Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 40

Chapter 403,910 wordsPublic domain

Traddles en ik zaten ver van elkander af, daar wij onze plaatsen aan de tegenovergestelde uiteinden van de tafel vonden; hij, in den warmen gloed van een dame in rood fluweel; ik, in de schaduw van Hamlet's tante. Het maal duurde lang en het gesprek liep over aristocratie en.... bloed. Mevrouw Waterbrook vertelde ons herhaaldelijk, dat indien zij ééne zwakheid had, dan was het .... Bloed.

Meermalen kwam de gedachte in mij op, dat wij ons zeker beter geamuseerd zouden hebben, als wij niet zoo stijf en opgeprikt hadden gezeten. Wij waren zoo stijf, dat de kring, waarin ons gesprek zich kon bewegen, ook zeer beperkt was. Een zekere mijnheer en mevrouw Gulpidge waren ook van de partij en—mijnheer Gulpidge bedoel ik—scheen zoo iets als rechtsgeleerd adviseur bij de Bank te zijn; en door die Bank en die schatkist waren wij zoo stijf als men in een hofkring maar zijn kan. Het familiezwak van Hamlet's tante om telkens alleenspraken te houden over elk onderwerp, dat maar even werd aangeroerd, was niet geschikt om daarin verbetering te brengen. Wel is waar werden er weinig onderwerpen ter sprake gebracht, maar zoodra wij weder op adel en bloed terugkwamen, had zij een even groot veld voor bespiegelingen als haar neef zelf.

Al waren wij een gezelschap kannibalen geweest dan zou het woord „Bloed” geen grootere rol in de gesprekken hebben kunnen spelen.

„Ik moet bekennen, dat ik het geheel eens ben met mijne vrouw,” zei mijnheer Waterbrook met zijn wijnglas voor het oog. „Andere dingen laten mij koud, maar Bloed niet!”

„O, er is niets, waarin een mensch zooveel bevrediging kan vinden!” zei Hamlet's tante. „Er is niets, dat zoo zeer iemand's ideaal kan zijn—in het algemeen gesproken! Er zijn enkele bekrompen wezens—niet veel..... ik ben blijde dat te kunnen gelooven..... er zijn er enkele..... die zouden willen—wat ik noem—knielen voor afgoden. Werkelijke afgoden! Voor verdiensten, vernuft en zoo al meer. Maar dat zijn onzichtbare hoedanigheden. Bloed niet! Wij zien het bloed in den neus en herkennen het als Bloed. Wij zien het in de kin en zeggen: Daar is het! Dat is Bloed! Het is iets tastbaars. Wij kunnen het aanwijzen. Het laat ons niet in twijfel.”

De onnoozele hals met de slappe beenen, die Agnes naar tafel had geleid, kwam nog beslister voor de zaak uit.

„Wat drommel,” zei deze heer met een dommen glimlach om den mond de tafel rondkijkende, „wat drommel, wij kunnen niet buiten Bloed, dat is het! Wij moeten Bloed hebben, begrijpt ge! Er zijn wel jonge lieden, begrijpt ge, die wellicht wat opvoeding en levenswijze betreft, een weinig beneden hun stand blijven, begrijpt ge, en nu en dan eens een zijpad inslaan en zichzelven en anderen op verschillende wijzen in verlegenheid brengen, begrijpt ge; maar, wat drommel, het is toch een genot te weten, dat zij ook Bloed hebben. Ik zelf zou liever neergeveld worden door iemand, die Bloed in de aderen heeft, dan opgeraapt door iemand, die 't niet heeft!”

Deze beschouwing, die de geheele zaak tot den inhoud van een notendop terugbracht, werd algemeen toegejuicht en bracht dit jonge mensch in groot aanzien, tot de dames van tafel opstonden. Daarna merkte ik op, dat mijnheer Gulpidge en mijnheer Spiker, die tot dusver bijzonder stroef geweest waren, een defensief verbond sloten tegen ons, den gemeenschappelijken vijand, en over de tafel heen een geheimzinnig gesprek voerden, dat ons geheel uit het veld moest slaan.

„De zaak van die eerste hypotheek van vier duizend vijf honderd pond heeft niet den loop genomen, die verwacht was, nietwaar, Spiker?” vroeg mijnheer Gulpidge.

„Bedoelt gij die van de D van A's?” vroeg mijnheer Spiker.

„De C van B's!” antwoordde mijnheer Gulpidge.

Mijnheer Spiker trok de wenkbrauwen op en keek zeer bezorgd.

„Toen men zich beriep op Lord.... ik behoef den naam niet te noemen....”

„O, ik begrijp u,” zei mijnheer Spiker, „Lord N.....” Mijnheer Gulpidge knikte even.... „zich beriep op hem, was het antwoord: Geld of geen ontslag!”

„Goede hemel!” riep mijnheer Spiker.

„Geld of geen ontslag!” herhaalde mijnheer Gulpidge op vasten toon. „De tweede, die aan bod was.... gij begrijpt mij....”

„K.,” zei mijnheer Spiker met een onheilspellenden blik.

„Welnu, K. weigerde te teekenen. Hij werd nog van Newmarket gehaald, maar hij weigerde beslist.”

Mijnheer Spiker bleef als versteend zitten.

„Zoo staan de zaken op dit oogenblik,” zei mijnheer Gulpidge, terwijl hij achter in zijn stoel ging zitten. „Onze vriend Waterbrook zal het mij wel vergeven, dat ik slechts in algemeene termen heb gesproken; er zijn al te groote belangen in het spel.”

Mijnheer Waterbrook was al te gelukkig, dat aan zijn tafel zulke belangen door zulke personen behandeld werden om zelfs te denken aan kwalijk nemen. Hij trok een hoogst ernstig gezicht—ofschoon ik vermoedde, dat hij van het gesprek even weinig begreep als ik—en gaf op luiden toon zijne goedkeuring te kennen over de omzichtigheid, welke men in acht had genomen.

Na zulk een bewijs van vertrouwen ontvangen te hebben, verlangde mijnheer Spiker natuurlijk zijn vriend ook een blijk van het zijne te geven, zoodat dit gesprek door een tweede van nog geheimzinniger aard gevolgd werd, waarin mijnheer Gulpidge aan de beurt was om zich te verbazen en door nog een, waarin mijnheer Spiker zich weer verbaasde en zoo om en om. Gedurende al dien tijd zaten wij, leeken, onder den indruk van de onvergelijkelijke geheimzinnigheid en belangwekkendheid der gesprekken, toe te luisteren en onze gastheer wierp ons nu en dan een trotschen blik toe, als wilde hij zeggen, dat wij, arme slachtoffers, een heilzame les ontvingen.

Ik was blijde eindelijk naar boven te kunnen gaan, naar Agnes, met haar in een hoekje te kunnen praten en haar met Traddles in kennis te brengen, die wel wat verlegen, maar toch nog dezelfde goedhartige jongen was, als hij op Salem House altijd was geweest. Aangezien hij genoodzaakt was vroeg heen te gaan, omdat hij den volgenden morgen voor een maand op reis zou gaan, kon ik mij niet zooveel met hem bezighouden als ik wel gewenscht had; wij gaven echter elkander ons adres op en beloofden elkander te zullen opzoeken, zoodra hij terug was. Hij was ten hoogste verbaasd, dat ik Steerforth wel ontmoette, en sprak met zooveel warme belangstelling over hem, dat ik hem verzocht Agnes zijne meening omtrent onzen wederzijdschen vriend mede te deelen. Maar Agnes keek mij maar aan, zoolang Traddles aan het woord was, en schudde even haar hoofd, toen dit alleen door mij kon opgemerkt worden.

Aangezien zij hier niet in eene omgeving was, waarin zij zich, naar het mij ten minste voorkwam, erg thuis kon gevoelen, was ik bijna blijde te vernemen, dat zij binnen eenige dagen weder zou heengaan, al deed het vooruitzicht, dat ik dan in de onmogelijkheid zou zijn haar te ontmoeten, mij pijnlijk aan. Dit gaf mij ook aanleiding te blijven tot het geheele gezelschap verdwenen was. Met haar te praten en haar te hooren zingen was zulk een zalige herinnering aan mijn gelukkig leven in het oude, deftige huis, waaraan zij zoo oneindig veel had toegebracht, dat ik den geheelen nacht daar had kunnen blijven; maar toen al de groote lichten in het salon waren uitgedraaid, nam ik afscheid, hoewel zeer tegen mijn zin. Meer dan ooit voelde ik toen, dat zij mijn goede engel was en wanneer ik aan haar lief gelaat en haar vreedzamen glimlach dacht, alsof die werkelijk aan zulk een verheven wezen als een engel is, toebehoorden, hoop ik daarmede geen kwaad te hebben gedaan.

Ik zeide, dat het geheele gezelschap was heengegaan, maar ik moet Uriah Heep daarvan uitzonderen, dien ik daaronder niet reken en die tot het laatste oogenblik om ons heen draaide. Toen ik de trap afging, was hij vlak achter mij en toen ik langzaam naar huis wandelde, was hij vlak naast mij; terwijl hij zijne lange, beenige vingers in een paar groote Guy Fawkes-handschoenen wegstopte.

Het was volstrekt niet, omdat ik zoo gesteld was op zijn gezelschap, maar alleen om gevolg te geven aan het verzoek van Agnes, dat ik Uriah verzocht op mijne kamer een kop koffie te komen drinken.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,” antwoordde hij, „ik vraag u vergeving, mijnheer Copperfield, maar dat andere valt mij als van zelf uit den mond,—ik zou niet gaarne wenschen, dat gij u eenigen dwang oplegdet door zulk een nederig persoon als ik ben ten uwent te vragen.”

„Er is geen sprake van dwang,” zei ik. „Gaat gij mede?”

„O, heel gaarne,” antwoordde hij, zijn lichaam in allerlei bochten wringend.

„Welaan dan, ga dan maar mee!” herhaalde ik.

Ik kon het niet helpen dat ik wat kortaf tegen hem was, maar hij scheen dat niet op te merken. Wij namen den kortsten weg, zonder veel te praten; en Uriah was nog steeds bezig met zijne vogelverschrikkers van handschoenen aan te trekken, toen wij reeds voor juffrouw Crupp's woning stonden. Ik hielp hem de donkere trap op, uit vrees dat hij zijn hoofd tegen iets zou stooten en daarbij deed zijne vochtige, koude hand zoo aan een kikvorsch denken, dat ik grooten lust gevoelde om hem los te laten en weg te loopen. Agnes en mijn begrip van gastvrijheid behaalden evenwel de overhand en ik bracht hem aan mijn haard. Toen ik de kaarsen aanstak, sloeg hij de handen ineen van verrukking over mijne kamer, en toen ik de koffie warm maakte in een eenvoudig tinnen kannetje, waarin juffrouw Crupp ze gewoonlijk zette—voornamelijk, vermoed ik, omdat het niet voor dit doel bestemd, maar als kannetje voor scheerwater geboren was, en omdat er een uitstekende machine, die veel geld gekost had, in het provisiekamertje stond te verroesten—legde hij zulk een walgelijke aandoenlijkheid aan den dag, dat ik hem gaarne het bruine, heete vocht in zijn gezicht zou hebben gesmeten.

„O, waarlijk, jongeheer Copperfield,—ik bedoel mijnheer Copperfield,”—zei hij, „hoe had ik ooit durven denken, dat gij mij nog eens bedienen zoudt! Maar op allerlei wijzen gebeuren er dingen met mij, die ik nooit heb durven verwachten in mijn nederigen staat; waarlijk, de zegeningen stapelen zich op mijn hoofd. Gij zult ook wel vernomen hebben, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield—welke vooruitzichten zich voor mij openen?”

Zooals hij daar op de canapee zat, met zijn lange beenen hoog opgetrokken onder zijn kopje koffie, zijn hoed en zijne handschoenen op den grond, dicht naast hem, zachtjes roerende met zijn lepeltje; zijne onbeschermde roode oogen, waarvan de haartjes afgezengd schenen te zijn, op mij gericht, zonder mij aan te kijken; terwijl de leelijke inkepingen in zijn neus met de ademhaling op en neer gingen en hij zijn geheele lichaam telkens slangachtig kronkelde, vervulde hij mij met walging. Het was heel moeielijk voor mij hem tot gast te hebben, want ik was nog jong en niet gewoon te verbloemen, wat ik zoo diep gevoelde.

„Gij hebt zeker wel het een en ander van mijne vooruitzichten vernomen, jongeheer Copperfield—ik bedoel mijnheer Copperfield?”—vroeg Uriah.

„Ja,” antwoordde ik, „wel iets.”

„Zoo, ik dacht wel, dat juffrouw Agnes er van weten zou!” riep hij met de grootste koelbloedigheid uit. „Ik ben blij te hooren, dat juffrouw Agnes het weet. Ik ben u dankbaar, jongeheer—mijnheer Copperfield!”

Ik had hem den laarzentrekker, die juist voor mij op den grond lag, wel naar het hoofd willen werpen, omdat hij mij verleid had iets mede te deelen, dat met Agnes in verband stond, hoe onbeduidend het ook was. Ik dronk echter mijn kop koffie ledig.

„Wat hebt gij een profetischen blik gehad, mijnheer Copperfield!” vervolgde Uriah. „Goede Hemel, wat hebt gij een profetischen blik gehad! Herinnert gij u nog hoe gij eens zeidet, dat ik nog eenmaal deelgenoot zou worden in de zaak van mijnheer Wickfield, dat het misschien nog eens Wickfield en Heep zou worden! _Gij_ moogt het u niet herinneren, maar iemand, die nederig is, jongeheer Copperfield, bewaart zulke woorden als een kostbaren schat.”

„Ik herinner mij wel er over gesproken te hebben,” zei ik, „ofschoon ik het op dat oogenblik niet waarschijnlijk achtte.”

„O, wie zou er ooit over hebben durven denken, mijnheer Copperfield!” hernam Uriah opgewonden, „ik zelf zeker niet. Ik herinner mij nog met deze zelfde lippen gezegd te hebben, dat ik daartoe veel te nederig was. En zoo beschouwde ik mij zelven inderdaad ook.”

Hij zat met dien zekeren grijnslach om den mond naar het vuur te kijken, terwijl ik naar hem keek.

„Maar de nederigste menschen, jongeheer Copperfield,” hernam hij na eene kleine pauze, „kunnen medewerken tot het goede. Het verheugt mij te mogen zeggen, dat ik medegewerkt heb tot het goede voor mijnheer Wickfield, en dat ik daarmede hoop voort te gaan. O, mijnheer Copperfield, hij is zulk een braaf man, maar hij is zoo onvoorzichtig geweest!”

„Het spijt mij dat te hooren,” zei ik, maar kon niet nalaten er op bitsen toon bij te voegen: „in vele opzichten.”

„Zeker, zeker, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „in vele opzichten. Ten opzichte van juffrouw Agnes in de eerste plaats! Herinnert gij u niet uw eigen welsprekende getuigenis, jongeheer Copperfield? Ik herinner mij zeer goed, hoe gij op zekeren dag zeidet dat iedereen haar moest bewonderen en hoe dankbaar ik u was voor deze woorden! Gij hebt dat zonder twijfel vergeten, jongeheer Copperfield?”

„Neen,” antwoordde ik droogjes.

„O, wat ben ik blijde, dat gij deze woorden niet vergeten hebt!” riep Uriah uit. „Te denken, dat gij de eerste geweest zijt, die het vonkje eerzucht in mijne borst hebt aangeblazen en dat gij het niet hebt vergeten! O!—Zoudt gij mij nog een kopje koffie willen inschenken?”

In den nadruk, dien hij op de woorden „vonkje eerzucht” legde, en in de wijze, waarop hij mij aankeek, was iets, dat mij deed ontstellen, alsof ik werkelijk zijn binnenste in lichtelaaie voor mij zag. Zijn verzoek, dat op een geheel anderen toon werd uitgesproken, bracht mij weder tot mij zelven; ik schonk hem terstond in, doch met onvaste hand, tengevolge van het plotselinge opgekomen bewustzijn, dat ik niet tegen hem was opgewassen, en met een gevoel van angst en wantrouwen voor hetgeen hij verder zeggen zou, dat onmogelijk aan zijn doordringende blikken kon ontsnappen.

Hij zei echter niets, maar roerde in zijn koffie, nam een paar kleine slokjes, veegde zijn kin af met zijne koude, griezelige hand, keek in het vuur en de kamer rond, keek mij aan met een grijnslach, kronkelde zijn lichaam in de zonderlingste bochten, roerde weder zijne koffie om, proefde ze, maar bleef het stilzwijgen bewaren.

„Dus is mijnheer Wickfield,” zei ik eindelijk, „die zooveel waard is als vijfhonderd Heeps en .... Copperfields,”—al had mijn leven op het spel gestaan, zou ik niet hebben kunnen nalaten deze twee namen als met een ruk te scheiden—„onvoorzichtig geweest, nietwaar, mijnheer Heep?”

„Ja, heel onvoorzichtig, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah met een verlegen zuchtje. „O, zoo onvoorzichtig! Maar waarom noemt gij mij niet Uriah, zooals vroeger?”

„Welnu dan, Uriah!” zei ik, niet zonder moeite dien naam uitsprekende.

„Dank u!” riep hij met warmte uit. „Dank u, jongeheer Copperfield. Als ik dien naam uit uw mond hoor, is 't mij alsof ik een oud, bekend klokje hoor luiden. Neem mij niet kwalijk, maar waarover spraken wij toch?”

„Over mijnheer Wickfield, meen ik.”

„O, ja, dat is waar,” hernam Uriah. „Ja, hij is zeer onvoorzichtig geweest, jongeheer Copperfield. Aan niemand dan aan u zou ik er een woord over durven reppen. En zelfs tegen u kan ik die zaak ook niet meer dan even aanroeren. Ware iemand anders in mijne plaats geweest gedurende de laatste jaren, dan zou hij nu zeker mijnheer Wickfield—en hij is, zoo'n brave man, jongeheer Copperfield!—onder den duim hebben gehad. On... der.... den duim!” herhaalde Uriah langzaam, terwijl hij zijne afschuwelijke hand boven mijn tafel uitstrekte en er zoo hard met den duim op drukte, dat de tafel, ja de heele kamer er van trilde. Al had ik hem met zijn horrelvoet op mijnheer Wickfield's hoofd zien staan, zou ik hem niet meer hebben kunnen haten dan op dit oogenblik.

„O, jongeheer Copperfield,” ging hij op zachten toon voort, geheel verschillend van het gebaar met zijn duim, waarmede hij even hard bleef drukken, „er is niet aan te twijfelen. Schade en schande zou zijn deel geweest zijn en... wie weet wat nog meer. Mijnheer Wickfield weet dit zoo goed als ik. Ik ben het nederige werktuig, dat hem nederig dient, en hij verheft mij tot eene hoogte, die ik niet gehoopt heb ooit te zullen bereiken. Hoe dankbaar moet ik hem wel wezen!” Hij had na deze woorden het gelaat naar mij toegekeerd, zonder mij aan te kijken, nam den krommen duim van de plek, waar hij dien had geplant, en wreef er zacht mede over zijn kaken alsof hij zich ging scheren.

Ik herinner mij nog hoe mijn hart van verontwaardiging klopte, toen ik aan zijn geslepen gezicht, dat door het roode licht van het haardvuur met een rossen gloed was overtogen, bemerkte dat hij zich gereed maakte om nog meer te vertellen.

„Maar, jongeheer Copperfield,” begon hij, „houd ik u ook op?”

„O, volstrekt niet; ik ben niet gewoon vroeg naar bed te gaan.”

„Dank u, jongeheer Copperfield! Ik ben uit den nederigen staat, waarin gij mij gekend hebt, opgeklommen, dat is waar, maar ik ben toch nederig gebleven. Ik hoop nooit anders dan nederig te zullen zijn. Gij zult mijn nederigheid ook wel niet in twijfel trekken, jongeheer Copperfield, indien ik u eene vertrouwelijke mededeeling doe? Is 't wel?”

„O, neen,” antwoordde ik, niet zonder inspanning.

„Dank u!” Hij haalde zijn zakdoek te voorschijn en begon zijn handpalmen af te drogen.

„Juffrouw Agnes, jongeheer Copperfield....”

„Wel, Uriah?”

„O, wat is het toch heerlijk zoo, alsof 't van zelf spreekt, Uriah genoemd te worden!” riep hij, terwijl hij opsprong als een visch, die op het droge ligt.

„Gij vondt van avond ook, dat zij er allerbekoorlijkst uitzag, nietwaar, jongeheer Copperfield?”

„Ik vond dat zij er uitzag als altijd, ver boven hare omgeving staande,” antwoordde ik.

„O, dank u! Ja, dat is zoo waar!” riep hij. „Ik dank u hartelijk voor deze woorden!”

„Dat is volstrekt niet noodig,” zei ik op eenigszins afgemeten toon. „Wat zou u aanleiding kunnen geven om mij daarvoor te bedanken?”

„Dat, jongeheer Copperfield,” antwoordde Uriah, „is juist het geheim waarvan ik u in vertrouwen mededeeling wilde doen. Zoo nederig als ik ben,” hij wreef zijne handen nog krachtiger en bleef in het vuur kijken, „en zoo nederig als mijne moeder is en zoo laag als ons nederig, doch eerlijk dak altijd is geweest—ik wil u mijn geheim wel toevertrouwen, jongeheer Copperfield, want ik heb mij aangetrokken tot u gevoeld van het oogenblik af, dat ik u in den hittewagen zag aankomen—heeft het beeld van Agnes eene eerste plaats ingenomen in mijn hart. O, jongeheer Copperfield, ik heb Agnes zoo lief, dat ik den grond zou willen kussen, waarop zij haar voet heeft gezet!”

Als ik mij goed herinner, kwam het dolzinnige denkbeeld bij mij op den gloeienden pook uit het vuur te nemen en hem daarmede te doorsteken. Ik schudde het met geweld van mij af, maar het beeld van Agnes, dat zelfs door deze ééne gedachte van dit roodharig monster werd gehoond, bleef mij bij, terwijl ik hem aankeek, zooals hij daar scheef en verdraaid op zijn stoel zat, alsof zijn lage ziel het leelijke lichaam in de klauwen had—ik werd er duizelig van.

Hij scheen in mijne oogen hoe langer hoe grooter en dikker te worden; de vier muren van mijne kamer schenen het geluid van zijne stem te weerkaatsen en de zonderlinge gewaarwording maakte zich van mij meester—eene gewaarwording, die wellicht aan niemand vreemd is—dat ditzelfde tooneel vroeger nog eens had plaats gehad, in lang vervlogen tijden, en dat ik wist, wat hij nu zou zeggen.

Gelukkig merkte ik nog tijdig eene uitdrukking op in zijn gelaat, die mij herinnerde aan de macht, welke hij over Agnes' vader had, en aan haar verzoek om hem te ontzien. Ik vroeg hem zoo kalm, als ik een minuut te voren onmogelijk had kunnen doen, of hij Agnes zijne liefde reeds had verklaard.

„O, neen, jongeheer Copperfield!” antwoordde hij, „o, neen! Aan niemand dan aan u! Gij ziet, dat ik nog moeite heb, om mij uit mijn nederigen stand te verheffen. Ik koester veel hoop, omdat zij wel weet, hoeveel diensten ik haar vader bewezen heb—ik vertrouw ten minste, dat ik hem veel diensten bewezen heb, jongeheer Copperfield—en hoe ik zijn weg zal blijven effenen. Zij is zoo gehecht aan haar vader, jongeheer Copperfield— o, hoe beminnelijk is dat in eene dochter!—dat ik hare genegenheid om zijnentwil denk te verwerven.”

Ik doorzag het plan van den fielt tot in de geringste bijzonderheden en begreep, waarom hij het mij blootlegde.

„Zoo gij de goedheid wildet hebben, jongeheer Copperfield,” vervolgde hij, „mijn geheim voor u te houden en, in het algemeen, mij niet tegen te werken, zoudt gij mij eene groote gunst bewijzen. Gij wilt natuurlijk geen onaangenaamheden in het leven roepen. Ik weet, dat gij een goed hart bezit, maar wijl gij mij alleen gekend hebt in mijn nederigen staat—in mijn nederigsten staat, moest ik zeggen, want ik ben nog maar een gering persoon—zoudt gij mij, zonder het te willen bij mijn Agnes kunnen tegenwerken. Ik noem haar reeds „de mijne”, jongeheer Copperfield, zooals gij bemerkt. Ik hoop daartoe binnen eenige dagen het recht te verkrijgen.”

Lieve, bekoorlijke Agnes! Te lief, te bekoorlijk voor wien ook! Zou het mogelijk zijn, dat zij bestemd was om de vrouw te worden van zulk een ellendeling?

„Er is geen haast bij, begrijpt ge, jongeheer Copperfield,” vervolgde Uriah op zijn lijmerigen toon, terwijl ik hem met deze gedachte in mijne ziel zat aan te staren. „Mijne Agnes is nog jong en mijne moeder en ik willen er ons eerst geheel bovenop werken en een aantal veranderingen brengen in onze wijze van leven, alvorens ik met gepaste vrijmoedigheid mijn verzoek doen kan. Ik zal dan ook tijd hebben om haar langzamerhand gemeenzaam te maken met de hoop, die leeft in mijn hart. O, ik ben u zoo verplicht voor uw vertrouwen! O, gij kunt niet begrijpen welk een rust het mij verschaft, dat gij nu zoo geheel zijt ingewijd in al mijne geheimen en ik de zekerheid heb, dat gij geen onaangenaamheden in het leven zult roepen en mij niet zult tegenwerken!”

Hij nam mijne hand, die ik niet durfde terugtrekken, en na die met zijne klamme vingers gedrukt te hebben, haalde hij een horloge uit den zak, waarvan de wijzerplaat even vaal en kleurloos was als zijn gezicht.

„Goede Hemel!” riep hij, „het is over eenen. De uren vliegen voorbij als men zoo vertrouwelijk over den ouden tijd zit te praten, jongeheer Copperfield! Het is bijna half twee!”

Ik antwoordde dat het naar mijne meening nog later zijn moest. Dit was eigenlijk eene onwaarheid, maar ik nam die te baat omdat het mij niet mogelijk was het gesprek nog langer te rekken.

„Goede Hemel!” herhaalde hij peinzend. „De menschen, waar ik logeer—in een soort logement, jongeheer Copperfield, dichtbij het Nieuwe Hoofd—zijn zeker al twee uur naar bed.”

„Het spijt mij,” antwoordde ik, „dat hier maar één bed is en dat ik....”

„O, spreek toch niet over bedden, jongeheer Copperfield!” riep hij vol vuur uit, terwijl hij een been in de hoogte trok. „Maar zoudt gij er iets tegen hebben als ik hier bij den haard ging liggen?”

„Neem dan liever mijn bed!” zei ik, „dan ga ik voor den haard liggen.”