Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 41

Chapter 413,954 wordsPublic domain

In zijn overmaat van verbazing en nederigheid wees hij dit aanbod op zulk een luidruchtige wijze van de hand, dat het geluid van zijne stem waarschijnlijk tot juffrouw Crupp doordrong, die, naar ik onderstel, op dat oogenblik lag te slapen in een kamer gelijkvloers met het laagste peil van de rivier, in slaap gesust door het tikken van een onverbeterlijke klok, die zij altijd te hulp riep, wanneer wij het oneens waren over den tijd, en die nooit minder dan drie kwartier achter was en elken morgen moest worden gelijk gezet. Aangezien geen enkel argument, dat ik in mijn half versuften toestand aanhaalde om hem tot het in gebruik nemen van mijne slaapkamer te bewegen, eenigen invloed oefende op zijne bescheidenheid, was ik wel verplicht om eenige schikkingen te maken voor zijne rustplaats bij den haard. De canapee,—veel te kort voor zijn lang lichaam—de canapeekussens, een deken, een tafelkleed, een schoon ontbijtservet en een overjas verschaften hem ligging en dekking, waarvoor hij mij zeer dankbaar was. Na hem een slaapmuts geleend te hebben, die hij onmiddellijk opzette en die hem zoo afschuwelijk stond, dat ik er na dien tijd nooit meer een gebruikt heb, liet ik hem aan zijn lot over.

Ik zal dien nacht nimmer vergeten. Ik zal nimmer vergeten hoe ik lag te woelen en te wentelen in mijn bed; ik kon de gedachte niet van mij afzetten, dat Agnes met dien ellendigen fielt zou moeten trouwen; onophoudelijk deed ik mij zelven de vraag: wat moet ik doen en wat kan ik doen en telkens weder kwam ik tot het besluit om niets te doen, om alles wat ik gehoord had voor mij zelven te houden en hare gemoedsrust niet te verstoren. Wanneer ik maar even insliep, rezen de beelden van Agnes met hare lieve oogen en van haar vader, zooals hij haar ook in mijn bijzijn zoo menigmaal had aangestaard, voor mij op. Zij keken mij smeekend aan en vervulden mij met een onbestemd gevoel van angst. Werd ik wakker dan benauwde mij het bewustzijn, dat Uriah Heep daar in de aangrenzende kamer lag te slapen, als een levende nachtmerrie en maakte zich de bijgeloovige vrees van mij meester, dat ik een duivel van de gemeenste soort gehuisvest had. En dan kwam mij telkens die gloeiende pook weer in de gedachte en wilde mij maar niet verlaten. Half slapend, en half wakend zag ik dien gloeiend rood voor mij en ik hoorde het gesis, als ik hem in zijn lichaam stak. Eindelijk begon deze gedachte mij zoo te kwellen dat ik opstond en naar hem ging kijken. En daar lag hij op zijn rug te snorken met verstopten neus en open mond, terwijl zijn beenen ver—hoe ver weet ik niet—buiten de canapee uitstaken. In de werkelijkheid was hij nog leelijker dan in mijne zieke verbeelding; ik kon het niet helpen, maar elk half uur moest ik naar hem gaan kijken ten einde voedsel te geven aan het gevoel van afschuw, dat hij bij mij opwekte. En toch scheen de lange, lange nacht geen einde te zullen nemen en de donkere, zwarte lucht den dag achter een ondoordringbaren sluier verborgen te houden.

Toen ik hem des morgens al vroeg de trap zag afgaan—ik dankte den Hemel, dat hij niet wilde blijven ontbijten—had ik een gevoel alsof met hem ook de nacht had afscheid genomen, en toen ik naar het kantoor ging, verzocht ik juffrouw Crupp de vensters wijd open te zetten, ten einde mijne zitkamer te luchten en te zuiveren van zijn onreinen adem.

XXVI.

Ik verlies mijn hart.

Ik merkte niets meer van Uriah Heep vóór den dag, waarop Agnes de stad verliet. Ik was toen aan het diligencekantoor, om afscheid van haar te nemen en haar te zien vertrekken en daar zag ik hem, gereed om met dezelfde gelegenheid naar Canterbury terug te keeren. Het deed mij goed, toen ik opmerkte, dat hij met zijne dunne, moerbeikleurige overjas, waarvan de taille veel te kort en de schouders te hoog waren, en met zijne parapluie, zoo groot als een kleine tent, op den hoek van de achterbank bovenop zat; terwijl Agnes natuurlijk binnen een plaatsje had gekregen. Waarschijnlijk was dit eene belooning voor de pogingen, die ik aanwendde, om vriendelijk jegens hem te zijn in tegenwoordigheid van Agnes. Evenals na het diner bij de Waterbrooks zweefde hij ook nu als een gier om ons heen, terwijl hij elk woord, dat Agnes tot mij of ik tot Agnes sprak, trachtte op te vangen.

De mededeelingen, welke hij mij op mijne kamer had gedaan, hielden mij voordurend bezig en in verband met hetgeen Agnes mij omtrent de compagnieschap had verteld, lieten ze mij geen oogenblik met rust. Er moest gehandeld worden en ik hoop den rechten weg gekozen te hebben. Overtuigd dat dit offer voor de rust van Agnes' vader noodzakelijk was geworden, drong ik er bij hem op aan het te brengen. Een beklemmend voorgevoel, dat ook zij zou zwichten en tot elk offer bereid zou worden gevonden, indien haar vader daarmede te redden was, maakte zich van mij meester. Ik wist, hoe innig lief zij hem had en tot welke opofferingen zij bereid was. Ik wist uit haar eigen mond, dat zij zich beschouwde als de onschuldige oorzaak van zijne afdwalingen en in de meening verkeerde, dat zij eene groote schuld aan hem had af te doen. Ik kon geen troost vinden in de omstandigheid, dat ik zag, hoe groot het onderscheid was tusschen haar en dien roodharigen ellendeling met zijn moerbeikleurige jas, want juist in dat onderscheid, in dat verschil tusschen de zelfverloochening van hare reine ziel en de lage baatzucht van de zijne lag mijns inziens het groote gevaar. En dit wist hij en had hij met zijn sluw karakter reeds sinds lang doorgrond.

Ik was echter zoo heilig overtuigd, dat het vooruitzicht op zulk een offer Agnes' geluk voor altijd moest verwoesten; ik wist zoo zeker, dat zij er niets van vermoedde en er dus nog geen schaduw op haar geluk was geworpen, dat ik door haar te waarschuwen haar rust zou hebben verstoord. Daarom scheidden wij zonder eenige opheldering; zij wuifde mij uit het portierraampje met de hand toe en zei mij glimlachend vaarwel, terwijl haar booze geest boven haar zat te grijnzen, alsof hij reeds zeker was van zijn triomf. Ik kon dien afscheidsgroet niet zoo spoedig vergeten. Toen Agnes mij schreef, dat zij veilig en wel was aangekomen, voelde ik mij nog even wanhopig als toen ik haar zag wegrijden. Geen oogenblik kon ik aan mijne gedachten den vrijen loop laten, of dit onderwerp hield mij bezig en mijne onrust verdubbelde. Geen nacht ging voorbij waarin ik niet over Agnes droomde. Haar lot werd een deel van mijn leven en zoo onafscheidelijk van mij zelven als mijn eigen hoofd.

Ik had tijd genoeg om over Agnes en den belager van haar geluk na te denken, want Steerforth was, zooals hij mij schreef, te Oxford en zoo was ik, behalve in de kantooruren, bijna altijd alleen. Ik geloof dat zich in deze dagen een gevoel van achterdocht tegen Steerforth van mij had meester gemaakt. Ik schreef hem heel vriendelijk in antwoord op zijn brief, maar ik geloof dat ik eigenlijk blijde was, dat hij in deze dagen niet naar Londen kon komen. De waarheid was, dat ik geheel onder den invloed verkeerde van Agnes en dat Steerforth daaraan geen afbreuk kon doen; bovendien deed de invloed van Agnes zich krachtiger gelden omdat mijne gedachten steeds met haar vervuld waren.

Intusschen ging de eene dag en de eene week na de andere voorbij. Ik was nu voor vast op het kantoor van de heeren Spenlow en Jorkins. Behalve mijn huishuur en wat daaraan verbonden was, gaf tante mij negentig pond 's jaars. Mijne kamers waren voor een jaar gehuurd en ofschoon ik ze 's avonds nog al somber en bovendien de avonden zelve lang vond, kon ik er toch uren achtereen in de gelijkmoedigste stemming zitten koffiedrinken; in mijne herinnering lijkt het mij of ik in dit tijdperk van mijn leven emmers van dat lauwe, bruine vocht verslonden heb. Omstreeks dezen tijd deed ik ook drie ontdekkingen: ten eerste, dat juffrouw Crupp het slachtoffer was van eene vreemdsoortige kwaal, door haar „krampen” genoemd, die gewoonlijk vergezeld ging van een buitengewoon rooden neus en bestreden moest worden met groote hoeveelheden pepermunt; ten tweede, dat eene eigenaardigheid in de temperatuur van mijn provisiekamertje telkens mijne brandewijnflesschen deed springen; en eindelijk, dat ik geheel alleen in de wereld en bijzonder geneigd was, om aan dat gevoel van eenzaamheid in hoogdravende gedichten lucht te geven.

De dag, waarop ik mijne intrede deed op het kantoor, werd niet door eenige feestelijkheid opgeluisterd; alleen tracteerde ik de klerken op sandwiches met sherry en ging 's avonds alleen naar de komedie. Ik ging „de Verlatene” zien, een stuk, dat met den geest in Doctors' Commons volkomen overeenkwam en mij zoo aandoenlijk stemde dat ik, toen ik mij, thuis komende, in den spiegel bekeek, mij zelve bijna niet herkende. Toen onze overeenkomst beklonken was, zei mijnheer Spenlow dat hij mij gaarne aan zijne familie zou voorstellen, maar dat zijn huishouden eenigszins in de war was, omdat hij zijne dochter wachtte, die ter voltooiing harer opvoeding naar Parijs was geweest. Zoodra zij terug was, zou het hem een groot genoegen zijn mij te ontvangen, verklaarde hij. Ik wist dat hij weduwnaar was met ééne dochter en zei dus, dat ik erkentelijk was voor zijne goede bedoeling.

Mijnheer Spenlow hield zijn woord. Veertien dagen later ongeveer kwam hij op zijne belofte terug en zei dat het hem zeer veel genoegen zou doen, indien ik hem den volgenden Zaterdag een bezoek wilde brengen en dan tot Maandag blijven. Ik kon met hem mederijden, heen en terug. Natuurlijk wilde ik hem dit genoegen wel doen.

Toen de dag aanbrak wekte zelfs mijn reistaschje de eerbied op van de gesalariëerde klerken, voor wie het huis te Norwood nog steeds een mysterie gebleven was. Een van hen vertelde mij, dat mijnheer Spenlow niets op zijne tafel had dan zilver en Chineesch porcelein; een ander deelde mij mede, dat de champagne daar even rijkelijk vloeide als bij anderen gewoon tafelbier. De oude klerk met de pruik, mijnheer Tiffey, was meermalen voor zaken buiten geweest en telkens doorgedrongen tot de ontbijtkamer, die hij mij beschreef als de weelderigst ingerichte kamer, welke hij ooit gezien had. Hij had daar bruine Oost-Indische sherry gedronken, zoo heerlijk, dat men er van moest knipoogen.

Er werd dien dag in het Consistorie een reeds lang aanhangige zaak behandeld—het gold de excommunicatie van eene bakker, die zich verzet had tegen eene door den kerkeraad vastgestelde belasting op het onderhoud van eene straat—en aangezien het dossier van de getuigenverhooren volgens mijne berekening tweemaal zoo groot was als Robinson Crusoë, werd het laat eer onze werkzaamheden geëindigd waren. Evenwel, hij werd voor zes weken in den ban gedaan en in de kosten veroordeeld; toen verlieten de proctor van den bakker en de rechter en de advocaten van beide partijen—allen meer of minder na verwant aan elkander—de stad, en reden mijnheer Spenlow en ik in zijn phaëton weg.

De phaëton was een sierlijk rijtuig en de paarden strekten hunne halzen uit en lichtten hunne pooten op, alsof ze wisten, dat zij tot Doctors' Commons behoorden. Er was groote wedijver in het maken van vertooning in Doctors' Commons en er werden een aantal sierlijke equipages op nagehouden; hoewel ik meen en altijd zal blijven meenen, dat in mijn tijd de grootste wedijver bestond in de stijfheid van de boorden, die zoo stijf gedragen werden als een man ze bij mogelijkheid dragen kan.

Wij hadden een zeer aangenamen rit en mijnheer Spenlow besprak met mij het beroep, dat ik gekozen had. Hij zei dat het het aangenaamste beroep van de gansche wereld was en volstrekt niet verward moest worden met dat van procureur, omdat het er hemelsbreed van verschilde, veel minder machinaal en veel voordeeliger was.

„In Doctors' Commons neemt men de zaken veel gemakkelijker op,” zei hij, „daarom vormen wij ook eene bijzondere klasse van menschen. Het is wel niet aangenaam dat wij hoofdzakelijk door procureurs in den arm worden genomen, want procureurs behooren tot een lagere soort menschen, waarop alle proctors uit de hoogte neerzien.”

Ik vroeg hem welke zaken hij de beste achtte voor ons, waarop hij antwoordde, dat een betwiste erfenis, waarin een lief landgoedje van dertig of veertig duizend pond de hoofdschotel vormde, naar zijne ondervinding de beste zaak was. „In zulke zaken”, vertelde hij, „valt er niet alleen wat af bij elk stadium, waarin het proces wordt gebracht, maar de verhooren van getuigen à charge en à décharge kunnen tot in het oneindige worden voortgezet, om niet eens te spreken van de appèls, eerst op de Gedelegeerden en daarna op de Lords. Bovendien is men zeker dat de kosten uit de opbrengst van het goed worden betaald en beijveren zich dus beide partijen, om het proces in alle instantiën met groote verwoedheid te voeren en behoeft men zich niet te storen aan de onkosten.” Daarna begon hij een lofspraak te houden op Doctors' Commons in het algemeen. Wat men vooral bewonderen moest in de Commons, dat was de beknoptheid. Commons was de eenvoudigst ingerichte zaak op de wereld. Het was een voorbeeld van eenvoudigheid. Men kon alles wel in een notedop pakken. Bijvoorbeeld: „Gij brengt een aanvraag om scheiding of over teruggave van eene erfenis voor het Consistorie. Goed! De zaak wordt daar behandeld, alsof men aan een allegaartje zit met zijne familie; men speelt op zijn gemak zijn spel uit. Goed! Men is niet tevreden met de uitspraak van het Consistorie, wat nu? Wel, men brengt de zaak voor „the Arches.” Wat is „the Arches”? Hetzelfde Hof in dezelfde kamer met dezelfde balie, dezelfde advocaten, maar met een anderen rechter, want de rechter uit het Consistorie zou daar elken zittingdag als advocaat kunnen komen pleiten. En dan begint het allegaartje opnieuw. Neem aan dat men nog niet tevreden is. Goed! Wat dan? Wel, dan volgt een appèl op „de Gedelegeerden.” Wie zijn „de Gedelegeerden?” Wel, dat zijn de advocaten, die geen zaak aanhangig hebben, die toegekeken hebben bij het allegaartje, terwijl het bij beide hoven werd gespeeld, die de kaarten hebben zien schudden en afnemen, die het spel gevolgd en met al de spelers een praatje gemaakt hebben en nu kersversch optreden als rechters, om de zaak tot genoegen van wederzijdsche partijen te beslissen. Ontevreden menschen mogen spreken over heerschende misbruiken in de Commons, over geheimzinnigheid in de Commons en over de noodzakelijkheid om de Commons te hervormen”, eindigde mijnheer Spenlow op plechtigen toon, „dat is zeker, dat toen de prijs van de tarwe het hoogst was, de Commons het meest te doen hadden; en men mag met de hand op het hart tegenover de geheele wereld verklaren: „Raakt men aan de Commons, dan raakt men aan het Land!””

Ik had met de grootste aandacht naar zijne woorden geluisterd en hoewel ik betwijfelde of het Land werkelijk wel zooveel aan de Commons verplicht was, als mijnheer Spenlow beweerde, zweeg ik uit eerbied voor zijne meerdere ondervinding. Die quaestie over den prijs van de tarwe ging—ik moet dit in mijne groote bescheidenheid meedeelen—boven mijn begrip en ik heb die tot nu toe nog niet begrepen. Bij elke gelegenheid heeft mij die quaestie den mond gesnoerd—mijn leven lang. Ik kan niet zeggen, waarom of met welk recht, maar telkens wanneer ik mijn oude vriend de tarwe op het tapijt hoorde brengen—en hij deed dat, naar ik opmerkte, altijd—achtte ik mijn zaak verloren.

Dit was een uitweiding. _Ik_ zal niet aan de Commons raken en dientengevolge het Land ten val brengen. Door mijn stilzwijgen gaf ik mijne instemming met hetgeen mijn meerdere in jaren en in ondervinding mij had medegedeeld zoo onderdanig mogelijk te kennen en op het verder gedeelte van den rit spraken wij over „de Verlatene”, over het drama in het algemeen en over de paarden, tot wij bij het hek van mijnheer Spenlow's buitengoed stilhielden.

Er was een allerliefste tuin bij mijnheer Spenlow's woning en ofschoon het jaargetijde nu wel niet gunstig was om een tuin te bewonderen, was deze toch zoo keurig onderhouden, dat ik er verrukt van was. Er was een fraai grasperk, er waren heerlijke boomgroepen en mooie plekjes met verrukkelijke vergezichten en overwelfde wandelpaden die ik nog even in de duisternis kon onderscheiden. „Wat moet het hier heerlijk zijn in den zomer als alle heesters en bloemen in vollen bloei staan! Zonder twijfel zijn deze de geliefkoosde wandelingen voor juffrouw Spenlow!” dacht ik.

Wij gingen het huis binnen, dat vroolijk verlicht was, en kwamen in de vestibule, die vol hing en stond met alle soorten van hoeden, petten, overjassen, plaids, handschoenen, rijzweepen en wandelstokken. „Waar is juffrouw Dora?” vroeg mijnheer Spenlow aan den knecht. „Dora!” dacht ik. „Wat een mooie naam!”

Wij traden eene kamer aan onze linkerhand binnen—ik onderstel dat het de ontbijtkamer was, die door den bruinen Indischen Sherry reeds eene zekere vermaardheid voor mij gekregen had—en daar hoorde ik eene stem zeggen: „mijnheer Copperfield, mijne dochter Dora en hare vertrouwde vriendin!” Geen twijfel of deze stem behoorde aan mijnheer Spenlow; maar ik wist het niet en het kon mij ook niet schelen. Ik dacht aan niets meer op dat oogenblik. Mijn lot was in deze zelfde minuut beslist. Ik gaf mij gevangen; ik voelde mij in slavenketenen geslagen! In één woord, ik was smoorlijk verliefd op Dora Spenlow! Zij was geen menschelijk wezen meer voor mij; zij was eene fee, eene sylphide, ik weet zelf niet wat zij was.... zij was alles wat een mensch nooit gezien heeft, alles, waarnaar elk mensch smacht. In een oogwenk had de liefde mij als een afgrond verzwolgen. Ik kon niet op den rand blijven, niet naar beneden, niet achterwaarts zien, ik stortte hals over kop in de diepte, eer ik nog een woord tot haar had kunnen zeggen.

„Ik”, hoorde ik een welbekende stem zeggen, toen ik een buiging gemaakt en eenige woorden gemompeld had, „_ik_ heb mijnheer Copperfield meer gezien.”

Zij, die dit zei, was niet Dora, maar hare vertrouwde vriendin.... juffrouw Murdstone!

Ik geloof niet dat ik erg verbaasd was. Voor zoover ik kon nagaan, was ik op dat oogenblik niet meer vatbaar voor verbazing. Waarover zou ik mij in 's Hemelsnaam nog hebben kunnen verbazen dan over Dora Spenlow? Ik zei: „Hoe vaart gij, juffrouw Murdstone? Ik hoop—goed.” Zij antwoordde: „Heel goed,” waarop ik vroeg: „En hoe maakt het mijnheer Murdstone?” „Dank u,” antwoordde zij, „mijn broeder is heel wel.”

Mijnheer Spenlow, die, naar ik vermoed, zeer verwonderd was te zien, dat wij elkander kenden, zei nu:

„Ik ben blijde, Copperfield, dat gij en juffrouw Murdstone nog oude kennissen zijt.”

„Mijnheer Copperfield en ik,” zei juffrouw Murdstone met kalme waardigheid, „zijn zelfs verwanten. Vroeger zijn wij eenigen tijd met elkander bekend geweest. Dat was in zijne jeugd. Omstandigheden hebben ons gescheiden; ik zou hem niet herkend hebben.”

Ik antwoordde, dat ik haar onder alle omstandigheden zou herkend hebben, hetgeen maar al te waar was.

„Juffrouw Murdstone heeft de goedheid gehad,” vertelde mijnheer Spenlow mij, „den post—als ik het zoo noemen mag—van vertrouwde vriendin mijner dochter wel te willen aannemen. Aangezien mijne dochter het ongeluk heeft gehad hare moeder te verliezen, heeft juffrouw Murdstone de verplichting op zich genomen van hare gezellin en hare beschermster te zijn.”

De gedachte vloog mij door het brein, dat juffrouw Murdstone, evenals het zakinstrumentje, dat gewoonlijk ploertendooder genoemd wordt, minder tot verdediging dan tot den aanval geschikt was. Aangezien ik echter voor alles, behalve voor Dora, slechts vluchtige gedachten over had, keek ik haar weder aan en meende ik in haar lief, doch op dit oogenblik ontevreden gezichtje te lezen, dat zij niet bijzonder ingenomen was met deze vertrouwde vriendin als gezellin en beschermster. De schel, die op dit oogenblik door het huis weerklonk en volgens mijnheer Spenlow de eerste etensbel was, maakte aan dit eerste samenzijn een einde, want ik moest mij kleeden. Het denkbeeld, om zoo verliefd als ik toen was, mij te kleeden of iets anders te doen, dat eenige inspanning kostte, was eigenlijk al te dwaas. Ik kon slechts, bij den haard zittende, op het sleuteltje van mijn reiszak bijten en aan de betooverende, jonge, beminnelijke Dora denken. Wat had zij prachtige oogen en wat een figuurtje en wat een gezichtje en hoe verrukkelijk en natuurlijk was alles wat zij deed!

De schel werd opnieuw geluid, doch zoo spoedig, dat ik mijn toilet bijna geheel vergat in plaats van er zooveel zorg aan te besteden als onder zulke omstandigheden wenschelijk was. Ik ging naar beneden en vond daar nog meer gasten. Dora stond te praten met een heer met grijze haren; maar hoe grijs ook en al vertelde hij dat hij al grootvader was, ik was toch jaloersch op hem. O, o! Ik zal de gemoedsstemming, waarin ik verkeerde, nooit vergeten! Ik was op iedereen jaloersch. Ik kon het niet uitstaan dat er iemand was, die mijnheer Spenlow beter kende dan ik. Het was een ware marteling voor mij hem over voorvallen te hooren spreken, die ik niet had bijgewoond. Toen een zeer beleefd heer met een glad, kaal hoofd mij over de tafel heen vroeg of dit de eerste maal was, dat ik mijnheer Spenlow's plaats bezocht, had ik hem wel kunnen aanvliegen.

Ik herinner mij niemand meer van de aanwezigen dan Dora. Ik kan mij volstrekt niet meer herinneren wat er rondgediend werd; ik voedde mij met Dora en liet ongetwijfeld een half dozijn schotels voorbij gaan. Ik zat naast haar; ik sprak met haar. Zij had het liefste stemmetje, het aantrekkelijkste lachje, de aardigste en betooverendste maniertjes, die ooit een jongen man in verrukking gebracht hebben. Alles, wat zij was en deed, kon met een verkleinwoordje aangeduid worden. Naar het mij voorkwam, verhoogde dit hare aantrekkelijkheid in geen geringe mate.

Toen zij met juffrouw Murdstone de kamer uitging—er waren geen andere dames—verzonk ik in een droomerig gepeins, dat alleen verstoord werd door het wreed vermoeden, dat juffrouw Murdstone allerlei onthullingen zou doen in mijn nadeel. De beleefde heer met het gladde, kale hoofd vertelde mij eene lange geschiedenis—ik meen over tuinieren. Als ik het mij goed herinner, sprak hij eenige malen het woord „tuinman” uit. Ik hield mij alsof ik aandachtig toeluisterde, maar ik wandelde intusschen in Eden's tuin—met Dora.

Het onbewegelijke, nijdige gezicht van juffrouw Murdstone, toen wij later het salon binnentraden, was wel geschikt om aan mijne vrees voor lasterpraat voedsel te geven. Op de meest onverwachte wijze werd die vrees mij echter ontnomen.

„David Copperfield,” zei juffrouw Murdstone, terwijl zij mij in een vensternis wenkte, „luister eens.”

Daar stond ik tegenover juffrouw Murdstone.

„David Copperfield”, sprak zij, „ik wensch hier alle familieomstandigheden buiten beschouwing te laten. Ze vormen nu juist geen uitlokkend onderwerp tot discours.”

„Dat doen ze niet, juffrouw,” antwoordde ik.

„Dat doen ze niet,” herhaalde juffrouw Murdstone. „Ik verlang het verleden, met zijne oneenigheid en zijne onbetamelijkheden niet in mijn geheugen terug te roepen. Ik heb veel beleedigingen moeten aanhooren van een persoon—het spijt mij voor mijne sekse, dat die persoon eene vrouw was—wier naam ik niet zonder eene gewaarwording van toorn en afschuw zou kunnen noemen: het is daarom beter dien maar achterwege te laten.”

Wel is waar kookte ik inwendig, maar ik zei, dat het zeker beter zijn zou haar naam niet te noemen. Ik zou op geen oneerbiedigen toon over haar kunnen hooren spreken, voegde ik er bij, zonder op zeer stelligen toon mijn gevoelen te zeggen.

Juffrouw Murdstone sloot de oogen en boog op minachtende wijze het hoofd; daarna opende zij de oogen weder langzaam en zei: