Het leven en de lotgevallen van David Copperfield

Part 4

Chapter 44,129 wordsPublic domain

Toen wij wat dichter bij kwamen en de eindelooze horizon voor ons lag, maakte ik tegen Peggotty de opmerking dat een berg of zoo iets het landschap wel eenigszins verfraaid zou hebben en ook dat, als de afscheiding tusschen het land en de zee een weinig scherper was en de stad en het water niet zoo dooreen gemengd waren, het geheel zeker mooier zou zijn geweest.

Maar Peggotty zei met meer geestdrift dan ik van haar gewoon was dat men de dingen moest nemen zooals ze waren en dat zij er trotsch op was een Yarmouther bokking te zijn.

Toen wij de straat binnenreden—voor mij reeds eene vreemde gewaarwording—en de visch, het pek en het teer roken en de zeelui zagen rondwandelen en de karren over de steenen hoorden ratelen, voelde ik dat ik het nijvere plaatsje onrecht had aangedaan; ik zei dit tegen Peggotty, die zich oprecht verblijdde over mijne ingenomenheid en mij vertelde dat Yarmouth bekend stond—vermoedelijk alleen bij hen, die het geluk hadden tot de bokkingen te behooren—als een van de mooiste plaatsjes van de geheele wereld.

„Daar is mijn beste Am!” gilde zij eensklaps. „Hij is zoo gegroeid dat ik hem bijna niet zou herkennen.”

Inderdaad stond Ham ons bij de herberg op te wachten en alsof ik een oude kennis van hem was, vroeg hij mij hoe ik het maakte. Ik kon niet zeggen dat ik hem even goed kende als hij mij, want al was hij sedert den nacht, waarin ik geboren was, niet meer bij ons geweest, hij had toch iets op mij voor. De vriendschap was echter spoedig gesloten toen hij mij op zijn rug naar huis bracht. Hij was een sterke, grof gebouwde kerel van zes voet lang en naar evenredigheid breed, met ronde schouders, doch met een dom, lachend, jongensachtig gezicht en krullend licht haar, dat hem iets schaapachtigs gaf. Hij droeg een buis van zeildoek en zulk een stijve broek, dat dit kleedingstuk ook zonder beenen er in rechtop zou hebben blijven staan. Ook kon men niet zeggen dat hij een hoed op had, maar dat hij evenals een oud gebouw met iets gedekt was, dat erg naar teer rook.

Terwijl Ham mij en een klein koffertje droeg, dat ons toebehoorde, en Peggotty een ander koffertje voor haar rekening had genomen, gingen wij eenige straten door, bezaaid met houtspaanders en kleine zandheuveltjes, en langs gasfabrieken, touwslagerijen, scheepstimmerwerven, slooperswerven, teerstokerijen, smederijen en een aantal kleinere werkplaatsen, totdat wij de vlakte naderden, die ik reeds op grooten afstand had gezien. Eensklaps zei Ham:

„Daar ginds is ons huis, jongeheer Davy.”

Ik keek in alle richtingen, zoover als mijn oog reikte, over de zee, over de rivier, maar geen spoor van een huis was te ontdekken. Wel zag ik een zwarte schuit of een ander soort afgedankt vaartuig op eenigen afstand hoog en droog op het strand liggen; er stak een ijzeren kachelpijp bovenuit, die voor schoorsteen dienst deed en hard rookte, maar overigens was er geen enkele menschelijke woning te zien.

„Dat is het toch niet?” vroeg ik. „Dat ding, dat zooveel op een schip lijkt?”

„Dat is het, jongeheer Davy,” antwoordde Ham.

Al had ik het paleis van Sultan Aladdin voor mij gezien met den vogel Rok op den koop toe, zou ik niet meer verrukt kunnen geweest zijn over het romantische denkbeeld om daar te wonen. Aan den zijkant was er op kunstige wijze een deur in gemaakt, het had een dak en kleine raampjes; maar de grootste aantrekkelijkheid was dat het een wezenlijk schip was, dat zonder twijfel honderden malen op de zee had gevaren, en nooit bestemd was geweest om tot woning te dienen op het land. Dat was voor mij de grootste aantrekkelijkheid. Indien het gebouwd was voor het doel, waartoe het nu diende, zou ik het klein, ongezellig, eenzaam hebben gevonden, maar nu het eene andere bestemming had gehad, was het in mijn oog eene onverbeterlijke woning.

Van binnen zag alles er even keurig en zindelijk uit. Er was een tafel, een Friesche klok, een latafel en op de latafel stond een theeblad terwijl er een plaat boven hing, eene dame met een parasol voorstellend, die eene wandeling deed met een kind, dat de uniform droeg van een militair en met een hoepel speelde. Het theeblad werd voor vallen behoed door een bijbel en ware het theeblad gevallen dan zou het een aantal kopjes en schoteltjes, een theepot en een suikerpot hebben meegesleept, die om den bijbel stonden. Aan den wand hingen eenige leelijk gekleurde teekeningen van voorstellingen uit de Heilige Schrift, alle in lijsten en achter glas; wanneer ik later deze teekeningen in handen zag van prentenhandelaars, kwam mij altijd het inwendige van de woning van Peggotty's broeder weder voor den geest. Abraham in het rood, die een blauwen Izaäk ging offeren, en Daniël in het geel voor groene leeuwen geworpen, vielen het eerst in het oog. Boven den schoorsteenmantel hing een afbeeldsel van den logger „de Sarah-Jane,” die te Sunderland was gebouwd; en daaronder stond een werkelijke houten achtersteven van een schip, een meesterwerk van houtsnijkunst in mijne oogen en een van de meest benijdenswaardige bezittingen, die de wereld kon opleveren. In de balken, die de zoldering droegen, waren eenige haken geslagen, waarvan ik het doel niet terstond raden kon; in het rond stonden eenige kastjes, kisten en dergelijke meubels, die tot zitplaatsen dienden en dus de stoelen vervingen.

Dit alles had ik in een oogwenk gezien, nadat ik den drempel had overschreden—met de opmerkingsgave, die volgens mijne bewering aan kinderen eigen is—en toen opende Peggotty eene kleine deur en wees mij mijne slaapkamer. Het was de volmaaktste en gezelligste slaapkamer, die ik ooit gezien heb—in den achtersteven van het schip, met een klein raampje, waar vroeger het roer doorheen was gegaan; een kleinen spiegel, juist hoog genoeg voor mij aan den muur opgehangen, in eene lijst van oesterschelpen; een klein bedje, waar men bijna niet kon instappen zonder zijn hoofd te stooten, en een ruiker van zeewier in een blauwe vaas op de tafel. De wanden waren krijtwit en de schitterende kleuren van de lappendeken, die over het bed lag, deden mij pijn aan de oogen. Eén ding vooral trof mij in deze eigenaardige woning, namelijk de vischlucht, die zoo doordringend was dat, toen ik mijne zakdoek aan mijn neus bracht, het vermoeden in mij opkwam of men mij ook stilletjes een kreeft in den zak had gestopt. Toen ik deze ontdekking in vertrouwen aan Peggotty meedeelde, vertelde zij mij dat haar broeder handel dreef in kreeften, krabben en allerlei andere schaaldieren en later vond ik ook eene geheele verzameling van deze dieren, die alle aan elkander vastkleefden, omdat zij hetgeen zij eenmaal vast hadden niet meer loslieten, in een hoek van een uitbouw, waarin de potten en pannen bewaard werden.

Wij werden verwelkomd door eene vriendelijke vrouw met een witten boezelaar; ik had haar reeds zien wuiven toen ik, op Ham's rug zittende, nog een kwart mijl van de woning verwijderd was. Ook was daar een heel mooi, klein meisje—ten minste daarvoor hield ik haar—met een snoer van blauwe kralen om den hals; zij wilde zich niet laten kussen toen ik aanstalten daartoe maakte, maar liep weg en verschuilde zich ergens. Toen wij het middagmaal gebruikt hadden—gekookte bot met gesmolten boter en aardappelen en een cotelet voor mij—kwam er een man binnen, die erg harig was, maar een vriendelijk uiterlijk had. Hij noemde Peggotty „meid” en gaf haar een klinkenden kus op de wang, zoodat ik, wetende dat zij de zedigheid zelve was, niet twijfelde of deze man was haar broeder; dit bleek juist te zijn, want hij werd voorgesteld als baas Peggotty, de eigenaar van de woning.

„Het verheugt mij u te zien, jongeheer.” zei baas Peggotty. „Gij zult ons misschien wat ruw vinden, maar daarom meenen wij het toch goed.”

Ik bedankte hem en antwoordde dat het mij zeker wel zou bevallen in zulk eene prettige omgeving.

„Hoe maakt het uwe mama, jongeheer?” vroeg baas Peggotty. „Was zij wel, toen gij op reis gingt?”

Ik zei dat zij zoo wel was als ik maar wenschen kon en dat zij de complimenten verzocht had—dit laatste was een beleefd verzinsel van mij.

„Gij moet haar wel bedanken,” antwoordde baas Peggotty. „Welnu, jongeheer, als gij het met haar”—hij wees op Peggotty—„en Ham en de kleine Emily een veertien dagen hier kunt uithouden, zullen wij wat trotsch zijn op uw gezelschap.”

Na mij verwelkomd en op zulk een gastvrije wijze de eer van zijne woning opgehouden te hebben, ging baas Peggotty naar buiten om zich te wasschen in een pot vol warm water, waarbij hij de opmerking voegde, dat hij zich met koud water niet schoon kon krijgen. Hij keerde weldra erg opgeknapt terug, maar zoo rood, dat ik niet kon nalaten aan een kreeft te denken, die zwart in het kokende water gaat en er rood weder uitkomt.

Na de thee, toen de deur en alle vensters en luikjes gesloten waren—de avonden begonnen koud en mistig te worden—scheen het mij de heerlijkste verblijfplaats, die men zich zou kunnen wenschen. Te luisteren naar den wind, die langzamerhand uit de zee opkwam, te weten dat daar buiten de eentonige vlakte in een dikke mist was gehuld, naar het vuur te kijken en te denken dat er geen enkele woning in de nabijheid en dat deze ééne een schuit was.... zie, dat was verrukkelijk! De kleine Emily had hare schuwheid overwonnen en zat naast mij op het laagste en kleinste bankje, dat juist groot genoeg was voor ons beiden en juist in het hoekje van den schoorsteen paste. Juffrouw Peggotty met den witten boezelaar zat aan den tegenovergestelden kant te breien en Peggotty zat daar met haar naaiwerk en haar doos met de Sint-Paul en het stukje waskaars zoo op haar gemak bij, alsof zij hier nooit weg was geweest. Ham, die mij mijne eerste les in het edele kaartspel gegeven had, stond zich zelven uit een spel vuile kaarten waar te zeggen en maakte met zijn duim op elke kaart een afdruk, die sterk naar visch riekte. Baas Peggotty rookte een pijp en ik voelde dat het oogenblik gekomen was om een gesprek te beginnen.

„Baas Peggotty!” zei ik.

„Wel, jongeheer?”

„Hebt gij uw zoon Ham genoemd, omdat gij in een soort ark woont?”

Baas Peggotty scheen dit eene diepzinnige vraag te vinden en antwoordde:

„Neen, jongeheer; ik heb hem in het geheel geen naam gegeven.”

„Wie gaf hem dan een naam?” vroeg ik op een toon alsof ik baas Peggotty zijn cathechismus overhoorde.

„Zijn vader, jongeheer,” zei baas Peggotty.

„Ik meende dat gij zijn vader waart!”

„Neen; mijn broeder Joe was zijn vader,” zei baas Peggotty.

„Dood, baas Peggotty?” vroeg ik na eene kleine pauze op fluisterenden toon.

„Verdronken,” zei baas Peggotty.

Ik was ten hoogste verbaasd dat baas Peggotty Ham's vader niet was en begon te denken, dat ik mij ook wel eens kon vergist hebben in de voorstelling, die ik mij gemaakt had van zijne verhouding tot alle andere huisgenooten. Ik was zoo nieuwsgierig geworden dat ik moed vatte om baas Peggotty uit te hooren.

„Is de kleine Emily een dochtertje van u, baas Peggotty?” vroeg ik met een blik op mijn buurmeisje.

„Neen, jongeheer. Mijn schoonbroeder, Tom, was haar vader.”

Ik kon het niet helpen. „Dood, baas Peggotty?” fluisterde ik weder.

„Verdronken,” antwoordde baas Peggotty.

Ik voelde hoe moeilijk het was dit onderwerp verder uit te spinnen, maar wilde toch geheel op de hoogte er van zijn; dus vroeg ik:

„Hebt gij geen kinderen, baas Peggotty?”

„Neen, jongeheer,” antwoordde hij met een glimlach. „Ik ben nooit getrouwd geweest.”

„Nooit getrouwd geweest!” riep ik verbaasd. „En wie is dat dan, baas Peggotty?” Ik wees daarbij op de breiende juffrouw met den boezelaar.

„Dat is juffrouw Gummidge,” zei baas Peggotty.

„Gummidge....?”

Op dit oogenblik gaf Peggotty—ik bedoel mijn eigen Peggotty—mij zulke welsprekende wenken om niet verder te vragen, dat ik niets kon doen dan stil zitten kijken naar het zwijgende gezelschap tot het tijd was om naar bed te gaan. Toen Peggotty later met mij alleen was, vertelde zij mij dat Ham en Emily een neef en een nichtje waren, die mijn gastheer, toen zij wees waren geworden, tot zich genomen had en dat juffrouw Gummidge de weduwe was van den medeeigenaar van de schuit en in zeer behoeftige omstandigheden was achtergelaten. „Mijn broeder is zelf ook wel arm,” voegde Peggotty er bij, „maar zoo goed als goud en zoo trouw als staal”—dit waren hare geliefkoosde vergelijkingen. Het eenige, waarover hij zich ooit driftig maakte of zich een vloek liet ontvallen, was over zijn eigen edelmoedigheid en wanneer er ooit door een van allen over gesproken werd, dan sloeg hij met de rechterhand op de tafel en zwoer bij hoog en laag dat hij „gekielhaald” mocht worden, als hij niet voor altijd wegliep, wanneer er weder over gesproken werd. Hoewel ik niet wist wat eigenlijk „kielhalen” beduidde, begreep ik toch, dat het iets verschrikkelijks zijn moest.

De edelmoedigheid van mijn gastheer had mij diep getroffen en nog onder den indruk daarvan en van al de gewaarwordingen van dien dag viel ik in slaap, na nog gehoord te hebben dat het vrouwelijk personeel aan den anderen kant van de boot op een dergelijk kamertje als het mijne haar bed opzocht en baas Peggotty en Ham twee hangmatten voor zich zelve ophingen aan de haken, die mijne nieuwsgierigheid hadden opgewekt. Ik hoorde nog hoe de wind langs de schuit en over de vlakte huilde en gedurende een oogenblik kwam de vrees in mij op, dat de zee des nachts het land wel eens zou kunnen overstroomen. Ik bedacht echter dat wij dan toch in een boot waren en dat het in zulk een geval een geluk mocht heeten een man als baas Peggotty aan boord te hebben.

Er gebeurde echter niets ergers dan dat het weder morgen werd. Bijna onmiddellijk nadat de lijst van oesterschelpen om mijn spiegel verlicht werd, was ik uit mijn bed en met de kleine Emily aan het steentjes zoeken op het strand.

„Gij zult zeker ook al goed kunnen varen?” vroeg ik aan Emily. Ik weet niet of ik het zelf geloofde, maar ik vond het beleefd iets te zeggen van dien aard; bovendien werd op dit oogenblik in hare mooie, schitterende oogen een zeil weerkaatst, dat in onze nabijheid was, zoodat deze vraag plotseling in mij opkwam.

„Neen,” antwoordde Emily, haar hoofdje schuddend, „ik ben bang voor de zee.”

„Bang!” riep ik, op het punt om stoutmoedig te worden en met een trotschen blik naar den oceaan. „Ik ben niet bang!”

„O, de zee is zoo wreed,” zei Emily. „Ik heb gezien hoe wreed de zee kan zijn voor sommigen. Ik heb de zee een schuit in stukken zien slaan, zoo groot als ons huis.”

„Ik hoop toch dat het de schuit niet was, waarmede....”

.... „Mijn vader verongelukt is?” zei Emily. „Neen. Die was het niet; ik heb die nooit gezien.”

„Maar uw vader toch wel?” vroeg ik.

De kleine Emily schudde het hoofd. „Ik kan er mij niets van herinneren.”

Dat was een punt van overeenkomst in ons leven. Ik begon onmiddellijk te vertellen dat ik mijn eigen vader ook nooit gezien had en dat mijne moeder en ik altijd zoo heel gelukkig samen waren geweest en hoopten altijd zoo gelukkig te zullen blijven; dat het graf van mijn vader op het kerkhof was dicht bij ons huis, dat er een groote boom bij stond en dat ik daar dikwijls des morgens de vogels hoorde zingen. Toch was er naar het bleek een groot verschil in Emily's leven en het mijne. Zij had hare moeder nog vóór haar vader verloren en waar het graf van haar vader was wist niemand—hij lag ergens op den bodem van de zee.

„Buitendien,” zei Emily, schelpen en steentjes zoekende, „uw vader was een heer en uwe moeder is eene dame en mijn vader was een visscher en mijne moeder was de dochter van een visscher en mijn oom Dan is ook een visscher.”

„Is uw oom Dan dezelfde als baas Peggotty?” vroeg ik.

„Oom Dan.... ginds!” antwoordde Emily en wees naar ons huis.

„Ja, ik bedoel _hem_. Hij moet erg goed zijn.... ten minste, dat denk ik zoo.”

„Goed?” zei Emily. „Als ik ooit eene dame word, geef ik hem een hemelsblauw buis met diamanten knoopen, een nanking broek, een rood fluweelen vest, een hoed met goud, een groot gouden horloge, een zilveren pijp en een beurs met geld.”

Ik antwoordde dat baas Peggotty al die schatten zeker wel verdiende, maar ik moet bekennen, dat het mij wel eenigszins moeielijk viel mij voor te stellen, dat baas Peggotty zich erg op zijn gemak zou gevoelen in de kleedij, die zijn dankbare, kleine nichtje voor hem had uitverkoren, vooral wat betrof den gegaloneerden hoed; maar ik hield deze opmerking maar voor mij zelven alleen.

De kleine Emily had het schelpen zoeken gestaakt en keek bij de opsomming van al deze heerlijkheden naar den hemel, alsof zij daar een visioen zag, waarin dat alles eenmaal werkelijkheid zou zijn. Daarna gingen wij voort met onze onschuldige bezigheid.

„Zoudt gij wel eene dame willen zijn?” vroeg ik.

Emily keek mij aan en lachte en knikte „ja.”

„Heel gaarne,” zeide zij. „Dan zouden wij allen te zamen heeren en dames zijn. Ik en Oom en Ham en juffrouw Gummidge. Dan zou het ons weinig kunnen schelen of er stormweer in aantocht was. Ik bedoel: voor ons zelven. Maar voor de arme visschers zouden wij heel goed zijn en wij zouden hun geld geven wanneer er weder een ongeluk plaats had.”

Deze wensch kwam mij zeer billijk en daarom de vervulling niet al te onwaarschijnlijk voor. Ik verdiepte mij gaarne met haar in zulk eene schoone toekomst en kleine Emily was ondeugend genoeg om te zeggen, hoewel schuchter:

„Meent ge nu nog dat gij niet bang zijt voor de zee?”

De zee was kalm genoeg om mij gerust te stellen, maar ik zou zonder twijfel het hazenpad gekozen hebben, indien ik een eenigszins hooge golf had zien aanrollen, zoo angstig had mij het verhaal van al hare verdronken bloedverwanten gemaakt. Toch zei ik „neen” en voegde er bij: „Gij schijnt er ook niet bang voor te zijn, al zegt gij het”; zij liep op dit oogenblik veel te dicht langs den kant van een uitstek of houten steiger, waarop wij gespeeld hadden en ik was bang dat zij er af zou vallen.

„Voor mij zelve ben ik niet bang,” zei kleine Emily, „maar wanneer de storm des nachts zoo hevig loeit, kan ik niet slapen uit angst voor oom Dan en Ham en meen ik hen om hulp te hooren roepen. Daarom zou ik ook zoo gaarne een dame willen zijn. Maar voor mij zelve ben ik niet bang.... niets; kijk maar!”

Zij snelde vooruit, langs een balk, die boven het water uitstak en geen enkel houvast aanbood. Dit voorval heeft zulk een indruk op mij gemaakt, dat, ware ik een teekenaar, ik het nu nog zou kunnen weergeven, juist zooals het plaats had; de kleine Emily, in haar verderf loopende—zooals mij toen voorkwam—met den blik op de zee gevestigd. Nimmer zal dat beeld uit mijn geheugen verdwijnen.

De kleine, lichte, vermetele gedaante kwam heelhuids bij mij terug en weldra lachte ik om mijn angst en om den kreet, dien ik had geuit; vruchteloos in elk geval, want er was niemand in de nabijheid. Op lateren leeftijd heb ik dikwerf gedacht: zou het mogelijk zijn, dat de plotselinge roekeloosheid van het kind en haar starende blik over de eindelooze watervlakte het gevolg waren van eene geheimzinnige aantrekkingskracht, die van haar overleden vader uitging? Heeft hij haar dien dag tot zich gewenkt? Er zijn oogenblikken geweest in mijn leven, waarin ik mij heb afgevraagd, of, indien haar lot mij op dat oogenblik ware geopenbaard, zoodat een kind het begrijpen kon, en haar behoud had afgehangen van eene enkele beweging mijner hand, ik de hand zou hebben mogen uitstrekken om haar te redden. Er is een tijd geweest—ik zeg niet dat die tijd lang heeft geduurd, maar hij is er geweest—dat ik mij zelven heb afgevraagd of het niet beter geweest ware, als ik de kleine Emily dien morgen voor mijne oogen had zien verdrinken, en dat ik moest antwoorden: „Ja....”

Maar ik loop mijne geschiedenis vooruit. Ik schreef dit te spoedig, doch laat het nu maar staan.

Wij speelden langen tijd te zamen en stopten onze zakken vol met allerlei dingen, die in onze oogen zeldzaam waren, en brachten eenige zeesterren, die op het droge verdwaald waren, zoo voorzichtig mogelijk in het water terug—ik ben zelfs nu nog niet genoeg vertrouwd met de gewoonten van deze dieren, om te weten of ze ons daarvoor dankbaar moesten zijn of niet—en daarna gingen wij naar huis terug. Wij bleven een oogenblik achter den uitbouw staan en wisselden een onschuldigen kus, waarna wij blakend van gezondheid en levenslust op het ontbijt aanvielen.

„Precies twee jonge lijsters,” zei baas Peggotty, welk gezegde ik als een compliment opvatte.

Natuurlijk was ik verliefd op Emily. Ik ben overtuigd, dat ik het kind even oprecht, even teeder, doch reiner en onzelfzuchtiger liefhad dan eene liefde op lateren leeftijd, hoe rein en edel ook, zijn kan. In mijne verbeelding was het lieve kind met hare mooie, blauwe oogjes een klein hemelsch wezentje, een engeltje en had zij op een zonnigen morgen plotseling een paar vleugeltjes uitgespreid om voor mijne oogen weg te vliegen, dan zou mij dat volstrekt niet verbaasd hebben. Ik verwachtte eigenlijk niet anders.

Uren achtereen wandelden wij in die dagen te zamen over de eentonige vlakte bij Yarmouth. De dagen vlogen voorbij. Ik vertelde Emily dat ik haar aanbad en dat, zoo zij mij dezelfde bekentenis niet deed, ik genoodzaakt zou zijn mij met een sabel dood te steken. Zij bekende mij echter dat zij mij ook lief had; en ik ben overtuigd dat zij het deed. Bezwaren over verschil in opvoeding en stand of over onzen jeugdigen leeftijd hadden wij niet; wij dachten immers niet verder dan aan het heden. Het woord toekomst kenden wij zelfs niet. Wij dachten evenmin aan ouder worden als aan jonger worden. Peggotty en juffrouw Gummidge waren in ééne bewondering van ons en als wij des avonds kinderlijk verliefd naast elkander op het kleine bankje zaten, fluisterden zij meer dan eens: „Hemel, hoe lief!” Baas Peggotty zat, met een glimlach op zijn gelaat, over zijne pijp heen naar ons te kijken en Ham grinnikte den geheelen avond—anders deed hij niets. Ik vermoed dat zij met evenveel genoegen naar ons keken als zij naar een mooi stuk speelgoed of naar een miniatuur-afbeeldsel van het Colosseum zouden gekeken hebben.

Spoedig kwam ik tot de ontdekking dat juffrouw Gummidge niet altijd zulk een lief humeur had, als zij, de omstandigheden en hare verhouding tot baas Peggotty in aanmerking genomen, wel had mogen hebben. Juffrouw Gummidge kon zelfs bijzonder kwade buien hebben en schreide veel meer dan in zulk een bekrompen verblijf voor de andere bewoners wenschelijk was. Ik had veel medelijden met haar, maar er waren oogenblikken, waarin ik dacht dat het aangenamer zou geweest zijn, indien juffrouw Gummidge een lief kamertje voor zich alleen had gehad en daar was gebleven tot de bui over was.

Baas Peggotty ging nu en dan naar een herberg „Het Dorstige Hart” genaamd. Ik ontdekte dit, toen hij den derden of vierden avond van mijn verblijf in Yarmouth uit was, aan de wijze waarop juffrouw Gummidge telkens naar de ouderwetsche klok keek en aan haar gezegde dat hij daarheen was en dat, wat meer zeide, zij 's morgens reeds geweten had dat hij er heen zou gaan. Juffrouw Gummidge was den geheelen dag uit haar humeur geweest en in den voormiddag, toen het vuur rookte, in tranen uitgebarsten. „Ik ben een ellendig, ongelukkig schepsel,” had zij gezegd, toen die onaangename gebeurtenis voorviel, „alles loopt mij altijd tegen.”

„O, het zal wel spoedig ophouden,” zei Peggotty—ik bedoel weder _onze_ Peggotty—„en bovendien, het is voor ons toch even onaangenaam als voor u.”

„Ik voel het veel erger,” zei juffrouw Gummidge.

Het was een bijzonder koude dag; de wind blies scherp over de vlakte. Juffrouw Gummidge's hoekje aan den haard scheen mij het warmste en gezelligste plekje toe uit het geheele vertrek, evenals haar stoel de zachtste en gemakkelijkste zitplaats was; maar dien dag was zij met niets tevreden. Zij klaagde voortdurend over de koude en beweerde dat deze haar een ongemak in den rug zou bezorgen, „de kruipziekte”, zooals zij het noemde. Eindelijk begon zij ook daarover weder te schreien en beweerde zij nogmaals, dat zij een ellendig en ongelukkig schepsel was en dat alles haar altijd tegenliep!