Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 43
Toen ik boven kwam—het huis had behalve den beganen grond slechts ééne verdieping—wachtte Traddles mij reeds op het portaal op. Hij was blijde mij te zien en heette mij hartelijk welkom op zijne kamer, die aan de voorzijde van het huis lag en netjes, ofschoon karig gemeubeld was. Zooals ik zag was het zijn eenige kamer, want er stond een soort bed, dat tevens voor canapee dienst deed, en zijn schoenborstels en smeerfleschje lagen op eene boekenplank achter eene dictionnaire. Zijne tafel was met papieren bedekt en hij scheen in een oud jasje hard te hebben zitten werken. Voor zoover ik weet, keek ik naar niets, maar zag ik alles, zelfs het kerkje, dat op zijn porceleinen inktkoker was geschilderd—eene kunst, waarin ik mij ten tijde van de Micawbers ook geoefend had. Hij had een aantal vernuftige inrichtingen aangebracht op zijne kamer om zijn latafel, zijn laarzen, zijn scheerspiegeltje en zoo al meer aan het oog te onttrekken. Dit trok te meer mijne aandacht omdat ik daardoor herinnerd werd aan den Traddles uit mijne schooljaren, die, volgens het model van olifantshokken, papieren gevangenissen voor de vliegen maakte, en om zich over ondergane mishandelingen te troosten, zich onledig hield met de merkwaardige bezigheid, waarvan ik reeds meermalen melding maakte.
In een hoek van de kamer stond iets, zorgvuldig bedekt met een lang, wit laken. Ik kon zelfs niet gissen wat het was.
„Traddles,” zei ik, toen ik plaats genomen en hem nogmaals de hand geschud had, „het verheugt mij u te zien.”
„En ik ben ook blijde u te zien, Copperfield,” antwoordde hij. „Ik ben zelfs zeer blijde u te zien. Juist omdat ik zoo blij was, toen ik u bij de Waterbrooks herkende en omdat ik zag, dat gij zoo blij waart mij te herkennen, gaf ik u dit adres op in plaats van mijn kantoor.”
„Zoo! Houdt gij kantoor?” vroeg ik.
„Ja, ik beschik over het vierde van een kamer en een gang, en over het vierde van een klerk,” antwoordde Traddles. „Ik houd met nog drie anderen kantoor—dat lijkt alsof wij het druk hebben—en met ons vieren betalen wij één klerk. Hij kost mij een kroon in de week.”
In den glimlach, waarmede hij dit alles vertelde, meende ik zijn eenvoudig karakter en goed humeur te herkennen, terwijl ik tevens de overtuiging kreeg, dat hij, als van ouds, met tegenspoeden te kampen had.
„Het is volstrekt niet, omdat ik ook maar een weinigje trotsch ben, Copperfield,” zei hij, „dat ik gewoonlijk mijn adres niet hier opgeef. Het is alleen omdat degenen, die mij wenschen te bezoeken, wellicht niet gaarne hier komen. Wat mij zelven aangaat—ik moet mij door de wereld heenslaan en het zou belachelijk zijn, indien ik mij wilde voordoen alsof dit niet zoo was.”
„Gij studeert voor advocaat, nietwaar? Mijnheer Waterbrook vertelde het mij,” zei ik.
„O, ja,” antwoordde Traddles, terwijl hij zijne handen langzaam over elkander wreef, „ik studeer voor advocaat. Eigenlijk ben ik er nu pas mede begonnen, want de storting van honderd pond was een heel ding. Een heel ding!” herhaalde hij met eene beweging alsof hij zich een kies had laten trekken.
„Weet gij wel wat ik niet kan nalaten te denken, terwijl ik hier zoo zit, Traddles?” vroeg ik.
„Neen,” antwoordde hij.
„Waar dat hemelsblauwe pakje gebleven is, dat gij zoo lang gedragen hebt.”
„Goede Hemel! Ja,” riep hij lachend. „Het zat zoo strak om armen en beenen, weet gij wel? Goede Hemel! Ja, dat was een gelukkige tijd!”
„Naar het mij voorkomt hadden onze meesters dien tijd nog veel gelukkiger voor ons kunnen maken, zonder dat het aan onze kennis geschaad zou hebben,” antwoordde ik.
„Dat is wel mogelijk,” zei Traddles. „Maar wij hebben toch ook nog al eens plezier gehad. Herinnert gij u die avonden op de slaapkamer, als wij souper hadden? En als gij verteldet? Ha, ha, ha! En weet gij nog wel hoeveel ransel ik kreeg omdat ik huilde toen mijnheer Mell wegging? O, die Creakle! Ik zou hem nog wel eens willen terugzien!”
„Hij heeft u slecht behandeld, Traddles,” zei ik op verontwaardigden toon, alsof ik hem den vorigen dag nog had zien ranselen.
„Vindt gij dat?” hernam Traddles. „Waarlijk? 't Is mogelijk, maar dat is lang voorbij! O, die oude Creakle!”
„Gij hebt uwe verdere opvoeding van een oom gehad, nietwaar?” vroeg ik.
„Ja, juist, het was dezelfde, wien ik altijd zou schrijven; maar ik stelde het ook altijd weer uit! Ha, ha, ha! Ja, ik had toen een oom, maar hij is niet lang nadat ik de school verlaten had gestorven.”
„Zoo, waarlijk!”
„Ja, hij was lakenhandelaar geweest—lakenhandelaar in ruste—zoo noemt men dat immers?—en had mij tot zijn erfgenaam gemaakt. Hij hield echter niet van mij toen ik grooter werd.”
„Meent gij dat werkelijk?” vroeg ik. Hij bleef zoo kalm dat ik hem wel van eene andere meening verdenken moest.
„Ja, zeker, beste Copperfield! Ik meen het!” antwoordde hij. „Het was wel ongelukkig maar hij hield volstrekt niet van mij. Hij zei dat ik volstrekt niet aan zijne verwachtingen beantwoordde en daarom trouwde hij met zijne huishoudster.”
„En wat deedt gij toen?” vroeg ik.
„Ik deed niets bijzonders,” zei Traddles. „Ik woonde bij hem in, wachtende tot ik in de wereld gezonden zou worden: maar ziet, op eenmaal werd hij ziek en stierf. En zijne vrouw hertrouwde met een jongen man en ik moest voor mij zelven zorgen.”
„En heeft hij u niets nagelaten, Traddles?”
„O, zeker, zeker! Ik kreeg vijftig pond; maar ik was nooit opgeleid tot eenig beroep, zoodat ik in het begin niet wist wat te beginnen. Evenwel, ik begon toch iets, geholpen door den zoon van een rechtsgeleerde, door Yawler, dien gij ook nog wel op Salem House gekend hebt—hij had zoo'n scheeven neus. Herinnert gij u hem niet?”
„Neen, hij is daar niet tegelijk met mij geweest. In mijn tijd waren er alleen rechte neuzen.”
„Nu, dat doet er ook niet toe,” hernam Traddles. „Ik begon met zijne hulp processtukken over te schrijven, maar dat bracht weinig op; daarna maakte ik uittreksels en dergelijk zulk soort van werk. Gij weet, Copperfield, ik ben altijd een werkezel geweest en daarom ging mij dit werk ook vrij vlug af. Welnu, ik kwam daardoor op het denkbeeld om mij als student in de rechten te laten inschrijven en daarmede verdween alles wat ik nog van mijn vijftig pond over had. Yawler bezorgde mij echter eene aanbeveling bij een drietal kantoren—o. a. bij de Waterbrooks—zoodat ik tamelijk veel werk kreeg. Ook was ik zoo gelukkig kennis te maken met een uitgever, die eene encyclopaedie wil uitgeven en voor dezen ben ik nu nog aan het werk. Ik stel niet slecht, Copperfield,” voegde hij er bij op zijn gewonen, eenvoudigen, opgeruimden toon; „maar oorspronkelijkheid heb ik geen zier. Ik geloof niet, dat er ooit een jong mensch heeft bestaan, die zoo weinig oorspronkelijkheid had als ik.”
Aangezien Traddles scheen te wachten tot ik dit als iets, dat van zelf sprak, zou toestemmen, knikte ik en vervolgde hij met dezelfde onwrikbare kalmte als zoo even:
„Zoo bracht ik langzamerhand door zeer zuinig te leven de honderd pond bijeen,” vertelde hij, „en den Hemel zij dank, nu zijn ze betaald, maar het was”—hij maakte dezelfde beweging weder, alsof hem een kies getrokken was—„het was een heel ding. Ik leef nu nog van zulk soort werk en hoop dezer dagen aan een nieuwsblad verbonden te zullen worden—dan heb ik zoo goed als mijn fortuin gemaakt. En, Copperfield, gij zijt nog zoo geheel dezelfde als vroeger en hebt nog altijd datzelfde joviale gezicht en ik ben zoo blij, dat gij bij mij zijt gekomen—ik zal dus ook niets voor u verbergen. Weet dan, dat ik geëngageerd ben!”
Geëngageerd! O, Dora!
„Zij is de dochter van een predikant in Devonshire, één van tien kinderen. Ja!”—hij merkte op dat ik onwillekeurig een blik wierp op den inktkoker—„dat is de kerk! Gij gaat dit hek aan de linkerhand in en dan zoo rond,” vervolgde hij, met den vinger langs den inktkoker gaande, „en juist op deze plek, waar ik de pen houd, staat het huis met het front naar de kerk, zooals gij begrijpt.”
Het genot, waarmede hij mij al deze bijzonderheden vertelde, drong eerst later tot mijn geest door, want mijne zelfzuchtige gedachten hadden zich gedurende dien tijd onledig gehouden met de indeeling van het huis en den tuin van mijnheer Spenlow.
„O, zij is zulk een lief meisje!” zei Traddles; „een weinig ouder dan ik, maar allerliefst. Ik vertelde u immers, dat ik uit de stad ging? Welnu, ik ben bij haar geweest. Ik ben er te voet heengegaan en ook te voet teruggekeerd en had een heerlijken tijd. Het is waar, ons engagement zal wel lang duren, maar ons wachtwoord is: ‚Wachten en hopen!’ Wij zeggen maar telkens tegen elkander: ‚Wacht en hoop!’ En zij zou wachten op mij, al werd zij zestig, Copperfield!”
Traddles stond na deze woorden op en legde met een zegevierenden glimlach de hand op het witte laken, dat reeds mijne aandacht had getrokken.
„Toch hebben wij niet gewacht om het een en ander voor onze huishouding aan te schaffen,” ging hij voort. „Neen, neen, wij hebben reeds een begin gemaakt. Het moet langzaam aan gaan, maar het begin is er. Hier”—hij trok met evenveel trots als behoedzaamheid het laken weg—„zijn twee meubelstukken om mede te beginnen. Dezen bloempot met standaard heeft zij zelve gekocht. Men zet zoo iets in de spreekkamer,” lichtte hij toe, terwijl hij een weinig achteruitging om het op zijn gemak te bewonderen, „met eene plant er in en—klaar is men! Dit tafeltje met marmeren blad—het heeft een middellijn van twee voet tien—kocht _ik_. Gij wilt een boek neerleggen, begrijpt ge, of er komt bezoek voor u of voor uwe vrouw en wilt ergens een kop thee neerzetten en—gij zijt weer klaar! Het is merkwaardig netjes afgewerkt en staat zoo vast als een rots!”
Ik prees beide stukken zeer en Traddles spreidde er met dezelfde behoedzaamheid het laken overheen, als hij het er afgenomen had.
„Het is nog wel niet veel in verhouding van hetgeen er zijn moet,” hernam Traddles, „maar het is toch iets. De tafellakens, kussensloopen en dergelijke zaken bezwaren mij het meest, Copperfield. En dan het keukengereedschap—kaarsenbakken, braadpannen en dergelijke noodzakelijke dingen—dat loopt zoo op! Maar: ‚Wacht en hoop!’ En ik verzeker u, dat zij het liefste meisje van de wereld is!”
„O, daarvan ben ik overtuigd!” loog ik.
„Intusschen,” hervatte Traddles, „en dat is het laatste, wat ik over mij zelven zal leuteren—maak ik het best. Gemeenlijk eet ik bij de menschen beneden; werkelijk heel aardige menschen. Zoowel mijnheer als mevrouw Micawber....”
„Beste Traddles!” riep ik uit, „wat zegt gij daar?”
Traddles keek mij aan, alsof hij zich verbaasde over hetgeen _ik_ zei.
„Mijnheer en mevrouw Micawber!” herhaalde ik. „Maar dat zijn intieme kennissen van me!”
Op hetzelfde oogenblik vernam ik een tik op de deur, dien ik mij o, zoo goed herinnerde van Windsor Terrace en die door niemand kon zijn gegeven dan door mijnheer Micawber. Geen twijfel meer of ik bevond mij in de woning van mijne oude vrienden. Ik verzocht Traddles zijn huisheer uit te noodigen om binnen te komen, hetgeen Traddles terstond deed, waarop mijnheer Micawber, niets veranderd—spanbroek, wandelstok, overhemd, boorden, lorgnet, alles onveranderd—als een jeugdig gentleman van goeden huize de kamer binnentrad.
„Excuseer mij, mijnheer Traddles,” zei mijnheer Micawber met dezelfde galmende stem als vroeger en voor een oogenblik het neuriën stakend, „ik wist niet dat zich iemand, een vreemdeling in deze woning, in uw heiligdom bevond.”
Mijnheer Micawber maakte even eene buiging voor mij en trok zijne boorden wat op.
„Hoe vaart gij, mijnheer Micawber?” vroeg ik.
„Mijnheer,” antwoordde hij, „ik ben u zeer verplicht. Ik ben in _status quo_.”
„En mevrouw Micawber?” hernam ik.
„Zij is, den Hemel zij dank, ook in _status quo_.”
„En de kinderen, mijnheer Micawber?”
„Mijnheer,” antwoorde hij, „het verheugt mij u te kunnen zeggen, dat zij zich verblijden in eene goede gezondheid.”
Gedurende al dien tijd had mijnheer Micawber mij niet herkend, ofschoon hij mij vlak in het gezicht keek. Nu zag hij mij echter glimlachen en bekeek hij mij met meer aandacht, waarop hij eene schrede achteruit deed en riep: „Is het mogelijk! Heb ik opnieuw het genoegen Copperfield van aangezicht tot aangezicht te aanschouwen!” Hij schudde mij daarop met buitengewone hartelijkheid beide handen.
„Hoe kan het zoo treffen mijnheer Traddles!” riep hij daarna uit, „dat gij juist een kennis moet zijn van een vriend uit mijne jeugd, van een lotgenoot uit vroeger dagen! Lieve!” riep hij over de leuning van de trap mevrouw Micawber toe, terwijl Traddles niet zonder reden, hoogst verbaasd keek bij de beschrijving, die mijnheer Micawber van mij gaf.
„Lieve, daar is een heer bij mijnheer Traddles, wien het een genoegen zijn zal aan u voorgesteld te worden!”
Terstond daarop kwam mijnheer Micawber terug en begon opnieuw mijne handen te schudden.
„En hoe maakt het mijn beste vriend, de doctor, Copperfield?” vroeg hij, „en de geheele vriendenkring te Canterbury?”
„Ik heb niets dan goede berichten van hen,” antwoordde ik.
„Het doet mij genoegen dit te vernemen,” ging hij voort. „In Canterbury hebben wij elkander het laatst ontmoet, nietwaar? In de schaduw, mag ik er wel bijvoegen, van dat door Chaucer vereeuwigde, eerwaardige gebouw, dat vroeger de pelgrims tot zich trok uit de verst verwijderde streken—kortom.... in de nabijheid van de kathedraal.”
Ik antwoorde dat zijn geheugen hem niet bedroog, waarna hij steeds aan het praten bleef met buitengewone radheid, doch niet zonder eenige onrust te toonen bij het vernemen van geluiden in de aangrenzende kamer, waar blijkbaar mevrouw Micawber de handen waschte en haastig eenige laden open en dicht deed, die bijzonder stroef liepen.
„Gij vindt ons hier, Copperfield,” sprak mijnheer Micawber intusschen, „ingericht op een voet, die hoogst eenvoudig, ja zelfs bekrompen genoemd mag worden; gij weet echter dat ik in den loop van mijne carrière vele moeilijkheden moest overwinnen en vele hinderpalen uit den weg ruimen. Gij zijt ook niet onkundig van het feit, dat er tijdperken in mijn leven geweest zijn, waarin het noodig was geduld te oefenen tot zich zekere verwacht wordende gebeurtenissen zouden opdoen; waarin het noodzakelijk was eenige schreden terug te doen eer ik kon komen tot datgene, wat ik zonder eigenwaan durf noemen: een sprong. Het tegenwoordige is een van die gewichtige tijdperken in eens menschen leven. Gij vindt mij, achteruit getreden tot het doen van een sprong; welnu, ik heb reden genoeg om te gelooven dat het een reuzensprong zijn zal.”
Ik was nog bezig mijn genoegen hierover te kennen te geven, toen mevrouw Micawber binnenkwam; zij zag er nog een weinig slordiger uit dan vroeger, tenminste zoo scheen zij mij toe, maar het kan ook zijn dat ik haar ontwend was; toch had zij zich wat opgeknapt om visite te ontvangen en een paar bruine handschoenen aangetrokken.
„Lieve”, zei mijnheer Micawber, terwijl hij haar naar mij toebracht. „Hier is een heer, die zich Copperfield noemt en de kennismaking met u wenscht te hernieuwen.”
Zooals een oogenblik later bleek, zou het beter geweest zijn, indien hij haar een weinig op deze aankondiging had voorbereid, want mevrouw Micawber, die eene zwakke gezondheid had, was zoo ontsteld, dat mijnheer Micawber verplicht was naar de groote waterton op de achterplaats te snellen en een glas water te halen. Zij kwam echter spoedig weer bij en was werkelijk heel blij dat zij mij zag. Wij bleven met ons vieren nog een half uurtje praten; ik vroeg hoe de tweelingen het maakte, waarop zij antwoordde dat „zij groeiden als kool”, en informeerde naar jongeheer en jongejuffrouw Micawber, die zij beschreef als „wezenlijke reuzen”, zij kwamen echter niet voor den dag.
Mijnheer Micawber stond er op dat ik zou blijven eten, hetgeen ik wel zou hebben gedaan, als ik niet eene zekere onrust gelezen had op het gelaat van mevrouw Micawber; ik meende te bespeuren dat zij in zich zelve naging of het koude vleesch nog wel voldoende zou zijn. Ik verontschuldigde mij met te zeggen, dat ik eene afspraak gemaakt had en toen ik zag, dat het gelaat van mevrouw Micawber terstond ophelderde, liet ik mij niet overreden. Ik zeide echter, dat ik niet wilde heengaan voor zij een dag bepaald hadden, waarop Traddles en mijnheer en mevrouw Micawber bij mij het middagmaal zouden komen gebruiken. De drukke bezigheden van Traddles waren oorzaak dat het nog wat uitgesteld moest worden; maar eindelijk werden wij het toch eens en vonden wij een dag, waarop het ons allen gelegen kwam.
Ik nam nu afscheid en onder voorwendsel van mij een korteren weg te wijzen dan die, welken ik gekomen was, vergezelde mijnheer Micawber mij tot aan den hoek van de straat; hij verlangde er naar, zeide hij, een paar woorden in vertrouwen mede te deelen aan een oud vriend. Nauwelijks waren wij buiten of hij begon: „Beste Copperfield, ik behoef u nauwelijks te vertellen dat het in de bestaande omstandigheden voor ons een weldaad is, iemand in huis te hebben, met een hart als dat van mijnheer Traddles. Naast ons woont een waschvrouw, die harde beschuit te koop heeft uitgestald in haar zitkamer, en tegenover ons een inspekteur van politie, zoodat gij u wel zult kunnen begrijpen welk een bron van troost het gezelschap van mijnheer Traddles voor mij en voor mevrouw Micawber zijn moet. Gij moet weten, beste Copperfield, dat ik tegenwoordig een commissiehandel heb in granen. Het is geen winstgevend vak, kortom, er valt niet veel bij te verdienen, zoodat eenige voorbijgaande moeielijkheden van geldelijken aard er het gevolg van zijn geweest. Het doet mij echter genoegen hier te kunnen bijvoegen het vaste vooruitzicht te hebben, dat zich eerstdaags iets zal opdoen—het is mij niet geoorloofd nadere aanwijzingen te geven—waarin ik, naar ik vertrouw, zoowel voor mij zelven als voor mijnheer Traddles, in wien ik ongeveinsde belangstelling koester, een vast bestaan zal vinden. Gij zult waarschijnlijk reeds voorbereid zijn te vernemen dat mevrouw Micawber zich in een toestand bevindt, die op goede gronden doet vermoeden, dat er eerlang weder eene vermeerdering zal plaats hebben van die panden onzer genegenheid..... kortom, van ons troepje. De familie van mevrouw Micawber is wel zoo goed geweest haar ongenoegen over deze omstandigheid te kennen te geven. Het eenige, wat ik hierover heb op te merken, is, dat ik niet begrijp wat haar die omstandigheid aangaat en dat dergelijke gezegden mijn toorn en verontwaardiging opwekken!”
Mijnheer Micawber schudde mij daarna opnieuw beide handen en keerde terug.
XXVIII.
Mijnheer Micawber's geldbelegging.
Tot den dag waarop ik mijne oude vrienden aan mijn tafel zou zien, leefde ik hoofdzakelijk van Dora en koffie. Ik was veel te verliefd om te eten en dat verheugde mij, want ik had een gevoel, alsof men mij van trouweloosheid tegenover Dora zou hebben kunnen beschuldigen als ik mijn gewonen eetlust behouden had. De hoeveelheid lichaamsbeweging, die ik nam, miste de gewone uitwerking, omdat de teleurstelling den invloed der frissche lucht tegenwerkte. Ook betwijfel ik,—ik grond dien twijfel op de ondervinding van latere jaren—of iemand, die voordurend door nauwe laarzen gekweld wordt, wel een gezonden trek kan behouden in dierlijk voedsel. Naar het mij voorkomt moet men zich meer op zijn gemak gevoelen, wil de maag hare werking behoorlijk verrichten.
Bij gelegenheid van het huiselijk dinertje trad ik niet in eene herhaling van de uitgebreide toebereidselen van den vorigen keer. Ik zorgde voor een paar tongen, een schapeboutje en een duivenpastei. Juffrouw Crupp kwam in openbaren opstand toen ik bedeesd te kennen gaf, dat ik de visch en de schapebout gaarne in huis zou zien gereed gemaakt, en zei met eene verontwaardiging alsof haar de grootste beleediging was aangedaan: „Neen! Neen, mijnheer! Gij kunt mij zoo iets niet vragen! Gij moet mij beter kennen dan dat gij van mij iets zoudt kunnen eischen, waarmede ik geen eer kan inleggen.” Na lang heen- en weerpraten kwamen wij toch tot eene overeenkomst; juffrouw Crupp bewilligde in het volvoeren van het kunststuk, op voorwaarde dat ik daarna gedurende veertien dagen buitenshuis zou eten.
Ik mag hier niet nalaten te vermelden hoeveel ik leed onder de dwingelandij, die juffrouw Crupp langzamerhand over mij begon te oefenen. Nooit was ik voor iemand zoo bang als voor mijne eerste hospita. Bij alles moesten overeenkomsten gesloten worden. Maakte ik zwarigheid over het een of ander dan werd zij terstond aangetast door die wonderlijke kwaal, welke steeds op de loer scheen te liggen, gereed om hare levenskrachten te ondermijnen. Trok ik, na een half dozijn bedeesde belletjes wat ongeduldig aan de schel en kwam zij eindelijk—waarop ik volstrekt niet vast kon rekenen—dan ontstelde ik van haar verwijtenden blik; zij zonk dan gewoonlijk ademloos op den eersten stoel, die binnen haar bereik stond, legde de hand op haar nankingschen boezem en werd zoo naar, dat ik blijde was als ik haar, met opoffering van wat brandewijn of iets dergelijks, weer de deur uit zag gaan. Maakte ik de opmerking dat vijf uur des avonds een zeer ongeschikt tijdstip was voor het opmaken van mijn bed, dan was eene handbeweging naar den nankingschen zetel van gekwetste gevoeligheid voldoende, om mij mijne verontschuldigingen te laten aanbieden.—Kortom, ik zou—langs eerlijken weg natuurlijk—liever alles gedaan hebben dan juffrouw Crupp te kwetsen; ik was bang voor haar.
Ik kocht ergens uit de tweede hand een stommeknecht voor het diner, liever dan denzelfden handigen jongen man weder te huren; ik had een vooroordeel tegen hem opgevat, nadat ik hem op een Zondagmorgen was tegengekomen in een vest, dat eene merkwaardige gelijkenis had met één van mij, waarnaar ik sinds het laatste feest te vergeefs gezocht had. Het „kleine meisje” werd opnieuw aangenomen op de uitdrukkelijke voorwaarde echter, dat zij niets zou doen dan de schotels binnen brengen en daarna weder zou verdwijnen en op het portaal wachten; zoodat de gewoonte, die zij zich eigen gemaakt had om voortdurend den neus op te halen, voor de gasten niet merkbaar was en zij geen gevaar liep om bij achterwaartsche bewegingen op de borden te trappen.
Nadat ik de ingrediënten voor een punchbowl had gereed gezet, die mijnheer Micawber zou maken; na voor een fleschje _eau de lavende_, twee waskaarsen, een lood spelden en een speldenkussen gezorgd te hebben, opdat mevrouw Micawber in de gelegenheid zou zijn aan mijne waschtafel haar toilet te maken, tot welk doel ook de kachel op mijne slaapkamer was aan gelegd—men kon niet weten of mevrouw Micawber na het middagmaal ook een oogenblik zou willen rusten—en na eigenhandig het tafellaken uitgespreid te hebben, wachtte ik met gelatenheid de dingen af, die komen zouden.
Op het vastgestelde uur kwamen mijn drie gasten te zamen aan. Mijnheer Micawber's overhemd was nog grooter dan gewoonlijk en hij had een nieuw koordje aan zijn lorgnet; mevrouw Micawber's muts was in een licht grijs papier gewikkeld en werd door Traddles gedragen, die tevens mevrouw Micawber een arm had aangeboden. Zij vonden allen mijne kamers even mooi, en toen ik mevrouw Micawber voor mijn waschtafel bracht en zij zag hoe ik alles tot haar gerief had ingericht, was zij zoo verrukt, dat zij haar echtgenoot binnenriep om te komen kijken.
„Mijn beste Copperfield,” sprak hij, „dat is alles zeer weelderig ingericht en herinnert mij aan den tijd, toen ik zelf nog celibatair was en mevrouw Micawber nog niet gesmeekt was op Hymen's altaar eeuwige trouw te zweren.”
„Hij bedoelt, ‚door hem gesmeekt was,’ mijnheer Copperfield,” zei mevrouw Micawber met een schalksch lachje, „wat anderen gedaan hebben, kan hij niet weten.”