voor haar.”

„Dat is zoo,” gaf ik toe.

„Ten gevolge daarvan,” ging mijnheer Omer voort, „is Em'ly niet zoo opgewekt als vroeger en wat gejaagd. Het schijnt wel dat zij bij den dag meer van haar oom gaat houden en het haar hoe langer hoe meer moeite zal gaan kosten om van hem en ons te scheiden. Een vriendelijk woord van mij brengt telkens tranen in haar oogen en als gij haar bezig zaagt met Minnie's kleine meid, zoudt gij een tooneeltje zien dat gij nimmer vergeet. Het is verbazend zooveel als zij van dat kind houdt!”