Het leven en de lotgevallen van David Copperfield
Part 39
O, die angst, die wroeging en schaamte, toen ik den volgenden morgen weder tot bewustzijn was gekomen! O, dat afgrijzen van mij zelven, die angst, dat ik minstens duizend misdrijven had gepleegd, die ik allen vergeten had en waarvoor ik nimmer boete zou kunnen doen—de herinnering aan dien onvergetelijken blik, waarmede Agnes mij had aangekeken—de marteling omdat ik haar onmogelijk iets van mij kon laten weten, want in mijne afschuwelijke dronkenschap had ik niet gevraagd, hoe zij te Londen kwam en waar zij logeerde—de walging, die ik ondervond bij den aanblik van de kamer, waar het drinkgelag was gehouden—het bonzen in mijn hoofd—de stank van de sigarenrook, al die glazen en eindelijk de onmogelijkheid om uit te gaan, ja, zelfs om op te staan! O, welk een vreeselijken dag bracht ik door!
O, welk een avond, toen ik bij den haard zittende, met een kop bouillon van lamsvleesch, waarop tallooze oogjes vet dreven, in de hand, meende den weg op te zullen gaan van mijn voorganger. Een oogenblik kwam het plan in mij op om naar Dover te snellen en alles te bekennen! Welk een avond, toen juffrouw Crupp binnenkwam om den bouillonkop weg te halen en mij, als eenig overblijfsel van het feest, een klein nierenbroodje te brengen en ik werkelijk eene opwelling kreeg om mij aan hare nankingsche borst te werpen en vol berouw uit te roepen: „O, juffrouw Crupp, juffrouw Crupp, laat die klieken maar blijven! Ik voel mij zoo ellendig!”—De eenige reden, die mij weerhield, was de twijfel of juffrouw Crupp wel de persoon was om zooveel vertrouwen in te stellen!
XXV.
Goede en booze engelen.
Toen ik op den morgen na dien dag van hoofdpijn, berouw en ellende—op zonderlinge wijze in de war omtrent den datum van mijn diner, alsof een troep Titans met een reusachtigen hefboom den dag van eergisteren eenige maanden hadden teruggewrongen—op het punt was om uit te gaan, zag ik een boodschaplooper de trap opkomen met een brief in de hand. Op dit oogenblik nam hij de zaak, waarover hij was uitgezonden, heel kalmpjes op, maar toen hij mij bovenaan de trap over de leuning zag kijken, versnelde hij zijn gang en kwam boven, hijgende alsof hij zich bijzonder had uitgesloofd.
„Is u mijnheer T. Copperfield?” vroeg hij met zijn klein stokje even tegen zijn hoed tikkend.
Ik kon nauwelijks antwoord geven, zoo ontroerde ik bij de gedachte, dat deze brief van Agnes zijn moest. Evenwel, ik zei, dat ik mijnheer T. Copperfield was en hij geloofde het, gaf mij den brief en bleef wachten op antwoord.
Ik liet hem op het portaal wachten, ging mijn kamer binnen, sloot de deur en was zoo zenuwachtig, dat ik eerst den brief op de ontbijttafel moest neerleggen en den buitenkant nog eens goed bekijken eer ik besluiten kon het zegel te verbreken. Het was een vriendelijk briefje, waarin geen woord gerept werd van onze ontmoeting in de komedie. Het behelsde niets anders dan: „Beste Trotwood. Ik logeer bij een agent van papa, bij mijnheer Waterbrook, Ely-plein, Holborn. Komt gij mij vandaag een bezoek brengen? Bepaal zelf het uur maar. Steeds uwe u liefhebbende Agnes.”
Ik had zooveel tijd noodig om een antwoord op te stellen, dat mij voldeed dat ik niet weet wat de boodschaplooper wel van mij gedacht moet hebben, tenzij hij meende, dat ik nog moest leeren schrijven. Ik moet wel een half dozijn antwoorden geschreven hebben. Een er van begon: „Hoe kan ik ooit de hoop koesteren, lieve Agnes, den walgelijken indruk uit te wisschen,” dat beviel mij niet en werd verscheurd. Een ander begon: „Shakespeare zegt, lieve Agnes, ‚wat is het toch vreemd, dat iemand zoo dikwijls zijn vijand in den mond steekt’”—dit herinnerde mij aan Markham en werd daarom niet voortgezet. Ik beproefde zelfs in versmaat te antwoorden, maar ook dat gelukte niet. Eindelijk nam ik genoegen met het navolgende: „Lieve Agnes. Uw briefje is gelijk gij zelve zijt. Kan ik er grooter loftuiting aan brengen dan deze? Ik kom te vier uur. Uwen u toegenegen en berouwvolle T. C.” Met dit briefje, dat ik, zoodra het uit mijne handen was, weder wilde terughalen, vertrok de looper eindelijk.
Indien deze dag voor een der ambtenaren van Doctors' Commons half zoo vreeselijk was als voor mij, dan was het zeker tot straf voor zijn aandeel in die oude, vermolmde, kerkelijke rommelzoo. Ik verliet het kantoor alzoo te half vier en stond reeds eenige minuten later de aangeduide woning te bespieden, maar toch was het ruim kwartier over vieren op de klok van de St. Andreaskerk, eer ik genoeg moed bijeengezameld had om de hand naar de huisschel uit te strekken, die in den linker deurpost van mijnheer Waterbrook's woning was aangebracht. Het kantoor van mijnheer Waterbrook was op de benedenverdieping, terwijl op de tweede bezoeken werden ontvangen. Ik werd in een lief, doch eenigzins smal salon gelaten, waar Agnes aan een beursje zat te werken. Zij zag er zoo lief en kalm uit en herinnerde mij zoo sterk aan den onbezorgden, schuldeloozen schooljongen in Canterbury, in tegenstelling van den lompen, dronken, met sigarendamp doortrokken ellendeling in de komedie, dat ik mij geheel overgaf aan mijne opwelling van schaamte en berouw, kortom, mij erg dwaas aanstelde. Ik geloof zelfs, dat de waterlanders te voorschijn kwamen. Tot op dit oogenblik heb ik nog niet met zekerheid kunnen bepalen of dit de verstandigste dan wel de belachelijkste partij was, die ik kiezen kon.
„Als het iemand anders ware geweest, Agnes,” sprak ik, mijn hoofd afwendende, „zou het mij niet half zooveel leed doen! Maar dat gij mij in dien toestand zien moest! O, ik wilde dat ik vóór dien tijd maar gestorven was!”
Zij legde haar handje gedurende een oogenblik op mijn arm—zoo kon alleen hare hand mij aanraken—en ik voelde mij daardoor zoo getroost en bemoedigd, dat ik niet kon nalaten die hand dankbaar te kussen.
„Ga zitten,” zei Agnes op vroolijken toon. „Wees niet zoo verdrietig, Trotwood. Indien gij mij niet zoudt kunnen vertrouwen, in wie zoudt gij dan wel vertrouwen kunnen stellen?”
„O, Agnes!” antwoordde ik. „Gij zijt mijn goede engel!”
Zij glimlachte, maar er lag, naar het mij voorkwam, iets droevigs in dien lach.
„Ja, Agnes, mijn goede engel. Altijd mijn goede engel!”
„Indien ik dat was, Trotwood, zou er één ding zijn, dat ik niet in mijn hart mocht opsluiten,” antwoordde zij.
Ik keek haar vragend aan, doch had reeds een vaag vermoeden van hetgeen zij bedoelde.
„Ik zou u waarschuwen,” hernam zij en keek mij daarbij scherp aan, „tegen uw boozen engel.”
„Maar, lieve Agnes,” riep ik uit, „gij bedoelt Steerforth toch niet....”
„Ja, zeker, Trotwood,” antwoordde zij.
„Dan verkeert gij in eene grove dwaling, Agnes. Steerforth.... mijn booze engel of van wien ook! Hij, mijn leidsman, mijn beschermer en vriend! Maar, lieve Agnes! Is het niet onbillijk en geheel in strijd met uw eerlijk hart, hem te beoordeelen naar hetgeen gij op dien bewusten avond van mij gezien hebt?”
„Ik beoordeel hem niet naar hetgeen ik dien bewusten avond van u gezien heb,” antwoordde zij kalm.
„Naar wat dan?”
„Naar vele dingen.... beuzelingen op zich zelve, maar allen te zamen genomen voor mij ernstig genoeg. Ik beoordeel hem voornamelijk naar hetgeen gij van hem verteld hebt, Trotwood, en naar den invloed, dien hij op u heeft geoefend.”
Er was in hare lieve stem altijd iets, dat een snaar in mijn binnenste scheen aan te roeren, die alleen bij deze aanraking trilde. Het was altijd een ernstige klank, maar als die heel ernstig was, zooals nu, dan trilde de snaar zoo, dat ik er geheel door werd overmeesterd. Ik bleef haar aanstaren, terwijl zij haar hoofd over haar werk boog; ik zat nog naar haar te luisteren, hoewel zij niet meer sprak en hoe ik ook aan Steerforth gehecht was, op dit oogenblik kwam de aureool, waarin hij mij altijd verschenen was, mij minder schitterend voor.
„Het is wel vermetel van mij,” hervatte Agnes, opkijkende, „van mij, die steeds in zulk een afzondering heb geleefd en zoo weinig van de wereld ken, u raad te willen geven en zelfs zulk een bepaalde meening uit te spreken. Maar ik weet, waarin die vermetelheid haar oorsprong vindt, Trotwood: in de herinnering aan onze gemeenschappelijke opvoeding en in mijne belangstelling in alles wat u betreft. Dit is het, wat mij zoo vermetel maakt. Ik ben er zeker van, dat het dit is. Ik heb een gevoel alsof er iemand anders tot u spreekt, wanneer ik u waarschuw, dat gij een gevaarlijken vriend hebt.”
Wederom keek ik haar aan, wederom luisterde ik naar haar, nadat zij reeds langen tijd zweeg, en wederom verbleekte het beeld, dat zich zulk een eereplaats in mijn hart veroverd had.
„Ik ben niet zoo onredelijk om te verwachten,” zei Agnes op haar gewonen toon, „dat gij op eenmaal afstand wilt of kunt doen van een gevoel, dat eene overtuiging voor u geworden is, dat in uw trouwe hart is vastgeworteld. Gij moogt dat zelfs niet overhaast doen. Ik vraag u alleen of gij altijd aan mij denken zult..... ik bedoel, Trotwood,” vervolgde zij met een kalmen glimlach, want ik was op het punt om haar in de rede te vallen en zij wist waarom, „ik bedoel dat gij, telkens wanneer gij aan mij denkt, ook zult denken aan hetgeen ik u gezegd heb. Wilt gij mij nu dit alles wel vergeven?”
„Ik zal het u vergeven, Agnes,” antwoordde ik, „wanneer gij Steerforth recht wilt laten wedervaren en evenveel van hem houden wilt als ik doe.”
„Niet eerder?” vroeg Agnes.
Ik zag een schaduw over haar gelaat glijden toen ik zijn naam noemde, maar zij beantwoordde mijn glimlach, en de ongedwongen vertrouwelijke toon van vroeger keerde terug.
„En wanneer, Agnes,” vroeg ik, „zult gij mij het gebeurde van dien avond vergeven?”
„Wanneer ik er weder aan denk,” zei Agnes.
Zij had op deze wijze van het onderwerp willen afstappen, maar ik was er te zeer mede vervuld om daarin te kunnen bewilligen; ik moest haar vertellen hoe het gekomen was, dat ik mij zoo was te buiten gegaan en welk een reeks van toevallige omstandigheden mij eindelijk in de komedie had gebracht. Het was werkelijk eene verademing voor mij, dat ik het doen kon, dat ik eens kon uitweiden over de verplichting, die ik aan Steerforth had voor de wijze, waarop hij voor mij zorg gedragen had, toen ik niet meer in staat was om voor mij zelven te zorgen.
„Gij moet niet vergeten,” zei Agnes kalm op een ander onderwerp overgaande, zoodra ik had uitgesproken, „dat gij mij altijd zoudt vertellen, als gij op de eene of andere wijze in moeilijkheden geraakt of verliefd wordt. Wie is de opvolgster van juffrouw Larkins, Trotwood?”
„Niemand, Agnes.”
„Jawel, er is wel iemand, Trotwood,” zei Agnes lachend en met opgeheven vinger.
„Neen, Agnes, op mijn woord niet! De eenige dame, met wie ik hier heb kennis gemaakt, is een zekere juffrouw Dartle, een zeer verstandig meisje; zij woont bij Steerforth's mama. Ik ben echter niet verliefd op haar, al praat ik gaarne met haar.”
Agnes lachte om haar eigen scherpzinnigheid en zei, dat, indien ik vertrouwen in haar bleef stellen, zij een klein register zou aanleggen van al mijne verliefdheden, met de datums, den duur en den afloop van elke afzonderlijk, op de wijze als de tafels van de regeeringen der koningen en koninginnen van Engeland. Daarna vroeg zij of ik Uriah ook gezien had.
„Uriah Heep?” riep ik: „Neen! Is hij in Londen?”
„Hij komt elken dag beneden op het kantoor,” antwoordde Agnes. „Hij was reeds een week vóór mij in Londen. Ik vrees voor onaangename zaken, Trotwood.”
„Gij maakt u toch over niets ongerust, Agnes?” vroeg ik. „Welke onaangename zaken kunnen dat zijn?”
Agnes legde haar werk ter zijde, vouwde de handen over elkander en antwoordde mij met dien eigenaardigen, zachten oogopslag: „Ik vermoed, dat hij een compagnieschap wenscht aan te gaan met papa.”
„Wat? Uriah? Die gemeene, lage kerel zou het zoover brengen met zijne kruiperige manieren?” riep ik verontwaardigd uit. „Hebt gij u daar niet tegen verzet, Agnes? Bedenk eens, hoe nauw de betrekking dan met hem worden zal! Gij moet het afraden! Gij moet uw vader van zulk een dwazen stap terughouden, gij moet het beletten, Agnes! Nu is het nog niet te laat!”
Agnes keek mij hoofdschuddend aan, terwijl ik sprak, en antwoordde met een dankbaren blik voor mijn warm pleidooi:
„Gij herinnert u zeker ons laatste gesprek over papa? Niet lang daarna—ongeveer twee of drie dagen—gaf hij mij voor het eerst iets te kennen van hetgeen ik u nu vertel. Het was treurig hem te zien worstelen tusschen den wensch om het mij te doen voorkomen, alsof het zijne vrije keuze was, en de onmogelijkheid om te verbergen, dat hij er toe genoodzaakt werd. O, ik had zoo'n medelijden met hem.”
„Genoodzaakt, Agnes? Wie noodzaakt hem daartoe?”
„Uriah,” antwoordde zij na even geaarzeld te hebben, „heeft zich onmisbaar gemaakt voor papa. Hij is slim en opmerkzaam. Hij heeft papa op diens zwakheden betrapt, ze bevorderd en er partij van getrokken, totdat—om alles wat ik bedoel maar in een enkel woord uit te spreken, Trotwood—totdat papa bang voor hem is geworden.”
Ik zag duidelijk, dat zij nog meer had kunnen zeggen, dat zij nog meer wist of vermoedde; maar ik wilde haar geen leed doen door te vragen wat het was, want ik begreep, dat zij het voor mij verborgen hield uit liefde voor haar vader. Ik voelde, dat het langzaam maar zeker zoover had moeten komen, ja, bij eenig nadenken moest ik wel beseffen, dat het eindelijk zoo ver had moeten komen. Ik kon er niets op antwoorden.
„Zijn invloed op papa is zeer groot,” hernam Agnes. „Hij geeft altijd voor nederig en dankbaar te zijn—misschien meent hij dat oprecht; ik hoop het ten minste; maar zijne positie verschaft hem macht over papa en ik vrees, dat hij er veel gebruik van maakt.”
Ik zei dat hij een gemeene hond was—voor het oogenblik was dit eene groote voldoening voor mij.
„Even vóór het tijdstip waarop papa mij deze mededeeling deed,” vervolgde Agnes, „had hij papa gezegd, dat hij voornemens was heen te gaan, dat het hem wel speet, maar dat hij betere vooruitzichten had. Papa was toen zeer neerslachtig en ging zoo gebukt onder de zorgen, als gij noch ik hem ooit gekend hebben; het denkbeeld van eene associatie scheen hem wat moed te geven, ofschoon hij er zich te gelijkertijd over scheen te schamen.”
„En wat zeidet gij op dat bericht, Agnes?”
„Ik hoop gedaan te hebben wat goed was,” antwoordde zij. „Ik voelde, dat dit offer voor papa's rust noodzakelijk was en drong er dus op aan, dat hij het zou brengen. Ik zeide dat het den last, die op zijne schouders drukte, zou verlichten—God geve, dat het zoo zijn zal!—en dat ik daardoor meer gelegenheid zou hebben om met hem samen te zijn. O, Trotwood!” sprak Agnes met de handen voor het gelaat om hare tranen te verbergen, „ik had een gevoel alsof ik een vijand was van papa, in plaats van zijn liefhebbend kind. Want ik wist hoe zijne liefde voor mij hem heeft doen veranderen. Ik wist hoe hij den kring zijner belangstelling en zijner plichten al nauwer en nauwer heeft doen worden ter wille van mij; hoe zijn angst voor mij een schaduw op zijn leven geworpen, zijne kracht en zijne energie verlamd hebben; van hoeveel hij heeft afgezien ter wille van mij. Kon ik dat maar ooit in het reine brengen! Kon ik maar zijne genezing bewerken evenals ik de onschuldige oorzaak geweest ben van zijn verval!”
Ik had Agnes nog nooit zien schreien. Ja ik had tranen in haar oogen gezien, wanneer ik prijzen medebracht van de school; ik had ze gezien toen wij dat gesprek hadden gehad over haar vader; en ik had ook gezien hoe zij haar lieve kopje afwendde toen wij afscheid namen, maar zoo bedroefd als op dit oogenblik had ik haar nooit gezien. Ik was er zoo door ontroerd, dat ik niet dan op onhandige wijze, heel dwaas, zeggen kon: „Doe dat niet, Agnes! Doe dat niet, lief zusje.”
Agnes stond, wat haar karakter en haar geestkracht betrof, te ver boven mij—ik weet dat nu en het doet er niet toe of ik dat toen wist of niet wist—om lang behoefte te hebben aan mijne smeekbeden. De lieve, kalme uitdrukking in haar mooi gezichtje, die haar in mijne herinnering van ieder ander meisje onderscheidde, keerde terug, alsof er een wolkje langs een helderblauwen hemel was gedreven.
„Wij zullen waarschijnlijk niet lang meer alleen blijven,” hernam Agnes: „laat ik u dus, terwijl ik nog in de gelegenheid ben, verzoeken, vriendelijk te zijn jegens Uriah. Stoot hem niet af. Toon hem niet, dat gij hem niet genegen zijt, al zoudt gij dat ook nog zoo gaarne willen. Misschien verdient, hij uwe minachting niet, want met zekerheid kunnen wij hem van geen kwaad beschuldigen. Denk in elk geval eerst aan papa en mij!”
Agnes had geen gelegenheid om meer te zeggen, want de kamerdeur werd geopend en mevrouw Waterbrook kwam binnen zeilen; het was een breede dame of liever.... zij droeg zulke omvangrijke kleederen, dat ik niet met zekerheid kon bepalen waar de dame begon en de kleederen eindigden en omgekeerd. Eene vage herinnering doemde in mij op, dat ik haar in de komedie gezien had, ongeveer zoo alsof ik haar in eene flauwe tooverlantaarn had gezien; het scheen dat zij zich mijn gezicht uitstekend herinnerde en mij heimelijk verdacht van nog dronken te zijn. Langzamerhand kwam zij toch tot de overtuiging, dat ik nuchter en een bescheiden jongmensch was; zij werd veel vriendelijker en vroeg mij eerst of ik veel in de parken wandelde en daarna of ik dikwijls de societeit bezocht. Aangezien ik deze beide vragen ontkennend beantwoordde, scheen hare goede opinie omtrent mijn persoon te verminderen, maar zij was zoo beleefd om dat te verbergen en mij voor den volgenden dag aan hare tafel te noodigen. Ik nam deze uitnoodiging aan en vertrok, terwijl ik beneden komende naar Uriah informeerde en, aangezien hij niet aanwezig was, een kaartje voor hem achterliet.
Toen den volgenden dag de huisdeur voor mij geopend werd, kwam het mij voor alsof ik plotseling in een dampbad van gebraden schapebout stapte, welke omstandigheid mij deed vermoeden dat _ik_ niet de eenige gast was; bovendien herkende ik onmiddellijk den boodschaplooper, die in eene toepasselijke vermomming den huisknecht behulpzaam was en aan den voet van de trap wachtte om mij aan te dienen. Toen hij mijn naam vroeg deed hij zijn uiterste best, om mij als een onbekende te behandelen, maar ik herkende hem en hij herkende mij.
Mijnheer Waterbrook was iemand van middelbaren leeftijd met korten nek, een reusachtig overhemd en een gezicht, waaraan alleen de zwarte neus ontbrak om den eigenaar op een puckhondje te doen gelijken. Hij vertelde mij, dat het hem zeer verheugde de eer te mogen genieten kennis met mij te maken en nadat ik de verschuldigde hulde aan mevrouw Waterbrook bewezen had, stelde hij mij met veel plechtigheid voor aan eene reusachtige dame in een zwart fluweelen japon en met een grooten, zwart fluweelen hoed op. Deze dame maakte den indruk op mij, dat zij wel een bloedverwant van Hamlet zijn kon—zijne tante bijvoorbeeld. Zij heette mevrouw Henry Spiker en haar echtgenoot behoorde ook tot de genoodigden; nooit ontmoette ik een man, die kouder indruk maakte dan mijnheer Spiker; zijn hoofd was niet grijs, maar scheen bestrooid te zijn met rijp. Mijnheer en mevrouw Spiker werden met in het oog vallenden eerbied bejegend; volgens Agnes was dit het gevolg van zijne betrekking: hij was iets—wat weet ik niet meer—bij de schatkist. Uriah Heep behoorde ook tot het gezelschap; hij was in het zwart, en o, zoo nederig! Terwijl wij elkander de hand gaven, zei hij er trotsch op te zijn, door mij opgemerkt te worden en bedankte hij mij voor mijne vriendelijkheid. Ik kon den wensch niet onderdrukken, dat hij wat minder erkentelijk ware geweest, want hij bleef den geheelen avond om mij heen dwalen en wanneer ik maar een woord met Agnes wisselde, kon ik zeker zijn, dat hij met zijne onbeschaamde oogen en zijn lijkkleurig gezicht als een spook om ons heen waarde om ons te beluisteren.
Er waren nog meer gasten, die allen naar het mij voorkwam, evenals de champagne, voor deze gelegenheid in het ijs waren gezet. Een van hen trok echter reeds mijne aandacht nog eer hij binnen was, omdat ik hem hoorde aandienen met den naam Traddles! Mijn geest vloog terug naar Salem House; zou het Tommy kunnen zijn, Tommy, die altijd geraamten teekende op zijne lei? Met buitengewone belangstelling keek ik naar hem uit. Daar trad een jonge man de kamer binnen, zeer stemmig gekleed, met kalme, bedaarde manieren, vreemdsoortig gekapt haar en bijzonder wijd geopende oogen; ik had geen tijd om hem nauwkeurig gade te slaan, zoo spoedig was hij in een van de donkerste hoekjes verdwenen. Eindelijk kreeg ik hem goed in het oog en, ja, dat was mijn oude, miskende Tommy of—mijne oogen hadden mij al heel erg moeten bedriegen.
Ik ging naar mijnheer Waterbrook en zei dat ik meende het genoegen te hebben een ouden schoolkennis te zien.
„Zoo? Waarlijk?” antwoordde mijnheer Waterbrook verrast. „Gij zijt toch nog te jong om met mijnheer Henry Spiker op school te zijn geweest?”
„O, dien bedoel ik niet!” zei ik. „Ik bedoel mijnheer Traddles.”
„O, zoo! zoo! waarlijk!” zei mijn gastheer, wiens belangstelling plotseling zeer gedaald was. „Dat is mogelijk.”
„Indien hij dezelfde is dien ik bedoel,” ging ik voort, „dan hebben wij elkander op Salem House gekend, een school in de nabijheid van Londen. Hij was een beste, brave jongen.”
„O, zeker! Traddles is een beste jongen,” zei mijn gastheer, terwijl hij zijn hoofd schudde alsof hij zeggen wilde: „wij dulden hem hier.” „Ja, Traddles is een beste jongen.”
„Het is wel toevallig,” hernam ik.
„Ja, dat is het,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „het is zeer toevallig, dat Traddles hier is hedenavond; hij is van morgen nog genoodigd, omdat de broeder van mevrouw Henry Spiker ongesteld is en er dus eene plaats aan tafel onbezet zou zijn geweest. Een hoogst fatsoenlijk man, die broeder van mevrouw Henry Spiker, mijnheer Copperfield.”
Ik mompelde iets, dat op een toestemming geleek, maar ik kende den persoon, over wien mijnheer Waterbrook sprak, volstrekt niet.
„Welke betrekking bekleedt mijnheer Traddles?” vroeg ik.
„Traddles,” antwoordde mijnheer Waterbrook, „is meester in de rechten. Ja, hij is een beste jongen ....... hij heeft geen enkelen vijand dan zich zelf.”
„Wat? Is hij zijne eigen vijand?” vroeg ik. Het speet mij dat te hooren.
„Ja,” antwoordde mijnheer Waterbrook, terwijl hij zijne mond samentrok en met zijn horlogeketting speelde op de wijze van iemand, wien het goed gaat in de wereld. „Ik moest eigenlijk zeggen, dat hij een van die menschen is, welke zich zelven in het licht staan. Ik zou wel een weddenschap durven aangaan, dat hij nooit vijfhonderd pond waard zal zijn. Traddles was mij aanbevolen door een collega .... ja, hij heeft eenig talent om iets te stellen en behoorlijk op schrift te brengen .... zeker .... ik kan hem nu en dan ook wel eens iets opdragen, iets dat voor hem .... heel aardig is. O, zeker, zeker....”
De genoegelijke, zelfgenoegzame wijze, waarop mijn gastheer die kleine woordjes als „ja” en „zeker” uitsprak, trok mijne aandacht. Daar lag eene wonderlijke uitdrukking in. Ik dacht aan het verhaal van den man, die, om niet te zeggen met den helm, dan toch met een stormladder geboren was en al de sporten, een voor een, geleidelijk, zonder eenige moeite zijnerzijds, was opgeklommen en nu, van de bovenste sport, met een wijsgeerigen, beschermenden blik op de wormen aan den voet van de ladder neerkeek.
Nog was ik verdiept in mijne overpeinzingen betreffende deze parabel, toen de gasten aan tafel verzocht werden. Mijnheer Waterbrook bood den arm aan Hamlet's tante; mijnheer Henry Spiker aan mevrouw Waterbrook; Agnes, die ik gaarne naar tafel geleid zou hebben, was in beslag genomen door een onnoozelen hals met slappe beenen. Uriah, Traddles en ik kwamen, als de jongsten van het gezelschap, achteraan. Mijne teleurstelling omdat Agnes mij ontgaan was, werd getemperd, omdat mij daardoor de gelegenheid werd gegeven de kennismaking met Traddles te hernieuwen, die mij met groote blijdschap begroette; terwijl Uriah zoo kruiperig en nederig naast ons voortstapte, dat ik hem gaarne over de trapleuning zou hebben gesmeten.