Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 44
„Lieve,” antwoordde mijnheer Micawber, die plotseling ernstig was geworden, „wat anderen gedaan hebben, behoef ik ook niet te weten. Ik begrijp het maar al te goed dat, wijl gij door het onnaspeurlijk noodlot voor mij bewaard werdt, gij bewaard zijt voor iemand, wiens bestemming is om na eene langdurige worsteling eindelijk te vallen als het slachtoffer van de meest ingewikkelde geldelijke beslommeringen. Ik begrijp uwe toespeling, lieve, en betreur die, maar kan ze dragen.”
„Micawber!” riep zijne vrouw uit terwijl zij in tranen uitbarstte. „Heb ik dat verdiend? Ik, die u nooit verlaten heb en u nimmer verlaten zal, Micawber!”
„Lieve!” hernam mijnheer Micawber, hevig ontroerd, „gij zult het mij vergeven en onze oude, beproefde vriend Copperfield zal het mij ook vergeven, daarvan ben ik overtuigd, dat ik een oogenblik lucht gaf aan mijn overkropt gemoed, nu het overliep tengevolge van eene zoo even plaats gehad hebbende onaangenaamheid met een gunsteling van het gezag.... kortom met een brutalen kraanafsluiter van de waterleidingmaatschappij—gij zult mijne in overijling uitgesproken woorden vergeven, niet veroordeelen.” Daarna omhelsde mijnheer Micawber zijne vrouw en bood mij de hand; terwijl hij het aan mij overliet om uit zijne woordspeling op te maken, dat de kraan van de waterleiding dien morgen was afgesloten, omdat hij in gebreke was gebleven het gebruikte water te betalen.
Ten einde aan zijne sombere gedachten eene andere richting te geven, vertelde ik hem, dat ik op zijne hulp gerekend had voor het toebereiden van een punch-bowl en bracht hem bij de citroenen. In een oogwenk was zijne neerslachtige, zoo niet wanhopige stemming geweken. Nooit zag ik iemand zich zoo vergasten aan schijfjes citroen, suiker, brandende rhum en kokend water als mijnheer Micawber dien namiddag. Het was vermakelijk zijn bolrond gelaat te zien blinken tusschen de wolk van geurige dampen, die omhoog steeg; men zou eerder gemeend hebben, dat hij bezig was een fortuin te regelen voor zich zelven en zijn verste nageslacht dan een eenvoudigen punch-bowl te mengen. En Mevrouw Micawber? Ik weet niet of het ten gevolge van de muts was, of van de _eau de lavende_, of van de spelden, of van de warme kamer en de waskaarsen, maar toen zij weder binnenkwam, zag zij er bepaald lief uit. En geen leeuwerik was ooit vroolijker dan deze uitnemende vrouw.
Ik onderstel—ik heb er nooit naar durven vragen, zoodat ik slechts kan onderstellen—dat juffrouw Crupp na het bakken van de visch onwel is geworden. Hoe het zij, de schapebout werd binnengebracht, bleek van buiten, en rood van binnen; bovendien was ze bestrooid met eene gruisachtige zelfstandigheid, zoodat het vermoeden gewettigd was, dat ze in de asch van die merkwaardige keukenkachel gevallen was. Uit de jus konden wij deze gevolgtrekking echter niet maken, want het weinigje, dat er bij was geweest, was door „het meisje” op de trap gemorst, waar ze bleef liggen tot ze er afgeloopen was. De duivenpastei was niet slecht, maar eigenlijk geen pastei; de korst was als een hoofd, dat bij nader onderzoek teleurstelt; ze was vol bulten en knobbels, maar er zat niets bijzonders in. Kortom, het diner was zoo totaal mislukt, dat ik me diep ongelukkig zou gevoeld hebben—over het mislukken, bedoel ik, want ik voelde mij voortdurend ongelukkig over Dora—indien de bijzonder opgeruimde stemming van mijne gasten en een prachtig voorstel van Mijnheer Micawber mij niet opgewekt hadden.
„Mijn waarde vriend Copperfield,” zei hij, „in de best geregelde huishoudens heeft wel eens een ongeluk plaats en in huishoudens, waarin die alles doordringende geest ontbreekt, die geest, welke zijn heiligenden invloed... kortom, waarin geen vrouw aan het roer zit, die den verheven titel van huisvrouw draagt, moeten ze meermalen voorkomen en met lankmoedigheid gedragen worden. Indien gij mij wilt veroorlooven de vrijheid te nemen om te doen opmerken, dat er weinig gerechten in hunne soort beter zijn dan een zoogenaamde „duivel” en dat wij, eene behoorlijke verdeeling van arbeid in acht nemende, naar mij voorkomt, een voortreffelijke zouden kunnen verschaffen, indien dit meisje ons een rooster kan bezorgen: ik verzeker u, dat het kleine ongelukje dan uitstekend zal zijn te verhelpen.”
In de provisiekamer stond een klein rooster, waarop des morgens het spek voor mijn ontbijt werd geroosterd. Wij haalden dien terstond op en gingen zonder dralen aan het werk om mijnheer Micawber's plan te verwezenlijken. De verdeeling van arbeid, waarover hij gesproken had, was de volgende: Traddles sneed de schapebout in schijven; mijnheer Micawber, wien niemand dit zou verbeterd hebben, bestrooide ze met peper, mosterd, zout en cayennepeper; ik legde ze op een rooster, keerde ze met een vork om en nam ze er, op mijnheer Micawber's aanwijzing, af; terwijl mevrouw Micawber voortdurend zat te roeren in een pannetje met champignonsaus. Toen wij schijven genoeg hadden om mede te beginnen, vielen wij er met opgestroopte mouwen op aan, terwijl er voortdurend meer schijven op het vuur werden gelegd, zoodat wij onze aandacht moesten verdeelen tusschen die op ons bord en die op den rooster.
Het eigenaardige van zulk een gebak en gerooster, de uitmuntende resultaten, de drukte, het voortdurend opspringen om naar de kachel te gaan, het telkens weer neervallen op onze stoelen, wanneer de schijven knappend en sissend van den rooster op onze borden waren gelegd, het heete vuur, het rumoer en de uitlokkende geur, alles te zamen was zoo opwekkend, dat er al heel spoedig niets meer van de schapebout was overgebleven dan het kale bot. Mijn eigen eetlust was op merkwaardige wijze teruggekeerd. Ik schaam mij het te bekennen, maar ik geloof dat ik Dora gedurende eenigen tijd vergat. Ik geloof niet dat mijnheer en mevrouw Micawber met meer smaak gegeten zouden hebben, al hadden zij er een bed voor verkocht. Traddles lachte bijna onophoudelijk, zoowel etende als werkende. En dat deden wij allen zonder onderscheid, zoodat ik durf zeggen dat zelden een plan zoo goed is kunnen slagen.
Te midden van onze vroolijkheid, terwijl wij nog druk bezig waren, ieder in zijn eigen departement, en ons best deden om de laatste schijven tot eene volmaaktheid te brengen, die de kroon zou zetten op het geheele feest, bespeurde ik plotseling dat er iemand de kamer was binnengekomen, en toen ik mij omkeerde, keek ik in de strakke oogen van Littimer, die met den hoed in de hand voor mij stond.
„Wat is er aan de hand?” vroeg ik onwillekeurig.
„Excuseer, mijnheer; men heeft mij hierheen verwezen. Is mijnheer Steerforth niet hier?”
„Neen.”
„Hebt gij mijnheer Steerforth niet gezien?”
„Neen; komt gij dan niet van mijnheer?”
„Niet direct, mijnheer.”
„Heeft mijnheer gezegd dat gij hem hier zoudt vinden?”
„Niet bepaald, mijnheer. Ik vermoed echter dat mijnheer morgen wel hier zal komen, indien hij er heden niet geweest is.”
„Komt mijnheer uit Oxford?”
„Wil mijnheer zoo goed zijn plaats te nemen,” antwoordde hij op eerbiedigen toon, „en mij veroorloven dit werk te doen.” Te gelijker tijd nam hij mij de vork uit de hand—ik dacht aan geen tegenstribbelen—en boog zich over den rooster, alsof hij al zijne aandacht op de laatste schijven gevestigd had.
Ware Steerforth zelf binnengekomen, dan zouden wij ons geen oogenblik hebben laten storen, maar tegenover dezen hoogst fatsoenlijken knecht waren wij in een oogenblik zoo bedeesd als jongejuffrouwen. Mijnheer Micawber was, een deuntje neuriënd om te toonen dat hij zich zeer op zijn gemak voelde, achter in zijn stoel gaan zitten, terwijl het handvat van een haastig weggeborgen vork uit zijn borstzak stak, alsof hij zich daarmede had doorstoken. Mevrouw Micawber trok hare bruine handschoenen aan en deed haar best eene zekere voorname onverschilligheid ten toon te spreiden. Traddles streek met zijne vettige vingers door zijne haren, zoodat deze rechtop bleven staan, en staarde verlegen op het tafellaken. En ik zelf? Ik geleek een hulpeloos kind aan het hoofd van mijn eigen tafel en durfde nauwelijks een blik slaan op de uiterst fatsoenlijke verschijning, die daar uit den hemel nedergedaald scheen te zijn om wat orde te brengen in mijn huishouden.
Intusschen had hij reeds het vleesch van den rooster genomen en rondgediend. Wij namen er allen wat van, maar de aardigheid was er af en wij hielden ons maar of wij er van aten. Toen wij onze borden de een na den ander wegschoven, nam hij ze zonder eenig gedruisch van de tafel op en zette de kaas gereed; nadat allen een stukje genomen hadden, nam hij ook die weer weg, ruimde de tafel op, zette alles op den stommeknecht bijeen, gaf ons de wijnglazen en bracht, zonder eenige aanwijzing te vragen, den stommeknecht in de provisiekamer. Hij deed dit alles op onberispelijke wijze, zonder een enkele maal de oogen van zijn werk op te slaan en toch, zelfs zijn ellebogen schenen mij te zeggen dat ik nog erg jong was.
„Kan ik nog iets voor u doen, mijnheer?”
Ik bedankte hem en zei: „Neen”, maar vroeg of hij zelf niet wat wilde gebruiken.
„Neen, mijnheer, wel verplicht.”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„U zegt, mijnheer?”
„Komt mijnheer Steerforth van Oxford?”
„Ik onderstel dat mijnheer morgen hier zal komen. Ik meende dat mijnheer vandaag al hier zou zijn geweest. Zonder twijfel is de vergissing aan mijn kant, mijnheer.”
„Mocht gij mijnheer eerder zien dan ik”—zei ik.
„Neem mij niet kwalijk, mijnheer, maar ik geloof niet dat ik mijnheer eerder zien zal.”
„Mocht dit zoo zijn,” antwoordde ik, „dan verzoek ik u mijnheer te zeggen dat het mij spijt hem vandaag niet bij mij te hebben gehad, omdat er een schoolkameraad van hem hier was.”
„Zoo, waarlijk, mijnheer!” Hij verdeelde zijne buiging tusschen mij en Traddles, met een glimlach naar laatstgenoemde.
Reeds was hij op zijne gewone zachte manier op weg naar de deur, toen ik in de ijdele hoop om iets op natuurlijken toon tot dien man te zeggen—dat mij maar niet kon gelukken—riep:
„O, ja, Littimer!”
„Mijnheer!”
„Zijt gij nog lang in Yarmouth gebleven?”
„Niet zoo heel lang, mijnheer.”
„Hebt gij de schuit nog geheel gereed gezien?”
„Ja, mijnheer, ik bleef immers achter met het doel om de schuit te zien gereed maken.”
„Ja, dat weet ik!”—Hij keek mij met een zekeren eerbied aan.—„Heeft mijnheer Steerforth de schuit al gereed gezien?”
„Ik kan het u niet zeker zeggen. Ik denk het wel—maar weet het niet zeker, mijnheer. Goeden avond, mijnheer.”
De buiging, die hij maakte, was voor allen te zamen bestemd en daarna verdween hij. Mijne gasten schenen ruimer adem te halen toen hij weg was, maar ik zelf voelde mij ook duizend pond lichter; want behalve het gevoel van minderheid, dat mij in tegenwoordigheid van dien man altijd beklemde, plaagde mijn geweten mij, omdat ik een blijk van wantrouwen in zijn meester had gegeven en was het mij niet mogelijk een gevoel van angst te onderdrukken, dat hij het opgemerkt zou hebben. Hoe kwam het toch dat ik, die zoo weinig te verbergen had, in tegenwoordigheid van dien man altijd vreesde, op het een of ander betrapt te zullen worden?
Mijnheer Micawber wekte mij uit mijne overpeinzing, waarin een knagend gevoel van angst zich mengde voor eene ontmoeting met Steerforth, door den afwezigen Littimer een allerfatsoenlijkst man en het puikje van alle heereknechten te noemen. Ik moet hier nog bijvoegen, dat mijnheer Micawber zich het leeuwendeel van de algemeene buiging toegeëigend en met eene zekere nederbuigende vriendelijkheid beantwoord had.
„Wel, beste Copperfield,” sprak hij, „punch is als de tijd en het getij, zij wacht op niemand. Op het oogenblik is ze volmaakt. Wilt gij uw oordeel er eens over uitspreken, lieve?”
Mevrouw Micawber vond ze uitmuntend.
„Indien mijnheer Copperfield mij deze vrijheid wil veroorloven,” ging mijnheer Micawber voort, „dan zal ik drinken op de herinnering aan de dagen, toen hij en ik jonger waren en ons te zamen door de wereld moesten slaan.” Daarna dronk hij zijn glas ledig en wij volgden dit voorbeeld. Traddles was blijkbaar zeer verwonderd te vernemen, dat er een tijd geweest was, waarin mijnheer Micawber en ik te zamen den strijd om het bestaan zouden gevoerd hebben.
„Ahem!” deed mijnheer Micawber. „Nog een glaasje, lieve?”
„Een half glas,” antwoordde mevrouw Micawber; maar dat wilden wij niet toestaan, zoodat het een vol glas werd.
„Nu wij hier zoo vertrouwelijk bij elkander zitten, Copperfield,” sprak mevrouw Micawber, kleine teugjes uit haar glas nemende,—„mijnheer Traddles behoort als het ware tot de onzen—zou ik gaarne eens uw oordeel kennen over de vooruitzichten van mijnheer Micawber. De granen—ik heb dat reeds meer dan eenmaal aan mijnheer Micawber gezegd—dat mag zeer fatsoenlijk zijn, winstgevend is het niet. Een commissieloon van twee shilling en negen stuivers in veertien dagen kan, hoe weinig eischend wij ook zijn mogen, onvoldoende geacht worden.”
Wij stemden dit allen toe.
„Welnu,” ging mevrouw Micawber voort, trotsch op haar helder inzicht in de zaken, waardoor zij haar echtgenoot met echt vrouwelijke wijsheid op den rechten weg hield, waarvan hij anders wellicht nu en dan zou zijn afgedwaald, „dan doe ik, zooals van zelf spreekt, deze vraag: Indien de granen niets opleveren, waarin dan? In de steenkolen? Ook niet! Wij hebben op raad van onze famillie de proef genomen in de steenkolen en zijn bedrogen uitgekomen.”
Mijnheer Micawber leunde met de handen in de zakken achterover in zijn stoel, knikte nu en dan eens met zijn hoofd, keek ons beurtelings aan en gaf door zijne geheele houding te kennen, dat, naar zijn oordeel, de zaak uitmuntend werd voorgedragen.
„Granen en steenkolen,” ging mevrouw Micawber in haar gewonen betoogtrant voort, „moeten dus geheel buiten beschouwing blijven, mijnheer Copperfield; wat is dus natuurlijker dan dat ik in de wereld rondkijk en zeg: Waarin zou een man met mijnheer Micawber's talenten dan wel fortuin kunnen maken? Ik sluit daarbij alle commissiehandel uit, want die geeft nooit zekerheid. Ik ben overtuigd dat iemand met mijnheer Micawber's eigenaardig karakter zekerheid hebben moet.”
Traddles en ik gaven beiden door een goedkeurend gemompel te kennen, dat deze groote ontdekking zonder twijfel eene even groote waarheid was en mijnheer Micawber tot eer strekte.
„Ik zal voor u, Copperfield, niet verhelen,” vervolgde mevrouw Micawber, „dat ik reeds eenigen tijd er over gedacht heb of de bierbrouwerij niet bijzonder geschikt zou zijn voor iemand als mijnheer Micawber. Daar hebt gij Barclay en Perkins! Truman, Hanbury en Buxon! Het brouwersvak neemt in den laatsten tijd zulk een hooge vlucht, dat mijnheer Micawber—ik zeg dit omdat ik hem zoo goed ken—daarin zonder twijfel zou uitblinken en, naar men mij verteld heeft, moet er _ontzaglijk_ veel geld mede verdiend worden! Maar als mijnheer Micawber geen deelgenoot in een dezer firma's kan worden—zijne brieven, waarin hij zich zelfs als ondergeschikte aanbood, zijn niet eens beantwoord—wat baat het ons dan om aan zulk een denkbeeld te blijven hangen? Niets! Ik mag al de overtuiging koesteren dat mijnheer Micawber's talenten.....”
„Hm! waarlijk, lieve,” zoo viel mijnheer Micawber haar in de rede.
„Stil, beste,” hernam zijne echtgenoote, terwijl zij haar bruinen handschoen op zijn arm legde, „ik mag al de overtuiging hebben, mijnheer Copperfield, dat mijnheer Micawber's talenten hem zeer geschikt doen zijn voor eene bankierszaak; ik mag al zeggen dat, indien ik geld bij een bankier had gedeponeerd, mijnheer Micawber mij, als vertegenwoordiger van dat bankiershuis, vertrouwen zou inboezemen; maar als geen der bankiershuizen wil partij trekken van mijnheer Micawber's bekwaamheden, ja, indien zij zelfs zijn aanbod om daarvan partij te trekken met minachting van de hand slaan, wat baat het ons dan op _dat_ denkbeeld te blijven staan? Niets! En zelf een bankiershuis oprichten? Ja, ik weet dat er leden in mijne familie zijn, die, indien zij hun geld in handen van mijnheer Micawber wenschten te geven, zeer goed de grondstoffen voor een bankiershuis zouden kunnen leveren. Maar indien zij dat _niet_ wenschen—en zij wenschen het niet—wat baat het dan! Ik beweer dus dat wij nog even ver zijn als zoo even.”
Ik knikte en zei: „Nog even ver.” En Traddles knikte ook en zei: „Nog even ver.”
„Wat moet ik nu daaruit afleiden?” vervolgde mevrouw Micawber, nog steeds zich beijverend om heel duidelijk te zijn. „Wat is de slotsom, mijn beste Copperfield, waartoe ik onherroepelijk komen moet? Heb ik ongelijk als ik zeg: het is duidelijk dat wij moeten leven?”
„Neen, volstrekt niet,” antwoordde ik en ook Traddles antwoordde: „Neen volstrekt niet,” en ik voegde er later nog heel wijsgeerig bij, dat iemand moest leven of sterven.
„Juist,” riep mevrouw Micawber uit. „Dat is het juist. Maar het is ook een feit, beste Copperfield dat wij niet kunnen leven indien zich niet spoedig iets opdoet, geheel verschillend van onze tegenwoordige omstandigheden. Ik ben echter overtuigd en ik heb dit mijnheer Micawber in den laatsten tijd verscheidene malen onder het oog gebracht, dat zich uit zichzelf niets kan opdoen. Wij moeten tot op zekere hoogte helpen om zich iets te laten opdoen. Het is mogelijk dat ik het mis heb, maar het is en blijft mijne overtuiging.”
Traddles en ik verklaarden dat wij het beiden volkomen met haar eens waren.
„Welnu,” vervolgde mevrouw Micawber, „welken raad zal ik dan geven? Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten....”
„Waarlijk, lieve,” viel mijnheer Micawber in.
„Och, beste, laat mij uitspreken. Hier is mijnheer Micawber met eene groote verscheidenheid van bekwaamheden, met vele talenten.... met genie, zou ik bijna zeggen, maar dat zou beschouwd kunnen worden als een partijdig oordeel, omdat ik zijne vrouw ben....”
Traddles en ik mompelden beiden: „Neen.”
„En hier is mijnheer Micawber zonder eenige voegzame betrekking of bezigheid. Wie draagt daarvan de verantwoordelijkheid? De maatschappij natuurlijk. Ik zou daarom zulk een schandelijk feit bekend willen maken en van de maatschappij willen eischen zulk eene onrechtvaardigheid weg te nemen. Het komt mij voor, Copperfield,” ging zij met verheffing van stem voort, „dat mijnheer Micawber der maatschappij den handschoen moet toewerpen en zeggen: ‚Laat mij nu eens zien wie dien durft oprapen! Ik ben onmiddellijk tot zijn dienst.’”
Ik waagde de vraag hoe mijnheer Micawber dit moest aanleggen.
„Door te adverteeren,” antwoordde mevrouw Micawber, „door te adverteeren in alle couranten. Het komt mij voor, dat, om recht te laten wedervaren aan zichzelven, aan zijne familie, ja, ik durf zeggen aan de maatschappij, die hem tot heden toe niet heeft willen begrijpen, mijnheer Micawber in alle couranten moet adverteeren; hij moet eene beschrijving geven van zichzelven, van zijne bekwaamheden en dan vervolgen: En nu, wie wil op gunstige voorwaarden van deze bekwaamheden gebruik maken? Adres franco brieven, W. M. postkantoor Camden Town.”
„Dit denkbeeld van mevrouw Micawber, mijn beste Copperfield,” zoo nam mijnheer Micawber nu het woord, terwijl hij zijne boorden onder de kin naar elkaar trok en ons van ter zijde aankeek, „is eigenlijk de sprong, waarover ik u sprak, toen ik het genoegen had u weder te ontmoeten.”
„Adverteeren kost veel geld,” deed ik aarzelend opmerken.
„Ja, zeker!” zei mevrouw Micawber op denzelfden redeneertoon. „Dat is zeer waar beste Copperfield! Ik heb dezelfde opmerking aan mijnheer Micawber gemaakt. Voornamelijk om die reden meen ik ook dat mijnheer Micawber—zooals ik reeds zeide om zich zelven, zijne familie en de maatschappij recht te laten wedervaren—een sommetje moest opnemen—op een wisseltje bij voorbeeld.”
Mijnheer Micawber, die in zijn stoel achterover leunde, speelde met zijn lorgnet en keek naar de zoldering, hoewel hij, als ik mij niet bedroog, tevens een zijdelingschen blik naar Traddles wierp.
„Indien geen enkel lid van mijne familie,” hernam mevrouw Micawber, „welwillend genoeg is om dat wisseltje aan te nemen—ik meen dat er een koopmansterm bestaat om uit te drukken wat ik bedoel.....”
Met de oogen nog steeds op de zoldering gevestigd, zei mijnheer Micawber: „honoreeren”.
„Dat wisseltje te honoreeren,” hernam mevrouw Micawber, „dan moet mijnheer Micawber, volgens mijne opinie, naar de City gaan en trachten zooveel geld er op te krijgen als men er voor geven wil. Moet mijnheer Micawber zich daartoe groote opofferingen getroosten dan is dit eene zaak, die de heeren van de Beurs met hun geweten in het reine moeten brengen. Ik beschouw het als eene goede geldbelegging en ik raad mijnheer Micawber dat ook te doen, beste Copperfield; ik raad hem dit als eene solide geldbelegging te beschouwen, die zonder twijfel winst moet afwerpen, waarom hij zich gerust elke opoffering getroosten kan.”
Ik begreep, maar ik ben er zeker van dat ik niet wist waarom, dat het plan door mevrouw Micawber geopperd, voortsproot uit hare trouwe, zelfopofferende liefde voor haar echtgenoot en mompelde ook iets in dien geest. Traddles, die mijn voorbeeld in alles volgde, deed evenzoo en bleef in het vuur kijken.
„Ik wil,” hernam mevrouw Micawber, terwijl zij haar glas ledigde en haar fichu omdeed, hetgeen ik als een teeken beschouwde, dat zij naar mijne slaapkamer wilde gaan, „ik wil mijne opmerkingen aangaande mijnheer Micawber's finantiëele omstandigheden niet voortzetten. Aan uw gezelligen haard, Copperfield, en in tegenwoordigheid van mijnheer Traddles, die geheel tot de onzen behoort, al is zijne vriendschap van later dagteekening dan de uwe, kon ik niet nalaten u bekend te maken met den weg, dien _ik_ mijnheer Micawber raad in te slaan. Ik voel dat het tijd wordt voor mijnheer Micawber om zich eens in te spannen en tevens—ik voeg dit er bij—zich eens te laten gelden en het komt mij voor dat de door mij voorgestelde weg de eenige is. Ik weet dat ik maar eene zwakke vrouw ben en dat het mannelijk geslacht gewoonlijk meer bevoegd geoordeeld wordt om in zulke aangelegenheden raad te geven; maar ik moet niet vergeten dat toen ik nog thuis bij papa en mama woonde, papa gewoon was te zeggen: ‚Emma is teer van gestel, maar zij heeft een inzicht in zaken zooals niemand.’ Ik weet wel dat papa's oordeel partijdig was, maar mijn plicht en mijn verstand verbieden mij aan zijne groote mate van menschenkennis te twijfelen.”
Na deze woorden stond zij op en aangezien zij doof bleef voor ons dringend verzoek om ons bij den punch-bowl haar aangenaam gezelschap te blijven schenken, geleidde ik haar naar mijne slaapkamer. Ik voelde op dit oogenblik dat zij eene edeldenkende vrouw was, eene vrouw, zooals er onder de Romeinsche vrouwen veel gevonden werden, die in tijden van algemeenen nood allerlei heldendaden verrichtten.
Onder den indruk van dit gevoel wenschte ik mijnheer Micawber geluk met den kostbaren schat, dien hij in zijne echtgenoote bezat. En Traddles volgde mijn voorbeeld. Mijnheer Micawber gaf ons een voor een de hand en bedekte daarna het gelaat met zijn zakdoek, waaraan meer snuif kleefde dan hij klaarblijkelijk vermoedde. Daarna keerde hij in de vroolijkste stemming naar de punch-kom terug.