Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 42
„David Copperfield, ik zal het niet verbloemen, dat ik in uwe jeugd eene hoogst ongunstige meening van u had opgevat. Mogelijk heb ik mij vergist; het is echter even goed mogelijk, dat gij opgehouden hebt deze meening te rechtvaardigen. Hoe het zij, ik behoor tot eene familie, die, naar ik meen, uitmunt door vastheid; ik zal dus niet zeggen, dat ik mij laat meesleepen door de omstandigheden of door veranderingen. Ik mag mijne meening hebben van u; gij moogt de uwe hebben van mij.”
Nu was het mijne beurt om het hoofd te buigen.
„Het is echter niet noodzakelijk,” ging juffrouw Murdstone voort, „dat onze meeningen hier in botsing komen. In de gegeven omstandigheden is het zelfs beter als ze niet in botsing komen. Nu de wisselingen van het lot ons opnieuw bij elkander hebben gebracht en zonder twijfel nog vele malen bij elkander brengen zullen, komt het mij het beste voor, dat wij elkander hier bejegenen als verre verwanten. Het is voldoende familie-aangelegenheden aan te nemen, om op dien voet met elkander om te gaan en het is geheel onnoodig, dat wij elkander tot het voorwerp van wederzijdsche aanmerkingen zouden maken. Zijt gij dat met mij eens?”
„Juffrouw Murdstone,” antwoordde ik, „mijne meening is, dat gij en mijnheer Murdstone mij wreed en mijne moeder zeer onvriendelijk behandeld hebben. Deze meening zal ik behouden zoo lang ik leef. Toch neem ik uw voorstel aan.”
Nogmaals sloot juffrouw Murdstone de oogen en boog zij het hoofd. Daarna ging zij heen, terwijl zij even den rug van mijne hand met hare ijzige vingers aanraakte en onder het heengaan de kettinkjes om hare polsen en haar hals verschikte; het waren nog dezelfde, die zij droeg toen ik haar voor het eerst gezien had. Deze kettinkjes deden mij, in verband met juffrouw Murdstone's karakter, aan de kettingen en sloten van eene gevangenisdeur denken; ze moesten aan allen, die haar ontmoetten, doen raden, wat daar achter te verwachten was.
Alles wat ik mij van het overige van dien avond herinner is, dat ik de koningin van mijn hart Fransche liederen hoorde zingen, die in het algemeen eindigden met Ta ra la, Ta ra la! en eene verheerlijking van het dansen inhielden. Zij accompagneerde zich zelve op een prachtig instrument, dat op een guitaar geleek. Verder herinner ik mij, dat ik in een toestand van ongekende gelukzaligheid zat te luisteren; dat ik alle ververschingen van de hand sloeg; dat ik vooral een afschuw had van punch; dat, toen juffrouw Murdstone haar in „bescherming” nam en haar naar hare kamer bracht, zij mij toelachte en mij haar verrukkelijk handje aanbood, dat ik, bij toeval in den spiegel kijkende, de opmerking maakte, dat ik er erg dom en versuft uitzag en eindelijk, dat ik in een staat van bedwelming naar bed ging en verliefder dan ooit opstond!
Het was een heerlijke morgen en nog heel vroeg; ik wist dus niets beters te doen dan eene wandeling te maken door de overdekte lanen, die ik den vorigen avond had gezien, en mij haar beeld voordurend voor oogen te stellen. In de gang had ik eene ontmoeting met haar hondje, Jip genaamd, als afkorting van Gipsy. Ik haalde het aan, want ik hield natuurlijk dol veel van het dier; maar het liet mij twee rijen scherpe tanden zien en ging onder een stoel zitten brommen zonder iets van mij te willen weten.
Het was koel en eenzaam in den tuin. Ik wandelde rond en vroeg mij telkens af hoe gelukkig ik wel zijn zou, indien het ooit tot een engagement mocht komen met dit beminnelijk schepseltje. Aan trouwen, aan fortuin en alles wat daarmede in verband stond, dacht ik evenmin als toen ik verliefd was op de kleine Emily. De toestemming te erlangen om haar Dora te mogen noemen, haar te mogen schrijven, te mogen liefhebben en aanbidden, te weten, dat zij aan mij bleef denken al was zij ook te midden van andere menschen, dat was in mijn oog het hoogste, dat een mensch verlangen kon en zeker het hoogste, dat ik verlangen kon. Het lijdt geen twijfel of ik was zeer sentimenteel gestemd, ja, wellicht had men mij dwaas verliefd kunnen noemen, maar toch lag daarin zooveel reinheid van hart verborgen, dat ik, al mag ik er nu eens om lachen, geen oogenblik met een gevoel van minachting aan deze dagen terugdenk.
Ik had nog niet lang gewandeld, toen ik, een hoek omslaande, Dora voor mij zag staan. Er gaat mij nog een rilling door de leden van het hoofd tot de voeten, wanneer mijne gedachten naar dat oogenblik terugkeeren; dan beeft de pen in mijne hand.
„Gij,... zijt.... wel.... vroeg op, juffrouw Spenlow,” zei ik.
„Het is zoo vervelend in huis,” antwoordde zij, „en juffrouw Murdstone is onuitstaanbaar. Zij praat allerlei nonsens en zegt dat de nevel eerst moet optrekken voor ik mag uitgaan. De nevel optrekken!”—o, wat klonk de lach, waarmede deze woorden gepaard gingen, welluidend!—„Op Zondagmorgen, als ik mij niet op de guitaar mag oefenen, moet ik toch iets doen! Ik zei gisteren avond aan papa, dat ik uit _moest_. Het is bovendien nu het helderste oogenblik van den geheelen dag! Vindt gij dat ook niet?”
Ik waagde het een stoute vlucht te nemen en zei, niet zonder stotteren, dat het werkelijk op dit oogenblik zeer helder voor mij was, maar dat het nog geen minuut geleden heel donker geweest was.
„Beduidt dit een compliment?” vroeg Dora, „of bedoelt gij dat het weer werkelijk is omgeslagen?”
Ik stotterde nog erger dan zoo even, toen ik antwoordde dat het geen compliment beduidde, maar de zuivere waarheid was; hoewel ik niet had opgemerkt dat er eenige verandering in het weder gekomen was. „Het is alleen in mijn eigen gevoel,” voegde ik er bedeesd bij, om niets aan duidelijkheid te wenschen over te laten.
Nooit zag ik zulke krullen—hoe kon ik dat ook, want niemand bezat ze ooit zoo!—als die, welke zij nu naar voren schudde om haar blos te verbergen. En het stroohoedje met de blauwe linten, dat op die krullen stond..... o, hoe gaarne zou ik het als een schat van groote waarde in Buckinghamstreet hebben opgehangen!
„Gij zijt onlangs uit Parijs teruggekomen, niet waar?” vroeg ik.
„Ja,” klonk haar antwoord. „Zijt gij daar ooit geweest?”
„Neen.”
„O, dan hoop ik, dat gij er spoedig zult heengaan. Het is een prachtige stad! Het zal u daar best bevallen!”
De uitdrukking, welke deze woorden op mijn gelaat teweegbrachten, moet wel van innige zielesmart getuigd hebben. Zij hoopte, dat ik op reis zou gaan; zij onderstelde, dat ik op reis kon gaan! O, het was ondragelijk! Ik had een diepe minachting voor Parijs, voor Frankrijk! Ik zeide, dat ik in de gegeven omstandigheden voor geen geld ter wereld Engeland zou willen verlaten. Niets zou mij daartoe kunnen bewegen. Kortom, zij schudde de krullen weder naar voren, toen haar hondje naar buiten kwam rennen en ons uit den nood hielp. Het dier was dadelijk jaloersch op mij en bleef mij maar aanblaffen. Zij nam hem in hare armen—nu was het mijne beurt om jaloersch te zijn—en liefkoosde hem, maar hij bleef nijdig keffen. Hij wilde niet toestaan, dat ik hem even aanraakte, maar toen gaf zij hem een klap. De tikjes, die zij hem tot straf op zijn mopneusje gaf, terwijl hij knipoogde en hare hand likte en nog maar steeds bleef voortbrommen als een contrabas, had ik gaarne opgevangen. Eindelijk werd hij stil—geen wonder, terwijl hij haar mollig kinnetje op zijn kop voelde!—en wandelden wij verder om de oranjerie te bekijken.
„Gij zijt niet erg bevriend met juffrouw Murdstone, is 't wel?” vroeg Dora. „Koest, liefje!”
Deze laatste woorden waren tot den hond gericht. Hadden ze mij maar gegolden!
„Neen,” antwoordde ik. „Niet bijzonder.”
„Zij is een vervelend schepsel,” hernam Dora pruilend. „Ik kan mij niet begrijpen wat papa bewogen kan hebben, dat mensch tot mijne gezellin te kiezen. Wie heeft er nu een beschermster noodig? Ik ben overtuigd dat ik er geen noodig heb. Jip kan mij veel beter beschermen dan juffrouw Murdstone.... nietwaar Jip?”
Het dier kwispelde toen zij hem een kus op zijn kopje gaf.
„Papa noemt haar mijne vertrouwde vriendin, maar ik ben overtuigd dat zij het niet is.... is zij wel, Jip? Wij kunnen geen vertrouwen stellen in zulk een wrevelig schepsel, Jip en ik. Wij zullen zelve de menschen wel kiezen, aan wie wij ons vertrouwen schenken, en laten ons die niet opdringen.... is 't niet, Jip?”
Jip maakte een geluid, dat een bewijs van instemming moest verbeelden en eenigszins geleek op het zingen van het water in een theeketel. Voor mij was elk woord een nieuw kettinkje, dat boven de andere rijen om haar hals werd geklonken.
„Het is wel hard in stede van eene lieve, vriendelijke mama zulk eene stuursche, sombere oude paai tot gezelschap te hebben, zoo'n mensch, dat ons overal volgt—is het niet, Jip? Treur maar niet, Jip. Wij willen geen vertrouwde en zullen zooveel plezier maken als wij maar kunnen.... wij zullen haar plagen in plaats van behagen.... nietwaar, Jip?”
Als dit nog langer geduurd had zou ik ongetwijfeld op mijn knieën zijn gevallen, op gevaar af in het grint het vel er af te schuren en buiten de deur gezet te worden. Gelukkig was de oranjerie nu niet meer veraf. Het was daar binnen een ware tentoonstelling van prachtige geraniums. Wij wandelden er langs en Dora bleef nu en dan staan om er een te bewonderen en dan bewonderde ik de zelfde en dan hield Dora, ondeugend lachend, Jip in de hoogte en liet hem aan de bloemen ruiken; kortom, wij mogen ons al niet alle drie in het tooverland gewaand hebben, ik waande mij er zeker in. De geur van een geranium blad wekt nu nog een gevoel van verbazing op over de verandering, die dan in mij plaats grijpt; ik zie dan een stroohoedje met blauwe linten en eene menigte krullen en een klein zwart hondje, dat door twee slanke armen in de hoogte wordt gehouden tegen een muur van bloemen en frissche bladeren.
Juffrouw Murdstone had ons reeds gezocht. Zij vond ons in de oranjerie en bood Dora haar gerimpelde wang aan tot een kus. Daarna nam zij Dora's arm en marcheerde met ons naar de ontbijtkamer, alsof wij deel uitmaakten van eene militaire lijkstaatsie.
Hoeveel kopjes thee ik dronk, omdat Dora ze gezet had, durf ik niet zeggen. Ik herinner mij echter zeer goed, dat ik zooveel verzwolg dat mijn zenuwgestel—indien ik er een gehad had in die dagen—zeer zeker overstuur zou zijn geraakt. Na het ontbijt gingen wij gezamenlijk naar de kerk. Juffrouw Murdstone zat tusschen Dora en mij in, maar ik hoorde _haar_ zingen en toen verdween de geheele gemeente als in een nevel. De preek was natuurlijk.... over Dora en ik vrees dat dit alles is, wat ik van de godsdienstoefening weet.
Wij hadden een stillen dag. Geen bezoek, een wandeling, een huiselijk middagmaal met ons vieren en den avond brachten wij door met het bekijken van platen en boeken; terwijl juffrouw Murdstone met een preek voor zich zat en ons voortdurend in het oog hield. O, weinig vermoedde mijnheer Spenlow, toen hij na het middagmaal tegenover mij zat, met den zakdoek over het hoofd, hoe vurig ik hem in mijne verbeelding als schoonzoon omhelsde. Weinig ook vermoedde hij, dat hij, toen ik des avonds afscheid van hem nam, in mijne verbeelding juist zijne toestemming had gegeven tot mijne verloving met Dora en dat ik Gods zegen inriep over hem en zijn huis.
Wij vertrokken den volgenden morgen vroeg, want er was dien dag eene zaak voor het Admiraliteitshof over het bergloon van eene geredde lading. In dit proces werd eene volledige kennis vereischt van de geheele zeevaartkunst, zoodat de rechter, begrijpende dat men het in de Commons nog niet ver daarin gebracht had twee oud-zeeofficieren te hulp had geroepen. Dora was echter reeds beneden om thee te zetten en ik had het twijfelachtig genoegen, in den phaëton zittende, mijn hoed te mogen afnemen voor Dora, die met Jip in den arm op de stoep stond.
Ik zal het niet wagen eene beschrijving te geven van hetgeen de Admiraliteit dien dag voor mij was; van den onzin, dien ik in mijne gedachten van het proces maakte, terwijl ik zat te luisteren; van het visioen dat ik had, toen ik den naam „Dora” meende gegraveerd te zien op de zilveren roeispaan, die op de tafel lag als symbool van de hooge rechtspraak, noch van hetgeen er in mij omging, toen mijnheer Spenlow naar huis ging zonder mij—ik had nog de dwaze hoop gekoesterd, dat hij mij zou medenemen—als ware ik zelf een matroos, die op een onbewoond eiland was achtergelaten, terwijl het schip met volle zeilen zee had gekozen. Als de oude Hof eens kon wakker geschud worden en in den een of anderen vorm een voorstelling geven kon van de droomen, die ik daar over Dora droomde, zou het blijken hoe trouw ik haar ben geweest. Ik bedoel niet de droomen van dien dag alleen, neen, van alle dagen en weken en zittingen. Ik ging er heen, niet om te luisteren naar hetgeen er verhandeld werd, maar om over Dora te denken. Als ik ooit eenige aandacht aan de processen heb gewijd, terwijl ze in al hunne lengte langzaam langs mij heen trokken, was het om mij bij die over huwelijksaangelegenheden te verbazen, dat gehuwde lieden wel eens niet gelukkig konden zijn, en om bij processen over erfenissen te overpeinzen welke stappen ik, indien mij dat geld was nagelaten, ten opzichte van Dora zou nemen. In de eerste week van mijne verliefdheid kocht ik vier prachtige vesten—niet voor mij zelven, want mij liet uiterlijk vertoon koud, maar voor Dora—trok op straat stroogele handschoenen van geitenleder aan en legde den grondslag voor alle likdoorns, die ik ooit gehad heb. Konden de laarzen, die ik in deze dagen droeg, maar te voorschijn gebracht en met den werkelijken vorm van mijne voeten vergeleken worden, dan zou op waarlijk aandoenlijke wijze de toestand van mijn hart kunnen blijken.
En toch, niettegenstaande ik mij voor mijn leven kreupel maakte als een stille hulde aan Dora, wandelde ik dagelijks mijlen achtereen in de hoop haar te ontmoeten. Niet alleen was ik op den weg naar Norwood spoedig even goed bekend als de brievenbesteller van die wijk, maar ik doorkruiste Londen op dezelfde wijze. Ik wandelde door de straten waar de beste winkels voor dames waren; ik bespiedde de Bazar uren achtereen en dwaalde door de parken tot ik doodmoe thuis kwam. Nu en dan, met lange tusschenpoozen, werd ik op het onverwachts beloond. Nu eens zag ik haar handschoen mij toewuiven uit het portier van een rijtuig; een andere maal ontmoette ik haar met juffrouw Murdstone en wandelde ik met beiden eenige straten door, terwijl ik met Dora sprak. Na zulk een ontmoeting voelde ik mij telkens diep ellendig, omdat ik geen woord gerept had over hetgeen mij dag en nacht bezig hield, of omdat zij geen denkbeeld hebben kon van mijne onbegrensde vereering of omdat zij blijkbaar niet het minste om mij gaf. Zooals van zelf spreekt, was ik steeds in afwachting van eene tweede uitnoodiging van mijnheer Spenlow; maar telkens werd ik teleurgesteld—er volgde er geen.
Juffrouw Crupp moet eene vrouw geweest zijn met veel menschenkennis; want toen mijne verliefdheid nog slechts een week oud was, en ik nog niet den moed had gehad aan Agnes duidelijker te schrijven dan: „ik heb een bezoek gebracht aan mijnheer Spenlow, wiens familie bestaat uit ééne dochter”—ik herhaal, juffrouw Crupp moet veel menschenkennis bezeten hebben want zelfs in dit eerste tijdperk van mijne toenemende verliefdheid ontdekte zij, wat er aan de hand was. Op zekeren avond kwam zij boven—ik was juist in eene zeer neerslachtige stemming—om te vragen of ik haar ook kon helpen aan een weinig tinctuur van paradijsbloemen met wat rhabarberstroop en zeven droppels nagelolie, welk middel voor hare kwaal, waaraan zij weder lijdende was, het beste was. Kon ik dat niet, dan was een weinig brandewijn—op een na het beste middel—haar ook welkom. Brandewijn, voegde zij er bij, is wel niet zoo lekker, maar het is op één na het beste middel. Aangezien ik van het eerste middel nooit gehoord en het tweede in mijne kast voorhanden had, gaf ik juffrouw Crupp een glas van het tweede, hetgeen zij, opdat ik niet denken zou, dat er een onbehoorlijk gebruik van gemaakt werd, in mijne tegenwoordigheid leeg dronk.
„Wees toch vroolijk, mijnheer,” sprak zij, „ik kan u zoo niet zien, mijnheer, ik ben zelve moeder.”
Ik begreep de toepassing van deze laatste omstandigheid op mijn persoon niet goed, maar ik keek haar toch zoo vriendelijk en opgeruimd mogelijk aan.
„Kom, mijnheer,” hervatte juffrouw Crupp. „Neem het mij niet kwalijk, maar ik weet wat het is, mijnheer. Daar is een jonge dame in het spel.”
„Juffrouw Crupp?” antwoordde ik met een kleur.
„Wel sapperloot! Houd den moed er toch in, mijnheer!” zei juffrouw Crupp met een bemoedigend knikje. „Men gaat er niet aan dood, mijnheer! Als zij geen lachje voor u heeft, zijn er genoeg, die het wel hebben. Gij zijt een nette, jonge man, voor wien men een lachje _moet_ over hebben, mijnheer Copperfull; gij moet u zelven niet weggooien, mijnheer.”
Juffrouw Crupp noemde mij altijd mijnheer Copperfull, vermoedelijk omdat dit mijn naam _niet_ was.
„Wat doet u onderstellen, juffrouw Crupp, dat er een jong meisje in het spel is?” vroeg ik.
„Mijnheer Copperfull,” antwoordde zij met pathos: „_Ik_ ben zelve moeder.”
Gedurende eenige minuten kon juffrouw Crupp niets doen dan hare hand op haar nankingschen boezem leggen en zich sterken tegen vernieuwde aanvallen van hare kwaal door haar glaasje met kleine teugjes te ledigen. Eindelijk hernam zij:
„Toen deze kamers door uwe lieve tante gehuurd werden, mijnheer Copperfull, was ik blijde nu eens iemand te zullen krijgen, voor wien ik zorgen kon. ‚Goddank,’ zei ik, ‚nu heb ik iemand gevonden voor wien ik zorgen kan!’—Gij eet niet genoeg, mijnheer en gij drinkt ook niet genoeg.”
„Grondt gij daarop uw vermoeden, juffrouw Crupp?” vroeg ik.
„Mijnheer!” hernam juffrouw Crupp op plechtigen, ja, verwijtenden toon, „ik heb voor meer jongeheeren gewasschen dan voor u. Een jonge heer kan al te veel werk maken van zich zelven, maar ook al te weinig; hij kan zijn haar met zorg opmaken, maar ook zonder zorg; hij kan te groote maar ook te kleine schoenen dragen. Dit hangt alles samen met het karakter en met zijne opvoeding, maar in welk uiterste hij ook mag vervallen.... er is altijd eene jonge dame in het spel.”
Juffrouw Crupp sprak zoo beslist en schudde zoo hevig met het hoofd, dat ik er geen woord tegen kon inbrengen.
„Daar hebt gij bijvoorbeeld dien heer, die hier gestorven is,” vervolgde zij, „die werd verliefd op een buffetjuffrouw en.... onmiddellijk moest ik zijn vesten laten innemen, niettegenstaande zijn maag erg was opgezet van het drinken.”
„Juffrouw Crupp,” antwoordde ik, „ik moet u verzoeken, de dame, van wie bij mij sprake is, niet op ééne lijn te stellen met een buffetjuffrouw of iemand van dat allooi.”
„Mijnheer Copperfull,” hernam juffrouw Crupp, „ik ben zelve moeder en niet voor niet. Ik vraag u vergiffenis indien ik mij heb opgedrongen. Ik verlang mij niet op te dringen wanneer ik niet welkom ben. Maar gij zijt nog jong, mijnheer Copperfull, en daarom geef ik u den raad vroolijk te zijn, mijnheer, moed te houden en u zelven niet weg te gooien. Gij moest eens de eene of andere liefhebberij ter hand nemen, mijnheer Copperfull, kegelen bijvoorbeeld; dat is eene gezonde beweging en zal u wat afleiding geven.”
Na deze woorden verklaarde juffrouw Crupp zeer dankbaar te zijn voor den brandewijn—de flesch was zoo goed als ledig—maakte eene statige buiging en ging heen. Toen zij in de duisternis van het portaal verdween, bleef de indruk bij mij achter, dat juffrouw Crupp niet van vrijpostigheid was vrij te pleiten; toch was ik haar dankbaar voor haar raad, waarvan ik zou gebruik maken, al was het op eene andere wijze dan zij bedoeld had; ik zou dien beschouwen als eene waarschuwing om mijn geheim beter te bewaren.
XXVII.
Tommy Traddles.
Of het een gevolg was van juffrouw Crupp's raad om wat afleiding te zoeken, durf ik niet beweren, maar den volgenden dag kwam ik op den inval om Traddles eens te gaan opzoeken. Zijn verloftijd was sinds lang ten einde en hij woonde in een klein straatje bij de Veeartsenijschool in Camden Town, een wijk, volgens een onzer klerken hoofdzakelijk door studenten bewoond, die levende ezels opkochten en op hunne kamers proefnemingen deden op deze dieren.
Nadat de klerk mij ook den weg naar de veeartsenijschool gewezen had, stapte ik dienzelfden avond er heen, om mijn ouden schoolkameraad een bezoek te brengen.
Ik vond de buurt niet zoo aanlokkelijk als ik ter wille van Traddles wel gewenscht zou hebben. De bewoners schenen de gewoonte te hebben alles wat zij niet meer gebruikten op straat te werpen, waardoor deze niet alleen modderig en vunzig was, maar ten gevolge van de vele koolbladeren op één lange mesthoop geleek. Trouwens, het vuilnis bestond niet alleen uit plantaardige overblijfselen, want terwijl ik naar het nommer van Traddles' woning zocht, zag ik zelfs een schoen, een platgetrapte sauspan, een zwarten hoed en een paraplu in verschillende graden van ontbinding.
In het algemeen bracht deze buurt mij den tijd in herinnering, dien ik met mijnheer en mevrouw Micawber had doorgebracht. Het huis, dat ik zocht, maakte een niet te beschrijven indruk van vervallen grootheid, waardoor het zich van alle andere huizen in de straat onderscheidde—ofschoon ze alle naar hetzelfde eentonige ontwerp waren gebouwd en aan de eerste schrijfoefeningen van een schooljongen deden denken, die het nog niet verder gebracht had dan hanepooten—en mij nog meer aan mijnheer en mevrouw Micawber herinnerde. En nog sterker werd ik aan hen herinnerd, toen ik te gelijk met den melkboer op de vervallen stoep stond en de deur geopend werd om dezen te woord te staan.
„Wel,” zei de melkboer tot een zeer jeugdig dienstmeisje, „hebt gij dat kleine rekeningetje van mij afgegeven?”
„Ja, mijnheer zei dat hij er om zou denken,” antwoordde het meisje.
„Omdat,” vervolgde de melkboer, voortgaande alsof hij geen antwoord ontvangen had en, naar het mij voorkwam, meer sprekende tot iemand, die bovenaan de trap scheen te staan, dan tot het dienstmeisje—„omdat dit kleine rekeningetje al zoo lang loopt, dat ik vrees het heelemaal te zullen zien wegloopen en er nimmer meer iets van te zullen hooren. Ik zal dat echter niet afwachten!” vervolgde de melkboer met verheffing van stem en met een blik naar de trap.
Het verbaasde mij, dat deze man in zulk eene zachte, vloeiende waar als melk handelde, want zijne manieren waren zoo ruw en woest, dat ik hem eerder voor een slager of een koopman in brandewijn zou gehouden hebben.
De stem van het dienstmeisje was moeilijk verstaanbaar, maar naar de beweging van hare lippen te oordeelen, zeide zij dat het onmiddellijk zou worden voldaan.
„Ik zal u eens wat zeggen,” sprak de melkboer, terwijl hij het meisje voor het eerst aankeek en tegelijkertijd bij de kin pakte, „houdt gij veel van melk?”
„Ja, heel veel,” antwoordde zij.
„Goed, dan krijgt gij morgen geen droppel, verstaat gij? Geen droppel hoor!”
Het kwam mij zoo voor alsof haar gezicht opvroolijkte bij het vooruitzicht, dat zij vandaag wel melk zou krijgen en waarlijk, na ontevreden zijn hoofd te hebben geschud, liet de melkboer haar kin los, opende zijne kan en goot de gewone hoeveelheid in haar kannetje over. Daarna ging hij brommend heen en gaf aan de volgende deur met een kwaadaardig klinkende stem van zijne aankomst kennis.
„Woont hier mijnheer Traddles?” vroeg ik toen.
Eene geheimzinnige stem achter in de gang antwoordde: ‚Ja’, waarop het meisje eveneens antwoordde: ‚Ja’.
„Is mijnheer thuis?” vroeg ik.
Opnieuw antwoordde de geheimzinnige stem bevestigend en opnieuw vernam ik de echo van het meisje. Ik ging naar binnen en volgens aanwijzing van het meisje de trap op, in het bewustzijn, dat ik bespied werd door een geheimzinnig oog, behoorende bij dezelfde geheimzinnige stem.