Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 45
Wat was hij welsprekend! Hij bracht ons aan het verstand, dat wij in onze kinderen herleven en dat onder den druk van geldelijke moeielijkheden elke vermeerdering van het aantal dubbel welkom is. Hij zeide, dat mevrouw Micawber eenigen tijd geleden aangaande dat punt in twijfel verkeerd had, maar dat hij haar twijfel op de vlucht gejaagd en haar gerustgesteld had. Hare familie was harer onwaardig en huldigde opvattingen, geheel verschillend met de zijne; zij mochten allen, wat hem betrof—ik herhaal zijn eigen woorden—naar den duivel loopen. Daarna hield mijnheer Micawber eene warme redevoering op Traddles, die, volgens hem, een aantal deugden bezat, waarop hij, Micawber, niet kon bogen, maar die hij, den Hemel zij dank, kon bewonderen. Hij sprak in gevoelvolle woorden over de jonge dame, schoon hem onbekend, wie Traddles vereerd had met zijne genegenheid, en die deze genegenheid beantwoordde door Traddles _hare_ genegenheid te schenken en tot een gelukkigen sterveling te maken. Mijnheer Micawber dronk op hare gezondheid en ik volgde zijn voorbeeld. Traddles beantwoordde dezen toost met een eenvoud en eene oprechtheid, die mij nog meer voor hem innamen, zeggende: „Ik betuig u beiden mijn hartelijken dank en ik kan u verzekeren, dat zij het liefste meisje van de wereld is.”
Mijnheer Micawber nam daarop de eerste gunstige gelegenheid te baat, om op de meest kiesche wijze en zoo plechtstatig mogelijk naar den toestand van mijn hart te informeeren. Niets dan de plechtige verzekering van het tegendeel uit den mond van zijn vriend Copperfield zelven, zoo verzekerde hij, kon hem den indruk ontnemen, dat zijn vriend Copperfield beminde en bemind werd. Na eenigen strijd met mijn bloed, dat mij gloeiend heet naar de wangen stroomde; na eenige malen eene ontkenning gestameld te hebben, nam ik met een gloeienden blos mijn glas op en zei: „Welnu, ik drink op de gezondheid van D.!” Mijnheer Micawber geraakte over deze woorden in zulk eene opgewondenheid, dat hij met zijn glas in de hand mijne slaapkamer binnenstormde, ten einde mevrouw Micawber op de gezondheid van D. te laten drinken. En zij deed het met geestdrift en riep met schelle stem: „Bravo! bravo! Beste Copperfield! Wat ben ik daar blijde om! Bravo!” en bij wijze van applaus klopte zij tegen den muur.
Daarna nam ons gesprek eene meer prozaïsche wending. Mijnheer Micawber vertelde ons dat Camden Town hem volstrekt niet beviel en dat het eerste wat hij doen zou, indien zich naar aanleiding van zijne advertentie iets opdeed, zou zijn: verhuizen. Hij sprak over eene woning aan het Westelijk uiteinde van Oxford Street tegenover Hyde Park, waarop hij reeds langen tijd het oog had; het was echter niet te verwachten, voegde hij er bij, dat hij terstond zoo groot zou kunnen beginnen, omdat hij zich dan op te kostbaren voet zou moeten inrichten. Waarschijnlijk zou er eenigen tijd moeten verloopen, gedurende welken hij zich zou moeten vergenoegen met een bovenhuis—in Piccadilly bijvoorbeeld—boven eene fatsoenlijken winkel of iets dergelijks. Piccadilly zou ook voor mevrouw Micawber een vroolijke stand zijn, en door een balcon te laten aanbrengen of nog eene verdieping er op te zetten en dergelijke veranderingen meer, zou men er eenige jaren genoegelijk kunnen wonen. Maar wat er ook voor hem mocht zijn weggelegd en waar hij zich ooit metterwoon zou vestigen, wij konden er vast op rekenen, dat er altijd een kamer voor Traddles en een mes en vork voor mij zouden te vinden zijn. Wij betuigden onze erkentelijkheid daarvoor, waarop hij zich verontschuldigde, omdat hij ons zoo lang over zijn eigen zaken en belangen had beziggehouden maar, zoo eindigde hij, het is te vergeven in iemand, die aan den vooravond staat van zulk eene geheel andere levenswijze.
Aangezien mevrouw Micawber op den muur klopte om te vernemen of de thee gereed was gezet, braken wij dit gedeelte van ons vriendschappelijk onderhoud af. Zij schonk thee voor ons en was de beminnelijkheid zelve; telkens wanneer ik bij haar kwam om een kopje of een bordje aan te nemen, vroeg zij mij op fluisterenden toon of D. blond of donker, klein of lang was en zoo al meer;—ik geloof dat deze vragen mij op dat oogenblik wel in eene aangename stemming brachten. Na de thee namen wij bij den haard plaats en behandelden nog een aantal verschillende onderwerpen; terwijl mevrouw Micawber zoo goed was met een mager, schel stemmetje, dat ik, als ik het mij goed herinner, bij flauw tafelbier vergeleek, eenige van haar meest geliefkoosde liederen voor te dragen. Mevrouw Micawber was bepaald beroemd geweest om hare liederen, toen zij nog bij haar papa en mama woonde, en mijnheer Micawber vertelde ons hoe zij daardoor reeds de eerste maal, dat hij onder haars vaders dak vertoefde, zijne aandacht getrokken had, en hij gedurende het luisteren naar de romance „de kleine Tafflin” besloten had hare hand te vragen of te sterven.
Tusschen tien en elf uur stond mevrouw Micawber op, pakte haar muts in hetzelfde papier, waarin zij die had medegebracht en begon haar hoed op te zetten; terwijl mijnheer Micawber van het oogenblik, dat Traddles zijn overjas aantrok, gebruik maakte om mij een brief in de hand te stoppen, met het fluisterend uitgesproken verzoek om dien eens op mijn gemak te lezen. Ik maakte van eene andere gelegenheid gebruik om Traddles iets in het oor te fluisteren. Terwijl ik namelijk over de leuning van de trap met eene kaars bijlichtte en mijnheer Micawber zijne echtgenoote behulpzaam was, hield ik Traddles een oogenblik staande.
„Traddles,” zei ik, „hij meent het niet kwaad, de arme drommel; maar als ik u was zou ik hem niets leenen.”
„Beste Copperfield,” antwoordde hij glimlachend, „ik bezit niets om te leenen.”
„Gij hebt toch een naam, begrijpt gij wel?”
„O! bedoelt gij dat?”
„Ja, zeker.”
„O!” hernam Traddles. „Ja, zeker, ik ben u zeer verplicht, Copperfield, voor uw raad, maar—ik geloof zeker dat ik hem dien reeds geleend heb.”
„Voor den wissel, die zulk eene goede geldbelegging moet worden?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde Traddles. „Daarvoor niet. Ik hoorde er van avond voor het eerst over spreken. Ik onderstel dat hij daarover op weg naar huis wel zal beginnen. Mijn naam staat onder een anderen.”
„Ik hoop toch dat gij er geen kwade gevolgen van zult ondervinden,” zei ik.
„Dat hoop ik ook,” zei Traddles. „Ik geloof het niet, want hij vertelde mij den volgenden dag, dat er voor gezorgd was. Ik herinner het mij zeer goed; hij zei anders niets dan ‚voor gezorgd’.”
Aangezien mijnheer Micawber juist op dit oogenblik naar boven keek, had ik nog slechts even de gelegenheid om mijne waarschuwing te herhalen. Traddles bedankte mij en ging de trap af. Toen ik hem echter, goedhartig als altijd, met de muts van mevrouw Micawber in de hand, deze een arm zag aanbieden, bekroop mij de vrees, dat hij tot over de ooren in de goede geldbeleggingen zou geraken.
Ik keerde naar mijn kachel terug en zat half ernstig, half lachend te peinzen over mijnheer Micawber's karakter en de oude betrekking tusschen ons, toen ik iemand met een haastigen stap de trap hoorde opkomen. In het eerste oogenblik meende ik dat Traddles terugkwam om iets te halen, dat door mevrouw Micawber vergeten was; maar toen de stap naderbij kwam, herkende ik dien van Steerforth. Mijn hart klopte hoorbaar en het bloed stroomde mij naar de wangen.
Ik had Agnes nog niet vergeten; zij behield in mijne gedachten altijd dezelfde eereplaats, die zij in het begin van mijn verblijf te Canterbury had ingenomen. Maar toen Steerforth binnentrad en voor mij stond met uitgestrekte hand, kwam er een gevoel van schaamte in mij op, omdat ik aan iemand, van wien ik zooveel hield, getwijfeld had. Toch bleef ik niet minder van Agnes houden; ik zag nog steeds in haar de vriendelijke, zegenende engel op mijn levensweg; ik verweet het mij zelven, haar niet, dat ik Steerforth onrecht had aangedaan en ik zou hem dat op alle mogelijke wijzen hebben willen vergoeden, indien ik maar geweten had wat ik doen moest en hoe ik het doen moest.
„Wel, Groentje, oude jongen, hoe staat gij daar zoo verbluft te kijken!” zei Steerforth lachend, terwijl hij mij de hand schudde. „Heb ik u weer op feestvieren betrapt, Sybariet, die gij zijt. Die heeren van Doctors' Commons zijn de vroolijkste lui uit de stad en schudden ons, suffe Oxforders, uit de mouw!” Zijn blik gleed opgeruimd de kamer rond, terwijl hij tegenover mij plaats nam op de canapee, die mevrouw Micawber juist verlaten had, en het vuur wat opporde.
„Ik was in het eerste oogenblik zoo verrast,” zei ik, terwijl ik hem zoo gastvrij mogelijk welkom heette, „dat ik nauwelijks genoeg adem had om u te begroeten, Steerforth!”
„Ja, het doet zieke oogen goed mij te zien, zooals men in Schotland zegt,” antwoordde Steerforth, „en het doet mij ook goed u te zien, zoo frisch en zoo bloeiend. Hoe maakt gij het, mijn drinkebroertje?”
„Uitstekend, maar van avond trek ik mij dien bijnaam niet aan, hoewel ik bekennen moet een feestje gehad te hebben.”
„Ja, ik ontmoette twee heeren en eene dame op straat, die luide uw lof verkondigden,” antwoordde Steerforth. „Wie was die vriend met de spanbroek?”
Ik gaf hem eene nauwkeurige beschrijving van mijnheer Micawber, waarom Steerforth hartelijk lachte. Hij zei, dat hij met dien man ongetwijfeld kennis moest maken.
„En wien denkt gij wel dat die tweede vriend was?” vroeg ik.
„Dat mag de Hemel weten!” antwoordde hij. „Toch geen vervelende vent? Hij zag er, dunkt mij, naar uit.”
„Dat is Traddles!” riep ik vol geestdrift.
„Wie?” vroeg Steerforth op zijne onverschillige manier.
„Herinnert gij u Traddles niet? Traddles, die ook op onze kamer lag op Salem House!”
„O, die jongen!” zei hij, met de pook een groot stuk steenkool tot gruizels slaande. „Is hij nog altijd even onnoozel? Waar, in 's Hemels naam, hebt gij hem teruggevonden?”
Ik hemelde Traddles zooveel ik kon op, want ik had het gevoel dat Steerforth een minachtend denkbeeld van hem koesterde. Blijkbaar stapte hij liever van dit onderwerp af. Hij glimlachte en knikte even en zei, dat het hem aangenaam zou zijn Traddles ook eens te ontmoeten, omdat hij hem altijd zulk een „rare Chinees” had gevonden. Daarna vroeg hij of ik ook iets te eten voor hem had, maar gedurende het geheele gesprek had hij, wanneer hij zelf niet op zijn gewonen levendigen toon aan het woord was, met den pook in het vuur zitten porren, en terwijl ik een restantje van de duivenpastei voor hem opdischte, bleef hij daarmede voortgaan.
„Maar, Groentje, dat is een koninklijk souper!” riep hij uit, plotseling de stilte verbrekende. „Ik zal er eer aan doen,” voegde hij er bij, „want ik kom juist uit Yarmouth.”
„Ik meende dat gij uit Oxford waart gekomen.”
„Wel neen,” zei hij, „ik ben op zee geweest—dat is veel gezonder!”
„Littimer is van avond hier geweest om naar u te vragen,” vertelde ik, „en ik heb van hem begrepen dat gij te Oxford waart; ofschoon, nu ik er goed over nadenk, heeft hij dit niet bepaald gezegd.”
„Littimer is nog grooter dwaas dan ik dacht; hij behoefde niet naar mij te komen vragen,” zei Steerforth, terwijl hij zich een glas wijn inschonk en op mijne gezondheid dronk. „Maar, Groentje, gij moet verstandiger zijn dan de meesten van ons, als gij hem begrijpen kunt.”
„Dat is waar, zeker,” antwoordde ik, terwijl ik mijn stoel wat dichter bij de tafel schoof. „En zijt gij dus in Yarmouth geweest, Steerforth?” vroeg ik. „Zijt gij daar lang geweest?” Ik stelde er genoeg belang in om alles te weten.
„Neen,” antwoordde hij. „Een uitstapje van een week ongeveer.”
„En hoe maken zij het allen? De kleine Emily is nog niet getrouwd, nietwaar?”
„Neen, nog niet. Over zooveel weken of maanden, geloof ik—maar dat weet ik niet juist. Ik heb hen niet dikwijls gezien. A propos,”—hij legde mes en vork neer en tastte in zijn jaszak—„ik heb een brief voor u meegebracht.”
„Van wien?”
„Wel, natuurlijk van uw oude kindermeid,” antwoordde hij, terwijl hij eenige papieren te voorschijn haalde. „J. Steerforth, Esquire, debet aan het.... neen, dat is het niet. Geduld maar, wij zullen hem wel vinden. De oude—hoe heet hij ook weer?—is er slecht aan toe, geloof ik.”
„Bedoelt gij Barkis?”
„Ja!” riep hij, al zoekende, „het raakt gedaan met den armen Barkis, vrees ik. Ik ontmoette daar een klein apothekertje of chirurgijn—dat is ook wel mogelijk—die UEdele in de wereld heeft geholpen. Hij vertelde mij allerlei geleerdheid over het geval, maar het resultaat van alles was, dat de voerman binnen eenige dagen zijne laatste reis zal maken.—Kijk eens in den binnenzak van mijn overjas, die ginds op den stoel ligt; daar zult gij den brief wel vinden. Is hij er in?”
„Ja, ik heb hem!” zei ik.
„Dan is alles in orde!”
De brief was van Peggotty, nog wat minder leesbaar dan gewoonlijk, maar heel kort. Zij beschreef mij den hopeloozen toestand van haar man en voegde er bij dat hij nog „knibbeliger” was dan gewoonlijk en het haar dientengevolge zoo moeilijk viel iets tot zijn eigen bestwil te doen. Er stond geen woord in over al de nachten, die zij wakend doorbracht, over hare moeilijke taak, neen, niets dan loftuitingen over hem. In alles straalde haar eenvoud, hare ongekunstelde, oprechte vroomheid door en de brief eindigde met de groeten aan haar „eeuwigen” lieveling, waarmede zij mij bedoelde.
Terwijl ik dat alles ontcijferde, ging Steerforth met zijn souper voort.
„Het is zeker slechte tijding,” zei hij, toen ik gereed was, „maar elken dag gaat de zon onder en elke minuut sterven er menschen; wij moeten ons niet verontrusten over het lot, dat allen treffen moet. Indien wij ons angstig maken over ons eigen lot, omdat te eeniger tijd de hand, die aan alle deuren aanklopt, zich ook aan de onze zal laten hooren, kunnen wij niets tot stand brengen. Neen! Voorwaarts! Altijd voorwaarts! Als het moet, in volle vaart; recht op het doel af! Over alle hindernissen heen! Dan eerst heeft men kans den prijs te winnen!”
„Welken prijs?” vroeg ik.
„Den prijs, waarvoor de wedren is begonnen,” antwoordde hij. „Altijd voorwaarts!”
Toen hij zweeg en mij, met het hoofd een weinig achterover en het glas in de hand, aankeek, maakte ik in mij zelven de opmerking—ik herinner mij dat zeer goed—dat al had de zeewind eene frissche kleur op zijn gelaat achtergelaten, er toch eene uitdrukking op lag, die ik er vroeger niet op had gezien; dat het sporen vertoonde van de eene of andere aanhoudende krachtsinspanning, waaraan hij zich zoo hartstochtelijk kon overgeven, wanneer de lust er toe eenmaal in hem was opgewekt. Ik dacht er over, hem eens te zeggen hoe verkeerd ik het vond op zoo doldriftige wijze iedere in hem opkomende gril na te jagen—zooals nu bijvoorbeeld weder dien inval, om in alle weer en wind de woeste zee te trotseeren—maar ik liet dit denkbeeld varen, om tot het eigenlijke onderwerp van ons gesprek terug te keeren.
„Als gij eens bedaard naar mij wilt luisteren, Steerforth, zal ik u iets vertellen,” sprak ik.
„O, zeker, gaarne,” antwoordde hij, terwijl hij zijn stoel van de tafel naar den haard schoof.
„Ik ben voornemens mijn oude Peggotty eens te gaan opzoeken. Wel kan ik haar niet behulpzaam zijn, maar zij is zoo aan mij gehecht, dat mijn bezoek haar zeker goed zal doen. Het zal haar verkwikken en wat moed geven in hare moeilijke taak. Zij is altijd zoo goed voor mij geweest en dit is het eenige dat ik voor haar doen kan. Zoudt gij het ook niet doen, als gij in mijne plaats waart?”
Hij bleef een oogenblik in gepeins verzonken zitten, eer hij, half binnensmonds, antwoordde: „Wel zeker. Ga er heen. Het kan geen kwaad.”
„Gij komt juist van Yarmouth terug; het zou dus vergeefsche moeite zijn u uit te noodigen om mij te vergezellen.”
„Onmogelijk! Ik ga van avond nog naar Highgate. Ik heb mijne moeder in langen tijd niet gezien. Mijn geweten knaagt, want het is waarlijk eenig zooals zij haar verloren zoon liefheeft.—Maar wat zit ik toch te bazelen! Gij zoudt natuurlijk morgen reeds willen gaan?” vroeg hij, terwijl hij beide handen op mijne schouders legde en mij op armslengte van zich af hield.
„Ja, dat was mijn plan.”
„Welnu, ga er dan overmorgen heen. Ik ben juist hier gekomen om u te vragen of gij een paar dagen bij ons wilt komen en nu vliegt gij weer op eens naar Yarmouth.”
„Gij moogt wel spreken van „vliegen”, gij, die geen dag rustig ergens blijven kunt en nauwelijks den eenen geheimzinnigen tocht achter den rug hebt of gij verzint weer wat anders.”
Hij keek mij eenige oogenblikken aan zonder te antwoorden, terwijl hij mij nog steeds op dezelfde wijze vasthield.
„Kom! Zeg overmorgen, en breng morgen den dag bij ons door! Wie weet wanneer wij elkander zullen terugzien! Kom! Zeg overmorgen! Ik heb u noodig om mij van Rosa Dartle te scheiden.”
„Zoudt gij elkaar anders al te innig liefhebben?”
„Ja—of haten,” zei Steerforth; „maar dat blijft hetzelfde. Kom, zeg overmorgen!”
Ik zei: „overmorgen” en daarop trok hij zijne overjas aan, stak een nieuwe sigaar op en ging heen. Ziende dat het hem ernst was om nu nog te vertrekken, trok ik ook mijne overjas aan—ik stak echter geen sigaar op, want ik had aan die ééne genoeg gehad—en bracht hem tot op den straatweg. Wat zag die weg er bij nacht eenzaam en verlaten uit! Steerforth was vroolijker dan ooit en toen wij afscheid hadden genomen, zag ik hem zoo moedig en luchtig daar heenstappen, dat ik niet kon nalaten aan zijn woorden te denken: „Voorwaarts! Over alle hindernissen heen! Dan eerst wint men den prijs!” Voor de eerste maal wenschte ik hem toe, dat het doel zijner waardig zijn zou.
Terwijl ik mij op mijne kamer uitkleedde, viel de brief van mijnheer Micawber voor mij op den grond. Ik verbrak het zegel en begon te lezen. Hij was gedateerd: anderhalf uur voor ons diner.—Ik weet niet of ik reeds heb meegedeeld, dat mijnheer Micawber in zijne wanhopigste buien een zekeren stijl gebruikte, waaraan hij de kracht scheen toe te kennen om zijne zaken in eens te regelen.
De brief luidde:
„Mijnheer! (ik durf niet schrijven: Waarde Copperfield).
Ik ben verplicht u mede te deelen, dat ondergeteekende vernietigd is. Wellicht zult gij heden nu en dan eene poging van hem waarnemen, om u eene ontijdige bekentenis van zijn jammerlijken toestand te besparen; maar al mijn hoop is tot beneden den horizon gedaald—de ondergeteekende is vernietigd.
Dit schrijven wordt op papier gebracht in tegenwoordigheid—ik kan niet zeggen in gezelschap—van een persoon, die in een voortdurenden staat van dronkenschap verkeert en in dienst is van een deurwaarder. Deze persoon is in het wettig bezit van een dwangbevel betreffende de huurpenningen van mijne tegenwoordige woning. Zijn inventaris bevat niet alleen alle roerende goederen, die den ondergeteekende als huurder van deze woning op eene overeengekomen jaarlijks te betalen som, toebehooren, maar ook die van Mr. Thomas Traddles, commensaal, lid van de „Honourable Society of the Inner Temple.”
Indien er nog een droppel alsem mocht ontbreken in den beker, dien ondergeteekende—zoo sprak een onsterfelijk schrijver—naar de lippen wordt gebracht, dan zal die zeker gevonden worden in de noodlottige omstandigheid, dat voorvermelde Mr. Thomas Traddles borg gebleven is voor de som van 23 pond, 4 shillingen 9½ stuiver en dat hiervoor _niet_ is gezorgd. Het feit zal zich dus ‚opdoen’ dat bij alle verplichtingen, die ondergeteekende op zich genomen heeft, nog een tweede slachtoffer de dupe zal worden; want de wissel, hiervoren bedoeld, moet verschijnen—om ronde getallen te noemen—binnen zes maanden na den dag van heden.
Na deze premissen zou het overdaad zijn hier nog bij te voegen, dat er voor eeuwig stof en asch is gestrooid op het hoofd van
Wilkins Micawber.”
Arme Traddles! Ik kende mijnheer Micawber voldoende om te weten, dat hij dezen slag wel zou te boven komen; maar mijn nachtrust werd op jammerlijke wijze verstoord, omdat ik voortdurend moest denken aan Traddles en aan de domineesdochter, die er eene was van tien en in Devonshire woonde en die zulk een lief meisje was en op Traddles zou wachten—welk een vooruitzicht!—al werd zij zestig jaar!
XXIX.
Ik bezoek Steerforth voor de laatste maal.
Ik deelde mijnheer Spenlow mede dat ik eenige dagen afwezig zou blijven; aangezien ik nog geen salaris ontving en dientengevolge nog niet afhankelijk was van den onvermurwbaren Jorkins, kon hij niets daar tegen hebben. Ik nam deze gelegenheid te baat—de stem stokte mij bijna in de keel en er kwam een nevel voor mijne oogen, terwijl ik de woorden uitsprak—om naar de gezondheid van Juffrouw Spenlow te informeeren; waarop mijnheer Spenlow met eene kalmte, alsof hij over een gewoon menschelijk wezen sprak, mij bedankte voor mijne belangstelling en zei dat zij heel wel was.
Wij, ongesalariëerde klerken en aanstaande proctors, werden met de grootste inschikkelijkheid behandeld, zoodat ik bijna mijn eigen meester was. Aangezien ik echter geen lust had vroeger dan een of twee uur te Highgate te komen en wij dien morgen weder een excommunicatie-zaakje hadden,—Tipkens contra Bullock, tot heil van de ziel van laatstgenoemde—bracht ik in afwachting daarvan nog eenige uren op zeer aangename wijze met mijnheer Spenlow door. Dit proces was ontstaan tusschen twee kerkvoogden; een van hen was beschuldigd den ander tegen een pomp geduwd te hebben en aangezien de zwengel van de pomp tegen de school aankwam en deze school met de kerk onder één dak was gebouwd, werd de overtreding tot een kerkelijk delict gestempeld. Het was een vermakelijk proces, dat mij, toen ik op de bok van de diligence naar Highgate zat, telkens deed denken aan hetgeen mijnheer Spenlow gezegd had van „raken aan de Commons en het land gaat te gronde.”
Mevrouw Steerforth ontving mij zeer hartelijk, evenals Rosa Dartle. Ik was zeer blijde, dat Littimer er niet was en wij bediend werden door een zedig kamermeisje met blauwe linten aan de muts, wier blik, als ik dien toevallig ontmoette, veel vriendelijker was en mij veel minder verlegen maakte dan die van den hoogst fatsoenlijken, doch onuitstaanbaren Littimer. Wat ik echter hoofdzakelijk opmerkte, reeds toen ik nog geen half uur in huis was, dat was de oplettendheid, waarmede juffrouw Dartle al mijne gangen gadesloeg, en de loerende blik, waarmede zij telkens van mij naar Steerforth en van Steerforth naar mij keek, alsof zij in afwachting verkeerde van iets, dat tusschen ons beiden gebeuren moest. Zoo dikwijls ik naar haar keek, zag ik haar mager gezicht met de holle, donkere oogen en scherpgeteekende wenkbrauwen op mij gericht of plotseling overgaande op Steerforth, wanneer zij niet ons beiden tegelijk gadesloeg. En zij schaamde zich volstrekt niet wanneer zij bemerkte dat ik zag hoe zij ons bespiedde, neen, des te scherper vestigde zij dan haar doordringenden blik op mij. En hoe onschuldig ik ook was aan elk vergrijp, waarvan zij mij verdenken kon, sloeg ik mijne oogen neer voor de hare, die schitterden als de oogen van een hongerigen wolf.
Den geheelen dag scheen zij overal te gelijk te zijn. Toen ik met Steerforth op zijne kamer zat te praten, hoorde ik het ritselen van hare japon op de veranda. Toen wij ons op het grasperk achter het huis met het balspel vermaakten, zag ik haar gezicht als een dwaallicht van raam tot raam gaan, tot het achter een hoekraam ons bleef bespieden. Toen wij des avonds met ons vieren een wandeling gingen maken, sloeg zij haar magere hand om mijn arm, zoodat deze als in een schroef was geklemd, en bleef met mij achter, terwijl Steerforth en zijne moeder vooruitliepen.
„Gij zijt lang weggebleven,” sprak zij. „Hebt gij werkelijk zulk eene drukke en belangwekkende betrekking, dat gij daardoor geheel in beslag genomen wordt? Ik vraag dit omdat ik gaarne op de hoogte wil komen van alles wat ik niet weet. Is het werkelijk zoo?”
Ik antwoordde dat mij mijne betrekking wel goed beviel, maar dat ik er nu niet zooveel ophef van maken kon.